vrijdag 18 mei 2012

2870

Sijsele - 120318

donderdag 17 mei 2012

schrikkel 133a

Het valt me moeilijk om me voor te stellen, en te aanvaarden, dat de man met wie ik nog geen jaar geleden meer dan een halfuur heb staan praten over zijn fietsreizen naar Compostela daar languit in die auto ligt, in een kist in die auto, in een sobere kist met een prachtig boeket van witte lelies erbovenop. De kerk – een Sint-Jacobskerk, dat komt goed uit – loopt helemaal vol, de plechtigheid is in hoge mate seculier, de toespraken zijn ingetogen en zinvol, een tekst van O. zelf, getiteld ‘Het streven naar geluk’, raakt mij heel diep. Tot diep in mijn hart. Of ziel, daar geraak ik even niet uit.

O., ik heb je nauwelijks gekend – maar er was dat halfuur, en er was deze tekst. Dat is al heel veel. Het is te vroeg, het was goed.

schrikkel 132b

De kauw en de zwaan: het zou een fabel kunnen zijn van La Fontaine. Of van Toon Tellegen of Anton Koolhaas – maar ik ken die fabels en dierenverhalen niet. Ik heb het eigenlijk nooit voor dat genre gehad.
Maar goed. Het nieuwe voorjaar, hoe koud en miezerig het ook moge geweest zijn en nog altijd is, heeft op het Stil Ende weer enkele zwanenbroedsels opgeleverd. De Stedelijke Groendienst steekt een handje toe. Nestbouwmateriaal wordt aangereikt, en als er genest wordt, staat er steevast een schoteltje met verse maïskorrels klaar. Strategisch opgesteld, zodat de zwaan die aan het broeden is er, halsreikend, bij kan zonder te moeten opstaan.


Nu zijn van dit achter de paplaurieren geïnstalleerde nest de jongen al uitgekomen, maar het bord met eten is blijven staan – en ook andere soorten hebben er het genot van, blijkbaar. Ik weet dat wat ik nu schrijf niet berust op een indrukwekkende ornithologische observatie maar toch: ik heb niet de indruk dat vader of moeder zwaan het echt ziet zitten dat zijn, of haar, korreltjes worden weggekauwd.

schrikkel 132a

De hoekwinkel met handgemaakte bruidskledij is een van de mooiste zaken van de stad – de ruime etalages etaleren de duurzaamheid van degelijke materialen, het evenwicht van bestudeerde kleuren en tinten, het veelbelovende open perspectief van het huwelijk en de onweerstaanbare charmes van het eeuwig vrouwelijke. Ik kijk altijd. De zaak naast de deur, vroeger een restaurant en nu, denk ik, een antiekzaak, oogt duister. Hoe verwelkomend ook de open deur en de rode loper proberen te zijn, de omgevallen laurierplant belooft weinig goeds – ook al door het contrast met het fier rechtopstaande verkeersbord voor het raam van de buren.

Wat verderop in de Ezelstraat zie ik, aan mijn kant, een ooit bevriend koppel mijn richting uitkomen. R. en H., ik heb hen in jaren niet gezien. Ze zijn in een druk gesprek verwikkeld en kijken naar de stoeptegels voor hun voeten. Ik zet een stap opzij en laat het aan mij voorbijgaan.

2869 / mirage 56

P. - 120314

woensdag 16 mei 2012

schrikkel 131

Kampeerwagen, Italiaanse nummerplaat, een jong koppel heeft vlakbij het station een plek gevonden die als uitvalsbasis kan dienen om de stad te verkennen. Ze bestuderen de plattegrond, zoeken uit waar ze zich bevinden, kijken hoe ze het best van hieruit te voet verder gaan. Ik benijd deze mensen: waarschijnlijk zijn ze nooit eerder in Brugge geweest, ze kunnen vandaag kennismaken met deze mooie stad. Ze zullen voor de eerste keer in hun leven de Markt en de Burg zien, het Groeningemuseum met de Vlaamse Primitieven, de Bloedkapel, het Begijnhof, de Lange Rei, de Dijver. En als ze van de voorgeschreven paden durven af te wijken, misschien ook de Kruispoortvest, het Sint-Annakwartier, Sint-Gillis. Het wordt een dag die ze nooit zullen vergeten. En inderdaad, wanneer ik na acht uren werken in Brussel opnieuw hier voorbij kom, staat de mobilhome er nog altijd: ze leggen hun bezoek grondig af. Ik ben jaloers en wou dat ik vandaag Mantua kon bezoeken, of Vicenza, of Lucca. Ik zou er de auto hebben geparkeerd ergens in de buurt van een invalsweg, ik zou de kaart hebben bestudeerd, en dan zou ik de plekken hebben bezocht die ik moet bezoeken, maar ook deze die door het toeval aan mij zouden zijn opgedrongen. En misschien zou er een kerel op weg naar zijn werk een fotootje van mij hebben gemaakt en hebben gedroomd van verre bestemmingen.

reactie

Maar Pascal, op welke manier is meneer Leekens een vooraanstaande figuur? Toch niet omdat voetbal belangrijk is of zo?

