Posts gesorteerd op datum tonen voor zoekopdracht Austerlitz. Sorteren op relevantieAlle posts tonen
Posts gesorteerd op datum tonen voor zoekopdracht Austerlitz. Sorteren op relevantieAlle posts tonen

maandag 22 september 2025

boekverhaal 70

In deze rubriek heb ik het over door mij gelezen of in mijn bezit zijnde boeken waar een verhaal aan vasthangt of die iets bijzonders voor mij betekenen.


mei 1992

OP HET EERSTE GEZICHT

In het voorjaar van 1992 kreeg ik een boek in handen van een auteur van wie ik nog nooit had gehoord. De titel sprak me aan. En zeker ook de coverillustratie: een reproductie van een pointillistisch schilderij van Paul Signac waarop de toppen van twee cipressen tegen de leesrichting in wuiven – het moet een stevige wind geweest zijn die daar woei.

Ik begon te lezen en werd van mijn sokken geblazen. Nooit eerder had de kennismaking met een nieuwe stem zo’n effect op mij gehad, en dat zou nadien ook nooit meer gebeuren. Dit – deze schriftuur, deze toon, deze stijl, dit soort aanwezigheid – was voor mij volslagen nieuw. En niet enkel dat: ik trof een schoonheid aan waarvan ik wist dat dit het was waar het in literatuur uiteindelijk hoort om te gaan. Althans naar mijn inzicht.

Het was liefde op het eerste gezicht. Ik bevorderde prompt W.G. Sebald tot mijn favoriete schrijver. Hij zou dat altijd blijven – ik blijf zijn boeken jaar na jaar herlezen. Het nieuws van zijn dodelijk ongeluk eind 2001, op nauwelijks 57-jarige leeftijd, deed echt pijn. Het vergde een periode van rouw om te kunnen aanvaarden dat dit kleine oeuvre – Sebald was pas laat in zijn leven tot het publiceren van bellettrie gekomen – niet meer zou worden aangevuld. Met Schwindel. Gefühle, zoals Melancholische dwaalwegen in de oorspronkelijke Nederlandse vertaling van Jos Valkengoed heette (Ria van Hengel maakte daar in 2008 Duizelingen van), was W.G. Sebald in 1990 gedebuteerd als literair auteur. Hij was toen al 46. Er zouden, naast essays en poëzie, slechts drie belangrijke literaire werken volgen. In de Nederlandse vertaling heten ze: De emigrés, De ringen van Saturnus en Austerlitz. Alle vier die boeken behoren tot het beste wat ik ooit las. Met Austerlitz, het enkele maanden voor zijn dood verschenen meesterwerk, oogstte Sebald wereldwijd erkenning. Zijn naam gonsde zelfs al in Stockholm, toch uitzonderlijk voor een schrijver met een zo klein oeuvre.




Ik blikte, naar aanleiding van een zoveelste herlezing in 2017, terug op mijn eerste lectuur van Melancholische dwaalwegen en kennismaking met Sebald: ‘Ik begon argeloos en onbevooroordeeld het boek te lezen en belandde voor ik er erg in had in een totaal ánder universum dan datgene wat mij tot dan toe vertrouwd had geleken – een ervaring die mijn leven ingrijpend zou veranderen, als betrof het een hevige aardbeving, waarvan, als ik dan toch even dat beeld zou handhaven, de naschokken tot vandaag voelbaar blijven: telkenmale ik dat boek lees, lees ik het ánders, en daar blijft het niet bij want ook in de tussenliggende periodes, van ongelijke lengte maar desalniettemin een cadans vormend, zijn de muziek en het denken en de manier van kijken van Sebald op allerlei manieren voortdurend in mijn doen en laten en zeker in mijn lezen en schrijven aanwezig.’ (https://pascaldigital.blogspot.com/2017/10/de-herfst-van-2017-4.html)

In Melancholische dwaalwegen (Duizelingen dus) is een filoloog aan het woord, een reiziger, een kenner van de levens van illustere voorgangers als Stendhal, Casanova en Kafka, een hypochonder die worstelt met zijn zelf gekozen verbanning en de daaruit voortkomende identiteitscrisis. Deze crisis, een schijnbaar incurabele neerslachtigheid, wordt nergens expliciet benoemd of omschreven, maar blijkt duidelijk uit de associaties en parallellen die de schrijver maakt en ontwaart in de levens van zijn literaire helden. De ik-figuur, die Sebald-zelf is, neemt ons mee op zijn reizen (zijn dwaaltochten) en toont ons ook, door middel van bevreemdende en vaak zeer onprofessioneel aandoende foto’s, wat hem treft. Dat procedé – teksten gelardeerd met, ter staving van de échtheid van de beleefde en doorstane ervaringen, zelfgemaakte illustraties – zal allicht niet nieuw zijn geweest, maar het werd na Sebald door zeer velen overgenomen.

Mijn recensie van Melancholische dwaalwegen, verschenen in het septembernummer (1992) van het maandblad Kunst & Cultuur (https://pascaldigital.blogspot.com/2004/12/ontroeringen-van-een-dwalende-ziel.html), moet in het Nederlands taalgebied een van de allereerste teksten zijn geweest over de dan nog volslagen onbekende Duitse schrijver. Niet dat ik het een grote verdienste vind, maar ik ben er toch trots op dat ik deze auteur, nu algemeen erkend als een van de belangrijkste van de twintigste eeuw, volledig op eigen kracht heb ontdekt, zonder enige invloed van buitenaf. En dat ik meteen zijn belang herkende. Ik schreef in die recensie: ‘De kwaliteit en het belang van dit boek zijn ongemeen groot. Sebalds vertelling is schrijnend, lucide, komisch en aangrijpend.’ En: ‘[H]ij schrijft op een associatieve manier over dingen en gebeurtenissen en daarin spiegelt hij zichzelf. Zodoende verwijst hij slechts onrechtstreeks naar een persoonlijke, niet nader omschreven crisis. Deze werkwijze doet bij de lezer een verregaande en respectvolle betrokkenheid ontstaan.’


