![]() |
| Sijsele - 120318 |
donderdag 17 mei 2012
schrikkel 133a
Het valt me moeilijk om me voor te stellen, en te aanvaarden, dat de man met wie ik nog geen jaar geleden meer dan een halfuur heb staan praten over zijn fietsreizen naar Compostela daar languit in die auto ligt, in een kist in die auto, in een sobere kist met een prachtig boeket van witte lelies erbovenop. De kerk – een Sint-Jacobskerk, dat komt goed uit – loopt helemaal vol, de plechtigheid is in hoge mate seculier, de toespraken zijn ingetogen en zinvol, een tekst van O. zelf, getiteld ‘Het streven naar geluk’, raakt mij heel diep. Tot diep in mijn hart. Of ziel, daar geraak ik even niet uit.
O., ik heb je nauwelijks gekend – maar er was dat halfuur, en er was deze tekst. Dat is al heel veel. Het is te vroeg, het was goed.
O., ik heb je nauwelijks gekend – maar er was dat halfuur, en er was deze tekst. Dat is al heel veel. Het is te vroeg, het was goed.
schrikkel 132b
De kauw en de zwaan: het zou een fabel kunnen zijn van La
Fontaine. Of van Toon Tellegen of Anton Koolhaas – maar ik ken die fabels en
dierenverhalen niet. Ik heb het eigenlijk nooit voor dat genre gehad.
Maar goed. Het nieuwe voorjaar, hoe koud en miezerig het ook moge geweest zijn en nog altijd is, heeft op het Stil Ende weer enkele zwanenbroedsels opgeleverd. De Stedelijke Groendienst steekt een handje toe. Nestbouwmateriaal wordt aangereikt, en als er genest wordt, staat er steevast een schoteltje met verse maïskorrels klaar. Strategisch opgesteld, zodat de zwaan die aan het broeden is er, halsreikend, bij kan zonder te moeten opstaan.
Nu zijn van dit achter de paplaurieren geïnstalleerde nest de jongen al uitgekomen, maar het bord met eten is blijven staan – en ook andere soorten hebben er het genot van, blijkbaar. Ik weet dat wat ik nu schrijf niet berust op een indrukwekkende ornithologische observatie maar toch: ik heb niet de indruk dat vader of moeder zwaan het echt ziet zitten dat zijn, of haar, korreltjes worden weggekauwd.
Maar goed. Het nieuwe voorjaar, hoe koud en miezerig het ook moge geweest zijn en nog altijd is, heeft op het Stil Ende weer enkele zwanenbroedsels opgeleverd. De Stedelijke Groendienst steekt een handje toe. Nestbouwmateriaal wordt aangereikt, en als er genest wordt, staat er steevast een schoteltje met verse maïskorrels klaar. Strategisch opgesteld, zodat de zwaan die aan het broeden is er, halsreikend, bij kan zonder te moeten opstaan.
Nu zijn van dit achter de paplaurieren geïnstalleerde nest de jongen al uitgekomen, maar het bord met eten is blijven staan – en ook andere soorten hebben er het genot van, blijkbaar. Ik weet dat wat ik nu schrijf niet berust op een indrukwekkende ornithologische observatie maar toch: ik heb niet de indruk dat vader of moeder zwaan het echt ziet zitten dat zijn, of haar, korreltjes worden weggekauwd.
schrikkel 132a
De hoekwinkel met handgemaakte bruidskledij is een van de
mooiste zaken van de stad – de ruime etalages etaleren de duurzaamheid van
degelijke materialen, het evenwicht van bestudeerde kleuren en tinten, het
veelbelovende open perspectief van het huwelijk en de onweerstaanbare charmes
van het eeuwig vrouwelijke. Ik kijk altijd. De zaak naast de deur, vroeger een
restaurant en nu, denk ik, een antiekzaak, oogt duister. Hoe verwelkomend ook
de open deur en de rode loper proberen te zijn, de omgevallen laurierplant belooft
weinig goeds – ook al door het contrast met het fier rechtopstaande
verkeersbord voor het raam van de buren.
Wat verderop in de Ezelstraat zie ik, aan mijn kant, een
ooit bevriend koppel mijn richting uitkomen. R. en H., ik heb hen in jaren niet
gezien. Ze zijn in een druk gesprek verwikkeld en kijken naar de stoeptegels
voor hun voeten. Ik zet een stap opzij en laat het aan mij voorbijgaan.
woensdag 16 mei 2012
schrikkel 131
Kampeerwagen, Italiaanse nummerplaat, een jong koppel heeft
vlakbij het station een plek gevonden die als uitvalsbasis kan dienen om de
stad te verkennen. Ze bestuderen de plattegrond, zoeken uit waar ze zich
bevinden, kijken hoe ze het best van hieruit te voet verder gaan. Ik benijd deze
mensen: waarschijnlijk zijn ze nooit eerder in Brugge geweest, ze kunnen
vandaag kennismaken met deze mooie stad. Ze zullen voor de eerste keer in hun
leven de Markt en de Burg zien, het Groeningemuseum met de Vlaamse Primitieven,
de Bloedkapel, het Begijnhof, de Lange Rei, de Dijver. En als ze van de
voorgeschreven paden durven af te wijken, misschien ook de Kruispoortvest, het
Sint-Annakwartier, Sint-Gillis. Het wordt een dag die ze nooit zullen vergeten.
