maandag 23 januari 2023

Amélie van Elmbt en Maya Duverdier, Dreaming Walls

notitie 348

ALS MUREN KONDEN SPREKEN

Het Chelsea Hotel was een hotspot van de cultuur van de jaren zestig en zeventig, ergens waar je heen moet als je iets van de sfeer van die tijd wil opsnuiven. Voor zover die aan een specifieke plaats is gebonden want uiteraard is dat tijdvak veel meer dan aan concrete plaatsen in muziek, beeldende kunst en cultuur in het algemeen neergeslagen, en in de vintage design die je nu in hippe boetieks kunt aantreffen. Van hippie naar hip. Hoofdkleuren: oranje en bruin.

In het kloeke en ook fraaie gebouw uit de jaren tachtig van de negentiende eeuw, gelegen aan West 23rd Street, tussen de zevende en achtste avenue in Manhattan, zochten heel wat coryfeeën van de tegencultuur (en later) een tijdelijk dan wel iets definitiever onderkomen: Janis Joplin, Leonard Cohen, Robert Mapplethorpe en Patti Smith, Andy Warhol, Bob Dylan, Mariah Carey, Sid Vicious, Madonna, Iggy Pop enzovoort. Eerder waren daar ook al grootheden als Marilyn Monroe, Dylan Thomas en Mark Twain neergestreken. Maar ook heel wat andere kunstenaars uit de meest uiteenlopende disciplines. De meesten, voor zover ze al niet dood zijn en in het slechtste geval dood én vergeten, hebben al geruime tijd andere oorden opgezocht. Maar enkelen verzetten zich met hand en tand tegen de nu al tien jaar durende ingrijpende renovatie door projectontwikkelaars die – het zouden geen projectontwikkelaars zijn – het toeristische potentieel van deze iconische plek te gelde willen maken.

De Belgische documentairemakers Amélie van Elmbt en Maya Duverdier, bijgestaan door Martin Scorsese, brengen met *Dreaming Walls* een bijzonder portret van dit iconische gebouw. Zij hebben geen historisch overzicht willen maken van wie hier allemaal de revue zijn gepasseerd, neen, zij focussen op het gebouw, in de deplorabele toestand waarin het tijdens de renovatie een viertal jaar geleden verkeerde, en op enkele hoogbejaarde blijvers wier namen minder weerklank genieten maar die daarom niet minder menselijk zijn en tot de verbeelding spreken. *Dreaming Walls* is dus geen film over de jaren zestig en ook geen aanklacht tegen het kapitalisme en de gentrificatie, die geen respect hebben voor de genius loci, maar wel een genereus portret van enkele zeer oude mensen die proberen voort te leven op de bohemienachtige manier die zij gewoon zijn, maar dan wel in een volop veranderende context waarvan het duidelijk is dat deze voor hun soort mensen geen plaats meer zal vrijwaren. Kort gezegd: de ontwikkelaars wachten tot die laatste koppigaards de pijp aan Maarten hebben gegeven om de boel helemaal aan het snobtoerisme uit te leveren. Uit de aftiteling kon ik opmaken dat (minstens) twee van de Chelsea-huurders die aan bod kwamen inmiddels al zijn overleden.

Een van hen was de fotografe Bettina Grossman. Op een still zien we haar over de balustrade van haar balkon naar beneden kijken, zoals ze dat zoveel jaren geleden ook deed om de voetgangers op het trottoir te fotograferen, vergezeld van hun lange schaduwen. Wat gebeurt er met de foto’s die zij in de film toont, wat gebeurt er met haar nalatenschap?

Een andere indrukwekkende dame was Merle Lister. Ze neemt de camera strompelend achter haar rollator maar ook dansend mee door de werf die het hotel tijdens de opnames was. Een gesprekje met een van de arbeiders over de geesten die hier rondwaren is aangrijpend. Van Elmbt en Duverdier gebruikten ook historische opnamen waarop te zien is hoe een veel jongere versie van deze choreografe – te herkennen aan haar kleine gestalte en imposante haakneus – een dansperformance verricht in het imposante trappenhuis van het hotel.

Deze twee figuren zullen mij nog een tijdje bijblijven. Tot ze ook in mijn geest vervagen tot schimmen van zichzelf.

 




 

 

Amélie van Elmbt en Maya Duverdier, *Dreaming Walls* (2022)

6717

221126

 

zondag 22 januari 2023

gisteren 21

230121

▲ Met de app Flightradar kan ik nu weten dat de vliegtuigen op de route benoorden Brugge op Londen vliegen, dat ze daar iets meer dan een halfuur later aankomen en dat ze hun daling nu al inzetten. Nutteloze informatie uiteraard, maar wel fascinerend. Toch voor een tijdje.

▲ Wat een toeval! Het bedrag dat de boeken die ik in Den Elder heb uitgekozen, Van den Broeck, Walschap, Fante en Gordimer, komt precies overeen met het tegoed op mijn volle getrouwheidskaart. Ik mag zonder te moeten betalen met mijn aanwinsten de zaak verlaten!

 

Een onbekend landschap doemde voor haar op, dat haar raakte als een onbewuste herinnering aan haar geboortestreek, met groene palmbomen en hoge cipressen onder een lichtblauwe hemel, die warm glanzend over woestijnen, bergen en steden lag en er veel helderder en verkwikkender uitzag dan de lucht in het noorden, die altijd één grote grijze wolk leek. 

