Terwijl de toegestroomde familie het uit gele steen
opgetrokken dodenhuisje binnenging stond ik in een waterig zonnetje op rood
grind. Mijn vader – verre echo’s van geween en gedempte stemmen klonken via de
kier van de deur – zei me dat peter nu op een ‘verre reis vertrokken’ was en
nooit meer terug zou komen. De opwinding van een verre vreemde reis en het
mateloos verdriet van de achtergeblevenen uit spijt omdat ze niet waren
meegegaan – niets droeg er toe bij de dood voor mij verschrikkelijk te maken.
Hij werd alleen maar mysterieus, als een blinde vlek in het geheugen, een
vergeten naam of gezicht waarop men eindeloos dubt zonder nader bij de
herinnering te komen. De zwarte kledij van de rouwenden, de vorm van het doodshuisje
en de zware deuren waar men schroomvol, snikkend en gedempt pratend in en uit
trad, bepaalden mijn beeld van de dood.
Jotie T’Hooft, Heer van
de Poorten, 10-11