maandag 1 juni 2020

Ilja Leonard Pfeijffer, Ondraaglijke lichtheid. Over het nut en nadeel van ironie voor het leven


werknotities

Hoofdstuk 1. De aangebrande fazant. Oriëntatie en begripsbepaling

Een sluitende definitie van ironie blijkt niet voorhanden, dat wist Kierkegaard al.

Ook de etymologie biedt maar ten dele een uitweg.

Vanuit het Grieks zou je kunnen afleiden dat de ironicus diegene is die zich kleiner en onwetender voordoet dan hij is. Het is een defensieve houding. De ironicus is schijnbaar naïef, zoals Socrates, die, wanneer hij vragen stelt, doet alsof hij het niet al weet. Een andere invulling van het begrip hebben wij ook aan de Grieken te danken: de tragische ironie, die te maken heeft met het feit dat het publiek meer weet dan het personage in het toneelstuk. In beide gevallen heeft ironie te maken met ‘dissimulatie’: doen alsof.

Het begrip ironie, zoals wij het kennen, sluit nauwer aan bij de Romeinse traditie. Daar is ironie een stijlfiguur, aan de orde ‘wanneer het duidelijk is dat de intentie van de spreker verschilt van zijn werkelijke bedoelingen’. Vaak wordt het tegengestelde bedoeld van wat wordt gezegd. Ironie is verwant aan de leugen. Maar dat is niet helemaal waar, want ironie is een leugen die door een deel van het publiek moet worden doorzien om geestig te kunnen zijn. De context is belangrijk. In een formele setting doorbreekt de ironicus het verwachtingspatroon, zonder het risico te nemen te worden afgerekend op wat zijn woorden eigenlijk betekenen. Achter hun letterlijke betekenis blijft hij onkwetsbaar. De andere leden in het gehoor die de ironie doorzien, worden bondgenoten. Humor en gelijkgezindheid: dat zijn de twee grote bonussen van ironie.

Hoofdstuk 2. Hondenweer en kardinalen. De mechanismen van ironie

We moeten proberen te begrijpen hoe ironie werkt, om dan te achterhalen hoe het komt dat ze nu vaak niet meer werkt. Paul Grice stelde dat communicatie berust op het ‘coöperatieve principe’ en formuleerde de vier aannames waarop dat principe gebaseerd is: kwaliteit, kwantiteit, relevantie, helderheid. Met de aanname van kwaliteit wordt bedoeld dat de toehoorder ervan uitgaat dat wat de spreker zegt waar is. Maar hij kan een metafoor gebruiken (‘Trump is een varken’) of een hyperbool (‘Trump ontplofte toen hij hoorde dan iemand zei dat hij een varken is’). De toehoorder snapt deze mechanismen. En zo werkt ook ironie. De juiste interpretatiestrategie van de toehoorder moet ervoor zorgen dat hij snapt dat de inbreuk op het coöperatieve principe slechts schijnbaar was. In dit spel speelt uiteraard de reputatie van de spreker mee, zoals Quintilianus stipuleerde. Het helpt om te weten welke interpretatiestrategie wij moeten hanteren als wij weten wie het is die spreekt. Van ironie is normaal gezien ook sprake als de strekking van wat de spreker zegt flagrant afwijkt van de algemeen aanvaarde normen. Wanneer met andere woorden de boodschap de heersende taboes niet respecteert. Wij begeven ons hier op het glibberige domein van de satire, waarop indertijd Gerard Reve meesterlijk schaatste.

Hoofdstuk 3. Turken en Urk. De crisis van de ironie

Ironie creëert en/of bevestigt bij de toehoorders twee groepen: zij die zo intelligent en fijnbesnaard zijn dat ze het snappen (de incrowd) en de naïevelingen. Ironie brengt distinctie aan. Het ligt in de aard van de ironie dat ze minstens ten dele misloopt. Maar tegenwoordig loopt ironie opvallend vaak helemaal mis. In de publieke opinie en zeker op het internet.

Een van de oorzaken is dat er geen eensgezindheid meer bestaat over wat waarheid is. Dit als gevolg van het voor waar verkondigen van onwaarschijnlijkheden en van het doelbewust verspreiden van onwaarheid (fake news). Een andere oorzaak is het probleem dat de spreker niet meer kan bogen op zijn reputatie omdat iedereen spreekt (schrijft), waarbij anonimiteit overheerst. Je kunt de reputatie van de spreker (schrijver) niet verifiëren, om de heel eenvoudige reden dat je niet weet wie je voor je hebt: iemand die altijd de waarheid probeert te zeggen dan wel een charlatan die bewust manipuleert. Om die anonimiteit te ondervangen, wordt de spreker vaak ten onrechte gezien als deel uitmakend van een groep – waarna men ten onrechte de kenmerken die aan die groep worden toegeschreven aan de spreker toeschrijft. De derde oorzaak van de crisis van de ironie is dat het niet meer mogelijk is om schijnbaar in te gaan tegen de heersende normen en waarden, om de eenvoudige reden dat er ‘nauwelijks nog sprake is van gedeelde normen en waarden’.

Hoofdstuk 4. Point d’ironie. Het ironieteken

Talrijk zijn de pogingen geweest om een ironieteken in te voeren, en even talrijk de mislukte pogingen. En dat hoeft niet te verbazen. Een ironieteken zou onmogelijk maken waar het in de ironie om draait: de dubbelzinnigheid en, daardoor, de humor. En natuurlijk ook de mogelijkheid voor de spreker om zich te verschuilen achter een letterlijke interpretatie van wat hij zegt/schrijft. Er zou ook geen onderscheid meer mogelijk zijn tussen de incrowd van goede verstaanders en het overschot van dwaze naïevelingen die niet hebben ingezien dat de boodschap niet letterlijk moet worden begrepen. Blijft natuurlijk de mogelijkheid dat het ironieteken zelf ironisch gebruikt wordt – maar daarmee is het probleem niet opgelost en bewijst het ironieteken zijn eigen overbodigheid.