W.G. Sebald, Melancholische dwaalwegen (vertaling (1992) van Schwindel. Gefühle (1990) door Jos Valkengoed)
W.G. Sebald, Duizelingen (vertaling (2008) van Schwindel. Gefühle (1990) door Ria van Hengel)


maandag 1 januari 2024

lijstje 40

... van boeken die er om de een of andere reden voor mij toe doen die ik in 2023 las of herlas


*****

Juli Zeh, Nieuwjaar
Carson McCullers, Het hart is een eenzame jager
W.G. Sebald, Austerlitz
Ian McEwan, Lessen
Marguerite Yourcenar, Dierbare nagedachtenis
Sandro Veronesi, In de ban van mijn vader
Theo Kars, Praktisch verstand
Wim Kayzer, De waarnemer
Eric Vuillard, L’Ordre du jour
Thomas Bernhard, Ja
Mircea Cartarescu, Solenoïde
Erich Maria Remarque, Van het westelijk front geen nieuws
Jeroen Brouwers, Zonsopgangen boven zee
Sandro Veronesi, Zeldzame aarden
Olga Tokarczuk, Jaag je ploeg over de botten van de doden
Rafael Chirbes, Paris-Austerlitz

****

Geerten Meijssing, Veranderlijk en wisselvallig
Charles Ferdinand Ramuz, De grote angst in de bergen
Hugo Claus, Interieur
G.J. Durlacher, Drenkeling
Carson McCullers, De ballade van het trieste café
Paul Goossens, De ongelijkheidsmachine
Michael Cunningham, De uren
Bohumil Hrabal, Al te luide eenzaamheid
Sandro Veronesi, De kolibrie
Esther Kinsky, Verder kijken
Douwe Draaisma, De heimweefabriek
Charles Ferdinand Ramuz, Schoonheid op aarde
Harald Jahner, Hoogteroes
Hans Fallada, Wat nu, kleine man?
Jon Fosse, De andere naam
Gie van den Berghe, De uitbuiting van de Holocaust
Tinneke Beeckman, Ken jezelf
Olga Tokarczuk, Empusion

***

Werner Herzog, Over een voettocht door de kou
Arno Geiger, Zelfportret met nijlpaard
Walter van den Broeck, Het alfabet van de stilte
Vaclav Havel, Brieven aan Olga
Benno Barnard, Afscheid van de handkus
Pascal Verbeken, Brutopia
David Foster Wallace, Korte gesprekken met afgrijselijke mannen
Ilja Leonard Pfeijffer, Alkibiades
Annie Van Paemel & Dirk Verhofstadt, Chef-kok in IG Auschwitz
Jeroen Brouwers, Kladboek
Bruce Chatwin, Wat doe ik hier
Christiaan Weijts, De etaleur

** en *

de rest

zondag 31 december 2023

honderd woorden 539

DUBBELZINNIG

Rafael Chirbes heeft het in het slot van de mooie en aangrijpende novelle Paris-Austerlitz over de ‘rouw’ die volgt na het einde van een liefdesrelatie (maar het kan, meen ik, ook over een vriendschap gaan). Hij heeft het over ‘de fase die voorafgaat aan het vergeten of aan het fabriceren van een zoet smakende herinnering, zachte weemoed om de verloren tijd’. Dan licht opeens de dubbelzinnigheid op van dat ‘verloren tijd’. Gaat het om een periode in het verleden, die voorgoed voorbij is, of denkt de protagonist van het verhaal prozaïscher aan efficiëntie, aan niet meer goed te maken tijdverlies?

Rafaël Chirbes, Paris-Austerlitz (vertaling (2018) uit het Spaans door Eugenie Schoolderman van Paris-Austerlitz (2016))

zondag 11 juni 2023

notitie 384

FEIT EN FICTIE IN THERESIENSTADT (5/5)

zie hier voor deel 1/5: https://pascaldigital.blogspot.com/2023/06/notitie-380.html
zie hier voor deel
2/5: https://pascaldigital.blogspot.com/2023/06/notitie-381.html
zie hier voor deel
3/5: https://pascaldigital.blogspot.com/2023/06/notitie-382.html
zie hier voor deel
4/5: https://pascaldigital.blogspot.com/2023/06/notitie-383.html


W.G. Sebald zoekt via zijn personage Jacques Austerlitz aansluiting zoekt met een historische realiteit. Hij doet dat onder meer door te luisteren naar Austerlitz’ verslag over de bezoeken die hij, Austerlitz, aflegt aan de plekken die in die historische realiteit een grote rol hebben gespeeld: Breendonk, Praag, Terezín, Parijs. Wij krijgen op die manier, via de fictie van de romankunst, een rechtstreekser contact met een gruwelgeschiedenis waarvan wij weten dat wij haar, niet geholpen door de fictie, in het beste geval maar een heel klein beetje kunnen navoelen. Sebald illustreert hiermee het grote belang van fictie voor de overlevering van een historische waarheid, en zeker van een onvoorstelbare, onzegbare historische waarheid. Sebald vertelt ook hoe het personage Jacques Austerlitz een concreet contact hoopt te kunnen bewerkstelligen met zijn moeder en met zijn eigen verdrongen verleden als een kind dat uit zijn Praagse omgeving werd weggerukt en op kindertransport naar Engeland gezet. Parallel met dit alles heb ik in dit stuk verteld hoe ikzelf op een van mijn reizen, die ik als een soort van lezen opvat, in contact trad met zowel diezelfde historische werkelijkheid van de Holocaust, als met een boek dat mij zeer dierbaar is: Austerlitz van W.G. Sebald. Sommige passages in dat boek zijn voor mij pas helemaal tot leven gekomen doordat ik de plek op een uitermate bevreemdende en zelfs ontwrichtende manier heb kunnen bezoeken. Dat tot leven komen vond een hoogtepunt in het laatste feit, een laatste realiteit die ik hier ter sprake wil brengen.