Stefan Zweig, De wonderen van het leven, vertaling vertalerscollectief UGent o.l.v. Els Snick, 35

afscheid van mijn digitaal bestaan 290

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

14 mei 2011

ANOMALIE

Het lijkt een moeilijk woord maar het is ‘eigenlijk’ heel gemakkelijk. Het is ‘namelijk’ van toepassing op onze bestaansconditie zelf, op het ‘wezen’ zelf van ons ‘zijn’. Want ‘eigenlijk’ (‘eigenlijk feitelijk’) hadden we er evengoed niet kunnen of zelfs, inderdaad, niet móeten zijn. Of niet moeten zijn. Nu ja, ‘moeten’, wat is moeten? In dezen? Sub specie aeternitatis?

Wij, een afwijking van de regel? Een binnen het vigerende verklaringssysteem niet te verklaren onregelmatigheid? En bij uitbreiding, en ‘eigenlijk’ in ‘oneigenlijke’ zin: iets wat er niet had moeten zijn maar er toch is? Desalniettemin?

Filo-, onto-, kosmo- en gewoon genogenetisch zijn wij anomalieën. Gemeten op elke mogelijke schaal kan het niet anders dan hoogst onwaarschijnlijk worden genoemd dat wij er ‘überhaupt’ zijn. (Vandaar allicht dat wij – omdat we er dan tóch gekomen zijn, ‘blijkbaar’ – zo’n hoge dunk van onszelf hebben. Eigenlijk, feitelijk.)

Dat er uit die grote klap die er ‘naar verluidt’ is geweest (en luid zal het geweest zijn, of misschien ook niet want er was nog niets waarop die geluidsgolven, die er zelf misschien ook nog niet waren, zich konden enten, waarop ze konden golven, waartegen ze konden botsen en klotsen en echoën) – dat er uit die grote klap, dus, een universum is ontstaan – een kosmos, een heelal, een ruimte… – waarin wij ‘uiteindelijk’ mogelijk zijn geworden; dat er ergens in die kosmos een planeet ronddraait met op die planeet precies die elementen, in precies die verhoudingen, die nodig zijn om ‘leven’ te doen ontstaan; dat die elementen op de juiste manier zijn geschikt en op het juiste moment tot reageren zijn aangezet; dat uit die oerreacties is voortgekomen wat er uit is voortgekomen; dat de evolutie precies ‘onze’ richting is uitgegaan; dat de keten van individuen is wat zij is geweest en dat in die individuenketen de DNA-ketens zijn doorgegeven zoals ze zijn doorgegeven; dat mijn ouders, elk het toevallige, anomalische, product van alles aan wat aan hén is voorafgegaan, elkaar hebben ontmoet (hetgeen gezien mijn voorgeschiedenis, de een collisie is van hun geschiedenissen en voorgeschiedenissen, uitermate onwaarschijnlijk was); dat zij uitgerekend mij hebben verwekt (op dát moment, uit díe spermatozoïdenloterij); dat ik nog in leven ben…, enzovoort enzovoort…: zowel op de schaal van het individu als van onze soort als van ‘het leven’ tout court: op deze planeet, met deze geschiedenis…– zo bekeken ben ik, bent u, in alle opzichten iets waarvan het niet-bestaan veel waarschijnlijker zou zijn geweest dan het bestaan.

Wij zijn anomalieën, allemaal: dat is heel normaal.

6716

Anderlecht - 221125

 

zaterdag 21 januari 2023

gisteren 20

230120

▲ Dat geliefden uit elkaar gaan, dat kan. Het kan ‘op’ zijn en dan wordt het moeilijk om voor altijd samen te blijven. Ja zelfs om altijd samen te zijn. Maar dat een vriendschap wordt opgezegd? Neen, dat kan niet. Vriendschap is onvoorwaardelijker, ja zelfs onvoorwaardelijk. Een vriendschap die wordt opgebroken, was er geen.

▲ Stappend langs de planken van mijn bibliotheek, die zich als een woekering over mijn hele woonst uitstrekt, valt mijn oog voortdurend op titels die in mij het verlangen opwekken om ze te lezen. Nu zijn dat: De anarchistische bankier, een bundeling met negen verhalen over Antwerpen en Vergeetboek van Douwe Draaisma. De dag dat dit verlangen mij niet meer bekruipt, zal ik weten dat ik mij van mijn boeken moet ontdoen.

▲ In haar bungalow koestert de 82-jarige weduwe, omringd door kunst, de herinnering aan haar vrolijke dichter.

▲ Macron verhoogt het militaire budget van Frankrijk met een derde tot 400 miljard. Het wordt nu echt menens. Dit is angstaanjagend.

 

De kranen kreunen van genot als ze met hun vingers in de schepen grijpen en in het donker naar kostbaarheden uit verre streken tasten, vanaf de oever klinken signalen over en weer, klokslagen manen de landverhuizers aan om een laatste groet uit te wisselen, alle talen van de wereld klinker hier door elkaar. 

Stefan Zweig, Het land tussen de talen. Reportages uit België, vertaald door Els Snick, 61

notitie 348

OFFLINE/ONLINE

Twee films die, toevallig de een na de ander bekeken, min of meer over hetzelfde blijken te gaan. Of toch zeker een belangrijk thema gemeen hebben.

In Offline heeft Peter Monsaert het over een man van middelbare leeftijd die uit de gevangenis komt en zijn plaats in de samenleving opnieuw probeert in te nemen. Terug naar zijn vrouw en gezin kan hij niet, maar hij kan wel proberen contact op te nemen met zijn jongvolwassen dochter. De moeder kant zich daartegen, maar de dochter geeft toe aan haar verlangen haar vader te leren kennen. Handelend onder een valse naam vindt hij haar op een pornosite. Dochterlief probeert er een cent bij te verdienen en weet niet wie achter die – tussen al het testosterongedreven gespuis door – opvallend vriendelijke klant schuilgaat. Ze begint zich aan hem te hechten. Er blijkt een diepe kloof tussen virtueel en reëel contact te gapen. Sterk verhaal, strak scenario (waaraan onder meer Dominique Willaert heeft meegewerkt), uitstekend geacteerd door onder meer Wim Willaert en Anemone Valcke. Knappe soundtrack ook van Triggerfinger.

