zaterdag 15 juni 2024

facebookbericht 1171


Het logo van Stad Brugge staat op het spandoek, dus ondersteunt de stad de misselijkmakende boodschap van de plaatselijke middenstandsvereniging.

Gelukkig bracht net op dat moment de stadsbeiaardier een hommage aan Françoise Hardy met zijn interpretatie van 'Tous les garçons et les filles', een lied uit onschuldiger tijden.


afscheid van mijn digitaal bestaan 367

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

8 december 2014


TERUGKEREN

Onlangs waren we voor het eerst sinds lange tijd nog eens ’s avonds in Oostende. Daar gingen we de voorbije negen jaar een paar keer heen. We maakten een wandeling over de zeedijk, langs de bocht van het Casino, en gingen daarna nog een trappist drinken in café De Tijd aan de Langestraat. De Tijd was een bruine kroeg die was ondergebracht in de bel-étage van een statig herenhuis. Je moest een trapje op om bij de voordeur te komen. Binnen weerklonk goeie muziek, die bovendien niet te luid stond zodat je gemakkelijk kon praten. Een oudere man met lange grijze haren draaide, duidelijk voor niets anders dan voor zijn plezier en een goed glas, jazzplaten. Er hingen ingelijste zwart-witfoto’s van jazzcoryfeeën aan de muren. En voor het raam hing een grote ronde wijzerplaat. Je kreeg er bij het binnenkomen, ook al kwam je er bijna nooit, een vriendelijke groet.

Zo gingen we het dus nu ook weer doen. En we verkneukelden ons al op voorhand.

Maar we vonden café De Tijd niet. Of toch niet meteen. Een echte staminee word je niet als je maar eens in de drie jaar over de vloer komt, dus was het nu ook weer niet zo raar dat we onze favoriete Oostendse bar niet meteen konden lokaliseren. Ik herinnerde mij: het is in de straat parallel met de dijk en, kijkend in de richting van de Noordzee, rechts van het Casino. Wegstappend van de roulettetafels en de slots, ligt De Tijd links.

Op de plek waar ik dacht dat het café zich moest bevinden, hield een pand zich achter stellingen schuil. Aan een van de buren, de uitbater van een ander café, een dat eigentijdser was dan De Tijd, vroeg ik waar De Tijd was: het was toch daar waar nu die stellingen stonden, of vergiste ik me dan zo erg?

Inderdaad, bevestigde de man, die buiten stond te roken. Daar waar nu die stellingen staan, was vroeger café De Tijd.

Was?, vroeg ik en er zal wel iets van teleurstelling in mijn stem hebben meegeklonken.

Ja, antwoordde de man, niet na eerst nog eens flink aan zijn sigaret te hebben gezogen. Ze moesten uit dat pand weg. Het was onbewoonbaar verklaard nadat er een stuk van de gevel naar beneden was gevallen. Bij elk woord ontsnapte er een wolk rook uit zijn neus en mond. Ik had zin in een sigaret maar dat kon niet want ik ben zes jaar ex-roker.

Dus, het bestaat niet meer?, probeerde ik nog.

Toch wel, zei de man – en hij zette ons op weg. Aan ons verloor hij geen klandizie want mensen die de oubolligheid van café De Tijd opzoeken zou hij toch nooit winnen voor zijn blitse zaak vol glitter en luidruchtige tv-schermen waarop halfnaakte zwarte deernen zich wulps kronkelend aan corpulente blingblingnegers aanboden. De caféuitbater legde ons uit dat café De Tijd nu al meer dan een jaar geleden was opgedoekt en dat de gerant twee straten verder een onderdak had gevonden. Hij legde ons uit waar we dat onderdak konden vinden.

Drie kwartier later verlieten we de nieuwe vestigingsplaats van café De Tijd. We hadden het nieuwe adres vrij vlug gevonden. ’t Was nauwelijks driehonderd meter verderop, in een landinwaarts gelegen parallelstraat, aan dezelfde kant van het Casino maar nu als je van roulettes en slots wegstapt aan de rechterkant van de straat gelegen. Je moest een trap afdalen: het café was ondergebracht in een souterrain. Onmiddellijk hinderde ons de geur van vocht en schimmel. Een eenzame klant zat op een kruk aan de toog achter een pint waarvan het schuim al een tijd geleden verdwenen was. Enkele lampjes her en der aan de muren aangebracht probeerden een stemming teweeg te brengen. De jazzfoto’s herinnerden aan de sfeer van weleer. Op de muren was met reliëf witte verf gespateld. De oudere man die platen draaide was vervangen door een computer. We kregen een trappist voorgezet, maar ik wist al meteen dat hij niet zou smaken.

We rekenden af, verlieten de zaak, trap op naar de straat, en wisten toen wij opnieuw buiten stonden en in de kille bries opgelucht konden ademhalen, dat de tijd dat wij naar café De Tijd zouden terugkeren nooit zou terugkeren.




7226

Brugge, Grauwwerkersstraat - 240518


vrijdag 14 juni 2024

afscheid van mijn digitaal bestaan 366

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

7 december 2014


Opeens is het daar: luciditeit. Een moment dat je denkt: nu ben ik helder, nu moet ik het opschrijven. Maar er is een nieuw facebookappèl, je wil eerst nog die laatste bladzijde van dat hoofdstuk lezen, er komt een sms-bericht binnen. Of er moet een aflevering van een Britse misdaadreeks worden bekeken. En voor je het weet is het weg. Trouwens, opschrijven? Wat opschrijven?