In de beschrijving van zijn bezoek aan Terezín vertelt Sebald, via zijn ik-figuur, over zijn ontmoeting met een ‘geestelijk gestoorde man in een versleten pak’. ‘Verder kwam ik de hele morgen niemand tegen in de kaarsrechte verlaten straten van Terezín, behalve een geestelijk gestoorde man in een versleten pak, die mijn pad kruiste tussen de linden van het park met de fontein en in een soort gestameld Duits wild gebarend een onbegrijpelijk verhaal vertelde, totdat ook hij zich uit de voeten maakte en zoals dat heet door de aarde werd verzwolgen, het biljet van honderd kronen dat ik hem had gegeven nog in zijn hand.’ (214-215). Welnu, toen ik na mijn bezoek aan Terezín/Theresienstadt het boek van Sebald een tweede keer las, merkte ik dat mijn eerste lezing niet erg zorgvuldig was geweest want nu pas viel die duistere figuur in Sebalds boek mij voor het eerst op: ik herkende in Sebalds beschrijving van zijn bezoek aan Terezín een persoon die ik intussen zelf in levenden lijve had ontmoet en van wie ik sluiks, vanuit de heup zoals dat dan heet, een foto had weten te maken. Een foto die mij, hoe slecht gekadreerd en onscherp ook, naderhand zeer dierbaar is geworden, en zeker niet alleen omdat de uitgespreide vingers van de man wonderwel rijmen met de geknotte linden van hetzelfde park waar ook Sebald hem moet hebben ontmoet. Via deze foto en de erop afgebeelde man treed ik in nauw contact met mijn geliefde en helaas in 2001, zeer kort na het schrijven van zijn meesterwerk Austerlitz, overleden auteur.




zaterdag 10 juni 2023

notitie 383

FEIT EN FICTIE IN THERESIENSTADT (4/5)

zie hier voor deel 1/5: https://pascaldigital.blogspot.com/2023/06/notitie-380.html
zie hier voor deel
2/5: https://pascaldigital.blogspot.com/2023/06/notitie-381.html
zie hier voor deel
3/5: https://pascaldigital.blogspot.com/2023/06/notitie-382.html


In de roman Austerlitz tekent de ik-figuur, in wie we Sebald zelf herkennen, op wat het ‘Jacques Austerlitz’ genaamde hoofdpersonage hem vertelt. Maar Jacques Austerlitz is wel degelijk een romanpersonage – ook al is hij op een reële figuur gebaseerd, zoals ik leerde uit de biografie Speak, Silence van Carole Angier.

De ik-figuur ontmoet de vreemde zwerver Jacques Austerlitz op gezette tijden, op verschillende plaatsen, telkens onverwacht en toevallig. Tussen hun opeenvolgende ontmoetingen gaat er telkens veel tijd voorbij. Jacques Austerlitz lijkt een zwijgzame man, maar eens hij begint te vertellen, is hij niet te stuiten. De ik-figuur maakt notities, en is op die manier in staat om Austerlitz’ persoonlijke geschiedenis te reconstrueren.

Als nog zeer jong kind van Tsjechisch-joodse ouders werd Jacques Austerlitz via een zogenaamd kindertransport uit de klauwen van de nazi’s gered en naar Groot-Brittannië overgebracht. Daar kreeg hij een andere naam en werd hij, zonder te weten wie hij in werkelijkheid was, door een Welsh koppel opgevoed. Zijn vroegere leven verdwijnt onder de sluiers van amnesie en depressie. Zijn hele latere leven wordt in beslag genomen door de zoektocht naar zijn ware identiteit. Die zoektocht voert hem onder meer naar Praag en naar Terezín.

Typerend voor Sebalds verteltechniek is niet alleen dat hij zijn alter ego, de ik-figuur die ijverig Austerlitz’ verhalen optekent, als een soort van verzachtende buffer tussen de trieste ervaringen van Austerlitz en de lezer plaatst, wat de lezer zou kunnen doen denken dat het allemaal ‘maar fictie’ is, maar ook dat hij, Sebald, tegelijkertijd een omgekeerd effect bewerkstelligt door zijn relaas op te luisteren met foto’s – niet door Austerlitz of door die ik-figuur maar uiteraard door Sebald zelf gemaakt –, foto’s die met hun banale kwaliteit maar al te reëel ogen en niet fictionaliseren maar integendeel aan het relaas werkelijkheidsgehalte toevoegen.






W.G. Sebald heeft het naar aanleiding van de rechtlijnige straten van Terezín over de zonnestad van Campanella, een vroeg-zeventiende-eeuwse utopie. Hij heeft het over nog andere bouwwerken en constructies die zijn ontstaan vanuit een vorm van rationalistisch-utopisch denken, bouwwerken die realisaties zijn van een idee van perfectie, vooruitgang en/of totale controle. In Austerlitz voert hij ons mee naar onder meer naar ons welbekende plekken als het station van Antwerpen, het fort van Breendonk en het Justitiepaleis in Brussel, maar ook naar de tegenwoordig gedesaffecteerde Bibliothèque nationale de France in de rue Richelieu in Parijs. Deze instelling werd vervangen door de megalomane en voor het bewaren van boeken uitermate ongeschikte Site François Mitterand op de linkeroever van de Seine. De voormalige president van Frankrijk liet deze zogenaamde Très Grande Bibliothèque neerplanten uitgerekend op de plek waar enkele decennia tevoren de geroofde bezittingen van gedeporteerde joden werden verzameld alvorens ze, net zoals hun voormalige eigenaars, naar Duitsland werden vervoerd, zij het niet om daar te worden verbrand.

woensdag 7 juni 2023

notitie 381

FEIT EN FICTIE IN THERESIENSTADT (2/5)

zie hier voor deel 1/5: https://pascaldigital.blogspot.com/2023/06/notitie-380.html


In Terezín verneemt Jacques [Jacques Austerlitz, het hoofdpersonage van de roman Austerlitz van W.G. Sebald] onder meer van het bestaan van een door de nazi’s gemaakte film.

In 1944 wisten de Deense autoriteiten, in samenwerking met het Internationale Rode Kruis, een inspectie af te dwingen van Terezín. De nazi’s stelden naar de buitenwereld toe het overgangskamp voor als een luxueus oord, waar het de mensen die er verbleven aan niets ontbrak. Niets was minder waar, maar waar is wat de machthebbers zeggen dat waar is. Dat wisten de nazi’s ook, daarvoor moesten we niet op Trump wachten.

Wat nu volgt is ronduit onwaarschijnlijk, maar het heeft werkelijk plaatsgevonden.