E.K.

schrikkel 130 / lezers 45


Het was wel een vreemd en vooroordelen-doorprikkend beeld: die kerel met zijn baseballpet die Het rood en het zwart van Stendhal zat te lezen. Waarschijnlijk als verplichte lectuur – vermoedelijk in het kader van een studie Romaanse filologie – en weliswaar in de Nederlandse vertaling, maar toch. Hij was al een heel eind gevorderd en keek de hele reis van Brugge naar Gent niet één keer op.

moeten wij opkijken van de bagatellisering van misplaatst gedrag van vooraanstaande figuren?

actuele vraag 10


In korte tijd zakt mijn broek drie keer af – welteverstaan in de betekenis van ‘daar zakt nou mijn broek van af’ en niet omdat mijn pens zich in die mate bolt dat ik zonder bretellen niet langer de wetten der zwaartekracht kan tarten.

1. BDW ontlokt bij het journalistengild nogal wat verontwaardiging door zijn ongezouten kritiek op de media: die zijn te commercieel, volgen de waan van de dag, maken elk langetermijndenken, toch eigen aan een serieus politiek debat, onmogelijk. Maar wij hebben u mee groot gemaakt, riposteren de journalisten zeer terecht, u hebt toch niet te klagen? En los daarvan, wij draaien gewoon wat het publiek vraagt – en het publiek geilt nu eenmaal op BDW? (Op, bijvoorbeeld, De Standaard Online gaat er werkelijk geen dag voorbij of BDW staat in een van de hoofdpunten – en zeker niet alleen met politiek relevant nieuws: ook zijn lichaamsgewicht, zijn sportieve prestaties en zijn mening over de media worden belangrijk genoeg bevonden om te worden vermeld; vandaag gaat het BDW-artikel van de dag over wat Jean-Luc Dehaene over BDW schrijft.)

2. Trainer Georges Leekens ontlokt bij alle Rode Duivels-fans die niet ook voor Club Brugge supporteren nogal wat verontwaardiging door zijn plotse overstap naar blauw-zwart, waarbij hij al zijn engagementen en enthousiasme met betrekking tot het WK 2014 – met zo’n talentvolle generatie een certitude – zonder verpinken van tafel veegt. Iedereen voelt aan dat zoiets niet proper is, maar prompt worden argumenten uit de kast gehaald die Leekens’ gedrag moeten vergoelijken. Zoals: ‘Het wordt tijd dat trainers, met wie in het verleden al te gemakkelijk werd gesold, het heft in eigen handen nemen.’ Of deze: ‘Zo is het voetbalmilieu nu eenmaal, je kunt dat verwachten, wij kijken daar niet van op.’ Dat argument hoorde ik gisterenavond uit de mond van Jean-Luc Dehaene en daarmee zijn we bij broek 3.

3. Voormalig premier en Europese grondwet-schrijver Jean-Luc Dehaene ontlokt bij vele weldenkende en hardwerkende Vlamingen nogal wat verontwaardiging door zijn klacht dat hij wordt geviseerd als het gaat om het incasseren van ‘bonussen’ (in zijn geval zou het gaan om 3 miljoen aan inwisselbare aandelen). ‘Waarom wordt het mij kwalijk genomen en al die anderen, die toch ook worden uitbetaald, niet? Kijk naar Britto, die krijgt zelfs 130 miljoen! Overigens, het is toch normaal en ingeburgerd gemeengoed dat CEO’s goed betaald worden?’ Een van de beelden die mij te binnen springen als ik aan Jean-Luc Dehaene denk, is dat van een fors gebouwde man die zijn weg zoekt tussen schoudercamera's en microfoonhengels terwijl hij zijn hemd in zijn broek steekt en in dezelfde beweging deze broek met heen en weer wrikkende bewegingen optrekt. Zit alles goed? ‘Géén commentaar, ik antwoord niet op hypothetische vragen.’

Kijk, bij mij zit niet alles goed. Uit de drie gevallen – en er zijn er nog wel meer op te rapen uit de recente actualiteit – onthoud ik dat de kloof tussen het evident ethische en het laakbare-maar-algemeen-aanvaarde definitief lijkt te zijn weggevallen. Voor alle duidelijkheid: neen, ik vind niet dat het normaal is dat de media zich voegen naar de wensen van de ‘consumenten’ van actualiteitsprogramma’s; neen, ik vind niet dat het normaal is dat loyaliteit en trouw worden opgeofferd aan persoonlijk gewin; neen, ik vind niet dat in de remuneratie zo’n buitensporige verschillen moeten worden gemaakt tussen de eenvoudigste werknemers en de zogenaamd verantwoordelijke functies. En dus vind ik het driewerf onverdraaglijk dat dergelijke ethische bezwaren in het openbaar worden genegeerd en zelfs door de overtreders zelf van de hand worden gedaan als onrealistisch, niet aangepast aan deze ‘moderne tijden’ en effenaf naïef.

Oké, dat kan dan wel zijn, maar zolang het mij vergund is, zal ik onrealistisch, niet aangepast aan deze ‘moderne tijden’ en effenaf naïef zijn en zal ik deze kwalificaties als geuzennamen fier voor mij uitdragen. Dát is mijn commentaar.