En inderdaad, wanneer ik na acht uren werken in Brussel opnieuw hier voorbij
kom, staat de mobilhome er nog altijd: ze leggen hun bezoek grondig af. Ik ben
jaloers en wou dat ik vandaag Mantua kon bezoeken, of Vicenza, of Lucca. Ik zou
er de auto hebben geparkeerd ergens in de buurt van een invalsweg, ik zou de
kaart hebben bestudeerd, en dan zou ik de plekken hebben bezocht die ik moet
bezoeken, maar ook deze die door het toeval aan mij zouden zijn opgedrongen. En
misschien zou er een kerel op weg naar zijn werk een fotootje van mij hebben
gemaakt en hebben gedroomd van verre bestemmingen.
reactie
Maar Pascal,
op welke manier is meneer Leekens een vooraanstaande figuur? Toch niet omdat
voetbal belangrijk is of zo?
E.K.
E.K.
schrikkel 130 / lezers 45
Het was wel een vreemd en vooroordelen-doorprikkend beeld:
die kerel met zijn baseballpet die Het
rood en het zwart van Stendhal zat te lezen. Waarschijnlijk als verplichte
lectuur – vermoedelijk in het kader van een studie Romaanse filologie – en weliswaar
in de Nederlandse vertaling, maar toch. Hij was al een heel eind gevorderd en
keek de hele reis van Brugge naar Gent niet één keer op.
moeten wij opkijken van de bagatellisering van misplaatst gedrag van vooraanstaande figuren?
actuele vraag 10
In korte tijd zakt mijn broek drie keer af – welteverstaan in
de betekenis van ‘daar zakt nou mijn broek van af’ en niet omdat mijn pens
zich in die mate bolt dat ik zonder bretellen niet langer de wetten der
zwaartekracht kan tarten.
1. BDW ontlokt bij het journalistengild nogal wat
verontwaardiging door zijn ongezouten kritiek op de media: die zijn te
commercieel, volgen de waan van de dag, maken elk langetermijndenken, toch eigen
aan een serieus politiek debat, onmogelijk. Maar wij hebben u mee groot
gemaakt, riposteren de journalisten zeer terecht, u hebt toch niet te klagen?
En los daarvan, wij draaien gewoon wat het publiek vraagt – en het publiek
geilt nu eenmaal op BDW? (Op, bijvoorbeeld, De Standaard Online gaat er
werkelijk geen dag voorbij of BDW staat in een van de hoofdpunten – en zeker
niet alleen met politiek relevant nieuws: ook zijn lichaamsgewicht, zijn
sportieve prestaties en zijn mening over de media worden belangrijk genoeg
bevonden om te worden vermeld; vandaag gaat het BDW-artikel van de dag over wat Jean-Luc Dehaene over BDW schrijft.)
2. Trainer Georges Leekens ontlokt bij alle Rode
Duivels-fans die niet ook voor Club Brugge supporteren nogal wat
verontwaardiging door zijn plotse overstap naar blauw-zwart, waarbij hij al
zijn engagementen en enthousiasme met betrekking tot het WK 2014 – met zo’n
talentvolle generatie een certitude –
zonder verpinken van tafel veegt. Iedereen voelt aan dat zoiets niet proper is,
maar prompt worden argumenten uit de kast gehaald die Leekens’ gedrag moeten
vergoelijken. Zoals: ‘Het wordt tijd dat trainers, met wie in het verleden al te
gemakkelijk werd gesold, het heft in eigen handen nemen.’ Of deze: ‘Zo is het
voetbalmilieu nu eenmaal, je kunt dat verwachten, wij kijken daar niet van op.’
Dat argument hoorde ik gisterenavond uit de mond van Jean-Luc Dehaene en
daarmee zijn we bij broek 3.
3. Voormalig premier en Europese grondwet-schrijver Jean-Luc
Dehaene ontlokt bij vele weldenkende en hardwerkende Vlamingen nogal wat
verontwaardiging door zijn klacht dat hij wordt geviseerd als het gaat om het
incasseren van ‘bonussen’ (in zijn geval zou het gaan om 3 miljoen aan inwisselbare
aandelen). ‘Waarom wordt het mij kwalijk genomen en al die anderen, die toch
ook worden uitbetaald, niet? Kijk naar Britto, die krijgt zelfs 130 miljoen! Overigens,
het is toch normaal en ingeburgerd gemeengoed dat CEO’s goed betaald worden?’ Een
van de beelden die mij te binnen springen als ik aan Jean-Luc Dehaene denk, is
dat van een fors gebouwde man die zijn weg zoekt tussen schoudercamera's en
microfoonhengels terwijl hij zijn hemd in zijn broek steekt en in dezelfde
beweging deze broek met heen en weer wrikkende bewegingen optrekt. Zit alles
goed? ‘Géén commentaar, ik antwoord niet op hypothetische vragen.’
Kijk, bij mij zit niet alles goed. Uit de drie gevallen – en
er zijn er nog wel meer op te rapen uit de recente actualiteit – onthoud ik dat
de kloof tussen het evident ethische en het laakbare-maar-algemeen-aanvaarde
definitief lijkt te zijn weggevallen. Voor alle duidelijkheid: neen, ik vind
niet dat het normaal is dat de media zich voegen naar de wensen van de ‘consumenten’
van actualiteitsprogramma’s; neen, ik vind niet dat het normaal is dat
loyaliteit en trouw worden opgeofferd aan persoonlijk gewin; neen, ik vind niet
dat in de remuneratie zo’n buitensporige verschillen moeten worden gemaakt
tussen de eenvoudigste werknemers en de zogenaamd verantwoordelijke functies.