Hoe je je voelt, bijvoorbeeld.

Maar wat is dat: voelen? Je begint te kijken naar die aflevering van een Britse misdaadreeks waarvan je al op voorhand weet dat je na een kwartier het noorden kwijt zult zijn. En zo geschiedt het ook. Maar net voor je afhaakt, hoor je een van de personages, de dochter van het slachtoffer, vragen of het normaal is dat ze niets voelt. ‘Ik moet iets voelen, dat weet ik. Maar ik voel niets. Is dat normaal?’

Je bent in verwarring want dit personage wordt vertolkt door een actrice die in een vorige serie de gerechtsdokter was. Dat zet de zaken nog meer op hun kop – en je bent zo al niet mee. Je ‘voelt’ dat je maar beter iets anders kunt doen want vanaf hier wordt het bekijken van deze aflevering een louter passieve onderdompeling in een sfeer. Het verhaal ontglipt je. En tegelijk ook de interesse die je ervoor hoorde te hebben. Je hebt amper door wat het probleem behelst dat moet worden opgelost.

Terug naar dat op te schrijven iets. Hoe je je voelt.

Am I supposed to feel something?

Er gaat van alles door mijn hoofd dezer dagen. Het zijn stormachtige dagen. De dingen zijn onvast. Ik veroorzaak schade. Alles gaat zo snel – wat vreemd is, want er lijkt stilstand te zijn in mijn hart.

En dan kost het me ook nog eens moeite de binnenwereld met de buitenwereld te laten sporen.

Een zanger sterft. Een koningin sterft. De rouw wordt opgeklopt tot mediatieke dimensies. Er is een enorme behoefte aan rituelen. Deze massa’s, zo denk je dan, zouden voor om het even welke kar kunnen worden gespannen. Geen loze gedachte want het land is overgeleverd aan bewindslui die overtuigd zijn dat ze binnen hún context de juiste beslissingen nemen. Maar hún context is niet de juiste context. De wereld is veel groter. Op die manier wordt het beleid harteloos en hatelijk. Dit drukt terneer. Alles wordt zwart-wit. Je bent voor, of tegen. Als er over bepaalde zaken wordt gesproken, demp je je stem. De polarisering zet zich overal door. De samenleving is hierdoor verziekt.

Vandaag is het 6 december. Begin december. Tien of twintig jaar geleden, heb ik de indruk, was het nu al volop: kerstsfeer. Eindejaarslichtjes. Consumptieplezier. Steeds meer valt het me op dat het alsmaar minder wordt, die kerstpret. Jaar na jaar. De mensen houden zich in. Geen kerstbomen, of toch weinig. Geen lichtjes in de enige boom die in het voortuintje staat. Geen kerstmannen die tegen de gevel opklimmen. ’t Is allemaal veel soberder en rustiger. De enige kerstanimositeit is deze in de commerciële centra. De winkelstraten, de ijspiste op de Grote Markt.

Maar daar kom ik niet. Daar zien ze me niet.

Wat ik zie, als ik door het raam naar buiten kijk, is dat de mensen die passeren helemaal niet op koude gekleed zijn, dat er nog bladeren aan de bomen hangen, dat alles grijs en stil is.

Er heerst somberte. En droefenis. Of vergis ik mij?

7225

Brugge, Poortersloge, werk van Jasper Rigole - 240518


donderdag 13 juni 2024

7224

Ver-Assebroek - 240517


woensdag 12 juni 2024

afscheid van mijn digitaal bestaan 365

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

28 november 2014


ATTEST

Wie van u heeft ooit een attest of ‘getuigschrift van goed gedrag en zeden’ moeten kunnen voorleggen? Het klinkt een beetje ‘inbreuk op de privacy’-achtig, maar het heeft wel degelijk onder die naam bestaan. Nu heet het, grammaticaal correcter, ‘attest van goed zedelijk gedrag’ of, nuchterder maar tegelijk ook incriminerend, ‘uittreksel uit het strafregister’.

Vreemd eigenlijk, maar wel veelzeggend, dat talig herijken van juridische begrippen. Taal en moraliteit sporen niet altijd comfortabel. De taal heeft moeite om de snel veranderende moraliteit te volgen. Denk maar aan de staande uitdrukking ‘misdaad tegen de mensheid’. Opeens staat iemand op en zegt: dat kan toch niet, je kunt toch geen misdaad plegen tegen de ‘mensheid’. Voortaan moet iedereen zeggen: ‘misdaad tegen de menselijkheid’. Het gevolg is dat beide termen door elkaar worden gebruikt en dat niemand nog weet wat nu juist is. Overigens denk ik dat het wél kan, hoor, misdaden tegen de mensheid. Ik hoorde Naomi Klein gisteren op tv de uitdrukking ‘klimaatcriminaliteit’ bezigen. En in die zin kan het dus wel: als wij nu niet tijdig bijdraaien, dan begaan wij met z’n allen een misdaad tegen de mensheid. De huidige én de toekomstige.

Trouwens, menselijkheid, is dat per se iets positiefs, waartegen je dan misdaden zou kunnen begaan? Soms heb je toch vormen van menselijkheid die je het liefst de kop zou indrukken en genadeloos uitroeien?