De actuele vraag moet dus niet luiden: ‘Moeten wij opkijken van de bagatellisering van misplaatst gedrag van vooraanstaande figuren?, maar, en niet-hypothetisch: ‘Met welke riem zal ik al wie het met betrekking tot de hier geschetste problematiek niet met mij eens is gispen?’

2868

S.

dinsdag 15 mei 2012

geen verloren tijd 34

I, 247-266

De smaak en de wereld van Odette zijn niet die van Swann. Maar hij probeert haar niet om te buigen naar zijn ideaal, integendeel, zijn liefde voor haar straalt af op wat zij mooi en belangrijk vindt – en hij begint, geheel tegen zijn natuur zou je kunnen zeggen, haar voorkeuren te delen. Daardoor kan hij ook van de kring van de Verdurins houden, hoewel deze zeker niet beantwoordt aan de sociale status die hij gewoon is. Hij spiegelt zichzelf het denkbeeld voor dat hij nooit nog ergens anders heen zal willen gaan, en hij dicht de deelnemers aan de bijeenkomsten aldaar zelfs positieve eigenschappen toe die ze uit zichzelf niet echt hebben. Ja, hij dicht ze ‘grootheid’ toe: Ce sont des êtres magnanimes, et la magnanimité est, au fond, la seule chose qui importe et qui distingue ici-bas. (249:2-4) Over Mme Verdurin zegt hij zelfs dat haar attenties ten aanzien van hem révèlent une compréhension plus profonde de l’existence que tous les traités de philosophie (249:25-27).

Swann is met andere woorden verblind. Hij vergeet dat er naast de Verdurins nog wel andere mensen met groothartigheid en kunstzinnigheid bestaan die minstens evenveel als M. en Mme Verdurin zijn aandacht zouden verdienen.

Swann ziet ook niet dat M. en Mme Verdurin, nu zo door hem verheerlijkt, hem niet eens echt graag hebben. Zij voelen aan dat de manier waarop hij hen waardeert niet strookt met het sociale verschil dat er hoe dan ook tussen hen blijft bestaan. Zo is Swann blijkbaar niet bereid diegenen die niet tot de kring behoren openlijk, ten aanzien van de ‘getrouwen’, af te zweren. Er blijft in hem, zo voelen de Verdurins het aan, un espace réservé, impénétrable (250:10-11) bestaan, en ze ervaren, met betrekking tot leurs dogmes, une impossibilité de les lui imposer, de l’y convertir entièrement (250:15-17).

Wat een tegenstelling met die andere gast die zijn opwachting maakt bij de Verdurins: le comte de Forcheville (250:28)! Deze snob hemelt de Verdurins helemaal niet op, zoals Swann, maar hij onderschrijft wel, in tegenstelling tot Swann, die daarvoor te fijnbesnaard is, de critiques trop manifestement fausses que dirigeait Mme Verdurin contre des gens qu’il connaissait (250:38). En hij keurt de tirades van de schilder en de grapjes van Cottard wél goed.

Swann reageert jaloers wanneer hij merkt dat Odette deze nieuwe gast heeft aangebracht – ook al heeft hij zelf niet l’idée d’être jaloux d’Odette (253:34).

De verschillen tussen Forcheville en Swann vallen al meteen op bij het eerste diner waaraan Forcheville deelneemt. Hetgeen précipita la disgrâce de Swann (251:8-9) – voegt Proust er omineus aan toe.

Het verslag van dat diner neemt ongeveer veertien bladzijden in beslag. Wanneer Proust dan eindelijk weer de draad opneemt, herneemt hij meteen dat woord disgrâce: Swann ignorait encore la disgrâce dont il était menacé chez les Verdurins (266:23-24).

Behalve de habitués neemt ook professor Brichot deel aan het diner. Hij is zo’n academicus die graag vulgariserend uit de hoek komt en de scherpe kanten van zijn al te theoretische kennis verzacht door voorbeelden te zoeken uit de actualiteit en de levenssfeer van zijn gespreksgenoten. Vanuit zijn achtergrond kan Swann de grapjes van de professor alleen maar pédantesques, vulgaires et grasses à écoeurer (weerzinwekkend grof; 253:21-22) vinden.

Het gesprek gaat over figuren uit een zeer ver verleden van de Franse geschiedenis. Swann verlegt het onderwerp en vraagt iets over de tentoonstelling van een schilder die hij bewondert – maar Biche kaapt met zijn repliek alle aandacht weg. De schilder gebruikt zelfs het woord caca (254:31)! Dan brengt Mme Cottard het gesprek op een recent toneelstuk van Alexandre Dumas fils waar haar man samen met Swann naartoe is gegaan en waarin sprake is van een salade japonaise (256:4).