En dus vind ik het driewerf onverdraaglijk dat dergelijke ethische bezwaren in
het openbaar worden genegeerd en zelfs door de overtreders zelf van de hand
worden gedaan als onrealistisch, niet aangepast aan deze ‘moderne tijden’ en
effenaf naïef.
Oké, dat kan dan wel zijn, maar zolang het mij vergund is,
zal ik onrealistisch, niet aangepast aan deze ‘moderne tijden’ en effenaf naïef
zijn en zal ik deze kwalificaties als geuzennamen fier voor mij uitdragen. Dát
is mijn commentaar.
De actuele vraag moet dus niet luiden: ‘Moeten wij opkijken
van de bagatellisering van misplaatst gedrag van vooraanstaande figuren?, maar,
en niet-hypothetisch: ‘Met welke riem zal ik al wie het met betrekking tot de
hier geschetste problematiek niet met mij eens is gispen?’
dinsdag 15 mei 2012
geen verloren tijd 34
I, 247-266
De smaak en de wereld van Odette zijn niet die
van Swann. Maar hij probeert haar niet om te buigen naar zijn ideaal,
integendeel, zijn liefde voor haar straalt af op wat zij mooi en belangrijk
vindt – en hij begint, geheel tegen zijn natuur zou je kunnen zeggen, haar
voorkeuren te delen. Daardoor kan hij ook van de kring van de Verdurins houden,
hoewel deze zeker niet beantwoordt aan de sociale status die hij gewoon is. Hij
spiegelt zichzelf het denkbeeld voor dat hij nooit nog ergens anders heen zal
willen gaan, en hij dicht de deelnemers aan de bijeenkomsten aldaar zelfs
positieve eigenschappen toe die ze uit zichzelf niet echt hebben. Ja, hij dicht ze ‘grootheid’ toe: Ce sont des êtres magnanimes, et la
magnanimité est, au fond, la seule chose qui importe et qui distingue ici-bas. (249:2-4)
Over Mme Verdurin zegt hij zelfs dat haar attenties ten aanzien van hem révèlent une compréhension plus profonde de
l’existence que tous les traités de philosophie (249:25-27).
Swann is met andere woorden verblind. Hij
vergeet dat er naast de Verdurins nog wel andere mensen met groothartigheid en
kunstzinnigheid bestaan die minstens evenveel als M. en Mme Verdurin zijn
aandacht zouden verdienen.
Swann ziet ook niet dat M. en Mme Verdurin, nu
zo door hem verheerlijkt, hem niet eens echt graag hebben. Zij voelen aan dat
de manier waarop hij hen waardeert niet strookt met het sociale verschil dat er
hoe dan ook tussen hen blijft bestaan. Zo is Swann blijkbaar niet bereid
diegenen die niet tot de kring behoren openlijk, ten aanzien van de
‘getrouwen’, af te zweren. Er blijft in hem, zo voelen de Verdurins het aan, un espace réservé, impénétrable (250:10-11)
bestaan, en ze ervaren, met betrekking tot leurs
dogmes, une impossibilité de les lui imposer, de l’y convertir entièrement
(250:15-17).
Wat een tegenstelling met die andere gast die
zijn opwachting maakt bij de Verdurins: le
comte de Forcheville (250:28)! Deze snob hemelt de Verdurins helemaal niet
op, zoals Swann, maar hij onderschrijft wel, in tegenstelling tot Swann, die
daarvoor te fijnbesnaard is, de critiques
trop manifestement fausses que dirigeait Mme Verdurin contre des gens qu’il
connaissait (250:38). En hij keurt de tirades van de schilder en de grapjes
van Cottard wél goed.
Swann reageert jaloers wanneer hij merkt dat
Odette deze nieuwe gast heeft aangebracht – ook al heeft hij zelf niet l’idée d’être jaloux d’Odette (253:34).
De verschillen tussen Forcheville en Swann
vallen al meteen op bij het eerste diner waaraan Forcheville deelneemt. Hetgeen
précipita la disgrâce de Swann (251:8-9)
– voegt Proust er omineus aan toe.
Het verslag van dat diner neemt ongeveer
veertien bladzijden in beslag. Wanneer Proust dan eindelijk weer de draad
opneemt, herneemt hij meteen dat woord disgrâce:
Swann ignorait encore la disgrâce dont il
était menacé chez les Verdurins (266:23-24).
Behalve de habitués neemt ook professor
Brichot deel aan het diner. Hij is zo’n academicus die graag vulgariserend uit
de hoek komt en de scherpe kanten van zijn al te theoretische kennis verzacht
door voorbeelden te zoeken uit de actualiteit en de levenssfeer van zijn
gespreksgenoten. Vanuit zijn achtergrond kan Swann de grapjes van de professor
alleen maar pédantesques, vulgaires et
grasses à écoeurer (weerzinwekkend grof; 253:21-22) vinden.
Het gesprek gaat over figuren uit een zeer ver
verleden van de Franse geschiedenis. Swann verlegt het onderwerp en vraagt iets
over de tentoonstelling van een schilder die hij bewondert – maar Biche kaapt
met zijn repliek alle aandacht weg. De schilder gebruikt zelfs het woord caca (254:31)! Dan brengt Mme Cottard
het gesprek op een recent toneelstuk van Alexandre Dumas fils waar haar man samen met Swann naartoe is gegaan en waarin
sprake is van een salade japonaise (256:4).