Maar goed, daarover wou ik het niet hebben.

Niet dat mijn levenswandel zo onbesproken of onbespreekbaar is, maar ik heb het slechts één keer moeten ophalen, zo’n attest waarmee ik moest bewijzen dat mijn gedrag conform de op dat ogenblik van kracht zijnde zedelijkheid was. Ik herinner het mij niet goed meer, het is dan ook al lang geleden, maar ik denk dat ik er een nodig had voor een sollicitatie. Voor een krant, als ik me niet vergis. In die tijd vroegen kranten daar nog om. Denkelijk is daar sedert de ontzuiling definitief een eind aan gekomen. Of neen, nu is er het internet: die kranten vissen eerst zelf wel uit met wie ze in zee gaan.

En dan bezin ik mij over de natuur van het woord attest, de gebruiksaanwijzing. Waarvoor kun je een attest krijgen, hoe moet iets zijn om attesteerbaar te zijn?

Gezondheid of ziekte wordt geattesteerd; op school kun je een diploma verwerven, net als een zwembrevet is dat eigenlijk ook een attest; vreemdelingen brengen maanden door met wachten op attesten die in zekere zin moeten bewijzen dat ze bestaan, enzovoort. ’t Gaat er altijd om dat een attest iets moet staven wat niet in alle situaties meteen verifieerbaar is. Ik moet geen attest hebben voor het feit dat ik grijze ogen heb, maar wel met betrekking tot mijn bloedgroep of mijn wil om na mijn dood organen te doneren. Hoe kan ik in godsnaam zonder attest bewijzen dat ik een blanco strafblad heb? Hoe maakt een Senegalese vluchteling duidelijk dat hij een Senegalese vluchteling is? Hoe bewijs ik dat ik zwemmen kan zonder zwembad in de buurt? Hoe bewijs ik dat ik kan autorijden zonder auto?

Attesten moeten het gesjoemel tegengaan dat kan ontstaan in de marge tussen gepretendeerd kwaliteit en opportuniteit om die kwaliteit toe te passen. Of om een niet-vermogen niet toe te passen.

Zo mocht ik ooit in opdracht van de groendienst van de stad waarvan ik ingezetene ben foto’s maken van stadsgroen in ’t algemeen en van speelpleintjes in het bijzonder. Het duurde niet lang of ik werd beticht van pedofiel geïnspireerd voyeurisme. Ik ben toen maar een brief gaan ophalen waarin werd geattesteerd dat genoemde, houder en voorlegger van deze brief, wel degelijk in het kader van een serieuze opdracht foto’s maakte waarop, gezien de aard van de beoogde zaak, mogelijkerwijs wel eens een peuter of kleuter zou te zien zijn. Genoemde had geen andere dan louter documentaire bedoelingen. Officieel briefpapier. Naam en handtekening van de directeur van de groendienst. Stempel. Ik voelde mij door dat attest eerlijk gezegd in mijn hemd gezet, ik was enigszins op mijn pik getrapt zeg maar. Alsof ik enkel met dit document kon bewijzen dat ik geen oneerbare bedoelingen had – en strikt genomen was dat zo: ik kón het niet bewijzen. ‘k Heb me dan ook van die opdracht, of van dat onderdeel van die opdracht, eerlijk gezegd met enige haast gekweten. Wie op die speeltuinfoto’s naar kinderen speurt, zal een loep moeten bovenhalen. De groendienstbrief heb ik als curiosum bewaard.

Wat zou er met mijn zwembrevetten gebeurd zijn? Wij kregen ze na het succesvol afleggen van zwemtesten in de lagere school. Mijn eerste brevet betrof het zonder verdrinken en in een bepaalde duidelijk omschreven zwemstijl afgelegde badlengte: 25 meter. Dan ging het verder op naar 50 en 100 meter – en telkens mocht moeder het verkregen lapje stof op de zwembroek naaien! Ik herinner mij die insignes: zwarte stof, op de voorkant de afbeelding van een manspersoon die gereed staat om in het water te duiken (durfde ik toen nog niet), op de achterkant een warrig kluwen van gekleurde draden, het resultaat van een ondoorgrondelijk weefproces. Ik heb meerdere van die brevetten behaald, mijn moeder heeft er denk ik maar eentje opgenaaid. Waar zijn ze heen?

En dan was er ook de ‘erekaart’, herinner ik me nu. Naast het trimestrieel rapport konden wij in de lagere school ook nog ‘erekaarten’ behalen op basis van voorbeeldig gedrag, inzet, goed presteren. Maar wat is goed presteren? Ook de domste van de klas kon zijn best doen – maar dat werd niet of toch maar zelden met een erekaart beloond, vreemd genoeg. En wat was nog de waarde van een erekaart als je er élke keer een kreeg, of als je ouders het niet leuk vonden dat je er een keer géén mee naar huis kreeg? ’t Was een oubollig en discriminerend systeem – het mag een vooruitgang heten dat het niet meer bestaat, ik meen zelfs dat ik de afschaffing ervan nog heb meegemaakt en dat zou dus in het begin van de jaren zeventig zijn geweest. Ja, die afschaffing was een van de gevolgen van mei ’68!