Waar de invalshoek van Monsaert vooral sociologisch en sociaal bewogen is, concentreert de debuterende Argentijnse regisseur Gustavo Taretto zich voor zijn onderzoek naar de hedendaagse eenzaamheid in Medianeras (ondertitel Buenos Aires in times of virtual love) vooral op de architectuur en de stedelijkheid. Hij begint zijn film met een beoordeling van de bouwpraktijken in de razendsnel uitdijende stad. Chaos, wansmaak en onaangepastheid aan de menselijke maat overheersen. In dit gewoel bewegen mensen zich strikt functioneel als solitaire nomaden. Ze zijn op alle mogelijke manieren virtueel met elkaar verbonden maar leven teruggetrokken in hun veel te kleine appartementen, waar ze zowat alles via het internet kunnen regelen. Niet dat ze dat per se willen, maar wat is het alternatief als iedereen hetzelfde doet? In die situatie is het natuurlijk moeilijk om het verlangen naar liefde in te willigen. Voor dat probleem levert het internet geen pasklare oplossing. En in de miljoenenstad is het zoeken naar de ware het zoeken naar een speld in de hooiberg. Deze film is minder geslaagd. De emoties komen nauwelijks over, het acteerspel is stug, en in dit over de volle anderhalf uur uitgesmeerde magere verhaal verloopt alles erg traag. De te expliciete hints laten weinig aan de verbeelding over. Het beste zijn nog de door middel van een uitstekende fotografie ondersteunde beschouwingen over architectuur en de animaties waarmee de overgangen tussen de verschillende onderdelen worden ingevuld.

Peter Monsaert, Offline (2012)
Gustavo Taretto, Medianeras (2011)

6715

NMBS - 221125

 

vrijdag 20 januari 2023

driekleur 508

Beneden in het westen is de hemel geel-oranje, duister als voor een onweer met hagel, verder naar boven nevelig grauw-zwart. Opeens een reusachtige rode steengroeve, van boven zie ik een krater, helemaal onder in een dragline in het rode water, nutteloos, roestend.

Werner Herzog, Over een voettocht door de kou, 60

notitie 347

EERSTE DAG 6-10

I – 6

Een minderbroeder die de functie van inquisiteur vervult pakt een brave man aan omwille van een vermeende ketterse uitspraak. Niet om deze man terug op het rechte pad te brengen, maar om beslag te kunnen leggen op zijn centen want hij is behalve braaf ook rijk. De man koopt de minderbroeder-inquisiteur om, tot deze zijn klacht laat varen. Maar de man neemt ook nog wraak door de minderbroeder aan te spreken over de krenterige manier waarop diens orde de filantropie bedrijft: het klooster schenkt uit etensresten getrokken soep aan de armen.

I – 7

De getalenteerde causeur Bergamino wordt geconfronteerd met het feit dat Cangrande della Scala het feest, waarop Bergamino ook was uitgenodigd, plots annuleert. Bergamino laat Cangrande subtiel weten wat hij van deze onverwachte krenterigheid denkt. Hij doet dat door middel van het verhaal over de grammaticus Primas, die de onverwachte gierigheid van de abt van Cluny moet ondergaan – tot deze abt tot inkeer komt en Primas zeer gul tegemoetkomt. Cangrande begrijpt de hint en overlaadt Bergamino alsnog met zijn hervonden vrijgevigheid.

I – 8

De kleurrijke Genuese edelman Ermino dei Grimaldi wordt omwille van zijn krenterigheid Ermino de Vrek genoemd. De voortreffelijke en fijnbesnaarde hoveling Guiglielmo Borsiere brengt hem een bezoek en doet hem een onderwerp aan de hand voor een muurschildering in zijn paleis: ‘de Vrijgevigheid’. Ermino begrijpt de wenk en blinkt voortaan uit, tot verbazing van zijn stadsgenoten, in minzaamheid en gastvrijheid.

I – 9

Een dame uit Gascogne, die op Cyprus onheus werd behandeld door rabauwen, wil hierover haar beklag doen bij de koning van het eiland. Maar die heeft de reputatie alles van zich af te laten glijden, zelfs de grofste beledigingen. De dame slaagt erin hem dat te doen inzien en krijgt genoegdoening.

I – 10

De zeventigjarige dokter Alberto wordt verliefd op weduwe Malgherida dei Ghisolieri. Hij wordt het mikpunt van haar plaagstoten, maar zet haar, oud en wijs als hij is, op haar plaats met een vergelijking waarin een prei een rol speelt. Pampinea besluit met dit verhaal de eerste dag om haar zes vriendinnen te doen beseffen dat zij maar beter niet kunnen beantwoorden aan het vooroordeel dat vrouwen dom en oppervlakkig zijn.