In dit gesprek schuilt achter bijna elke regel
een venijnig te interpreteren sneer of opmerking aan het adres van een van de
aanwezigen – zodat het beleefde gebabbel voortdurend onder een bijna te snijden
hoogspanning blijft staan. Die wordt geneutraliseerd door de humor: de schilder
die caca zegt, of Forcheville die
zich het gemeenzame tussenvoegsel saperlipopette
(262:9) laat ontvallen, of de blunders van dokter Cottard en archivaris
Saniette…
Ondertussen steekt Forcheville zijn
bewondering voor het oratorisch talent van Biche niet onder stoelen of banken –
ook al heeft hij quelques mots un peu
réalistes (257:40-41) gebezigd. Maar ja, dat is nu eenmaal le goût du jour (257:41), dat moet
kunnen. Biche doet met zijn welsprekendheid Forcheville overigens denken aan
een kameraad in zijn regiment. Die kon over om het even wat om het even wat
zeggen. Swann zat trouwens ook in dat regiment, zegt Forcheville, die
vastbesloten lijkt om elke gelegenheid te baat te nemen om bij Odette in het
gevlei te komen – reden waarom hij iets over Swann zegt waarvan hij denkt dat
het positief is: dat hij hem nooit te zien krijgt omdat hij altijd bij oude
adellijke families zit. Bijvoorbeeld de La Trémoïlles. Dat is niet juist en Mme
Verdurin, die dat weet, slaagt er nauwelijks in haar afkeuring te verbergen: de
door Forcheville genoemde namen zijn helemaal niet achtbaar. On
me paierait bien cher que je ne laisserais pas entrer ça chez moi (259:16-17), zegt Mme Verdurin en ze
werpt Swann een strenge blik toe. Maar Swann neemt de
handschoen op en verdedigt de familie La Trémoïlles: die zijn best wel
intelligent. Waarop Forcheville hem vraagt wat hij daaronder verstaat. Hij
krijgt een belegen, niet ter zake definitie van een oude Franse filosoof.
Na de maaltijd gaat Forcheville bij dokter
Cottard en M. Verdurin – ouwe jongens krentenbrood – eens polsen of ze madame
de Crécy, Odette dus, ook zo’n lekker stuk vinden, saperlipopette! J’aimerais mieux l’avoir dans mon lit que
le tonnerre (262:14-15), antwoordt
Cottard gevat. M. Verdurin gebaar met veel misbaar,
waarbij zijn pijp en nogal wat rook te pas komen, dat hij deze grol grappig
vindt. M. Verdurin meldt zijn vrouw dat Odette bij Forcheville in de smaak
valt. Mme Verdurin aarzelt niet: zij meent te weten dat Odette graag eens met
de comte zou dejeuneren. Nous
allons combiner ça, mais il ne faut pas que Swann le sache. (263:10-11)
Stilaan vertrekken de gasten. Odette ziet
Forcheville ongaarne vertrekken en kan het niet opbrengen neen tegen Swann te
zeggen. Maar ze is humeurig. Mme en M. Verdurin kaarten na. Ze spreken kwaad
van Swann omdat hij te stroperig sprak over de door het gezelschap gehekelde
oude Franse adel. M. Verdurin is streng
in zijn oordeel: hij vindt Swann een hypocriet heerschap dat altijd rond de pot
draait en de kool en de geit wil sparen. Quel différence avec
Forcheville! Voilà au moins un homme qui vous dit carrément sa façon de penser.
(265:31-33) Bovendien
heeft Swann geen titel, hij is le raté,
le petit individu envieux de tout ce qui est un peu grand (266:5-7). Dan heeft Forcheville tenminste nog zijn titel van comte! Het is M. Verdurin ook niet ontgaan dat Odette meer in
Forcheville ziet dan in Swann.
schrikkel 129
Tot voor kort stond hier, vlakbij de Ezelpoort en min of
meer aan het oog onttrokken door hoogstammig groen, een filiaal van de
Nationale Bank: heel stevig, beperkt toegankelijk, streng beveiligd, met een
ondergrondse parking. Het gebouw verloor zijn bestemming en het heeft, na jaren
van leegstand, nogal wat voeten in de aarde gehad om het af te breken. In de
aldus ontstane put vormde zich een vijver, die inmiddels is leeggepompt. Nu
wordt het perceel klaargemaakt voor de oprichting van een
luxeappartementencomplex. De bomen zijn inmiddels ook weg en daardoor lijkt het
gat, zeker in vergelijking met de huizen en appartementsgebouwen erachter, des
te groter. Deze schaalverwarring zorgt ervoor dat de graafmachines en vrachtwagens,
die de overtollige grond wegscheppen en evacueren, hoewel ze op zich vrij groot
zijn, er klein uitzien. Dergelijke tijdelijke en verwrongen perspectieven zijn altijd
interessant. Straks staat hier wat anders – en voor hoelang zál het er staan?
driekleur 91
Het hoofdeinde van het rozerode bed bestond uit een bijna
vijf voet hoge, zwart gemarmerde constructie van kunststofplaten met diverse
laatjes en vakjes, die op een retabel leek, de kaptafel met zijn dunne pootjes
was rijkversierd met gouden arabesken, en de spiegel die aan de deur van de
klerenkast was bevestigd weerkaatste een vreemd vertekend beeld.
