GROEN ZOEKT VOORZITTER
Bart Dhondt heeft ontslag genomen als voorzitter van Groen. Bart wie? Ja, Bart Dhondt, de man was nauwelijks bekend. Ook al was hij al een jaar voorzitter. En dat is in de huidige mediademocratie onmogelijk vol te houden. De man mag zijn verdiensten en kwaliteiten hebben, niemand twijfelt daar aan, maar als je na een jaar voorzitter te zijn geweest van een belangrijke oppositiepartij nog altijd niet bekend bent, dan komt dat voor die partij bijzonder slecht uit. Om te bestaan moeten politici zo vaak en veel mogelijk mediatiek op de voorgrond treden. Aan een mediaschuwe kluizenaar, iemand die achter de schermen intern orde op zaken probeert te stellen (dat was wat Dhondt blijkbaar aan het doen was), heeft ze niets.Vraag is nu wie Dhondt moet opvolgen. Welke richting Groen uit moet.
Bruno Tobback zei ooit in het Vlaams parlement: ‘Ik weet wat ik zou moeten zeggen, over het milieu en zo, maar als ik dat zeg, ben ik de volgende keer niet meer verkozen.’ Hij is bij Vooruit, dat weet ik, maar hij benoemt heel precies het probleem van Groen. De boodschap, zoals ze echt zou moeten zijn, is electoraal on-ver-koop-baar. Ofwel kiezen ze een voorzitter die het soort mossel-noch-vispolitiek dat Groen nu voert voortzet (pappen en nathouden; sociaal met wat groene accenten of groen met wat sociale accenten, en af en toe een milieuschandaaltje tegen het licht houden), ofwel doen ze wat eigenlijk zou moeten, volgens mij toch: een veel radicalere milieuboodschap uitdragen en wat het sociale betreft veel meer naar links, weg van het bakfietsstempel. Maar dat is politieke zelfmoord. Je bereikt er hooguit nog 5 procent groene fundi’s mee. Tenzij je een figuur vindt die het uitvent (kan ook een vrouw zijn, pun intended) die zo charismatisch is en niet vies van radicaal (populistisch) taalgebruik dat hij/zij eigenlijk om het even wat zou kunnen verkopen, bij manier van spreken. Zo’n figuur, met de retorische gave en het charisma à la De Wever, Hedebouw of Bouchez, zie ik voor de moment niet bij Groen.
Want dat is de merde met de huidige democratie: je moet niet alleen de 10 of hooguit 20 procent kiezers overtuigen die al eens nadenken, maar ook de 80 of 90 procent die dat meestal niet doen en zich in hun stemgedrag laten leiden door onstandvastige sympathieën, onderbuikgevoelens en persoonlijk profijt. Ja, ik heb inderdaad geen al te hoge pet op van de modale kiezer, die in zijn luie zetel wegzapt als er weer zo’n politieker de talking head van dienst is. Behalve dan in een human interest- of spelprogramma, waarin ze het over alles behalve politiek hebben. (Die modale kiezers zouden echter wél, mits goed gecoacht, kunnen participeren in adviserende burgerraden en dergelijke. Dat geloof ik dan weer wel.)
Neen, ik weet het niet. Moet Groen salonfähig blijven (een moeizaam verworven status, de geitenwollen sokken liggen in de wasmand nog na te geuren), of moet Groen radicaliseren? Murw van mijn lectuur vorige week van Geert Buelens’ Wat we toen al wisten. De vergeten groene geschiedenis van 1972 ben ik, nochtans geen straatvechter, geneigd te zeggen dat geen radicalisme nog radicaal genoeg kan zijn. Maar dat het zo niet werkt, weet ik natuurlijk ook wel.Groen staat voor een moeilijke, maar beslissende keuze. Een bezinningsperiode dringt zich op. Het zou dwaas zijn nu rap-rap tot de orde van de dag te willen overgaan. Maar het wordt moeilijk, nu een brede frontvorming op links helemaal onmogelijk lijkt te zijn geworden aangezien de PVDA zich niet zo heel erg met ecologie lijkt bezig te houden en Vooruit een middenvinger opsteekt naar de socialistische achterban vanuit de chesterfields van het establishment.