 

Giovanni Boccaccio, Decamerone (ca. 1352), vertaling Frans Denissen (2003)

gisteren 19

230119

▲ Ach, dat mensje dat in de rij voor de kassa vraagt om de schroefdop van haar half flesje witte wijn open en vervolgens weer dicht te draaien. Dat kan ze zelf niet – en het is haar portie voor vanavond. ‘Mannen hebben veel macht,’ zegt ze in het dialect. ‘Ja,’ antwoord ik terwijl ik niet zonder enige moeite het gevraagde voor haar uitvoer, ‘maar vrouwen zijn sterk.’ Ik wens haar ook nog toe dat het haar mag smaken, vanavond. Ze glimlacht samenzweerderig. Behalve het flesje legt ze nog een tweede – en laatste – artikel op de rolband: een zak theelichtjes.

▲ Ik loop X. tegen het lijf. Dankzij een geslaagde stamcellentransplantatie leeft hij in een op gegeven moment onverhoopte blessuretijd. Een extra time met hopelijk Qatarese proporties.

▲ Wil ik écht begrijpen wat er in Oekraïne gebeurt? Dan raadt Y. mij aan The Road to Unfreedom van Timothy Snyder te lezen. Maar zou ik dat advies wel opvolgen, vraag ik mij af wanneer ik zie hoezeer Y. gebukt gaat onder alles wat hij van de toestand in de wereld weet?

 

Op de weg naar beneden haalde ik hinkend een hinkende man in. 

Werner Herzog, Over een voettocht door de kou, 57

6714

Brugge - 221123

 

donderdag 19 januari 2023

notitie 346

OLIVETTI 82

Nadat ik door een gelukkig toeval de verfilming had gezien, las ik de novelle *Olivetti 82*, onderdeel van het gelijknamige boek van Eriek Verpale (1993). En vervolgens meteen ook de rest van het gelijknamige boek, dat naast de novelle grotendeels uit brieven en een paar curieuze kortverhalen bestaat.

Ik vond de film verrassend geslaagd. Helemaal niet stroef of knullig, zoals ik had gevreesd, maar strak geregisseerd en voortreffelijk geacteerd door een cast om u tegen te zeggen, met onder meer Dirk Roofthooft, Ingrid De Vos, Jaak Van Assche, Herbert Flack en Nand Buyl, die toen voor het eerst in bijna veertig jaar nog eens zijn werk op de planken en voor de televisie inruilde voor een rol in een film. Hij speelt de oude joodse typemachinehersteller en -verkoper Moshe Grinberg, die de jonge Bernard onder zijn hoede neemt en hem op het spoor brengt van de bard Mordechai Gebirtig, die met zijn Jiddische muziek en poëzie heeft bijgedragen tot de filosemitische pose van Eriek Verpale.

Bij het lezen van de novelle bleek dat debuterend regisseur Rudi Van Den Bossche zich zeer dicht bij de tekst had gehouden, vaak zelfs met letterlijk weergegeven dialogen. Dat weerhield me er niet van om de gave en snelle schrijfstijl van Eriek Verpale te bewonderen. En zijn verhaal zit wel degelijk heel knap in elkaar.

Het thema evenwel, een aanvankelijk onschuldige maar uiteindelijk toch ontspoorde, al bij al weinig ter discussie gestelde pedofiele fascinatie, zou vandaag allicht niet meer kunnen.

In de brieven vernemen we hoe Eriek Verpale onmiddellijk nadat hij voor *Alles in het klein* een belangrijke literaire prijs en het bijbehorende geldbedrag heeft ontvangen – waardoor hij na jaren van solitair zwoegen eindelijk wat erkenning en ook bestaanszekerheid verwerft – wordt gesolliciteerd door Bob de Moor om zijn succesboek voor het theater te bewerken. Je ziet hoe Verpale wordt verleid door de opdracht, maar worstelt met de – door omstandigheden – erg strakke deadline: hij krijgt nauwelijks een maand. Uiteindelijk schrijft hij dan toch de novelle *Olivetti 82*, waarmee Bob de Moor aan de slag gaat. Met zijn monoloog oogst De Moor behoorlijk wat succes.

Na de novelle las ik de brieven, en door die volgorde zag ik pas goed hoezeer heel wat details die de novelle mee vormgeven reeds in de brieven aanwezig zijn. Een servies dat aan scherven wordt gegooid, meisjesogen die worden vergeleken met walnoten, een spuwende lama, Leonard Cohen in Canada, enzovoort. Er is ook sprake van een jongen van zestien die op een schrijfmachine een roman schrijft waarmee hij de bewondering van het onbereikbare meisje van zijn dromen hoopt af te dwingen. Wat uiteraard niet lukt want het meisje ligt, op het ogenblik dat ‘Bernard’ zijn manuscript in de brievenbusgleuf van ’s meisjes huis propt, in haar slaapkamer te stoeien met een jongeman die een beter idee heeft van haar gevoelige snaar dan de fijnbesnaarde schrijver-in-wording.

Veel details uit de brieven, waarin ook de ontstaansgeschiedenis van de novelle wordt belicht, komen in de novelle terug. Je zou dus kunnen besluiten dat deze details – voor zover de brieven niet in hoge mate gefictionaliseerd zijn – uit het ‘werkelijke leven’ van de auteur zijn geput, waardoor de verleiding groot wordt om te vermoeden dat de novelle tot op zekere hoogte autobiografisch is. In de brieven is sprake van melancholie en eenzaamheid, drankzucht, onmogelijke liefdes voor jonge meisjes die in miezerige weersomstandigheden in bushaltes wachten op vertraagd openbaar vervoer, enzovoort.

Een opmerkelijk onderdeel van het boek *Olivetti 82* vormen de tussen de brieven door aangeboden kortverhalen. Een ervan, met een twintigtal bladzijden veruit het langste, gaat over een uit de hand gelopen goochelaarstruc. Het is een soort van parabel, die onschuldig begint met het uit een hoge hoed toveren van een wit konijn, maar die uitloopt in een apocalyptische visie op het gehele mensdom, waarbij de normale samenleving op haar grondvesten davert en de goochelaars als ongewenste parasieten in een eeuwige diaspora terechtkomen. De lezer mag in alle vrijheid metaforen duiden.