W.G. Sebald, De ringen van Saturnus, 251
maandag 14 mei 2012
reactie
Dat is nu toch geen "provocatie"? Die mens is een wandelingetje aan het doen met zijn i-pod, komaan! LOL
BD
BD
schrikkel 128
De jongeman die voor me loopt, schreeuwt het uit: kijk naar
mij en beoordeel mij. Ik neem zijn vraag op en denk, bij wijze van antwoord:
deze persoon wil, afgezien van die vraag om aandacht, niets met mij te maken hebben. Hij sluit zich af met een kap en
daaronder muziek en heeft schijt aan zijn omgeving – een banaal voorgeborchte
van de provinciestad B. – en dus ook aan mij. Daarom laat hij alvast zijn broek
zakken. Ik heb echter geen schijt aan hem, ook al ken ik hem niet, en sla aan
het denken.
Jonge mensen hechten veel belang aan hoe ze door anderen
worden gezien. Perfect normaal is dat: hun ‘identiteit’ is nog niet gevormd en
dus kunnen – en moeten – ze nog volop grenzen aftasten. Het ‘imago’ dat ze
nastreven, het beeld dat ze naar buiten uitdragen, vormt echter een zeer wankel
evenwicht – om niet te zeggen: onevenwicht – met hun zelfbeeld. Zolang een
stabiel evenwicht niet is bereikt, zijn de uitingen extreem – zoals een wijzer
op een balans kan uitslaan zolang het gewicht niet tot rust is gekomen. Pas in
volwassenheid worden standvastigheid en continuïteit bereikt, vermoed ik – al is
het resultaat nooit definitief: onder meer de modes zorgen voortdurend voor
onrust.
Het zelfbeeld kan pas ontstaan door grenzen af te tasten.
Die grenzen zijn een sociaal gegeven – het bizarre is dus dat de hang naar
authenticiteit, vaak verward met uniciteit of origineel zijn, in hoge mate
berust op conformismen. Maar goed.
De provocatie – want dat is het toch? – van deze jongeman
kan er, wat mij betreft, gerust mee door. Het passeert wel. En: zijn we niet
allemaal zo geweest? Wat ik minder onschuldig vind, is het feit dat hij zijn
hebben en houden in een misschien door kinderhanden in een of ander Indiaas of
Filippijns atelier aan elkaar genaaide rugzak van een hippe multinational met
zich meedraagt, een rugzak waarvan het prijskaartje ongetwijfeld een onwaarschijnlijke
disproportie weerspiegelt tussen productiekost en verkoopprijs, een verhouding
die – alweer – uit balans wordt
geduwd door, naast de lage lonen, grondstoffenroofbouw, just-in-timetransporten,
ecologische voetafdruk, enzovoort, enzovoort...
Ach. Denken valt zwaar, en het wordt vaak zwaar op de hand.
Ik weet het. Maar ik zou willen dat die kerel zijn ogen opentrekt en samen met
mij in een hoopvollere wereld zou kunnen leven.
schrikkel 127
Een communiefeest of lentefeest of twaalfjarigenfeest, of hoe heet het allemaal – ik weet het niet precies en ik zal daarmee wel hogelijk postmodern zijn, zeker? Na de dis en de daarbij genuttigde twee of drie glaasjes voortreffelijke wijn installeer ik mij even op een tuinstoel. Ik weet niet hoelang ik slaap, misschien niet langer dan vier of vijf minuten, maar toch in elk geval voldoende om in aanzienlijke mate verbaasd of verdwaasd te zijn wanneer ik, gewekt door schrille kinderstemmen, mijn ogen open en niettemin in een gedroomd landschap blíjf vertoeven. Ik bekijk nu deze foto en denk aan de kluif die de hypothetische toekomstige historicus van, laat ons zeggen over een eeuw of zes-zeven, hieraan zou kunnen hebben indien deze foto, of een verdwaalde kopie ervan, opduikt uit de sedimenten van een blog of wordt gerecupereerd uit de digitale diepten van een of andere harde schijf.
geen verloren tijd 33
I, 239-247
Swann gaat enkel ’s avonds naar Odette. Hij
beseft dat hij niet weet wat zij overdag doet, net zo min als hij weet wat zij
in het verleden deed. Hij weet dat zij een niet zo gunstige reputatie genoot,
maar hij troost zich met de gedachte qu’il
n’y a souvent qu’à prendre le contrepied des réputations que fait le monde pour
juger exactement une personne (239:29-31). Hij kan zich overigens niet
voorstellen dat Odette zo slecht zou zijn: hij heeft haar een keer zien liegen
tegen Mme Verdurin, en dat ging haar niet goed af: een voorafspiegeling op wat
hij zelf nog zal ondervinden.
Odette vindt dat Swann op een adres woont zijn
stand onwaardig. Hij woont in een buurt, op het Île Saint-Louis, die
traditioneel in trek is bij de oude adel die hij frequenteert. Het zwaartepunt
voor de nieuwe rijke bourgeoisie waartoe Odette wenst te behoren en die in
Parijs steeds nadrukkelijker het schone weer uitmaakt, bevindt zich meer in de
omgeving van de Arc de Triomphe.
Af en toe komt Odette een keer ’s namiddags
tot bij Swann, en dan schenkt zij hem een van haar beminnelijke glimlachjes.