De nazi’s beschouwden het door hen uiteraard niet welkome inspectiebezoek als een – in de cynische bewoordingen van Sebald – ‘gunstige gelegenheid om de ware aard van het deportatiewezen te dissimuleren’ (273). Daarom zetten zij een ‘Verschönerungsaktion’ op. In allerijl werd het hele kamp omgegooid. De medewerking van allen was vereist – wie niet meewerkte wist maar al te goed dat hem of haar een gewisse dood wachtte. Dat die gewisse dood voor de meesten toch zou volgen, wisten de gevangenen nog niet. De hele garnizoensstad werd opgekuist, en de bewoners, de gevangenen dus, werden verplicht deel te nemen aan een gigantisch rollenspel. Ze trokken mooie kleren aan, namen op een caféterras plaats, speelden een voetbalmatch, woonden een muziekopvoering bij, werkten in de moestuinen die waren aangelegd in de omwallingsgrachten van de vestingstad, enzovoort. De inspecteurs van het Deense consulaat en het Rode Kruis trapten erin en keerden terug naar Denemarken met een positief rapport. De nazi’s waren zo opgetogen over hun geslaagde krijgslist, dat ze besloten de hele klucht nog eens over te doen, maar er dan meteen ook een propagandafilm van te maken. Ze gaven de film de passende titel Der Führer schenkt den Juden eine Stadt. Wie daar zin in heeft, kan het bewaarde filmfragment bekijken op YouTube.






Jacques Austerlitz slaagt erin, zoals hij uitlegt aan de ik-figuur van Sebalds roman, om een kopie van deze film te bekijken. De filmrol had de geallieerde bombardementen doorstaan en was vervolgens in het Bondsarchief te Berlijn bewaard. Austerlitz hoopt natuurlijk dat hij op die beelden een glimp van zijn moeder zou kunnen opvangen. Zijn verlangen is zo groot dat hij, na lang zoeken en de film herhaaldelijk in vertraagde modus te hebben bekeken, op een van de beelden die zijn gemaakt van het zogenaamd welwillende en belangstellende publiek van de muziekuitvoering die voor het inspectiebezoek is geënsceneerd, in de donkere achtergrond een jonge vrouw ziet waarin hij zijn moeder herkent. ‘Ze draagt, zei Austerlitz (schrijft Sebald), een halsketting van drie fijne bogen die nauwelijks afsteekt tegen haar donkere, hooggesloten jurk, en een witte bloem opzij in haar haar.’




Dichter bij de werkelijkheid lijk je met dergelijke details niet te kunnen komen – en uiteraard ervaart Jacques Austerlitz, ruim veertig jaar nadat zijn moeder in de ovens van de nazi’s is verdwenen, een hevige ontroering. Maar zelfs die ontroering berust niet op waarheid want wanneer hij de foto die hij van dit beeld waarop hij zijn moeder meende te herkennen aan Vera, de huishoudster, voorlegt, schudt zij het hoofd: ‘Neen, dat is je moeder niet.’ En ze toont hem een foto van zijn in december 1942 naar Terezín afgevoerde moeder.

Met andere woorden: de ontroering die Austerlitz had gevoeld bij het beeld van de vrouw van wie hij dacht dat het zijn moeder was, was reëel. Ook al was die ontroering op een onwaarheid, een fout, een onwerkelijkheid gebaseerd. Was die ontroering daarom zinloos? Ook hier speelt de spanning tussen fictie en werkelijkheid een belangrijke rol – in elk geval een rol waarmee we met ons verlangen naar zingeving en betekenis in ons leven rekening dienen te houden.



dinsdag 6 juni 2023

notitie 380

FEIT EN FICTIE IN THERESIENSTADT (1/5)


Ik reis graag. Ik reis het liefst op goed geluk af, onvoorbereid, zeer bereid om het toeval zijn rol te laten spelen. Het nadeel is natuurlijk dat ik veel dingen mis en weinig zaken uitdiep. Maar dit wordt gecompenseerd door het voordeel dat ik verrast kan worden. Dat leidt tot een intensere ervaring. Ik ben er nog altijd niet uit welke manier van reizen de beste is. Ik zou de onverwachte wendingen niet willen missen. Een tot in de puntjes voorbereide reis lijkt soms te zeer op een invuloefening, op het afvinken van een vooraf opgesteld lijstje. Dat verklaart misschien waarom mensen na hun terugkeer zeggen dat ze deze of gene stad of bezienswaardigheid hebben ‘gedaan’.

In 2010 maakte ik met mijn toenmalige vriendin een reis naar Dresden, Weimar en Bohemen. We sneden een stukje Zuid-Polen af en belandden – toevallig – in Terezín.

Terezín is een voormalige garnizoensstad, nu wonen er een kleine drieduizend mensen. Ik kwam er voor het eerst, en wist vooraf niet dat Terezín de Tsjechische naam is voor Theresienstadt. Of juister: ik herinnerde het mij niet, want ik had het kùnnen weten. Ik had toen al een eerste keer Austerlitz van W.G. Sebald gelezen, en daarin komt, onder beide namen, Terezín/Theresienstadt uitvoerig aan bod. Maar ik legde het verband dus niet meteen. Dat is belangrijk om goed te begrijpen wat ik nu zal vertellen.

We parkeerden de auto buiten de omwalling en betraden doorheen wat de hoofdtoegang leek te zijn de versterkte stad. Meteen bekroop een desolate sfeer ons. Veel van de grauwe panden langs de rechtlijnige straten leken vervallen of in elk geval niet bewoond. Maar er was wel bewoning, dat bleek uit de vuilnisbakken die op ophaling stonden te wachten, uit het geringe aantal geparkeerde auto’s, in die tijd nog vooral van Oost-Europese makelij, en uit de aanwezigheid van een café en een armetierige kruidenierszaak.

De eerste levende mensen die we zagen waren vreemd uitgedost. De vrouw droeg een witte hoofddoek met een opvallend rood kruis op, de man een lange loden mantel, lederen laarzen boven de broek en over de schouder een geweer. Een ouderwets ogend geweer.




Het drong al vlug tot ons door onder welke naam we die sinistere plek beter konden kennen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikten de nazi’s het perfect afsluitbare Theresienstadt als doorgangskamp voor tienduizenden mensen die volgens hen geen plaats hadden in de utopie die zij het ‘Derde Rijk’ noemden.