In dit gesprek schuilt achter bijna elke regel een venijnig te interpreteren sneer of opmerking aan het adres van een van de aanwezigen – zodat het beleefde gebabbel voortdurend onder een bijna te snijden hoogspanning blijft staan. Die wordt geneutraliseerd door de humor: de schilder die caca zegt, of Forcheville die zich het gemeenzame tussenvoegsel saperlipopette (262:9) laat ontvallen, of de blunders van dokter Cottard en archivaris Saniette…

Ondertussen steekt Forcheville zijn bewondering voor het oratorisch talent van Biche niet onder stoelen of banken – ook al heeft hij quelques mots un peu réalistes (257:40-41) gebezigd. Maar ja, dat is nu eenmaal le goût du jour (257:41), dat moet kunnen. Biche doet met zijn welsprekendheid Forcheville overigens denken aan een kameraad in zijn regiment. Die kon over om het even wat om het even wat zeggen. Swann zat trouwens ook in dat regiment, zegt Forcheville, die vastbesloten lijkt om elke gelegenheid te baat te nemen om bij Odette in het gevlei te komen – reden waarom hij iets over Swann zegt waarvan hij denkt dat het positief is: dat hij hem nooit te zien krijgt omdat hij altijd bij oude adellijke families zit. Bijvoorbeeld de La Trémoïlles. Dat is niet juist en Mme Verdurin, die dat weet, slaagt er nauwelijks in haar afkeuring te verbergen: de door Forcheville genoemde namen zijn helemaal niet achtbaar. On me paierait bien cher que je ne laisserais pas entrer ça chez moi (259:16-17), zegt Mme Verdurin en ze werpt Swann een strenge blik toe. Maar Swann neemt de handschoen op en verdedigt de familie La Trémoïlles: die zijn best wel intelligent. Waarop Forcheville hem vraagt wat hij daaronder verstaat. Hij krijgt een belegen, niet ter zake definitie van een oude Franse filosoof.

Na de maaltijd gaat Forcheville bij dokter Cottard en M. Verdurin – ouwe jongens krentenbrood – eens polsen of ze madame de Crécy, Odette dus, ook zo’n lekker stuk vinden, saperlipopette! J’aimerais mieux l’avoir dans mon lit que le tonnerre (262:14-15), antwoordt Cottard gevat. M. Verdurin gebaar met veel misbaar, waarbij zijn pijp en nogal wat rook te pas komen, dat hij deze grol grappig vindt. M. Verdurin meldt zijn vrouw dat Odette bij Forcheville in de smaak valt. Mme Verdurin aarzelt niet: zij meent te weten dat Odette graag eens met de comte zou dejeuneren. Nous allons combiner ça, mais il ne faut pas que Swann le sache. (263:10-11)

Stilaan vertrekken de gasten. Odette ziet Forcheville ongaarne vertrekken en kan het niet opbrengen neen tegen Swann te zeggen. Maar ze is humeurig. Mme en M. Verdurin kaarten na. Ze spreken kwaad van Swann omdat hij te stroperig sprak over de door het gezelschap gehekelde oude Franse adel.  M. Verdurin is streng in zijn oordeel: hij vindt Swann een hypocriet heerschap dat altijd rond de pot draait en de kool en de geit wil sparen. Quel différence avec Forcheville! Voilà au moins un homme qui vous dit carrément sa façon de penser. (265:31-33) Bovendien heeft Swann geen titel, hij is le raté, le petit individu envieux de tout ce qui est un peu grand (266:5-7). Dan heeft Forcheville tenminste nog zijn titel van comte! Het is M. Verdurin ook niet ontgaan dat Odette meer in Forcheville ziet dan in Swann.

schrikkel 129

Tot voor kort stond hier, vlakbij de Ezelpoort en min of meer aan het oog onttrokken door hoogstammig groen, een filiaal van de Nationale Bank: heel stevig, beperkt toegankelijk, streng beveiligd, met een ondergrondse parking. Het gebouw verloor zijn bestemming en het heeft, na jaren van leegstand, nogal wat voeten in de aarde gehad om het af te breken. In de aldus ontstane put vormde zich een vijver, die inmiddels is leeggepompt. Nu wordt het perceel klaargemaakt voor de oprichting van een luxeappartementencomplex. De bomen zijn inmiddels ook weg en daardoor lijkt het gat, zeker in vergelijking met de huizen en appartementsgebouwen erachter, des te groter. Deze schaalverwarring zorgt ervoor dat de graafmachines en vrachtwagens, die de overtollige grond wegscheppen en evacueren, hoewel ze op zich vrij groot zijn, er klein uitzien. Dergelijke tijdelijke en verwrongen perspectieven zijn altijd interessant. Straks staat hier wat anders – en voor hoelang zál het er staan?

driekleur 91

Het hoofdeinde van het rozerode bed bestond uit een bijna vijf voet hoge, zwart gemarmerde constructie van kunststofplaten met diverse laatjes en vakjes, die op een retabel leek, de kaptafel met zijn dunne pootjes was rijkversierd met gouden arabesken, en de spiegel die aan de deur van de klerenkast was bevestigd weerkaatste een vreemd vertekend beeld.

W.G. Sebald, De ringen van Saturnus, 251

2867

L.

maandag 14 mei 2012

reactie

Dat is nu toch geen "provocatie"? Die mens is een wandelingetje aan het doen met zijn i-pod, komaan! LOL
BD

schrikkel 128

De jongeman die voor me loopt, schreeuwt het uit: kijk naar mij en beoordeel mij. Ik neem zijn vraag op en denk, bij wijze van antwoord: deze persoon wil, afgezien van die vraag om aandacht, niets met mij te maken hebben. Hij sluit zich af met een kap en daaronder muziek en heeft schijt aan zijn omgeving – een banaal voorgeborchte van de provinciestad B. – en dus ook aan mij. Daarom laat hij alvast zijn broek zakken. Ik heb echter geen schijt aan hem, ook al ken ik hem niet, en sla aan het denken.