Maar ik herinner me wel dat mijn schoolrapport, al dan niet vergezeld van erekaart, een hele kerst- of paasvakantie lang bovenop de schoorsteenmantel te prijk werd gezet. Zo was het gebruik bij ons. Ik herinner mij dat nog.




7223

Oedelem - 240517


dinsdag 11 juni 2024

afscheid van mijn digitaal bestaan 364

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

10 september 2014


ATROCITEIT

Het menselijk vermogen tot fysieke wreedheid is er altijd geweest. Mensen, mannen vooral, hebben een patent op atrociteit – mishandeling van mannen, vrouwen, kinderen en dieren is hun ding; wederrechtelijke oorlogshandelingen; misdaden tegen de mensheid of menselijkheid (wat moet je nu eigenlijk zeggen?); folterpraktijken en terechtstellingen. Beul is vanouds een mannelijk beroep en het is heus niet de eerste keer dat een onschuldige gijzelaar wordt onthoofd. Het nieuwe, en op een vreemde wijze dúbbel wrede, is natuurlijk dat we het allemaal te zien krijgen. Ook de Islamitische Staat – of eigenlijk moet je het lidwoord weglaten want het is een ‘organisatie’ of een ‘beweging’, ja wat is het eigenlijk? – ook IS is dol op smartphones en kent de weg naar Facebook, Twitter, Instagram of YouTube. Het internet wordt, zoals alles wat mensen hebben uitgevonden om goede dingen mee te verwezenlijken (het wiel, het vuur, het buskruit), ook ingezet om het kwaad te dienen, om kwaad te doen. IS filmt lugubere terechtstellingen om angst te verspreiden maar ook, vreemd genoeg, om te rekruteren. Dat laatste getuigt van een perverse kennis van de menselijke, en dan bij uitstek de mannelijke, psyche. Uiteraard is het onze morele plicht om deze praktijken barbaars te blijven noemen en er op de meest uitdrukkelijke manier onze afkeuring over uit te spreken. Maar daarmee is de kous niet af.

Onmiddellijk na de feiten waar we intussen allemaal weet van hebben (wat een efficiënte propagandamachine!) vond een van mijn Facebookcontacten het nodig een foto van het onthoofde lichaam op zijn tijdlijn te plaatsen. Het IS-filmpje had ik tot dan toe weten te omzeilen. Dat is gelukkig nog mogelijk want je moet zo’n filmpje nog zelf in gang zetten – en daar is een wilsbeslissing voor nodig. Een foto daarentegen staat daar ineens en plant meteen zijn volle lading op je netvlies; er is geen ontkomen aan. Ik ga die foto, die ik dus liever niet onder ogen had gekregen, hier niet beschrijven. Ik ben het ten volle eens met de beslissing van onze openbare omroep om de beelden van IS niet te verspreiden omdat dat nu precies is wat die organisatie beoogt: een maximale verspreiding. Ik beperk mij tot de mededeling dat de enscenering van de foto getuigde van een werkelijk door en door perfide atrociteit – de foto blijft, dat weet ik nu al zeker, tot op het eind van mijn dagen in mijn geheugen gestanst. Nooit eerder zag ik zoiets en ik wou dat ik kon zeggen dat ik het nooit nog zal moeten zien. (Maar ik zal het altijd, met mijn geestesoog, blijven zien: ik ben besmet, aangetast.)

Vreemd genoeg leiden de beelden van de begane atrociteiten, duchtig verspreid via de zogenaamde sociale media en bijgevolg, met een grondigheid waarvan geen enkele tekstschrijver kan dromen, in geen tijd doorgedrongen tot in de diepste lagen van de bevolking, niet tot een verhoging maar integendeel tot een verlies van ons werkelijkheidsbesef. Na een jarenlang bombardement van geweldgames, horrorfilms en op alle mogelijke manieren gemanipuleerde beelden; na de banalisering van het kwaad door onder meer de vermenging met publiciteit, denk aan de reclamecampagnes van Benetton indertijd; na de indigestie van gruwelbeelden, te beginnen bij de foto’s van bevrijde concentratiekampen vlak na het einde van de Tweede Wereldoorlog over de hongerbeelden uit Biafra en Ethiopië tot de geësthetiseerde World Press-foto’s van kinderen die wegrennen voor een napalmbombardement of die weggedragen worden uit een puinhoop door wanhopige ouders; en met de permanente en absolute aanwezigheid van de afstandsbediening en dus de mogelijkheid om de blik af te wenden en het waargenomene niet tot zich te laten doordringen of het meteen te verdringen en vergeten en er dus de morele consequenties niet van te moeten dragen – na en met dat alles moeten wij vaststellen dat het eerste wat we doen als we beelden van een onthoofding zien is: onderzoeken of deze beelden ‘gemanipuleerd’ zijn. We betwisten met andere woorden hun realiteit.

Alsof het niet zou kunnen: een gefilmde onthoofding.

Afstandsbediening. Het woord zegt het natuurlijk helemaal: we bedienen ons van de afstand, we laten de werkelijkheid niet tot ons toe. We weten dat het zich allemaal op een afstand voordoet, maar we verzorgen onze mentale hygiëne, we perfectioneren ons vermogen om te geloven dat de kans dat ons iets dergelijks zou overkomen alleen maar theoretisch is.