Hoofdstuk 5. Het oneindig lichte spel met het niets. Filosofische kritiek op de ironische levenshouding

Hegel en Kierkegaard dachten na over ironie omdat romantische ironie in hun tijd het overheersende antwoord was geworden – met Schlegel als een van de belangrijkste woordvoerders – op de neergang van de traditionele waarden.

Hegel trok ten strijde tegen het negativistische subjectivisme dat maakte dat ‘niets nog waardevol op zichzelf’ was. Daar wordt het romantische, met zijn eigen subjectivisme dwepende subject, zelf niet beter van. Hegel pleit voor het herstel van ernst: ‘ernst wordt geboren uit oprechte belangstelling voor een zaak die intrinsiek van belang wordt geacht’.

Ook voor Kierkegaard is ironie destructief. Maar er kan wel iets uit voortkomen. Soms moet er, vooraleer kan worden opgebouwd, worden afgebroken. Daartoe moet de ernst wel eerst terugkeren – en dat moet op tijd gebeuren: voordat de ironicus alles heeft wéggerelativeerd. De vrijheid van de ironicus is niets anders dan een leegte, een vervelende en vrijblijvende, en vooral laffe willekeur.

Hoofdstuk 6. Een overvloed aan comfort, geschiedenis en keuzen. Kritiek op de moderne ironische levenshouding

Vandaag valt de kritiek op ironie als levenshouding samen met de kritiek op het postmodernisme want ironie is daarvan de belangrijkste stijlfiguur. David Foster Wallace is een pleitbezorger van de ‘New Sincerity’. Geïnstitutionaliseerde ironie is volgens hem: tirannie. Christy Wampole hekelt de immuniteit van de ironicus. Il dit tout et n’importe quoi en niemand kan hem wat. Ironie is niet langer een nuttige retorische stijlfiguur maar heeft zich als een gif in het hele leven verspreid en maakt veel waardevols onmogelijk. Zij is een bedreiging voor de democratie. En bovendien, schrijft Wampole, citeert Pfeijffer: ‘Mensen kunnen ervoor kiezen zich te blijven verbergen achter een mantel van ironie, maar deze keuze staat gelijk aan een overgave aan commerciële en politieke entiteiten die maar wat gelukkig zijn om de rol van de ouders te spelen van dit zichzelf infantiliserende burgerschap.’ Joost de Vries ontmaskerde de ironie als levenshouding als een zelfverdedigingsmechanisme. De ironicus ontloopt verantwoordelijkheid, maar is ook niet meer in staat tot echt waardevolle gevoelens en ervaringen, die altijd met risico’s gepaard gaan. Hij probeert met nostalgie de leegte in te vullen. Maar die risico’s zijn essentieel voor de zinervaring.

Deze revival van het pleidooi voor ernst sluit goed aan bij de negentiende-eeuwse discussie over de ‘romantische ironie’ (van Schlegel et tutti quanti; zie hoofdstuk 5). In beide gevallen is ironie het antwoord op een wereld waarin onzekerheid heerst. In deze discussies is het goed om ironie als retorische stijlmiddel niet te verwarren met ironie als levenshouding.

Hoofdstuk 7. De trol en de kikker. Ironie als wapen van alt-right

Christy Wampole waarschuwde dat ironie de democratie bedreigt. Als er geen waarheid meer is, kun je ook geen leugens meer ontmaskeren. Daardoor is de publieke opinie veel gemakkelijker te beïnvloeden – en daar heeft Trump zijn verkiezing aan te danken.

Natuurlijk zijn wij voor ironie als stijlmiddel om de gevestigde macht aan te vallen, en voor de vrijheid van meningsuiting, maar er is een probleem: wij zijn nu zelf de bourgeoisie, de gevestigde macht, de vertegenwoordigers van de politieke correctheid. Daar kikken alt-right en extreemrechts op.

De internettrol Milo Yiannopoulos is een ironische provocateur die voorwendt in niets meer te geloven, zelfs daarin niet. En de meme Pepe the Frog bewijst als symbool van extreemrechts hoezeer die strekking van ironie doordrongen is. Ironie is een strategie voor extreemrechts. Ze dragen hun ideologie op ironische wijze uit, zonder er zich mee te hoeven vereenzelvigen. Meningen worden gespuid, vervolgens wordt gezegd dat het maar ironie was – maar dat zeggen zelf gebeurt op ironische wijze. En links heeft hiertegen geen verweer omdat linkse ‘gutmenschen’ met hun oprechte engagement ten voordele van alle waarden en minderheden waarmee extreemrechtsen de spot drijven ‘geen gevoel voor humor’ hebben.

Hoofdstuk 8. De herontdekking van de ernst. Bij wijze van epiloog

Ilja Leonard Pfeijffer stelt vast dat hij zijn mening over ironie heeft moeten bijstellen. Vroeger was hij een grote aanhanger van de ironie, nu beseft hij dat ‘een overvloed aan ironie’ ‘destructieve gevolgen’ heeft. Hij weigert het subjectivisme, het egoïsme en het nihilisme aan te hangen waartoe doorgedreven ironie uiteindelijk leidt. Ironie ondermijnt niet enkel datgene wat het verdient ondermijnd te worden, zij maakt ook elk oprecht engagement ten voordele van behartenswaardige zaken, bijvoorbeeld de waarheid of deugdzame politiek of hoop op een betere wereld, onmogelijk. ‘De wereld zou gebaat zijn bij een herontdekking van de ernst.’