Maar soms hoort hij toch ook eens iets over haar gangen en dan blijkt dat die niet
uitsluitend naar hem voeren. Dan realiseert hij zich qu’Odette
avait une vie qui n’était pas tout entière à lui (240:29-30).
Swann beseft dat Odette niet echt intelligent
is en hij onderneemt geen pogingen om haar slechte smaak weg te werken. En
inderdaad, iemand die haar interesse verliest voor Vermeer omdat het niet
bewezen is dat die zijn schilderijen uit liefdesverdriet maakte, daar zijn veel
kosten aan. Swann probeert het dan ook niet. Hij vindt het zelfs charmant, comme tout ce qui venait d’elle (245:34).
Hij is zelfs bereid om wat zij goed vindt, zelf ook goed te vinden: il cherchait à se plaire aux choses qu’elle
aimait (246:32-33). Dat kost hem trouwens niet zoveel moeite aangezien zijn
scepticisme d’homme du monde al zijn croyances intellectuelles de sa jeunesse (247:4-6)
hebben verdrongen. Hij is er
nu van overtuigd que les objets de nos
goûts n’ont pas en eux une valeur absolue, mais que tout est affaire d’époque,
de classe, consiste en modes, dont les plus vulgaires valent celles qui passent
pour les plus distinguées (247:8-11). De
prepostmoderne esthetica van Swann – hij is zijn tijd ver vooruit! – sluit nauw
aan bij het doorbreken van de sociale onderscheidingen ten nadele van de oude
aristocratie. De afbraak van de esthetische hiërarchieën gaat hand in hand met
de democratisering van de maatschappij.
Van de weeromstuit vindt Odette hem ook niet
zo intelligent als ze aanvankelijk had gedacht. Wel bewondert ze in hem son indifférence à l’argent, (…) sa gentillesse pour chacun, (…) sa
délicatesse (241:34-35). En zo gaat het dikwijls bij
grote geesten: waar de kleine man, of vrouw, niet bij hun denkbeelden kan, daar
bewonderen ze hun goedheid. Ondertussen blijft Odette een voorkeur hebben voor
‘middeleeuwse’ interieurs en voor lieden die aimaient à bibeloter (in boeken neuzen), qui aimaient les vers, méprisaient les bas calculs, rêvaient
d’honneur et d’amour (245:11-13).
Odette verlangt niet door Swann opgenomen te
worden in zijn wereld. Het lijkt erop dat ze de kwade tongen vreest die zich
daar zouden kunnen roeren. Toch is het niet zo dat ze niet tot de beau monde
zou willen doordringen, maar ze heeft wel een heel andere opvatting over wat
chic is dan Swann. Voor mensen die deel uitmaken van de society, zoals Swann,
is chic iets dat in concentrische cirkels van de ene mens op de andere
afstraalt, een licht dat zich vanuit een kleine centrale kring afzet op steeds
wijdere kringen daarbuiten. Hierin opgenomen te zijn, impliceert een kennis van
namen en hiërarchieën. Die kennis bezit Odette niet, voor haar is ‘chic’ een
materiële aangelegenheid, iets wat te vinden is op bepaalde plaatsen op
bepaalde tijdstippen: par exemple, le
dimanche matin l’avenue de l’Impératrice, à cinq heures le tour du Lac, le
jeudi l’Eden Théâtre, le vendredi l’Hippodrome, les bals… (243:16-19).
Swann beseft dat zijn opvatting van ‘chic’ al aussi sotte, dénuée d’importance (243:40) is geworden en hij
onderneemt geen pogingen beide opvattingen op elkaar af te stemmen. Hij beseft
dat Odette zijn adressenboek alleen maar belangrijk vindt in de mate dat zij er
toegangskaarten en uitnodigingen uit kan puren.
zondag 13 mei 2012
schrikkel 126b
We gaan eten in een eenvoudig Grieks restaurantje. Het is er
lekker, de prijs eerlijk. Een schildering op de wand waartegen we hebben plaatsgenomen,
domineert het etablissement. Een Griekse tempel, vernield door een aardbeving.
Of door een reus die graag met de blokken speelt. De uitbater ziet dat ik een
foto maak van de schildering en wijst me op de zeven in het landschap verborgen
naakte vrouwen. Ik had daar niet op gelet. Ik ben meer getroffen door de
ruïneuze staat waarin de anonieme meester zijn thuisland heeft afgebeeld. Dat lijkt
me wel iets te zeggen over het heden. Meer dan die zeven deernen die ik
blijkbaar over het hoofd heb gezien.
schrikkel 126a
We stappen door Brussel, van het Meiserplein richting
Zuidstation, van drie uur tot zeg maar zes – als je van het centrum van Brussel
een denkbeeldige klok zou maken. We verdwalen in de wirwar van straten net
buiten de kleine ring. Nationaliteiten. Talen. Een man met twee jonge kinderen
in zijn kielzog loopt voor ons uit. Het jongentje slaat voortdurend met een
langwerpige luchtballon als met een matrak op het hoofd van zijn zus. Niet
hard, gewoon speels. Wanneer ze het niet meer leuk vindt en haar broer dat te
kennen geeft, begint hij op zijn eigen hoofd de slaan en dan tegen de muren, op
de vensterbanken. Puni, puni, puni,
zegt hij daarbij voortdurend. Het drietal bereikt de voordeur van het huis
waarin het woont. De sfeer is uitgelaten. Die vader ziet er vriendelijk uit, de
beide kinderen gelukkig.
uit een brief aan een bevriende kunstenaar
Beste X.,
Je hebt me nog eens je atelier laten zien, de werken die je
de voorbije jaren hebt gemaakt, het oeuvre waaraan je koppig blijft
voortbouwen. Je universum. Ik ervaar het als een voorrecht om als bezoeker in
dat universum te worden binnengeleid.
