vrijdag 7 augustus 2026

vorig jaar 421

7 augustus 2025

Om 7 uur ben ik in de bakkerij die ik gisterenavond op mijn wandeling heb gezien. Croissant en koffie. Een gezelschap, bestaande uit twee jongemannen, een erg jong meisje en een vrouw die waarschijnlijk haar moeder is, zit aan het tafeltje naast het mijne en praat over Oekraïne en over de maatschappij waarin we zijn komen te leven. Een van de jongemannen, met kleine oogjes van een nachtje stappen, zegt dat hij daar volledig buiten staat en ook wil staan: geen sécurité sociale, geen uitkeringen, gaat niet stemmen, etcetera. Het meisje zegt: ‘Quand j’avais douze ans.’ Dat klinkt alsof het een half leven geleden is maar ze kan het over hooguit drie of vier jaar terug in de tijd hebben. De andere jongeman, met basketpet, ruimt na het ontbijt alles netjes op. 

Ik vertrek om halfacht uit Valenciennes. Met een hevige hoofdpijn, die gelukkig na een twintigtal kilometer verdwijnt. Ik fotografeer even buiten de stad een door bomen en groen overwoekerde bunker. 




Ik zoek moeizaam mijn weg: Sebourg, Bry, Saint-Waast. In Bavay is om negen uur niets open. Behalve de grande surface, waar ik mijn inkopen doe. Die lijkt alle leven uit het stadje naar zich toe te hebben gezogen. 

Picknick achter de kerk van Saint-Rémy-Chaussée. Het is nog maar elf uur. Een ambtenaar sloft de mairie in, en uit, en weer in, en weer uit. Alles op zijn tijd, geen haast. Enkele kilometers verderop zie ik een man zijn mobilhome poetsen. Ik vraag hem of hij mijn waterfles wil bijvullen. De mobilhome, zegt hij, is voor zijn dochter, die met haar dochter op reis gaat. Om zelf te reizen vindt de man zichzelf te oud. Hij bezorgt me gekoeld water, dat is meer dan ik had gevraagd. 

Om halféén ben ik in Avesnes, waar ik een foto stuur naar G, die hier, toen we twintig jaar geleden samen met nog twee andere vrienden naar Marseille fietsten, een overstekende hond aanreed en zwaar ten val kwam waardoor hij de reis die hij zelf had georganiseerd in de volgwagen moest doorbrengen. Ik zie een koppel fietsreizigers op zoek naar iets en nodig hen uit om samen met mij een koffie te dringen op het terras van het café tegenover de kerk. Eric is informaticus; Constance werkt in het Musée Matisse in Le Cateau-Cambrésis. Ze zijn elf dagen samen onderweg, leggen 30 kilometer per dag af. 

In Fourmies begint de hitte te wegen. De hellingen doen dat ook: mijn bagage, fiets en ik zijn, samen, te zwaar. Een raam waarachter een reproductie te zien is van een popart-schilderij van Lichtenstein trekt mijn aandacht. Een van de luiken die aan weerszijden van het raam zijn opgehangen hangt scheef. 




Na Anor en Hirson begint in Bucilly het mooie dal van de Ton. Hier wonen blijkbaar veel Nederlanders, te zien aan de autonummerplaten. De Proxi van Aubenton brengt soelaas voor mijn suikerklop. Het wordt nu echt veel te heet. Na Aouste stuurt mijn gps mij de jungle in. 

Om halfzes kom ik aan bij Mireille en Theo, twee Dendermondenaren die hier een deel van hun tweede verblijf verhuren aan passanten die, zoals ik, zijn ingeschreven bij de organisatie Vrienden op de Fiets. De ontvangst verloopt allerhartelijkst: met dorstlesser, een alcoholvrij biertje als apéro, een stevige maaltijd. Het klikt en we praten heel wat af. Theo was leraar lichamelijke opvoeding, Mireille onderwijzeres op een methodeschool. We behandelen uiteenlopende thema’s: verslavingen, individualisering in de maatschappij, etcetera. 

Om tien uur naar bed. Twijfels of ik onder deze weersomstandigheden mijn reis kan voortzetten.