Jonge mensen hechten veel belang aan hoe ze door anderen worden gezien. Perfect normaal is dat: hun ‘identiteit’ is nog niet gevormd en dus kunnen – en moeten – ze nog volop grenzen aftasten. Het ‘imago’ dat ze nastreven, het beeld dat ze naar buiten uitdragen, vormt echter een zeer wankel evenwicht – om niet te zeggen: onevenwicht – met hun zelfbeeld. Zolang een stabiel evenwicht niet is bereikt, zijn de uitingen extreem – zoals een wijzer op een balans kan uitslaan zolang het gewicht niet tot rust is gekomen. Pas in volwassenheid worden standvastigheid en continuïteit bereikt, vermoed ik – al is het resultaat nooit definitief: onder meer de modes zorgen voortdurend voor onrust.

Het zelfbeeld kan pas ontstaan door grenzen af te tasten. Die grenzen zijn een sociaal gegeven – het bizarre is dus dat de hang naar authenticiteit, vaak verward met uniciteit of origineel zijn, in hoge mate berust op conformismen. Maar goed.

De provocatie – want dat is het toch? – van deze jongeman kan er, wat mij betreft, gerust mee door. Het passeert wel. En: zijn we niet allemaal zo geweest? Wat ik minder onschuldig vind, is het feit dat hij zijn hebben en houden in een misschien door kinderhanden in een of ander Indiaas of Filippijns atelier aan elkaar genaaide rugzak van een hippe multinational met zich meedraagt, een rugzak waarvan het prijskaartje ongetwijfeld een onwaarschijnlijke disproportie weerspiegelt tussen productiekost en verkoopprijs, een verhouding die – alweer – uit balans wordt geduwd door, naast de lage lonen, grondstoffenroofbouw, just-in-timetransporten, ecologische voetafdruk, enzovoort, enzovoort...

Ach. Denken valt zwaar, en het wordt vaak zwaar op de hand. Ik weet het. Maar ik zou willen dat die kerel zijn ogen opentrekt en samen met mij in een hoopvollere wereld zou kunnen leven.

schrikkel 127

Een communiefeest of lentefeest of twaalfjarigenfeest, of hoe heet het allemaal – ik weet het niet precies en ik zal daarmee wel hogelijk postmodern zijn, zeker? Na de dis en de daarbij genuttigde twee of drie glaasjes voortreffelijke wijn installeer ik mij even op een tuinstoel. Ik weet niet hoelang ik slaap, misschien niet langer dan vier of vijf minuten, maar toch in elk geval voldoende om in aanzienlijke mate verbaasd of verdwaasd te zijn wanneer ik, gewekt door schrille kinderstemmen, mijn ogen open en niettemin in een gedroomd  landschap blíjf vertoeven. Ik bekijk nu deze foto en denk aan de kluif die de hypothetische toekomstige historicus van, laat ons zeggen over een eeuw of zes-zeven, hieraan zou kunnen hebben indien deze foto, of een verdwaalde kopie ervan, opduikt uit de sedimenten van een blog of wordt gerecupereerd uit de digitale diepten van een of andere harde schijf.

geen verloren tijd 33

I, 239-247


Swann gaat enkel ’s avonds naar Odette. Hij beseft dat hij niet weet wat zij overdag doet, net zo min als hij weet wat zij in het verleden deed. Hij weet dat zij een niet zo gunstige reputatie genoot, maar hij troost zich met de gedachte qu’il n’y a souvent qu’à prendre le contrepied des réputations que fait le monde pour juger exactement une personne (239:29-31). Hij kan zich overigens niet voorstellen dat Odette zo slecht zou zijn: hij heeft haar een keer zien liegen tegen Mme Verdurin, en dat ging haar niet goed af: een voorafspiegeling op wat hij zelf nog zal ondervinden.

Odette vindt dat Swann op een adres woont zijn stand onwaardig. Hij woont in een buurt, op het Île Saint-Louis, die traditioneel in trek is bij de oude adel die hij frequenteert. Het zwaartepunt voor de nieuwe rijke bourgeoisie waartoe Odette wenst te behoren en die in Parijs steeds nadrukkelijker het schone weer uitmaakt, bevindt zich meer in de omgeving van de Arc de Triomphe.

Af en toe komt Odette een keer ’s namiddags tot bij Swann, en dan schenkt zij hem een van haar beminnelijke glimlachjes. Maar soms hoort hij toch ook eens iets over haar gangen en dan blijkt dat die niet uitsluitend naar hem voeren. Dan realiseert hij zich qu’Odette avait une vie qui n’était pas tout entière à lui (240:29-30).