 

Eriek Verpale, Olivetti 82 (1993)
Rudi Van Den Bossche, Olivetti 82 (2001)

gisteren 18

230118

▲ De voordeur van ons appartementsgebouw wordt vaker dan vroeger luidruchtig dichtgegooid sinds op de gelijkvloerse verdieping een psychiater zijn kabinet heeft gevestigd.

 

In elk straatje kom je priesters in ornaat tegen, nonnen en begijnen, oude vrouwen die niet meer in het leven geloven en norse, kapotgewerkte mensen die erbij lopen alsof ze niets met elkaar te maken willen hebben. Als een groot klooster met talrijke grijze nissen en verborgen gangen is deze stad [Brugge, pc] als een klooster waarvan de bewoners de wereld om hen heen zijn vergeten en niet meer denken aan de voortsnellende tijd.

Stefan Zweig, Het land tussen de talen, 21

6713

Brussel, Warandepark - 221122

 

woensdag 18 januari 2023

gisteren 17

230117

▲ Mijn vroegochtendlijke literaire dwaaltocht start vandaag om kwart over vijf. Eerst lees ik nog wat in het brievengedeelte van Olivetti 82, waaraan ik gisteren begon nadat ik eergisteren de verfilming had gezien. Verpale brengt daarin (29 vv) Johan Daisne ter sprake. Diens kantoor in de Openbare Gentse Stadbibliotheek moet ik niet meer beschrijven, zegt Verpale, want dat heeft Jeroen Brouwers al gedaan, en wel in Kladboek 1. Ik dus naar Kladboek 1, waarin ik een liefdevolle tekst aantref over de ondertussen al zo goed als compleet vergeten Vlaamse reus. Brouwers prijst De man die zijn haar kort liet knippen hemelhoog. Zou ik dat boek hier staan hebben? Ik weet het niet meer. Eens gaan kijken in de slaapkamer, op de bovenste plank, tussen Coupland en Duras. En jawel, daar staat mijn exemplaar: de vierde druk uit 1973, een kwarteeuw later door mij verworven voor 100 frank, ongelezen nog, en met achterin een katern met stills uit de verfilming door André Delvaux, met een keurig getrimde Senne Rouffaer in de hoofdrol.

 


 

 

Vanwege zijn beroemdste werk, de roman ‘De man die zijn haar kort liet knippen’, werd Daisne wel de ‘Vlaamse Dostojewski’ genoemd. Deze roman geldt voor mij zonder voorbehoud als het schitterendste prozawerk dat anderhalve eeuw Vlaamse literatuur heeft voortgebracht, alleen naar de kroon gestoken door ‘De Kapellekensbaan’ van Louis-Paul Boon. 

Jeroen Brouwers, Kladboek 1, 151-152

6712

221122

 

dinsdag 17 januari 2023

afscheid van mijn digitaal bestaan 289

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

14 mei 2011

ANNOTEREN

Met bal- of vulpen, of met zo’n fluovloeistof-strepentrekker: dat is niet annoteren maar vandaliseren. Hier heb ik het dus enkel – hoewel puristen ook dat barbaars zullen vinden – over, zoals ík het in mijn boeken doe, annoteren met potlood.

Men zal mij maar zelden een boek zien lezen zonder een potlood binnen handbereik.

Ik heb het altijd nodig gevonden, al ben ik de eerste om toe te geven dat het een discutabel nut heeft: kruisjes of sterretjes of streepjes in de marge, een uitroep- of vraagteken, enkele en dubbele onderstrepingen, woorden in een ovaal of rechthoek vatten, een paginanummer omcirkelen, een hele alinea in een kader plaatsen, pijltjes die betekenen ‘vanaf hier’ (vooruitwijzend) en ‘tot daar’ (achteruitwijzend), of zelf een tekst toevoegen, vaak niet meer dan een paar woorden en dan nog dikwijls nauwelijks leesbaar, als het kan links of rechts van de desbetreffende passage of, als er meer te zeggen valt, onderaan de bladzijde of, zo de situatie dat vereist, verticaal in de rand – zodat je het boek een kwartslag moet draaien om die boodschap alsnog te ontcijferen.

Strikt genomen betekent annoteren enkel dat laatste: ‘verklarende opmerkingen toevoegen’ – maar in mijn woordenboek denk ik aan alle vormen van appreciërend of depreciërend beklemtonen, accentueren of benadrukken, aan het schrijven van allerlei mededelingen in de marge – en dat kúnnen verklaringen zijn, bijvoorbeeld de betekenis van een vreemd woord of de verwijzing naar een andere plaats in het boek, of in een ander boek, waarmee de desbetreffende passage in verbinding kan worden gesteld, maar het kunnen ook opmerkingen of aanduidingen betreffen die met de tekst in strikte zin niets te maken hebben: zo noteer ik nogal vaak wanneer ik een boek lees, en ook waar, als dat niet thuis gebeurt. Zo trof ik vandaag nog in De biograaf van Alain de Botton de notitie ’23-28 VII 00 (Lilliano)’ aan.

Annoteren is níet nuttig. Toch niet voor anderen. Integendeel, mijn notities en annotaties hinderen de lectuur door anderen van het boek waarin ik ze heb aangebracht. Ze sturen die lectuur, beheppen die andere lezer met mijn oordelen en vooroordelen. En bovendien kan ik mij inbeelden dat mijn annotaties bij die persoon pedant overkomen, of het zou moeten zijn dat het een persoon is die mij graag ziet – wat wel eens gebeurt – en dat hij, of zij, om die reden bereid is om een en ander door de vingers te zien.

