6 augustus 2025
Al om halfvijf op. Dit is de eerste dag van mijn nieuwe leven. (…) Het wordt stilaan klaar. Het is mooi weer. Ik ga alles inladen en vertrekken. (…) Om kwart voor zeven ben ik dan definitief weg. Beernem, Ruiselede, Wingene. In Kanegem ontbijt ik bij het standbeeld van Briek Schotte.
Na Olsene en Kruishouten kom ik op wegen waar ik nooit eerder met de fiets was. Anzegem en Kluisbergen. En dan is er Wallonië: Celles. Even voorbij Quartes nodigt een bank in de schaduw van een boom mij uit voor de picknick. Een man komt uit zijn boerderij aan de overkant van de weg op mij afgestapt. Niet om mij voor het een of het ander terecht te wijzen, waar ik natuurlijk aanvankelijk van uitging, maar gewoon om een praatje te maken. Hij heeft een blik frisse cola voor me meegebracht. Dat soort vriendelijkheid zijn wij, stugge Vlamingen, niet gewoon. Ik ben blij dat ik weer eens Frans kan praten. In Barry regel ik mijn overnachting. (…) Het stuk van Peruwelz naar Valenciennes is vervelend. Eerst een bijna volledig dichtgegroeide ravel waarop niets te zien is, dan verdwaal ik op een brede nationale met snel en druk verkeer. In Bruay-sur-l’Escaut vind ik eindelijk een café dat niet gesloten is. Maar ze hebben er geen koffie. Dan maar cola. Die suikers komen goed van pas want ik zat er bijna doorheen. De nadering van Valenciennes is erg triest. Drie op de vier winkels en horecazaken zijn gesloten. Het verval contrasteert scherp met de blitse tram die een eigen bedding heeft midden op de brede weg. Op de verlaten huizen groeien er bomen. Ik zeg het niet graag omdat het zogezegd niet politiek correct is, maar dit lijkt de Derde Wereld wel. Dat de scholen hier naar Georges Brassens en Henri Matisse worden genoemd, brengt geen zoden aan de dijk. Mijn zeer eenvoudige kamer in het Hôtel de Clémenceau kost 56 euro. Ik slenter door deze stad, waar ik nooit eerder kwam, drink een koffie aan het station en eet biefstuk-friet tegenover het stadhuis. De biefstuk smaakt naar niets en de frieten eigenlijk ook niet. (…) Om twintig over acht ben ik al terug op mijn kamer. Ik wil nog wat lezen en zal dan wellicht vroeg in slaap vallen – al is er behoorlijk wat lawaai op straat. Onder meer een ruziënd koppel. Hij: ‘Va te faire enculer!’, en dat voor de hele straat. Het meisje begint te gillen: ‘Au secours!’ (…)
