De lage herfstzon werpt door het oude glas in lood van de bovenramen vlekken en strepen op het papier met aantekeningen voor mijn Proust-college, rood, geel, paars licht uit de verloren tijd. Dit huis vertoont de rimpels en littekens van een bijna negentigjarige: gebarsten ruiten, ijzeren doppen in het stucwerk waar de gaslampen op de muur hebben gezeten, schoorstenen, vroeger met zwartmarmeren schouwen, voor de kolenkachels (...)
Jacques Kruithof, Het slotfeest, 134