Het is wél nuttig. Ikzelf vind het interessant om vele jaren na een vorige lectuur te zien wat ik ooit belangrijk heb gevonden of als belangrijk heb herkend – en ook, laat ons dat vooral niet vergeten: wat ik níet of ten onrechte belangrijk heb gevonden. Toch is het niet om die reden dat ik boeken annoteer want – dat moet ik bekennen maar ik probeer er iets aan te doen – hoe weinig gebeurt het dat ik een boek herlees.

Voor mij heeft annoteren vooral te maken met de manier waarop ik met boeken omga. De triestigste bibliotheek is deze die zijn eigenaar niet overleeft, die vroeger dan zijn eigenaar doodgaat. Ik heb genoeg van die bibliotheken gezien. Daarom zeg ik: mijn omgang met mijn bibliotheek moet levend zijn. Zoals de boeken mij merken, mag ik mijn boeken merken. Ik moet ze niet alleen regelmatig voelen en laten voelen dat ík nog besta, ik mag in hen ook sporen nalaten van míjn bestaan, ik mag mijn boeken uniek maken. Ik wil dat mijn bibliotheek een geschiedenis heeft, dat ze niet doodgaat voordat ik de pijp aan Maarten zal hebben gegeven en dat ze, misschien – al moet het gezegd dat de ontlezing en de teloorgang van onze cultuur zich razendsnel doorzetten –, ooit nog in iemand anders’ leven een rol kunnen spelen. Mede door de annotaties erin.

Ik weet het, het is hovaardig. Maar dat kan mij eerlijk gezegd niets schelen. Het zijn míjn boeken, ze vormen míjn universum en daarin stel ík de wetten. 

 


 

gisteren 16

230116

▲ Het gure regenweer dat nu al dagen aanhoudt, die winter die maar geen winter wil zijn, de dagen die al beginnen te duisteren nog voor ze klaar zijn geworden: het maakt mij mistroostig.

▲ Omdat ik gisterenavond, min of meer toevallig omdat ik in de dvd-bakken van de bibliotheek bij de O was aanbeland, de film zag, lees ik vandaag de novelle – en wat ben ik blij voor Eriek dat ze zo sterk is, zo gaaf, zo zonder gezeur en geen woord te veel. Schrijnend én waardig.

En ’s anderendaags zijn Susanne en ik op huwelijksreis vertrokken: naar haar nonkel Walter in Zuid-Afrika. Van de Wiele, zei hij daar tegen mij: ik heb Jef Van de Wiele nog gekend. Góed gekend. Dat mag ik wel zeggen. Wij hadden idealen, Bernard, idealen maar waar ons Vlaamse volk nog niet rijp voor was. Een schoon volk, de Vlamingen. En een schoon Vlaams meiske hebt gij u gekozen. 

Eriek Verpale, Olivetti 82, 215

6711

Brugge, Parking Carrefour Scheepsdale - 221120

 

maandag 16 januari 2023

driekleur 507

Je zag het rood, of bruin, of zwart van de oude balken, boven de witgekalkte onderbouw van de muren. Je zag dat de daken daar dicht opeengepakt stonden, schouder aan schouder, omdat ze graag bij elkaar waren, nauw verbonden, vol vertrouwen en vriendschap – en Clou zei dat het geen haast had – en ook zag je, achter hun schuttingen, de tuinen die groen begonnen te worden, met spikkels geel, blauw en rood.

Charles Ferdinand Ramuz, De grote angst in de bergen, 21

gisteren 15

230115

▲ Op de markt in het oude slachthuis van Kuregem krijg ik de indruk dat alles wat bestaat daar te koop is.

▲ Wie stelt in het gesprek de vragen die nodig zijn om het op gang te houden?

▲ Eén puntje in ons beider curriculum was op een merkwaardig toevallige wijze identiek, maar ik herinner me niet meer wat dat was. En dat hindert me, zoals een *tip of the tongue* irriteert, of een droom die ontglipt.

Niemand lijkt hier sinds het allereerste begin van de aarde ooit te zijn geweest en er ooit iets te hebben verstoord, behalve dat nu een man de bewijzen van zijn bestaan bleef schrijven, zoals wanneer je de ene letter naast de andere zet, om een zin te maken en dan nog een zin – en zo als eerste de mooie witte bladzijde met de sporen van zijn stappen verstoort. 

Charles Ferdinand Ramuz, De grote angst in de bergen, 133

notitie 345

EERSTE DAG 1-5

I – 1  

Ten einde na onze dood een gunstig oordeel te kunnen krijgen, moeten wij bidden tot de zielen van diegenen die ons zijn voorgegaan, opdat zij ons bij de Heer zouden aanbevelen. Maar het kan gebeuren dat wij ons daarbij richten tot aflijvigen die bij leven helemaal niet zo goed waren als wij dachten dat ze waren. Welnu, God is zo goedertieren dat hij ons op onze werkelijke merites zal beoordelen en ons deze vergissing niet ten kwade zal duiden. Een dergelijke vergissing zouden wij kunnen maken bij iemand als Meester Cepparello, die, na een leven vol schurkenstreken, op zijn sterfbed zijn biechtvader in die mate wist te misleiden dat deze er alles aan deed om de in zijn ogen rechtschapene heilig te laten verklaren.