En daar ligt de verdubbeling van de atrociteit. De gruwel op zich is wreed, daar kan geen twijfel over bestaan. Maar het besef van het effect dat die beelden op ons hebben, het zelfbewustzijn dat dit effect in vergelijking met wat er op de beelden of foto’s te zien is onvoorstelbaar tekortschiet, ja, eigenlijk nauwelijks boven de apathie uitstijgt – dat besef is ook wreed. De gefilmde en getoonde en door ons waargenomen atrociteit confronteert ons met onszelf en doet ons pijnlijk ontwaken.

Ik kan niet geloven dat diegenen die dergelijke beelden verspreiden niet weten hoezeer zij behalve angst aanjagen, door de rechtstreekse confrontatie met wat zij ons tonen, ook ontmoedigen en verlammen, door de onrechtstreekse confrontatie met ons realiteitsverlies en – uiteindelijk – onze onverschilligheid. Oorlogsvoerders hebben zich altijd van propaganda bediend. Maar nooit eerder zijn ze zo diep doorgedrongen in ons vermogen tot juist waarnemen, in onze zelfdeceptie, in de essentie van onze moraliteit.




7222

Brussel, Ravensteingalerij - 240516


maandag 10 juni 2024

7221

Brugge, verkoopzaal Bonte - 240515


zondag 9 juni 2024

26 * 48,5 * 26,1 * 1444,1

Zuienkerke - De Haan - Vlissegem - Plassendale - Nieuwege  



notitie 425

GEEN STEMADVIES

Ik zal u niet zeggen op welke partij u moet stemmen, maar ik zal u wel zeggen op welke argumenten ik mijn keuze baseer. (Ik zeg er wel bij dat ik mij de voorbije weken zo ver mogelijk van de campagne heb gehouden.) In willekeurige volgorde en voor de vuist weg zijn dat:

dat koopkracht al te vaak een ander woord is voor ondoordacht en weinig duurzaam consumentisme

dat er een te kleine kloof is tussen de verloning van werken en de vergoeding voor wie wel zou kunnen werken maar het niet doet

dat de klimaatverandering in de meeste campagnes – en al zeker niet in de media – zo goed als niet aan bod kwam, hoewel zij aan de basis zal liggen van de verdere ontwrichting van onze economie en van nog veel grotere migratiestromen dan deze waar wij ons nu blijkbaar zo druk om maken

dat het beschimpen van minderheden van kleur, geslacht en seksuele voorkeur niets anders is dan het afleiden van de aandacht voor de werkelijke problemen: klimaat, te grote ongelijkheid – en dat laatste niet alleen in onze vlek op de wereldkaart maar globaal tussen Noord en Zuid

dat we het geld om onze schulden af te betalen niet moeten halen bij wie het al moeilijk heeft

dat België wellicht een van de meest bizar georganiseerde landen ter wereld is, maar dat de verstandigsten van de meest fanatieke regionalisten beginnen in te zien dat in de huidige wereld het op zichzelf terugplooien geen optie meer is

dat er over de grote milieuschandalen – PFAS, stikstof, betonnering – die Vlaanderen teisteren niet wordt gesproken

dat de schandaalsfeer rond de N-VA (de Antwerpse vastgoeddossiers), Vlaams Blok (China) en cd&v (het blijven steunen van de criminele organisatie Boerenbond) vakkundig werden doodgezwegen

dat de PVDA de voorbije jaren vanuit de oppositie veel meer heeft verwezenlijkt dan op basis van de omvang van haar fracties in de parlementen (Vlaams en federaal) kon worden verwacht, en dat Groen als vrijwel enige nog om het klimaat maalt – is er trouwens iemand die iets heeft gezegd over de biodiversiteit?, nochtans ook geen akkefietje

– maar dat er onduidelijkheid blijft bestaan over de Oeigoeren

– dat de democratie een bijzonder wankel idee blijft als je hoort dat één dag voor de verkiezingen één op de vijf kiesgerechtigden nog niet weet voor wie of wat te kiezen

– dat de politici acteurs zijn geworden die de beslissingen die elders worden genomen in keurig formatteerde programma’s komen vertolken

– (ja, er zullen nog wel andere argumenten zijn)

En daarmee is de voorbije legislatuur weer eens netjes neergelegd.




7220

Breskens (NL) - 240514


zaterdag 8 juni 2024

7219


240604


vrijdag 7 juni 2024

25 * 64,4 * 26,7 * 1395,6

Dudzele - Zwankendamme - Nieuwmunster - Vlissegem - Stalhille - Plassendale - Nieuwege 



7218

Breskens (NL) - 240514

 

donderdag 6 juni 2024

afscheid van mijn digitaal bestaan 362

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

3 juli 2014

Aan de andere kant van het gangpad zit een jong koppel. Zij in superkort rokje, mooi gebronsde benen. Beetje aanleg tot corpulentie, dat is voor over een jaar of twintig. Haar vriendje is overduidelijk een seksbeest, dat steekt hij niet onder stoelen of banken. Stoffen schoentjes met tijgermotiefje, idem voor het T-shirt, dat diep uitgesneden okselgaten heeft om de tattoo op de linkerflank van de ribbenkast goed te laten uitkomen. Tattoos zijn er ten overvloede op de armen: talige boodschappen, florale motieven. De donkere benen zijn donker en behaard, maar onbeschreven. Zonnebril en headset op de kop. Een ringetje door de neus – moet lastig zijn bij het snuiten. Beide zijn met een mobiel in de weer, maar voeren toch ook een soort van conversatie met elkaar. Meisje werkt wimpers bij. Ik vraag me af of deze mensen zich meer als twee individuen aan de wereld tonen dan als stel. Ik denk het wel. Maar voorlopig doen ze het nog met elkaar.




