voor
deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn
verschenen
28 november 2014
ATTEST
Wie
van u heeft ooit een attest of ‘getuigschrift van goed gedrag en
zeden’ moeten kunnen voorleggen? Het klinkt een beetje ‘inbreuk
op de privacy’-achtig, maar het heeft wel degelijk onder die naam
bestaan. Nu heet het, grammaticaal correcter, ‘attest van goed
zedelijk gedrag’ of, nuchterder maar tegelijk ook incriminerend,
‘uittreksel uit het strafregister’.
Vreemd
eigenlijk, maar wel veelzeggend, dat talig herijken van juridische
begrippen. Taal en moraliteit sporen niet altijd comfortabel. De taal
heeft moeite om de snel veranderende moraliteit te volgen. Denk maar
aan de staande uitdrukking ‘misdaad tegen de mensheid’. Opeens
staat iemand op en zegt: dat kan toch niet, je kunt toch geen misdaad
plegen tegen de ‘mensheid’. Voortaan moet iedereen zeggen:
‘misdaad tegen de menselijkheid’. Het gevolg is dat beide termen
door elkaar worden gebruikt en dat niemand nog weet wat nu juist is.
Overigens denk ik dat het wél kan, hoor, misdaden tegen de mensheid.
Ik hoorde Naomi Klein gisteren op tv de uitdrukking
‘klimaatcriminaliteit’ bezigen. En in die zin kan het dus wel:
als wij nu niet tijdig bijdraaien, dan begaan wij met z’n allen een
misdaad tegen de mensheid. De huidige én de toekomstige.
Trouwens,
menselijkheid, is dat per se iets positiefs, waartegen je dan
misdaden zou kunnen begaan? Soms heb je toch vormen van menselijkheid
die je het liefst de kop zou indrukken en genadeloos uitroeien?
Maar
goed, daarover wou ik het niet hebben.
Niet
dat mijn levenswandel zo onbesproken of onbespreekbaar is, maar ik
heb het slechts één keer moeten ophalen, zo’n attest waarmee ik
moest bewijzen dat mijn gedrag conform de op dat ogenblik van kracht
zijnde zedelijkheid was. Ik herinner het mij niet goed meer, het is
dan ook al lang geleden, maar ik denk dat ik er een nodig had voor
een sollicitatie. Voor een krant, als ik me niet vergis. In die tijd
vroegen kranten daar nog om. Denkelijk is daar sedert de ontzuiling
definitief een eind aan gekomen. Of neen, nu is er het internet: die
kranten vissen eerst zelf wel uit met wie ze in zee gaan.
En
dan bezin ik mij over de natuur van het woord attest, de
gebruiksaanwijzing. Waarvoor kun je een attest krijgen, hoe moet iets
zijn om attesteerbaar te zijn?
Gezondheid
of ziekte wordt geattesteerd; op school kun je een diploma verwerven,
net als een zwembrevet is dat eigenlijk ook een attest; vreemdelingen
brengen maanden door met wachten op attesten die in zekere zin moeten
bewijzen dat ze bestaan, enzovoort. ’t Gaat er altijd om dat een
attest iets moet staven wat niet in alle situaties meteen
verifieerbaar is. Ik moet geen attest hebben voor het feit dat ik
grijze ogen heb, maar wel met betrekking tot mijn bloedgroep of mijn
wil om na mijn dood organen te doneren. Hoe kan ik in godsnaam zonder
attest bewijzen dat ik een blanco strafblad heb? Hoe maakt een
Senegalese vluchteling duidelijk dat hij een Senegalese vluchteling
is? Hoe bewijs ik dat ik zwemmen kan zonder zwembad in de buurt? Hoe
bewijs ik dat ik kan autorijden zonder auto?
Attesten
moeten het gesjoemel tegengaan dat kan ontstaan in de marge tussen
gepretendeerd kwaliteit en opportuniteit om die kwaliteit toe te
passen. Of om een niet-vermogen niet toe te passen.
Zo
mocht ik ooit in opdracht van de groendienst van de stad waarvan ik
ingezetene ben foto’s maken van stadsgroen in ’t algemeen en van
speelpleintjes in het bijzonder. Het duurde niet lang of ik werd
beticht van pedofiel geïnspireerd voyeurisme. Ik ben toen maar een
brief gaan ophalen waarin werd geattesteerd dat genoemde, houder en
voorlegger van deze brief, wel degelijk in het kader van een serieuze
opdracht foto’s maakte waarop, gezien de aard van de beoogde zaak,
mogelijkerwijs wel eens een peuter of kleuter zou te zien zijn.
Genoemde had geen andere dan louter documentaire bedoelingen.
Officieel briefpapier. Naam en handtekening van de directeur van de
groendienst. Stempel. Ik voelde mij door dat attest eerlijk gezegd in
mijn hemd gezet, ik was enigszins op mijn pik getrapt zeg maar. Alsof
ik enkel met dit document kon bewijzen dat ik geen oneerbare
bedoelingen had – en strikt genomen was dat zo: ik kón het niet
bewijzen. ‘k Heb me dan ook van die opdracht, of van dat onderdeel
van die opdracht, eerlijk gezegd met enige haast gekweten. Wie op die
speeltuinfoto’s naar kinderen speurt, zal een loep moeten
bovenhalen. De groendienstbrief heb ik als curiosum bewaard.
Wat
zou er met mijn zwembrevetten gebeurd zijn? Wij kregen ze na het
succesvol afleggen van zwemtesten in de lagere school. Mijn eerste
brevet betrof het zonder verdrinken en in een bepaalde duidelijk
omschreven zwemstijl afgelegde badlengte: 25 meter. Dan ging het
verder op naar 50 en 100 meter – en telkens mocht moeder het
verkregen lapje stof op de zwembroek naaien! Ik herinner mij die
insignes: zwarte stof, op de voorkant de afbeelding van een
manspersoon die gereed staat om in het water te duiken (durfde ik
toen nog niet), op de achterkant een warrig kluwen van gekleurde
draden, het resultaat van een ondoorgrondelijk weefproces. Ik heb
meerdere van die brevetten behaald, mijn moeder heeft er denk ik maar
eentje opgenaaid. Waar zijn ze heen?
En
dan was er ook de ‘erekaart’, herinner ik me nu. Naast het
trimestrieel rapport konden wij in de lagere school ook nog
‘erekaarten’ behalen op basis van voorbeeldig gedrag, inzet, goed
presteren. Maar wat is goed presteren? Ook de domste van de klas kon
zijn best doen – maar dat werd niet of toch maar zelden met een
erekaart beloond, vreemd genoeg. En wat was nog de waarde van een
erekaart als je er élke keer een kreeg, of als je ouders het niet
leuk vonden dat je er een keer géén mee naar huis kreeg? ’t Was
een oubollig en discriminerend systeem – het mag een vooruitgang
heten dat het niet meer bestaat, ik meen zelfs dat ik de afschaffing
ervan nog heb meegemaakt en dat zou dus in het begin van de jaren
zeventig zijn geweest. Ja, die afschaffing was een van de gevolgen
van mei ’68!
Maar
ik herinner me wel dat mijn schoolrapport, al dan niet vergezeld van
erekaart, een hele kerst- of paasvakantie lang bovenop de
schoorsteenmantel te prijk werd gezet. Zo was het gebruik bij ons. Ik
herinner mij dat nog.