Swann beseft dat Odette niet echt intelligent is en hij onderneemt geen pogingen om haar slechte smaak weg te werken. En inderdaad, iemand die haar interesse verliest voor Vermeer omdat het niet bewezen is dat die zijn schilderijen uit liefdesverdriet maakte, daar zijn veel kosten aan. Swann probeert het dan ook niet. Hij vindt het zelfs charmant, comme tout ce qui venait d’elle (245:34). Hij is zelfs bereid om wat zij goed vindt, zelf ook goed te vinden: il cherchait à se plaire aux choses qu’elle aimait (246:32-33). Dat kost hem trouwens niet zoveel moeite aangezien zijn scepticisme d’homme du monde al zijn croyances intellectuelles de sa jeunesse (247:4-6) hebben verdrongen. Hij is er nu van overtuigd que les objets de nos goûts n’ont pas en eux une valeur absolue, mais que tout est affaire d’époque, de classe, consiste en modes, dont les plus vulgaires valent celles qui passent pour les plus distinguées (247:8-11). De prepostmoderne esthetica van Swann – hij is zijn tijd ver vooruit! – sluit nauw aan bij het doorbreken van de sociale onderscheidingen ten nadele van de oude aristocratie. De afbraak van de esthetische hiërarchieën gaat hand in hand met de democratisering van de maatschappij.

Van de weeromstuit vindt Odette hem ook niet zo intelligent als ze aanvankelijk had gedacht. Wel bewondert ze in hem son indifférence à l’argent, (…) sa gentillesse pour chacun, (…) sa délicatesse (241:34-35). En zo gaat het dikwijls bij grote geesten: waar de kleine man, of vrouw, niet bij hun denkbeelden kan, daar bewonderen ze hun goedheid. Ondertussen blijft Odette een voorkeur hebben voor ‘middeleeuwse’ interieurs en voor lieden die aimaient à bibeloter (in boeken neuzen), qui aimaient les vers, méprisaient les bas calculs, rêvaient d’honneur et d’amour (245:11-13).

Odette verlangt niet door Swann opgenomen te worden in zijn wereld. Het lijkt erop dat ze de kwade tongen vreest die zich daar zouden kunnen roeren. Toch is het niet zo dat ze niet tot de beau monde zou willen doordringen, maar ze heeft wel een heel andere opvatting over wat chic is dan Swann. Voor mensen die deel uitmaken van de society, zoals Swann, is chic iets dat in concentrische cirkels van de ene mens op de andere afstraalt, een licht dat zich vanuit een kleine centrale kring afzet op steeds wijdere kringen daarbuiten. Hierin opgenomen te zijn, impliceert een kennis van namen en hiërarchieën. Die kennis bezit Odette niet, voor haar is ‘chic’ een materiële aangelegenheid, iets wat te vinden is op bepaalde plaatsen op bepaalde tijdstippen: par exemple, le dimanche matin l’avenue de l’Impératrice, à cinq heures le tour du Lac, le jeudi l’Eden Théâtre, le vendredi l’Hippodrome, les bals… (243:16-19). Swann beseft dat zijn opvatting van ‘chic’ al aussi sotte, dénuée d’importance (243:40) is geworden en hij onderneemt geen pogingen beide opvattingen op elkaar af te stemmen. Hij beseft dat Odette zijn adressenboek alleen maar belangrijk vindt in de mate dat zij er toegangskaarten en uitnodigingen uit kan puren.

2866

P.

zondag 13 mei 2012

schrikkel 126b

We gaan eten in een eenvoudig Grieks restaurantje. Het is er lekker, de prijs eerlijk. Een schildering op de wand waartegen we hebben plaatsgenomen, domineert het etablissement. Een Griekse tempel, vernield door een aardbeving. Of door een reus die graag met de blokken speelt. De uitbater ziet dat ik een foto maak van de schildering en wijst me op de zeven in het landschap verborgen naakte vrouwen. Ik had daar niet op gelet. Ik ben meer getroffen door de ruïneuze staat waarin de anonieme meester zijn thuisland heeft afgebeeld. Dat lijkt me wel iets te zeggen over het heden. Meer dan die zeven deernen die ik blijkbaar over het hoofd heb gezien.

schrikkel 126a

We stappen door Brussel, van het Meiserplein richting Zuidstation, van drie uur tot zeg maar zes – als je van het centrum van Brussel een denkbeeldige klok zou maken. We verdwalen in de wirwar van straten net buiten de kleine ring. Nationaliteiten. Talen. Een man met twee jonge kinderen in zijn kielzog loopt voor ons uit. Het jongentje slaat voortdurend met een langwerpige luchtballon als met een matrak op het hoofd van zijn zus. Niet hard, gewoon speels. Wanneer ze het niet meer leuk vindt en haar broer dat te kennen geeft, begint hij op zijn eigen hoofd de slaan en dan tegen de muren, op de vensterbanken. Puni, puni, puni, zegt hij daarbij voortdurend. Het drietal bereikt de voordeur van het huis waarin het woont. De sfeer is uitgelaten. Die vader ziet er vriendelijk uit, de beide kinderen gelukkig.

uit een brief aan een bevriende kunstenaar

Beste X.,

Je hebt me nog eens je atelier laten zien, de werken die je de voorbije jaren hebt gemaakt, het oeuvre waaraan je koppig blijft voortbouwen. Je universum. Ik ervaar het als een voorrecht om als bezoeker in dat universum te worden binnengeleid.

