zaterdag 19 september 2026

LVO 364

fragment uit Het maaiveld

Vierset (2)

Een van de leiders was een jongeman met een komiek opbollende bos krulhaar. Zijn familienaam was Six – en dat vond ik ook komisch. Omdat hij mij de vriendelijkste van het gezelschap leek, richtte ik mijn Vatersuche op hem – maar ik was niet de enige en mijn nood werd niet of nauwelijks beantwoord. Of het zou op een van de lange wandelingen moeten geweest zijn die wij tijdens die veel te lange week maakten in de buurt van ons verblijf. Krullebol Six bracht mij de wondere werking van het sap van de stinkende gouwe bij: als je het oranjegele vocht, dat je kon oogsten door een stengel van dit overal in de berm gedijende zogenaamde onkruid te knakken, op een wrat stelpte, zou die wrat gegarandeerd verdwijnen. Ik had wratten in de palm van mijn rechterhand en paste de behandeling toe. De wratten bleken inderdaad enkele weken later volledig te zijn verdwenen.



Ik herinner me van dat kamp ook nog een groots opgezette estafettekoers waarbij we met een knikker in een tussen de tanden geknelde lepel op een hobbelig terrein zo snel mogelijk de overkant moesten bereiken – dat soort ongein. Uiteraard mocht die knikker niet uit de lepel wippen. En ik herinner mij ook nog dat ik sympathie opvatte voor een heel kwetsbaar jongetje, nóg kwetsbaarder dan ikzelf was. We herkenden elkaars eenzaamheid en heimwee. Op een dag viel hij flauw tijdens het appel. Het had iets te maken met bloedarmoede. Mijn lotgenoot vertelde mij dat hij telkens wanneer hij bloed zag, flauwviel. Nu was er op dat moment, toen hij dat tijdens het appel vertelde, of daar vlak voor (want tijdens het appel zelf moest er uiteraard gezwegen worden), in velden noch wegen bloed te bespeuren – maar blijkbaar was hij ook gevoelig voor alleen maar het dénken aan bloed, of voor het erover vertellen, en zo werd ik geconfronteerd met het feit dat een verhaal een soms even krachtige uitwerking kan hebben als de werkelijkheid zelf.

Wat ik me ten slotte ook nog herinner – hoe zou ik het kunnen vergeten –, zijn de maaltijden. Door een toeval of misschien gewoon doordat ik bij het uitkiezen van de plaatsen niet alert en doortastend genoeg voor mijn eigen belang was opgekomen, was ik aan het hoofdeinde van een van de lange tafels beland. Je zou denken de ereplaats, maar in Vierset was het vooral een nadeel: wanneer de in het midden van de tafel door het keukenpersoneel neergekwakte potten en schalen de uiteinden bereikten, waren ze al grotendeels leeg of toch alleszins ontdaan van de vetste en smakelijkste brokken. Ik zal niet beweren dat ik die week in Vierset honger heb geleden, maar het scheelde toch niet veel.