I – 2  

De Parijse koopman Jeannot de Chauvigny zou graag hebben dat zijn joodse vriend Abraham zich tot het christendom bekeert. Maar Abraham wil zich eerst te Rome vergewissen van de morele kwaliteiten van de clerus. Hij treft er alleen maar lieden die enkel hun roede en buik dienen. Als deze godsdienst desalniettemin zo kan bloeien, concludeert hij, kan het niet anders dan dat zij de ware is en haar God oneindig goed. En dus bekeert Abraham zich alsnog – hetgeen zijn vriend Jeannot, die hem de reis naar Rome had proberen te ontraden, niet meer had verwacht.

I – 3  

Oorlogsvoering en tegenslagen hebben sultan Saladim van Caïro in geldnood doen belanden. Door de rijke en woekerende jood Melchizedek af te persen probeert hij zijn kas te spekken. Hij geeft die afpersing een schijn van redelijkheid en vraagt Melchizedek welk geloof het ware is: het joodse, het Saraceense of het christelijke. De jood omzeilt het dilemma met een parabel over drie zonen die door hun vader in die mate gelijk bemind worden dat hij niet kan kiezen wie van de drie hij als zijn erfgenaam zal aanduiden.

I – 4 

Een levenslustige jonge monnik wordt bij het liefdesspel met een boerenmeisje uit de buurt betrapt door zijn abt. Met een list levert de monnik het meisje uit aan de wellust van de abt en betrapt deze op zijn beurt – waarna de twee door de wederzijdse beetrapping aan elkaar zijn vastgeklonken en de abt bijgevolg geen straf kan uitspreken. Slim gespeeld van de jonge monnik!

I – 5

De echtgenoot van de markiezin van Monferrato is op kruistocht. De koning van Frankrijk, Filips de Eenogige, is van deze uithuizigheid op de hoogte en besluit de markiezin een bezoek te brengen. Hij is vast van plan haar het hof te maken – maar daar heeft de markiezin geen zin in. Hoe maak je dat een koning duidelijk? Door hem een feestmaal met enkel kippenvlees voor te zetten. In alle mogelijke toebereidingen, dat wel, maar toch: uitsluitend kippenvlees en niet bijvoorbeeld wild, wat je als koning toch wel zou mogen verwachten. De gastronomisch ingeklede boodschap is niet mis te verstaan en de koning kan niets anders dan inbinden.

 

Giovanni Boccaccio, Decamerone (ca. 1352), vertaling Frans Denissen (2003)

6710

Brugge - 221120

 

zondag 15 januari 2023

driekleur 506

Haar hand bij het doek – de wijsvingernagel citroengeel, de ringvingernagel vermiljoen, de middelvingernagel cyaanblauw, en duim- en pinknagel zijn wit en zwart.

Peter Verhelst, Voor het vergeten, 323

driekleur 505

Een van de verdwaalden heeft een gaai afgericht, zodat die als een valk op haar pols komt zitten (haar wijsvingernagel is citroengeel, haar ringvingernagel vermiljoen, haar middelvingernagel cyaanblauw, en haar duim- en pinknagel zijn wit en zwart).

Peter Verhelst, Voor het vergeten, 160

 

driekleur 504

Haar wijsvingernagel was citroengeel, haar ringvingernagel vermiljoen, haar middelvingernagel cyaanblauw, en haar duim- en pinknagel waren wit en zwart.

Peter Verhelst, Voor het vergeten, 56

driekleur 503

Haar wijsvingernagel was citroengeel, haar ringvingernagel vermiljoen, haar middelvingernagel cyaanblauw, en haar duim- en pinknagel waren wit en zwart – ik kon mijn ogen niet van haar afhouden.

Peter Verhelst, Voor het vergeten, 53

Peter Verhelst, Voor het vergeten

notitie 344

LIJKWADE

‘Voor ik vergeet’ is de titel van een van de mooiste liedjes van Spinvis. Misschien heeft Peter Verhelst zich er voor zijn in memoriam matris wel door laten inspireren. In zijn lichtjes andere titel verknoopt hij een mooie dubbelzinnigheid: Voor het vergeten slaat zowel op de tijd als op de intentie: ik schrijf dit boek over mijn moeder voordat ik haar vergeet, maar ik schrijf het ook om te kúnnen vergeten.

Ik heb Verhelst lezen altijd lastig gevonden. Bij het lezen van Voor het vergeten herkende ik de weerstand die ik eerder al bij zowel Het spierenalfabet als bij De kunst van het crashen had ervaren. Ik vrees dat het tussen Peter en mij wel nooit helemaal vlotten. Als hij blijft schrijven zoals hij schrijft en ik blijf lezen zoals ik lees, tenminste.

Mijn weerstand is er vooral omdat ik de aarzelingen en het voortdurend omcirkelend benaderen van de – onuitspreekbare – kern van dit verhaal te vrijblijvend vind, de compositie te weinig noodzakelijk. Verhelst trekt zich weinig aan van zijn lezers, krijg ik het gevoel. En wanneer zijn betoog een opsomming lijkt te worden van kunstenaars die je blijkbaar goed moet vinden – Tuymans, De Cordier, Vercruysse, Spilliaert, Tahon (om het bij de artiesten van eigen streek te houden) – dan wordt het, ja, irritant. Bovendien zit dit boek propvol allusies op mythologische verhalen: je kunt maar beter je culturele bagage meenemen op deze uitstap.

Mijn geduld werd dus menigmaal op de proef gesteld, maar een aantal bijzonder mooie en ontroerende passages stemden mij dan toch weer gunstig. Vooral het slot, wanneer wij vernemen hoe het de vader vergaat na de dood van zijn vrouw, is pakkend.

