donderdag 7 juli 2022

notitie 236

MEERWAARDE

Een dag of tien geleden was er op Facebook wat beroering over de zes meter hoge ‘sculptuur’ van Arne Quinze die sinds april naar aanleiding van de bloemententoonstelling Floraliën tijdelijk op de Kouter in Gent had gestaan, maar nu ‘moest’ verdwijnen. Quinze had nog aangeboden om het ‘kunstwerk’ aan zijn thuisstad te schenken, maar ving bot. De stad Gent moet zijn kunstwerk niet, wat sommigen ertoe aanzette om een ‘geen Sant in eigen land’-jeremiade aan te heffen. ‘Het is echt iets typisch Belgisch: een Gentse kunstenaar die in de hele wereld op handen gedragen wordt, zien we in eigen stad gewoon niet staan. Het zou voor de uitstraling van onze stad nochtans een meerwaarde zijn.’ Aldus Bart Vandesompele van Community Gent in Het Laatste Nieuws.

Waaruit die meerwaarde dan precies zou bestaan, licht Vandesompele niet toe.

Bij de reacties op de Facebookpost hierover viel het meteen op dat er – zoals wel vaker – twee kampen bestaan. Je hebt er die Quinze een genie vinden, anderen herkennen in hem het schoolvoorbeeld van de charlatan die erin slaagt om verhakkeld schroot als kunst te verkopen. Ik sympathiseer met de aanhangers van de oudijzertheorie. Hét genie van Q. is dat hij perfect weet hoe hij de mandatarissen die over kunst gaan maar er niets van kennen moet bespelen om zo goed mogelijk zijn eigen zakken te vullen. En ondertussen zet hij hen een neus. Met een beetje goeie wil kun je hem een soort van Tijl Uilenspiegel noemen. Maar of de goegemeente daar beter van wordt, valt zeer te betwijfelen.

Quinze heeft ondertussen al op meerdere plaatsen in buiten- en binnenland zijn landmarkachtige ingrepen kunnen neerpoten. Laten neerpoten, want zelf doet hij dat natuurlijk niet. Hij bedenkt en ontwerpt alleen maar. En brengt aan de man. Er staan (of stonden) werken van hem – onder meer – in Mons, aan het Vlaams Parlement in Brussel, op de Zeedijk in Oostende. Het uit duizenden fluorood geschilderde latjes bestaande werk in Mons stortte in, het gelijkaardige werk in Brussel had slechts een tijdelijke vergunning. In Oostende zijn ze er nog niet meteen van af – wat geen onbelangrijk gegeven is aangezien in het contract tussen kunstenaar en stad een clausule is opgenomen die het onderhoud van het kunstwerk regelt. Reken maar dat de blootstelling aan de elementen op een zeedijk regelmatig een nieuw likje verf vergt. De Oostendse boekhouding vult het minstens vijf maar wellicht zes cijfers tellende bedrag jaarlijks in op de begroting.

Drie jaar geleden trof ik in een tweedehandsboekhandel in het Engelse Lewes een boek aan met reproducties van tekeningen van Henry Moore. Ik ben met het werk van Moore totaal niet vertrouwd en kende dus niet het in dat boek gereproduceerde ‘Red Rocks and Reclining Figure’ (1942), waarop een bepaald element me toch enigszins bekend voorkwam.

Als het geen plagiaat is, wat ik niet wil insinueren, dan toont dit toch aan dat A.Q. minstens zijn kunstgeschiedenis een beetje kent – en dat is toch al iets.

 


© foto Kouter: Wannes Nimmegeers (HLN)