Ik neem er nu de roman Austerlitz bij. Wat verneemt de op Sebald gelijkende ik-figuur van zijn hoofdpersonage Jacques Austerlitz over diens bezoek aan Terezín? Wat zocht Austerlitz daar?

Austerlitz was op zoek naar zijn identiteit en naar wie hij zou zijn geworden indien de nazi’s niet zijn levensloop hadden bepaald. Hij komt te weten dat hij in Praag was geboren, en vindt de plaats waar hij daar met zijn moeder, Agata, woonde nadat zijn vader al de vlucht vooruit naar Parijs had genomen. Vele decennia nadat hij haar als kind voor het laatst had gezien vindt Austerlitz ook Vera terug, de vrouw die zijn moeder bijsprong wanneer zij niet zelf voor haar kind kon zorgen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Agata, nadat ze haar zoon met het laatste kindertransport had laten evacueren, naar het overgangskamp Terezín afgevoerd en van daaruit naar nog groter onheil.

De herinneringen van Vera aan Agata en de peuter Jacques openen een hele wereld voor de oud geworden Jacques Austerlitz, die uiteraard na zijn bezoek aan Praag naar Terezín/Theresienstadt trekt om meer te weten te komen over de omstandigheden waarin zijn moeder is terechtgekomen.



maandag 27 maart 2023

gisteren 85

230326

▲ Iedereen voelt aan dat het eigenlijk niet kan, een zege in een klassieker wegschenken, maar toch zeggen velen: ‘Zo mooi van Wout, zie eens hoe edelmoedig hij is.’ Er klopt iets niet. Nog los van het feit dat de organisatoren van Gent-Wevelgem het wellicht niet zo leuk vinden dat een renner de renommee van hun koers blijkbaar zodanig laag inschat dat hij het niet erg vindt om zijn naam niet nog eens op de erelijst te laten bijschrijven, schort er iets met de relatie tot de ethiek van deze sport, die er altijd van uit is gegaan dat de winnaar in het wielrennen een individu is en niet, zoals in bijvoorbeeld voetbal, een ploeg. En moet Laporte nu blij zijn met een zege die hij heeft gekregen? Zou het niet eervoller zijn geweest om in een eerlijke spurt met zijn ploeggenoot de duimen te leggen? Dan had hij tenminste de uitdaging aangegaan. Dan had hij in zijn meerdere zijn meerdere kunnen erkennen en groter kunnen zijn in de nederlaag dan dat hij nu klein is in de – gekregen – zege. Even goede vrienden – voor zover vriendschap een rol speelt, zoals men het nu graag voorstelt om toch enige zin aan dit theaterstukje te kunnen verlenen. Nu krijgt de Franse ‘knecht’ een ‘do ut des’-geschenk. Door te aanvaarden dat Van Aert hem als eerste over de streep laat uitbollen, ondertekent Laporte een verbintenis om zichzelf de volgende keer, bij een van de twee belangrijkere koersen, volledig weg te cijferen. En Van Aert, ja, die kan nu maar beter zien dat hij een van die koersen wint, of de trofee in Laportes trofeeënkast zal nog minder blinken.




Alles wat Marie voor mij betekende, zei Austerlitz, lag reeds opgesloten in dit verhaal over de papiermolen waarmee ze mij, zonder over zichzelf te spreken, haar innerlijk leven openbaarde.

W.G. Sebald, Austerlitz (2001; vertaald (2003) door Ria van Hengel), 295

zondag 26 maart 2023

parallel 202

(…) het staatsarchief is gevestigd in een heel merkwaardig gebouw dat uit een verre tijd stamt, als het al niet, zoals zoveel in deze stad, buiten de tijd staat.

W.G. Sebald, Austerlitz, 164


‖


Na een tijd, misschien een korte, misschien een eindeloze, misschien zelfs een tijd die buiten alle tijd viel, hoorde ik auto’s, stemmen, gelach, salvo’s van stenguns, gebrul.

Mohamed Mbougar Sarr, De diepst verborgen herinnering van de mens, 419-420

donderdag 23 maart 2023

gisteren 81

230322

▲ De toelichting Influence and Controversy, bonus op de dvd, helpt wel om de film Performance van Donald Cammell en Nicolas Roeg uit 1970 beter te begrijpen en waarderen. De acteerprestaties zijn niet verbluffend (al moet ik zeggen: wie kan er beter dan Mick Jagger Mick Jagger spelen?) en het verhaal glijdt nagenoeg volledig van mij af (ik ga ervan uit dat er een verhaal is) – maar wat wel bijblijft, zijn de kleuren, de fotografie en het tijdsbeeld.

▲ Ik lees dat boek nu al een zesde keer en nog steeds haal ik er nieuwe dingen uit. Maar voor het eerst vind ik ook een paar zwakke plekken. Sommige overgangen, met name, lijken geforceerd, niet dwingend genoeg. Waarom haalt Sebald er opeens Casanova bij? En hoe komt de verteller, via zijn bemiddelaar Austerlitz, in godsnaam in Marienbad terecht? Om daar wat te doen?


En toch, zei Věra, zo vervolgde Austerlitz, was Maximilian geenszins van mening dat het Duitse volk het ongeluk in gejaagd was; volgens hem had het zichzelf fundamenteel opnieuw geschapen en deze perverse vorm aangenomen vanuit ieders persoonlijk verlangen en de gevoelens die in de gezinnen werden gekoesterd, en vervolgens had het de nazibonzen, die Maximilian zonder uitzondering warhoofden en luilakken vond, voortgebracht als symbolische exponenten van de eigen innerlijke roerselen.

W.G. Sebald, Austerlitz (2001; vertaald (2003) door Ria van Hengel), 191



woensdag 22 maart 2023

gisteren 80

230321

▲ Onze ex-weerman Frank Deboosere laat weten dat hij, nu hij met pensioen is, misschien tijd zal hebben om eens naar Parijs te gaan. Daar is hij namelijk nog nooit geweest. Hij zegt ook niet te zullen schnabbelen bij de commerciële zender. ‘Ik wil niet werken voor een commerciële zender,’ is zijn enige uitleg hierbij. En hij geeft toe, nog steeds in hetzelfde interview, dat hij te laat de ernst van de klimaatverandering juist heeft ingeschat.