7217

Westkapelle - 240514


woensdag 5 juni 2024

getekend 452



7216

Westkapelle - 240514


dinsdag 4 juni 2024

notitie 424

RENDEMENT

De wijk die mij is toegewezen om folders te bussen van een partij die, als ik de peilingen mag geloven, ergens rond de 10 procent gaat uitkomen, was vroeger residentieel. Tegenwoordig beginnen de verpaupering en verkleuring zich al aardig door te zetten – de notarissen en specialisten en directeuren die hier vroeger woonden hebben zich teruggetrokken in hun megalomane villa’s in het bosrijke gebied ten zuiden van de stad. Zwembaden, SUV’s op de oprit en een robotmaaier die de godganse dag het gazon trimt. In de grootste huizen van Kristus-Koning – sorry, maar zo heet mijn wijk nu eenmaalwoont nog wel rijk volk, dat zie je aan de auto’s voor de deur, de alarminstallaties tegen de gevel en de afstand van trottoir tot brievenbus, maar de naambordjes bij de deurbellen van de kleinere woningen en appartementen spellen toch vooral exotische namen.

Dat inzicht is alvast de winst die ik boek met het bussen van folders. Want wat haalt het uit, eigenlijk? Wat is het rendement? Hoeveel van de zevenhonderd folders worden er gelezen? Hoeveel van de folders die worden gelezen brengen de lezer op andere gedachten, of op het door de folder beoogde gedacht tout court? Het aantal kan niet anders dan verwaarloosbaar zijn – ik mag er niet aan denken. Daarom focus ik tijdens het bussen op andere zaken. Zoals de demografische en sociologische samenstelling van mijn wijk. Hoe die de afgelopen zeg maar vijftig jaar drastisch veranderd is.

En gelukkig lopen er hier en daar ook nog levende mensen rond. In plaats van de flyer in hun bus te steken, overhandig ik hem rechtstreeks aan een stel dat net thuiskomt van boodschappen doen (ze laden uit de kofferbak van hun uit de kluiten gewassen Volvo met etenswaren gevulde draagtassen van de Delhaize). Mijn guitig uitgesproken mededeling dat het hier gratis informatie betreffende de nakende verkiezingen betreft wordt op een scheve glimlach onthaald. Tegen een mevrouw die duidelijk gehaast op vertrekken staat en mij toevoegt dat ik geen verkiezingsdrukwerk moet bussen want ze heeft al ‘genoeg oud papier’, zeg ik dat ze niets mist, dat er toch alleen maar flauwekul in mijn folder staat. Ze staart me verbaasd aan. En dan is er het duo dat in de inkomhal van een appartementsblok bij de deurbellen en brievenbussen staat te wachten op, ja, waarop eigenlijk? Ze hebben ook drukwerk bij zich, maar het heeft niets met verkiezingen te maken, wel met uitverkorenheid. ‘Aha,’ zeg ik. ‘Jullie zijn ook boodschappers!’ Ze kijken me aan alsof ze het in Keulen horen donderen, wat mij een banbliksem ontlokt: ‘Jullie brengen de Blijde Boodschap, maar ik breng een Realistische Boodschap.’

Op weg naar de volgende brievenbus vraag ik me af of de paar zielen die ik – misschien! – met mijn zevenhonderd folders win kunnen opwegen tegen de 144.000 uitverkorenen waarop die twee proselietenmakers mikken.







7215

Damme - 240512


maandag 3 juni 2024

notitie 423

VERSTANDSKIES

Ik kwam – door een speling van het lot – samen met Jonas op de trein te zitten. Jonas is sinds we elkaar voor het laatst zagen wat aangekomen. Zoals ik, overigens. Op onze leeftijd komen we aan, dat is heel normaal. Ik had me voorgenomen om tijdens de rit naar Brussel, waar ik Herman ga bezoeken (die door ziekte behoorlijk wat is afgevallen, zoals ik later op de dag met eigen ogen zou kunnen vaststellen), mij te verdiepen in Een dag op het stembureau van Italo Calvino, een novelle die ik telkens er verkiezingen in aantocht zijn herlees om mij te bezinnen over de eigenaardige manier waarop wij, onder de noemer ‘democratie’, in het zogenaamde Vrije Westen het maatschappelijke reilen en zeilen regelen. Maar daar stak de onverwachte ontmoeting met Jonas dus een stokje voor. Ik vind dat niet erg want een gesprek met een levende mens sla ik, ondanks alle ontnuchteringen die het werkelijke leven mij al heeft gebracht, nog altijd hoger aan dan de confrontatie met de geschriften van een auteur die al een hele poos niet meer onder ons is, hoe actueel ook datgene wat hij te vertellen heeft nog steeds is.