Ik besef ook wel dat je dat minstens ook gedeeltelijk doet in de hoop dat je een respons zou krijgen. Als ik enkel kijk en niets teruggeef, zou dat – zo voel ik het toch aan – niet helemaal correct zijn. Ik weet wel dat het niet per se hoeft, dat je ervan uitgaat dat als ik nu niets teruggeef, het misschien in de toekomst wel zal gebeuren en dat je dat soort van uitwisselingen niet op een weegschaaltje kunt leggen, maar toch.

X., ik vind het steeds moeilijker om ateliers te bezoeken, om respons te geven. Vroeger had ik daar minder last van. Ik betrad onbevangen de ateliers van mijn vrienden, monsterde het werk, spiegelde het aan de standaard die ik voor mezelf dacht te hebben uitgekristalliseerd en die ik ergens in mijn geest dacht met me mee te dragen, zocht naar woorden om het verschil tussen het werk dat ik aanschouwde en die innerlijke standaard te omschrijven, en spuide mijn commentaar. Zo diplomatisch mogelijk, dat wel, maar ik schuwde toch de kritiek niet.

Ik ben in de loop der jaren gaan twijfelen aan de objectiviteit van mijn innerlijke standaard. En met objectiviteit bedoel ik niet: vrij van subjectiviteit, maar wel: of ik wel zoiets heb, of die standaard er wel is. Heb ik het mij niet altijd ingebeeld?

Dat is wat van mijn kant elke commentaar op het werk van anderen bemoeilijkt. Maar er zijn ook de anderen. De sociale kost van mijn neiging om nogal gemakkelijk commentaar te leveren is (…) aanzienlijk gebleken. (…) Dat heeft mij doen aarzelen. Ik ben voorzichtiger geworden, en ben op de duur beginnen zwijgen.

En er is nog iets anders. Er is bij mij, als het om hedendaagse kunst gaat, een soort van verzadiging opgetreden. Ik zie die talloze pogingen, die talloze oeuvres in wording, die talloze worpen – allemaal uitingen van het verlangen om op de een of andere manier een spoor te trekken, iets na te laten, erkenning te verkrijgen. En op een bepaalde manier begin je niet langer te focussen op de onderlinge kwalitatieve verschillen, maar veeleer op de grote gelijkenis tussen al die oeuvres: het zijn allemaal oerkreten tegen de vergankelijkheid. Amechtig, moedig, armetierig, groots in hun vergeefsheid. En als je vanuit dat inzicht zo’n werk bekijkt, past enkel stilte. Je moet dat eerbiedigen. Al die kunstenaars zijn, op die manier bekeken, achtenswaardig.

En dan zijn er nog de strategieën. Het gekonkel, het gelobby, de combines. Je ziet hoe de minderen het verder schoppen, en hoe de getalenteerden ter plaatse trappelen omdat ze zich niet tot gekonkel willen verlagen – of omdat ze daartoe simpelweg het talent niet hebben. Ook daar noopt het inzicht tot zwijgzaamheid.

Daardoor, X., komt het dat ik zwijgzaam ben als ik je atelier betreed. Uiteraard behoor je niet tot de konkelaars of tot de minder getalenteerden. Wat je doet, heeft ontegensprekelijk kwaliteit. Maar ik kan het niet meer op een andere manier zien dan als een van de vele pogingen. Een eigen universum, een eigen poëzie. Ik ben niet meer in staat om het af te wegen tegen die inwendige standaard, of tegen andere oeuvres. (…) – ik het ingezien dat zwijgen ook zijn waarde heeft.

Beste groet,

P.

2865

P.

reactie

Soms lopen onze (blog)wegen parallel, Pascal...
Lie(f)s.

zaterdag 12 mei 2012

schrikkel 125b

Kunst- en kunstbeleidcriticus J.D. lacht me van achter zijn bril toe. We hebben elkaar al een tijd niet meer gezien. Hij vecht nog steeds tegen de bierkaai van het Brugse cultuurbeleid: te zeer op het spektakel gericht, op toerisme, op conformiteit. De avant-garde blijft op zijn honger zitten, en Jan Modaal valt uit de boot. Of trekt er zich niets van aan. Goedbedoelde projecten worden ternauwernood gesteund – als ze al worden gesteund want meestal worden ze genegeerd of geblokkeerd. Zo denk ik, kun je de ergernis van J.D. samenvatten. Hij heeft ook een website, waar hij zijn ergernis dumpt: Het grote genis.