Tenslotte zetten wij bijna alle beslissende stappen in ons leven vanuit een onduidelijke innerlijke drijfveer.

W.G. Sebald, Austerlitz (2001; vertaald (2003) door Ria van Hengel), 152-154

zaterdag 18 maart 2023

notitie 371

EEN WANDELING


‘Dag Pascal, enige tijd gelegen had je het op je blog kort over een vrouw die Papyrus van Irene Vallejo aan het lezen was. Wist je dat er in dat boek een mooie bespiegeling staat over het door jou zo geliefde Austerlitz van W.G. Sebald en bij uitbreiding zijn hele werk?’ Zo vraagt een – virtuele – vriend me via Messenger. Neen, dat wist ik niet. Ik heb ooit in de boekhandel dat boek van Vallejo ter hand genomen, maar kon toen aan de verleiding weerstaan. Nu heb ik, na eerst op de website te hebben geverifieerd of het werk daar in de collectie is opgenomen en aanwezig is, een mooie bestemming voor mijn namiddagwandeling: de stadsbibliotheek. Dank u, Dirk S.!

Nog voor ik daar ben aangekomen, heb ik met drie mensen van vlees en bloed gesproken in wier reële levens ik anders vandaag niet onverwacht zou zijn opgedoken.

Mijn buurvrouw Charlotte is de eerste. Omdat ik vandaag nog niet naar beneden ben gegaan, leeg ik eerst en vooral mijn postbus. Blijkbaar is er weer een vervanger aan het werk want van de vier poststukken zijn er drie verkeerd bezorgd. Een van de bestemmelingen woont in het blok naast het mijne. En daar woont ook Charlotte. Zoals zo vaak is zij ook nu weer in haar keuken bezig. Ik zwaai met de brief, zo van: zie mij hier nu eens facteur spelen. Charlotte opent haar raam en we zijn vertrokken voor een praatje over de neergang van het postbedrijf.

De tweede persoon die ik zie, is X. Hij heeft iets voor mij weten te regelen – iets waarop ik om privacyredenen op dit publieke forum niet kan ingaan. Maar hartverwarmend is onze ontmoeting wel.

In de Sint-Jacobsstraat zie ik Joke Boudens. ‘Dag mevrouw Boudens.’ Ze kijkt verrast op. Ik ken Joke niet heel goed, eigenlijk zelfs helemaal niet. Daarom ook spreek ik haar met ‘mevrouw’ aan. Zij is de oudere zus van Kristoffel, die in mijn zogenaamde ‘echte’ leven wél regelmatig opduikt, en dat al vele decennia. Maar ik weet wel waarmee Joke zich bezighoudt. Ik weet dat zelfs vrij goed want zij maakt – op Facebook – de vruchten van haar arbeid openbaar en ik kan daar telkens alleen maar met aan verstomming grenzende verbazing naar kijken. Joke, telg van een kalligrafen- en letterkunstenaarsgeslacht, vervaardigt met ultrafijne stiftjes en vaste hand, en vooral met engelengeduld, uitermate precieze, merkwaardig minutieuze, ultrarealistische tekeningen, vaak zijn het patronen, heel vaak ook zijn er teksten in verweven. Ik vraag haar hoe zij dat in godsnaam voor elkaar krijgt. In het antwoord hoor ik gedrevenheid en enthousiasme. Ik toon hier, niet na haar daar eerst de toestemming voor te hebben gevraagd, een voorbeeld van die tekeningen, een waarop een terugkeer naar huis het onderwerp is.

En dan kom ik in de bibliotheek, waar ik, geholpen door het namenregister achterin het boek, vrij vlug in Papyrus de mij door Dirk S. gesignaleerde passage over Austerlitz aantref. Ik trek mij met het boek terug in de leeszaal waaruit, zoals ik opmerk, sinds de laatste keer dat ik er ben geweest de steekkastkasten zijn verdwenen. Vallejo focust op een passage in een boekhandel – niet vreemd voor een boek dat over boeken gaat: Austerlitz wordt in een door uitbaatster Penelope (!) Peaceful door een gesprek op de radio die daar speelt naar zijn verleden teruggekatapulteerd, naar zijn Ithaca. Daar en dan eindigt zijn zelfopgezochte teruggetrokken bestaan, zijn quarantaine; daar en dan kan hij aan de zoektocht naar zijn identiteit beginnen.

Alvorens naar huis terug te keren, loop ik toch nog even boekhandel Raaklijn binnen. Ik koop niets, maar krijg van Cécile, de Penelope van dienst, toch, ik veronderstel omdat ik een trouwe, om niet te zeggen vaste klant ben, het boekenweekgeschenk mee: De eerlijke vinder van mijn Facebookcontact Lize Spit. Je vindt wat je niet hebt gezocht. Ik bedank Cécile en zeg haar nog dat zij, Spit bedoel ik, niet mijn beste vriendin is, maar dat ik haar gebaar, dat van Cécile dus, toch wel apprecieer.

Cécile heeft dezelfde voornaam als wijlen mijn moeder.

Dit is mijn wereld: bits and bites, vlees en bloed, papier en woorden, toeval en noodzaak. Associëren en dan altijd met iets wat er voorheen niet was terugkeren naar huis.



http://www.jokeboudenslettering.com/


donderdag 22 december 2022

notitie 331

DECORBOUW

Op 23 juni 1944 bezoekt een gemengde delegatie van het Geneefse Rode Kruis en Deense functionarissen Theresienstadt. Daar worden op dat moment vele duizenden joden in erbarmelijke omstandigheden vastgehouden, in afwachting van hun transport naar een vernietigingskamp. Dat laatste mag uiteraard niet geweten zijn. Daarom besloten de nazi’s voorafgaand aan het onafwendbaar geworden inspectiebezoek dat het kamp een metamorfose moest ondergaan. Met de hun kenmerkende grondigheid lieten zij alles opkuisen en decors bouwen. 7.500 niet meer toonbare gevangenen werden al preventief afgevoerd. De meeste anderen moesten meespelen in wat niet anders dan een groots opgezet en strikt geregisseerd spektakel kan worden genoemd. De figuranten wisten wat hun boven het hoofd hing als ze zich daar niet toe zouden lenen. De Verschönerungsaktion werd een groot succes. De inspecteurs lieten zich misleiden en konden voorlopig verder hun kop in het zand steken. Zij zouden pas na de oorlog vernemen wat Theresienstadt in werkelijkheid was.