Na de gebruikelijke plichtplegingen, die het gesprek tussen lieden die elkaar al een paar jaar niet meer hebben gezien kenmerken, begon Jonas over Eric, een gemeenschappelijke vriend van in onze studietijd. Jonas had Eric vorige week nog maar, ook toevallig, op de trein gezien. Jonas, Eric en ikzelf kennen elkaar van de studie Germaanse filologie die we samen waren aangevat, maar we gingen nadien elk een andere richting uit. Jonas belandde in de verzekeringswereld en ik werd, hoewel ik graag les had gegeven, uiteindelijk – na lange omzwervingen die, zo bleek achteraf, niemand vooraf had kunnen voorspellen – tandartsassistent, godbetert. Eric was wel in de talen gebleven en was nu eindredacteur voor een uitgeverij – wat mij in elk geval niet verbaasde want telkens ik in een boek een tik- of spelfout aantref en ergens ter hoogte van mijn verstandskies de pijnscheut ervaar die daar, vreemd genoeg, altijd mee gepaard gaat, moet ik aan Eric denken omdat hij, iedere keer dat zich daartoe maar de geringste aanleiding voordeed, het nooit kon nalaten om zich uitdrukkelijk te ergeren aan spel- en taalfouten.

Eric vertelde mij dat hij op zoek was naar een maîtresse,’ zei Jonas. Ik spitste de oren want dat soort weetjes boeit me meer dan orthografie. En ook dan orthodontie, eerlijk gezegd. Jonas, zo herinnerde ik mij, had altijd al een zwak gehad voor pittige roddels. ‘Zijn vrouw, met wie hij al dertig jaar samen is, heeft een minnaar, en blijkbaar steekt ze dat niet onder stoelen of banken. Het is een soort van modus vivendi tussen die twee.’ Jonas glimlachte, en ik glimlachte mee, al haastte ik mij te zeggen dat wij daar eigenlijk geen zaken mee hebben. In het huwelijksbootje moet iedereen roeien met de riemen die hem ter beschikking staan. Of haar. ‘Maar nu,’ vervolgde Jonas, ‘is Eric dus op zoek naar een minnares. Ik vroeg hem of die mevrouw dan een soort van tegengewicht moest zijn voor wat er scheef liep in zijn huwelijk.’ Ik luisterde geboeid en vond Jonas’ vraag pertinent. ‘En weet je wat hij zei?’ ‘Neen,’ zei ik. ‘Dat de dame die hij zocht geen tegengewicht zou zijn, maar wel een tegenwicht.’

Juist, ja. Precies: een tegenwicht. Zou Eric ook aangekomen zijn? was een vraag die nog geheel willekeurig in mij opkwam.

Nadat Jonas in Gent-Sint-Pieters was afgestapt, wikte ik nog even de woorden alvorens mij alsnog te verdiepen in Calvino’s meditatie over verkiezingen.




7214

Dudzele - 240511


zondag 2 juni 2024

24 * 54,5 * 25,1 * 1331,2

 Nieuwege - Plassendale - Klemskerke - De Haan - Vlissegem - Nieuwmunster - Zuienkerke - Meetkerke




notitie 422

TIJD IS RIJKDOM

Aan de kassa in de supermarkt. Voor mij staat een uit de kluiten gewassen jonge gast, een jaar of 25 hooguit 30, blonde manen, slank, hip gekleed, gebronsd. Type surfboy. De waren die hij op de rolband heeft gelegd zijn er dan ook naar: energy drinks, een speciaal soort bier uit een Midden-Amerikaans land. Iets voor op de barbecue ook. Hij wacht tot de oude dame die voor hem kwam al haar aankopen heeft opgeborgen, en dan moet ze nog betalen. Cash met veel muntstukken die nog moeten worden geteld, of met een bankkaart: dat valt nog te bezien. De caissière vraagt de jongeman alvast wat geduld. Maar dat is voorbarig: ‘Ik heb alle tijd,’ zegt hij.

Daar kijk ik van op. Het klink verfrissend. De jongeman ziet mijn goedkeurende blik en licht toe. Dat hij niet hier woont, dat hij de winters in Zuid-Afrika doorbrengt – vandaar die bronskleur –, dat hij het hier wel gehad heeft. ‘De mensen hier hebben nooit tijd. Het is altijd van “druk-druk-druk”. Als je het niet druk hebt, ben je niets. Ik heb mijn conclusies getrokken.’

Ik kan hem geen ongelijk geven. Aan zijn besluit heb ik al helemaal niets toe te voegen:

“Tijd is de ware rijkdom”.

Het contrast tussen de tegelwijsheid en het stoere voorkomen van de jongeman is treffend. Ook de caissière kijkt er van op.

Ondertussen heeft de oude dame haar betaalkaart gevonden. De betaling verloopt, tegen alle verwachtingen in, rimpelloos. De caissière haalt nu de energy drinks en het kratje Corona-pils van onze surfboy over het scanoog. De jongeman staart fors voor zich uit, houdt zijn betaalkaart al klaar.

Hij betaalt en groet zowel de oude dame, die nog altijd niet klaar is met inpakken, de caissière als mij. ‘Elk nog een goeiedag,’ zegt hij goedmoedig. Wij beantwoorden zijn groet met een vriendelijke knik.

Wanneer ik aan de beurt ben, zeg ik tot de caissière: ‘Coole gast, hé?’ ‘Zeg dat wel,’ antwoordt ze.