J.D. heeft het aan zijn rug. Hij duwt het karretje met de watervoorraad die hij heeft ingeslagen naar zijn auto. We wuiven elkaar uit: tot de volgende keer, J. En ja, kom maar eens een glas drinken. We moeten eens praten over het Brugse cultuurbeleid. Maar andere onderwerpen snijd ik ook graag aan, hoor!

geen verloren tijd 32

I, 233-239

Wat begint met het herschikken van de catleyas op Odettes boezem, eindigt met l’acte de la possession physique (234:12-13) – hoewel ‘bezitten’ niet echt een geschikte term is want wat is het dan dat je bezit? Het stramien schikken-bezitten vindt zijn weg naar de privétaal die tussen Odette en Swann ontstaat: ook nadat de flikflooierij niet meer met bloemschikken – of met het tot obligaat ritueel verworden bloemschikken – wordt ingezet, blijft ‘faire catleya’ (234:10-11) voor het koppel de metafoor voor ‘de liefde bedrijven’. Het voordeel van een dergelijke privétaal, die bij elk liefdeskoppel ontstaat, is dat ‘de daad’, die in een bepaald opzicht toujours la même et connue d’avance (234:19) is, er iets unieks door krijgt.

Van nu af aan stapt Swann niet enkel om thee te drinken bij Odette binnen. Zijn aanwezigheden op de soirees van de Verdurins schieten er bij in, en ook zijn vrienden ondervinden dat andere zaken hem bezighouden. De hartstocht verandert zijn gewoonten. De onweerstaanbare aandrang die hem de afstand die hem van Odette scheidt doet overbruggen, is even dwingend als la pente même, irrésistible et rapide, de sa vie (235:23-24). Soms ontziet hij het zich wel eens, maar dan herinnert hij zich de angst die hij heeft gevoeld die keer dat Odette al van bij de Verdurins was weggegaan. Ja, misschien is het wel door die angst dat Odette zo belangrijk voor hem is geworden. Swann blijft zich bewust van het feit dat haar eigenschappen – haar fysieke onvolkomenheid en haar slechte smaak – niet rechtvaardigen dat hij zich zo aan haar bindt en voor haar, en voor ce plaisir imaginaire (236:39) dat zij hem te bieden heeft, tant d’intérêts intellectuels et sociaux (236:38) opoffert.

Maar er is iets dat sterker is, dat hem zwak maakt. Telkens wanneer zij op haar piano met zeer beperkte pianistieke talenten het zinnetje van Vinteuil speelt, lijkt iets in Swann te bezwijken voor une réalité supérieure aux choses concrètes (237:3-4). Maar wat er in hem beantwoordt aan die hogere werkelijkheid, blijft onduidelijk. Dat blijft oningevuld. En op die lege plek kan Swann de naam van Odette schrijven.

De muziek die Odette voor hem ten gehore brengt, betovert en verdooft Swann. Ernaar te luisteren, verschaft hem grand repos, mysterieuse rénovation (237:24). Het is alsof de wereld ineenschrompelt, dat de rede verstek laat gaan en dat alles door dat ene zintuig, het gehoor, bij hem naar binnen komt. Alles wat normaal gezien belangrijk is, wordt onbeduidend in vergelijking daarmee. En dan is er maar één aandrang die overblijft: Odette te kussen. Terwijl zij het zinnetje speelt, op zijn aandringen steeds opnieuw, werpt hij zich op haar, herkent in haar weer de Zippora van de Sixtijnse kapel, en kan niet anders dan haar te nemen. Zij laat het toe en bezweert daarmee zijn angst.

Op weg naar huis vraagt hij zich af of deze liefde kan blijven duren, of ze hem zal kunnen blijven betoveren. Want dat is het wat hij voelt: zoals de poëzie hem in zijn jeugd betoverde, zo betovert Odette hem nu. Beide betoveringen zijn in staat te worden verdreven door une vie frivole (239:9), een ‘oppervlakkige manier van leven’, maar er is naast deze gelijkenis ook een groot verschil: waar de betovering van de poëzie zich op dingen afzet, daar verschijnt ze nu in le reflet, la marque d’un être particulier (239:10-11).

schrikkel 125a

Er heerst tussen zes en zeven uur ’s ochtends een andere orde. De straten zijn nog niet wakker genoeg om reigers schrik aan te jagen – en geef toe, zo’n dak van een huis dat aan een rei paalt, is een prima uitkijkpost om de nieuwe dag te begroeten.

reactie

Ik voel me uiteraard aangesproken. Onwil en onmacht zijn vandaag de twee zijden van de medaille. Je kan bovendien niet simplistisch poneren dat de onwil bij de regeerders zit en de onmacht bij de geregeerden. Het zit in het hele systeem en bij iedereen. Verontwaardiging en engagement zijn meer dan ooit noodzakelijk. Opnieuw van nul beginnen: opbouwen van het protest en de beweging en vóór alles beducht zijn voor (politieke) recuperatie.
F.

2864

P.

vrijdag 11 mei 2012

schrikkel 124

Het was een kwis en een van de ploegen bestond uit een kwartet jonge vrouwen met hoedjes aan. Dat was olijk. Ik bracht mijn ploeg iets bij door het dier op een beeldvraagfoto te duiden als ‘stokstaartje’. Malta wist ik op de blinde kaart niet te situeren (achteraf bleek ik Lampedusa te hebben aangeduid), en van Schubert schoot de voornaam mij – en ook mijn teamgenoten niet – maar niet te binnen. Dat van die stokstaartjes wist ik nog van Het leven van Pi – die beestjes spelen daarin een rol en ik had het toen opgezocht met Google Afbeeldingen. Niet dat het er veel toe dat maar we eindigden verdienstelijk achtste (op veertien ploegen).