In twee onderling sterk verschillende boeken tref ik een relaas aan over dit historisch feit. G.L. Durlacher heeft met ‘De illusionisten’, opgenomen in Strepen aan de hemel, in eerste instantie geen literaire bedoelingen – maar zijn essay heeft wel literaire kwaliteit. Durlacher heeft de gigantische en groteske opsmukoperatie als vijftienjarige jongen zelf meegemaakt. Wat hij schrijft is derhalve een ooggetuigenverslag, veertig jaar na de feiten opgetekend. De ik die dit vertelt is dezelfde ik die de hele operatie veertig jaar eerder als kind heeft meegemaakt. Dat is een indrukwekkend gegeven.

Ik had al eerder met het door Durlacher behandelde historisch feit kennisgemaakt. In Austerlitz vertelt W.G. Sebald het vanuit een andere invalshoek: het hoofdpersonage Austerlitz zoekt naar sporen van zijn door Theresienstadt opgeslokte moeder. Ook zij was als figurant-tegen-wil-en-dank betrokken bij de misleiding van de Deens-Zwitserse delegatie. Sebalds relaas past in een bij uitstek literaire constructie – maar de feiten die hij behandelt zijn daarom niet minder reëel.

De nazi’s vonden hun hele opsmukoperatie zo geslaagd dat ze na het bezoek van de inspecteurs nog een tweede keer profijt wilden halen van de inspanning, dit keer om een propagandafilm te maken waarmee ze ten aanzien van de buitenwereld ten overvloede duidelijk zouden maken dat deze zich geen zorgen hoefde te maken over de manier waarop de joden in Theresienstadt werden opgevangen en over het lot dat hun daar wachtte.

Durlacher spreekt in koele bewoordingen over deze film. ‘Bijna veertig jaar na deze cynische komedie’ (62) kwam hij in het bezit van een videocassette met een kopie van de enige veertien minuten van de film die door toedoen van ‘een weldenkende cameraman in Praag’ (63) bewaard waren gebleven. Hij bekijkt deze ‘leugens op celluloid’ (63) en merkt, puttend uit zijn eigen geheugen, droogjes op: ‘De lange rijen hongerigen, bedelenden en zieken, de vervuilde en overvolle slaapruimten, de lijkwagens volgestouwd met kartonnen dozen, getrokken door oude gekromde mannen, de gendarmes en SS’ers, maar vooral de veewagons voor de transporten naar het Oosten, bleven onzichtbaar.’ (62-63) Met die veewagons werden niet zo lang na het draaien van de film de meeste figuranten afgevoerd die nu nog kunnen worden gezien op wat overblijft van Der Führer schenkt den Juden eine Stadt – zoals de film met typische nazi-ironie werd genoemd.

Het boek waarin Durlacher dit historisch feit beschrijft, verscheen in 1985. W.G. Sebald laat zijn protagonist halfweg de jaren negentig een kopie van diezelfde film zoeken. Austerlitz weet dat er ‘na het eind van de oorlog in de door de Britten bezette zone een kopie schijnt gevonden te zijn’ (275). Na veel speurwerk kan hij, ‘via het Bondsarchief in Berlijn’ (276), de hand leggen op deze kopie. Op een van de beelden meent hij – ‘bijna niet te onderscheiden van de zwarte schaduw eromheen’ (282) – zijn moeder te herkennen: ‘Ze draagt, zei Austerlitz, een halsketting van drie fijne bogen die nauwelijks afsteekt tegen haar donkere, hooggesloten jurk, en een witte bloem opzij in haar haar.’ (282)

 


Twee bladzijden verderop blijkt dat Austerlitz zich heeft vergist: de vrouw die hij in de film heeft gezien is niet zijn moeder. Maar de emoties die hij heeft ervaren bij het zien van het beeld van de vrouw met de donkere jurk en de witte bloem in haar haar waren wél echt.

Enkele seconden verderop in de film zien we diezelfde vrouw met de witte bloem in haar haar nog eens, zij het nu vanuit een andere gezichtshoek. Dit keer komt zij duidelijker in beeld, meer in het licht gevat. Men zou het vreemd kunnen vinden dat Sebald niet dit beeld gebruikt. Maar het is niet vreemd: hij verkiest doelbewust de schemering boven het klare daglicht. Het tanende gezichtsvermogen van veel van zijn personages en het halfduister van veel van zijn taferelen, alsook de vaak onscherpe foto’s die hij als illustraties gebruikt, helpen hem om de uitbeelding van het onweerstaanbare zich terugtrekken van de geschiedenis scherp in beeld te brengen. In die zin moeten we begrijpen wat Austerlitz bekijkt: ‘beelden, die in zekere zin al verdwenen terwijl ze verschenen’. (277)

 


 

G.L. Durlacher, ‘De illusionisten’ in: Strepen aan de hemel (1985), in: Verzameld werk (1997)
W.G. Sebald, Austerlitz (2003), Nederlandse vertaling door Ria van Hengel van Austerlitz (2001)
Der Führer schenkt den Juden eine Stadt: https://www.youtube.com/watch?v=P9V6d2Y1WjE&t=643s

vrijdag 1 juli 2022

notitie 230

(220628)

INTRUSIE

Ik zat met X. en een fles wijn met twee glazen aan een picknickbank in mijn park tegenover de deur wat bij te praten. We hadden allebei net een biografie achter de kiezen, ik die van Sebald en hij van Philip Roth, en daar was wel een en ander over te zeggen. Over het probleem van privacy, bijvoorbeeld, en hoe schrijvers daarmee omgaan. Zo stelt Carole Angier afkeurend vast dat W.G. Sebald het verhaal voor zijn meesterwerk Austerlitz ‘gestolen’ heeft van een zekere Susi Bechhöfer, die wat Sebald toeschrijft aan de fictieve protagonist van zijn verhaal zelf heeft opgetekend als haar eigen, werkelijk beleefd verhaal. Sebald had haar boek gelezen, had geen toelating gevraagd om het te gebruiken, en had Susi Bechhöfer achteraf ook niet op de hoogte gesteld. Zij moest het viavia vernemen en had niet meer de tijd om er een zaak van te maken want Sebald overleed een paar maanden na de publicatie van zijn boek, dat dus eigenlijk het hare was. Of toch voor een groot deel. X. vertelde uit zijn biografie over het eerste huwelijk van Philip Roth, dat dat eigenlijk het gevolg was van een door zijn vrouw voorgewende zwangerschap: de bekende ei-in-de-korftactiek.

