donderdag 7 juli 2016

de zomer van 2016 – 20



Drie verhaallijnen zijn er in Judas van Amos Oz, of drie verhaalniveaus. De eerste is de meest in het oog springende: hoe de jonge man Sjmoeël Asj na een paar ontgoochelingen een nieuwe wending in zijn leven probeert te vinden tijdens een bizarre retraite. De tweede is een nieuwe interpretatie van het Lijdensverhaal, een interpretatie waarin voor Judas van Iskariot een nieuwe – en verrassende – rol is weggelegd. Het derde niveau, minder opvallend aanwezig maar zeker niet minder belangrijk, is de geschiedenis van het ontstaan en de eerste woelige jaren van de staat Israël. Wie weet hoe Oz deze drie niveaus in elkaar laat haken en vooral waarom, kan, vermoed ik, begrijpen waar het in deze roman werkelijk om draait. Om maar te zeggen: ik zie het – voorlopig – niet. Het gaat over geloof, vertrouwen, hoop, liefde, verraad… Maar ja, er zijn veel romans die daarover gaan. Ik kan wel zeggen dat ik Judas heel graag gelezen heb, ja, verbluft ben van de manier waarop Oz mij aan zich heeft weten te binden. ¶

X. vertelt hoe hij indertijd probeerde om aan zijn dienstplicht te ontsnappen. Op de ‘keuring’ moest hij kiezen voor een strijdmacht. Hij koos de luchtmacht. Toen hem werd gevraagd wat hiervoor zijn motivatie was, antwoordde hij dat hij er altijd van had gedroomd om als elementair deeltje met de snelheid van het licht door het heelal te suizen. De dokters tuinden er niet in en keurden X. goed voor de dienst. Hij mocht zijn jaartje bij de luchtmacht dienen, zij het dat hij nooit een meter van de grond kwam. Die keuringsdroom, overigens, was maar gedeeltelijk een gefingeerde uiting van waanzin want X. ontwaakte effectief regelmatig na een – gedroomde – ruimtevlucht van de ene ster naar de andere. ‘Ik was dan altijd zo moe,’ voegt hij er nog aan toe. ¶