Bij mijn afrekening krijg ik vier rode bonnetjes met een QR-code. ‘Raad de Rode Duivel’ staat erop. ‘Wat moet ik daarmee?’ vraag ik. De caissière legt uit: ‘Je moet de QR-code scannen en dan kun je meedoen aan een wedstrijd. Je kunt een jaar gratis winkelen winnen. Je moet enkele vragen invullen. Dat vraagt wel wat tijd.’

‘Ho maar, dat is geen probleem,’ zeg ik. ‘Ik heb tijd zat! Tijd is de ware rijkdom!’

De caissière lacht. ‘Dan heb je dat prijzengeld niet nodig!’

‘Inderdaad,’ zeg ik. ‘En dan kan ik me de moeite van dat scannen en vragen beantwoorden besparen!’





7213

Lissewege - 240510

zaterdag 1 juni 2024

afscheid van mijn digitaal bestaan 361

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

23 juli 2014


ATELIERBEZOEK

Of het toeval is of niet, ik weet het niet, maar onder mijn vrienden heb ik altijd een paar beeldend kunstenaars mogen rekenen. Het zijn niet altijd duurzame relaties gebleken, en of ook dat toeval was of niet, weet ik al evenmin.

Je bedenkt het vooraf niet, maar een van de nadelen van het kiezen van kunstenaars als vriend, is dat je af en toe eens op atelierbezoek moet. Dat is onvermijdelijk. De kunst is voor de kunstenaar zo mogelijk nog belangrijker dan de vriendschap, of toch in elk geval iets wat voor hem essentieel is – in die mate dat je er als zijn vriend niet omheen kunt. (...)

Ik had nog het geluk dat de kunst van mijn vrienden-kunstenaars mij interesseerde. Niet omdat het hún kunst was, maar gewoon omdat het in mijn ogen verdienstelijke en zelfs goede kunst was. Ik mocht daar wel al eens een meninkje over hebben, en ik heb ook kunnen vaststellen dat dit meninkje, zolang het goedgezind was, in dank werd aanvaard. Ik moest er niet al te veel moeite voor doen om mijn meninkjes te formuleren aangezien ik ooit een paar jaar wat centen heb verdiend met het schrijven van stukjes over modernekunsttentoonstellingen in galeries – ik had er dus een zekere bedrevenheid en vocabulaire voor ontwikkeld. Ik had ook geleerd dat je wat echt te slecht voor woorden was beter kon doodzwijgen, dat je met andere woorden enkel woorden moest overhebben voor wat die woorden waard was.

Maar de grens tussen goed en slecht is in kunst, zeker van eerlijk en bevlogen in de kunst zoekende bevriende kunstenaars, niet altijd gemakkelijk te trekken.

Ik ging dus op atelierbezoek. Ik snuisterde wat rond, liet de kunstenaar-slash-vriend in kwestie tonen wat hij wenste te tonen, stelde vragen (vooral dat), liet al eens een voorkeurtje blijken. Dat laatste was onvermijdelijk want er was altijd wel een van de schilderijen waar je een tweede keer aan voorbij kwam en dan vroeg je: Mag ik dat nog eens zien?, en dan kon je eigenlijk nog moeilijk terug want waarom anders vroeg je om het een tweede keer te zien dan omdat het jou op de een of andere manier had aangesproken of dan toch meer had aangesproken dan die andere werken.

(...)

Let wel, de belangstelling was meestal niet gefaked. Zeer vaak vond ik de dingen die mijn vrienden maakten echt wel goed. Niet dat ik daarop selecteerde bij het kiezen van mijn vrienden, het was gewoon zo. Het waren verdienstelijke kunstenaars. (Overigens denk ik niet dat een mens vaak kiest in de vriendschap. (...))

De eerste serieuze deuk die mijn expertise moest incasseren, was toen ik een keer in alle ernst een schilderij aan dezelfde scrutineuze blik onderwierp als alle andere die al de revue waren gepasseerd. Ik zei dan: Mooie compositie of: Ik vind het wel goed hoe je dat kleur over het hele vlak hebt aangebracht. Maar dan bleek dat het ding de hele tijd op zijn kop had gestaan en aangezien het geen Bazelitz betrof, was dat toch wel een blunder. Ik zei tot mezelf en dus niet luidop: Wordt het geen tijd om met deze komedie te stoppen.

Ik heb van een paar van mijn vrienden-kunstenaars naar aanleiding van zo’n atelier- en later ook tentoonstellingsbezoek zelfs een werkje gekocht. ’t Was al evengoed een manier om mijn appreciatie te tonen en uiteraard kocht ik alleen maar iets als ik het echt graag zag. Maar het is niet altijd lonend gebleken en sommige van die dingen kan ik nu echt niet meer zien omdat de teloorgang van de vriendschap te veel pijn heeft gedaan.

Als ik nu nog op atelierbezoek ga bij vrienden, zwijg ik meestal. Zij weten dat ondertussen en stellen er zich geen vragen bij. Uiteindelijk blijkt dat nog de beste attitude. Je zegt toch ook niet tot de moeder: Dat kind van je kijkt scheel. Of: Dat kind is ’s ochtends bij het ontbijt vriendelijker dan dat andere. Dat neemt niet weg dat die werkjes van hen niet altijd even goed zijn. Sommige zijn barslecht. Dan vallen de stiltes wat pijnlijk. Maar misschien voel jij wel als enige die pijn en is die andere al lang blij dat je je nog eens de moeite getroost om langs te komen.




7212

Oostburg (NL) - 240509