Ik besef ook wel dat je dat minstens ook gedeeltelijk doet
in de hoop dat je een respons zou krijgen. Als ik enkel kijk en niets
teruggeef, zou dat – zo voel ik het toch aan – niet helemaal correct zijn. Ik
weet wel dat het niet per se hoeft, dat je ervan uitgaat dat als ik nu niets
teruggeef, het misschien in de toekomst wel zal gebeuren en dat je dat soort
van uitwisselingen niet op een weegschaaltje kunt leggen, maar toch.
X., ik vind het steeds moeilijker om ateliers te bezoeken,
om respons te geven. Vroeger had ik daar minder last van. Ik betrad onbevangen
de ateliers van mijn vrienden, monsterde het werk, spiegelde het aan de
standaard die ik voor mezelf dacht te hebben uitgekristalliseerd en die ik
ergens in mijn geest dacht met me mee te dragen, zocht naar woorden om het
verschil tussen het werk dat ik aanschouwde en die innerlijke standaard te
omschrijven, en spuide mijn commentaar. Zo diplomatisch mogelijk, dat wel, maar
ik schuwde toch de kritiek niet.
Ik ben in de loop der jaren gaan twijfelen aan de
objectiviteit van mijn innerlijke standaard. En met objectiviteit bedoel ik
niet: vrij van subjectiviteit, maar wel: of ik wel zoiets heb, of die standaard
er wel is. Heb ik het mij niet altijd
ingebeeld?
Dat is wat van mijn kant elke commentaar op het werk van
anderen bemoeilijkt. Maar er zijn ook de anderen. De sociale kost van mijn
neiging om nogal gemakkelijk commentaar te leveren is (…) aanzienlijk gebleken.
(…) Dat heeft mij doen aarzelen. Ik ben voorzichtiger geworden, en ben op de
duur beginnen zwijgen.
En er is nog iets anders. Er is bij mij, als het om
hedendaagse kunst gaat, een soort van verzadiging opgetreden. Ik zie die
talloze pogingen, die talloze oeuvres in wording, die talloze worpen – allemaal
uitingen van het verlangen om op de een of andere manier een spoor te trekken,
iets na te laten, erkenning te verkrijgen. En op een bepaalde manier begin je
niet langer te focussen op de onderlinge kwalitatieve verschillen, maar veeleer
op de grote gelijkenis tussen al die oeuvres: het zijn allemaal oerkreten tegen
de vergankelijkheid. Amechtig, moedig, armetierig, groots in hun vergeefsheid.
En als je vanuit dat inzicht zo’n werk bekijkt, past enkel stilte. Je moet dat
eerbiedigen. Al die kunstenaars zijn, op die manier bekeken, achtenswaardig.
En dan zijn er nog de strategieën. Het gekonkel, het
gelobby, de combines. Je ziet hoe de minderen het verder schoppen, en hoe de
getalenteerden ter plaatse trappelen omdat ze zich niet tot gekonkel willen
verlagen – of omdat ze daartoe simpelweg het talent niet hebben. Ook daar noopt
het inzicht tot zwijgzaamheid.
Daardoor, X., komt het dat ik zwijgzaam ben als ik je
atelier betreed. Uiteraard behoor je niet tot de konkelaars of tot de minder
getalenteerden. Wat je doet, heeft ontegensprekelijk kwaliteit. Maar ik kan het
niet meer op een andere manier zien dan als een van de vele pogingen. Een eigen
universum, een eigen poëzie. Ik ben niet meer in staat om het af te wegen tegen
die inwendige standaard, of tegen andere oeuvres. (…) – ik het ingezien dat
zwijgen ook zijn waarde heeft.
Beste groet,
P.
zaterdag 12 mei 2012
schrikkel 125b
Kunst- en kunstbeleidcriticus J.D. lacht me van achter zijn
bril toe. We hebben elkaar al een tijd niet meer gezien. Hij vecht nog steeds
tegen de bierkaai van het Brugse cultuurbeleid: te zeer op het spektakel
gericht, op toerisme, op conformiteit. De avant-garde blijft op zijn honger
zitten, en Jan Modaal valt uit de boot. Of trekt er zich niets van aan.
Goedbedoelde projecten worden ternauwernood gesteund – als ze al worden
gesteund want meestal worden ze genegeerd of geblokkeerd. Zo denk ik, kun je de
ergernis van J.D. samenvatten. Hij heeft ook een website, waar hij zijn
ergernis dumpt: Het grote genis.
