Ook slenterde ze langs een brede verkeersstraat, waar slechts af en toe een auto of vaalrood tramstel passeerde, als was het daar nog 1960; onder de ramen van de slonzige woonkazernes liepen groene en zwarte strepen van algen en vocht, als doorgelopen mascara, en de puien zaten vol schrammen en putten. De wandeling voltrok zich in een gelige lucht, een soort smog, en dit waren nog geflatteerde beelden, want toen ik er was, vorig jaar, scheen de zon vrijwel onafgebroken.
Jacques Kruithof, Het slotfeest, 70