Verhelst hanteert zijn beproefd recept. Voor het vergeten is opnieuw een cocktail van lichamelijkheid, mythologie, metaforen, zintuiglijke wellust, cerebraliteit, sprookjes en een obsessieve aandacht voor vergankelijkheid. Met zijn mix van hooggestemde beschouwingen en ‘down to earth’-feitelijkheid voert Verhelst ons mee van het infiemste obscure gekriewel tot de hoogste sterrenschittering.

‘Cocktail’ is geen goed woord. (Het werd wellicht ingegeven door het woord ‘recept’.) Beter is het om van een weefsel te gewagen. Verhelst selecteert kleurige draden, zet zijn getouw op, knoopt een kunstig patroon. Hij hakkelt en stottert, herhaalt en herneemt, laat zijn motieven en metaforen echoën en naar elkaar verwijzen. Het is geen lineair verhaal maar een mozaïek van motieven, metaforen, steeds terugkerende beelden: het hert, het geslacht, een boot, een put, het maanlicht… Het is bovendien een amalgaam van registers: essayistische beschouwingen worden afgewisseld met verhalende passages; experimenteel aandoend proza met gedichten en haiku’s.  

In zijn uitdrukkelijke verwijzing naar de keramiektechniek kintsugi lees ik een toelichting bij zijn methode: ‘In Japan worden gebroken voorwerpen hersteld door de breuklijnen te bestrijken met natte laklijm, waarover goudpoeder wordt gestrooid. Kintsugi. In plaats van de barsten te verhullen worden ze benadrukt, verfraaide littekens als een ode aan het leven en de verstrijkende tijd. De nieuwe draden die wij over onze netwerkgaten spannen zijn een vorm van kintsugi. De lak, vermengd met goud, is samengesteld uit metaforen. Die maken het mogelijk om te spreken over de dingen waarover we niet kunnen spreken (…).’ (170) Dit boek is een spel met de taal, een dans. En dat zegt Verhelst ook uitdrukkelijk: ‘De paradox: metaforen zijn omwegen om te spreken waarover we niet kunnen spreken en tegelijk werken ze even chemisch en direct als dans en muziek: ze zijn de dans en muziek van de taal. Er bewegen/trillen allerlei betekenissen mee die we niet noodzakelijk kunnen benoemen.’ (172)

Eenduidigheid is niet Verhelsts belangrijkste preoccupatie. Integendeel. Hij zet met zijn twijfels en aarzelingen de lezer aan het werk. ‘Een metafoor creëert altijd spanning tussen wat wordt gezegd en waarnaar wordt verwezen, altijd zijn er oncontroleerbare betekenislagen, waardoor het nooit zeker is welke associaties ermee worden opgeroepen bij de toehoorder. De toehoorder wil in eerste instantie het antwoord horen dat hij al kent, omdat hij de boodschap wil krijgen dat elk verhaal misschien wel verrassend maar toch begrijpelijk is en de wereld dus onveranderd. Dat hij zich geen zorgen hoeft te maken.’ (171) Maar niet in Voor het vergeten dus: wat Verhelst schrijft is verontrustend en oncomfortabel.

Verhelst laat het wit van de pagina’s kwistig meespelen. Die kleur verbeeldt de stilte die overblijft na het verscheiden. Het onuitspreekbare waarover, in de rouw, toch moet worden gesproken. Het gaat om een manier ‘om je niet zo eenzaam te voelen’ (172).

Want inderdaad, laat het ons niet vergeten: dit boek is ook een hommage aan de moeder. Zij sterft. Haar man en kinderen blijven achter. Een van die kinderen is een schrijver. Hij doet wat moet. Ik heb veel respect voor de manier waarop Peter Verhelst die taak op zich heeft genomen. Waardig en ingetogen, zonder toe te geven aan de mogelijke verleiding een bio-, laat staan hagiografie te schrijven. Neen, hij heeft het enkel over het fenomeen ‘sterven’ in het algemeen, over de leemte die wordt achtergelaten wanneer een geliefd persoon verdwijnt. Het boek van Peter Verhelst over de dood van zijn moeder kan los worden gelezen van de concrete mens die zijn moeder is geweest. Voor het vergeten is een talige lijkwade waarin de nabestaande de overledene wikkelt. 

 

Peter Verhelst, Voor het vergeten (2018)


gisteren 14 / droom # 148

230114

▲ In mijn droom zeg ik aan de astronoom en Nederlandstalige rockzanger Stijn Meuris dat zijn muziek toch voldoende kwaliteit heeft om van hem een wereldster te maken, maar dan zou hij wel in het Engels moeten zingen. Hij spreekt mij in geen van beide talen tegen.

▲ Ik weet nog niet waarover ik morgen zal dromen.

▲ ‘Ik onthoud het lekkere eten en de vriendelijkheid,’ zegt ze. ‘Dat zal ik nooit vergeten.’

▲ Ik kom stilaan tot het besef dat ik beter geschiedenis had gestudeerd. Story of my life: altijd te laat!

▲ En de Oscar voor de beste dierenvertolking gaat naar… de hond én het paard én de ezel én de koeien in The Banshees of Inisherin van Martin McDonagh!  

 

foto: Walter Saenen
Het onverschillige doortikken van de tijd is ook een vorm van genade. Ik vermoed dat ik al wel eens een hele dag niet meer aan je heb gedacht. Tijd vijlt, anders was het geen leven.  

Frank Albers over een jaar zonder zijn vriend Bernard Dewulf in ‘Alsof nog niets is gestelpt’, De Standaard 14 januari 2023