J.D. heeft het aan zijn rug. Hij duwt het karretje met de
watervoorraad die hij heeft ingeslagen naar zijn auto. We wuiven elkaar uit:
tot de volgende keer, J. En ja, kom maar eens een glas drinken. We moeten eens
praten over het Brugse cultuurbeleid. Maar andere onderwerpen snijd ik ook
graag aan, hoor!
geen verloren tijd 32
I, 233-239
Wat begint met het herschikken van de catleyas
op Odettes boezem, eindigt met l’acte de
la possession physique (234:12-13) – hoewel ‘bezitten’ niet echt een
geschikte term is want wat is het dan dat je bezit? Het stramien schikken-bezitten
vindt zijn weg naar de privétaal die tussen Odette en Swann ontstaat: ook nadat
de flikflooierij niet meer met bloemschikken – of met het tot obligaat ritueel
verworden bloemschikken – wordt ingezet, blijft ‘faire catleya’ (234:10-11) voor het koppel de metafoor voor ‘de
liefde bedrijven’. Het voordeel van een dergelijke privétaal, die bij elk
liefdeskoppel ontstaat, is dat ‘de daad’, die in een bepaald opzicht toujours la même et connue d’avance (234:19)
is, er iets unieks door krijgt.
Van nu af aan stapt Swann niet enkel om thee
te drinken bij Odette binnen. Zijn aanwezigheden op de soirees van de Verdurins
schieten er bij in, en ook zijn vrienden ondervinden dat andere zaken hem
bezighouden. De hartstocht verandert zijn gewoonten. De onweerstaanbare
aandrang die hem de afstand die hem van Odette scheidt doet overbruggen, is
even dwingend als la pente même, irrésistible
et rapide, de sa vie (235:23-24). Soms ontziet hij het zich wel eens, maar
dan herinnert hij zich de angst die hij heeft gevoeld die keer dat Odette al
van bij de Verdurins was weggegaan. Ja, misschien is het wel door die angst dat
Odette zo belangrijk voor hem is geworden. Swann blijft zich bewust van het
feit dat haar eigenschappen – haar fysieke onvolkomenheid en haar slechte smaak
– niet rechtvaardigen dat hij zich zo aan haar bindt en voor haar, en voor ce plaisir imaginaire (236:39) dat zij hem
te bieden heeft, tant d’intérêts
intellectuels et sociaux (236:38) opoffert.
Maar er is iets dat sterker is, dat hem zwak
maakt. Telkens wanneer zij op haar piano met zeer beperkte pianistieke talenten
het zinnetje van Vinteuil speelt, lijkt iets in Swann te bezwijken voor une réalité supérieure aux choses concrètes (237:3-4).
Maar wat er in hem beantwoordt aan die hogere werkelijkheid, blijft
onduidelijk. Dat blijft oningevuld. En op die lege plek kan Swann de naam van
Odette schrijven.
De muziek die Odette voor hem ten gehore
brengt, betovert en verdooft Swann. Ernaar te luisteren, verschaft hem grand repos, mysterieuse rénovation (237:24).
Het is alsof de wereld ineenschrompelt, dat de rede verstek laat gaan en dat
alles door dat ene zintuig, het gehoor, bij hem naar binnen komt. Alles wat
normaal gezien belangrijk is, wordt onbeduidend in vergelijking daarmee. En dan
is er maar één aandrang die overblijft: Odette te kussen. Terwijl zij het
zinnetje speelt, op zijn aandringen steeds opnieuw, werpt hij zich op haar, herkent
in haar weer de Zippora van de Sixtijnse kapel, en kan niet anders dan haar te
nemen. Zij laat het toe en bezweert daarmee zijn angst.
Op weg naar huis vraagt hij zich af of deze
liefde kan blijven duren, of ze hem zal kunnen blijven betoveren. Want dat is
het wat hij voelt: zoals de poëzie hem in zijn jeugd betoverde, zo betovert
Odette hem nu. Beide betoveringen zijn in staat te worden verdreven door une vie frivole (239:9), een
‘oppervlakkige manier van leven’, maar er is naast deze gelijkenis ook een
groot verschil: waar de betovering van de poëzie zich op dingen afzet, daar
verschijnt ze nu in le reflet, la marque
d’un être particulier (239:10-11).
schrikkel 125a
Er heerst tussen zes en zeven uur ’s ochtends een andere
orde. De straten zijn nog niet wakker genoeg om reigers schrik aan te
jagen – en geef toe, zo’n dak van een huis dat aan een rei paalt, is een prima
uitkijkpost om de nieuwe dag te begroeten.
reactie
Ik voel me uiteraard aangesproken. Onwil en onmacht zijn
vandaag de twee zijden van de medaille. Je kan bovendien niet simplistisch
poneren dat de onwil bij de regeerders zit en de onmacht bij de geregeerden.
Het zit in het hele systeem en bij iedereen. Verontwaardiging en engagement
zijn meer dan ooit noodzakelijk. Opnieuw van nul beginnen: opbouwen van het
protest en de beweging en vóór alles beducht zijn voor (politieke) recuperatie.
F.
vrijdag 11 mei 2012
schrikkel 124
Het was een kwis en een van de ploegen bestond uit een kwartet
jonge vrouwen met hoedjes aan. Dat was olijk. Ik bracht mijn ploeg iets bij
door het dier op een beeldvraagfoto te duiden als ‘stokstaartje’. Malta wist ik
op de blinde kaart niet te situeren (achteraf bleek ik Lampedusa te hebben
aangeduid), en van Schubert schoot de voornaam mij – en ook mijn teamgenoten
niet – maar niet te binnen. Dat van die stokstaartjes wist ik nog van Het leven van Pi – die beestjes spelen
daarin een rol en ik had het toen opgezocht met Google Afbeeldingen. Niet dat
het er veel toe dat maar we eindigden verdienstelijk achtste (op veertien
ploegen).
Abonneren op:
Posts (Atom)