Enfin, wij zaten daar rustig te keuvelen over interessante onderwerpen, of wat wij toch interessante onderwerpen vinden, toen er van achter de haag een man van een jaar of dertig opdook, duidelijk onder de invloed (maar van wat?), of dan toch minstens zwaar aangeslagen. Dat hij ons gezellig had horen praten en dat hij alleen op de wereld was en dat zijn vriendin vijf dagen geleden was overleden aan de gevolgen van borstkanker en een operatie aan haar…, enfin, jeweetwel, haar ‘baarkanker’. Dat was het woord dat hij gebruikte. De moederhals viel er even van tussenuit. De man lalde ook nog dat er niemand was en dat hij eenzaam was. Ja, dat woord gebruikte hij: ‘Ik ben totaal eenzaam.’

Dilemma. Wat moest er gebeuren? Ik had er, eerlijk toegegeven, geen zin in. En X. ook niet. Maar ja, wat moet je. Ik zat met mijn rug naar de man, dus dat was gemakkelijk. Laf liet ik X. het woord voeren. Hij zei wat ik graag wilde dat hij zei. ‘We zijn hier eventjes rustig aan het praten,’ zei hij. ‘We zouden dat gesprek liever ongestoord voortzetten.’

De man werd dus afgewezen. Ik hoorde hem iets grommen, iets weinig vriendelijks, maar hij drong niet aan en ging terug op zijn bankje zitten achter de haag. Ik zei X. dat ik blij was dat hij de man had afgescheept: onze avond zou er helemaal anders hebben uitgezien met zo’n lastpak aan onze tafel. Er zou niet veel anders dan gelal en geklaag zijn uitgekomen en wat zouden wij, en ook hij, daaraan hebben gehad?

Maar we voelden ons allebei belabberd. En schuldig. Ik dacht aan de bedelaars in Brussel die mij ook altijd een ongemakkelijk gevoel bezorgen. En X. zei ook dat hij er zich niet goed bij voelde. Ik stelde nog voor om er de man alsnog bij te halen, maar X. zei dat hij al naar de uitgang van het park aan het waggelen was. Er viel een stilte. En na die aarzeling namen we de draad van ons gesprek terug op. Het duurde even voor we het hele voorval vergeten waren.

woensdag 15 juni 2022

afscheid van mijn digitaal bestaan 242

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

4 mei 2010

De manier waarop we Theresienstadt binnenrijden, klopt helemaal met wat Sebald daarover in Austerlitz schreef: opeens, zonder dat je het hebt gemerkt, ben je opgenomen in de vestingstad, die je nauwelijks hebt zien naderen en waarvan de omwalling verzonken lijkt in het omringende grauwe, vlakke, nogal uitdrukkingloze landschap. We parkeren de auto tegenover het – niet door Sebald vermelde – Park Hotel en wandelen een eerste rechte straat in, in de richting waar we het centrale plein vermoeden. 

(…)


Terug op het plein worden wij aangeklampt door een man die niet bepaald een riante eerste indruk achterlaat. Slecht gekleed, enigszins waggelend of mankend of een combinatie van die twee, druk gesticulerend en een onverstaanbaar Duits brabbelend. Hij heeft in ons toeristen herkend, de soort waar hij op jaagt. Zou het kunnen? Zou het kunnen dat dit de man is die ook Sebald vermeldt, en wel als een van de eerste mensen die hij in de lege stad aantreft? Wanneer de man zijn hand uitsteekt, het universele bedelgebaar, dringt het tot mij door dat dit wellicht het geval is. Het is de specialiteit van deze man, daar leeft hij van: vreemdelingen aanspreken, een soort van verwelkoming, het aanbod van informatie maar dan op een zodanige manier dat je hem liever een aalmoes toestopt om snel van hem af te zijn. Ik heb de man ternauwernood een stuk van 20 kronen in de hand geduwd (Sebald deed een briefje van 100) of hij onderbreekt zijn betoog, schijnbaar in het midden van een zin, steekt zijn hand op, waarvan de gespreide vingers, zoals ik later op de foto zie, mooi rijmen met de kale takken van de gesnoeide linden, en wendt de steven naar het koppel slenterende en snuffelende en zich door middel van ándere details en ándere omissies een beeld van de stad vormende toeristen dat enkele minuten eerder het plein heeft betreden en dat hij, het kan niet anders, met het hem kenmerkende, door jaren van ervaring gevormde levensinstinct, of overlevingsinstinct, al in een ooghoek moet hebben opgevangen.

De Antik Bazar is er niet meer, maar er zijn wel andere etalages – er is in elk geval veel meer economische activiteit, al zou het adjectief ‘bruisend’ zeker misplaatst zijn, dan het relaas van Sebald doet vermoeden. In een van de etalages staat een knalrode racemoto, in een ander een Amerikaanse jeep. Een kruidenierswinkel is ontruimd – maar daarin verschil Theresienstadt niet van de meeste dorpen en steden op het Europese vasteland waar de elementaire distributie van voedsel naar anonieme dozen in de rand van de woonkernen is verhuisd, wat, zo denk ik toch af en toe wel eens, voor heel wat oudere mensen toch niet anders dan een enorm en dagelijks opnieuw te overwinnen probleem kan vormen. In de etalage van een brocantezaak ligt naast een typemachine een verroeste Duitse Stahlhelm. Er zijn ook flacons van duidelijk militaire herkomst. Op een karretje staat het beeldje van een ijsbeer. Hiervan, overweeg ik, van dit overduidelijke geval van treurigmakende dislocatie, zou Sebald vast en zeker iets moois hebben weten te maken, iets wat met de voor hem zo typerende dwingende retorische kracht een gevoel zou aanbrengen dat zich endemisch over de hele site en het hele relaas zou verspreiden en uiteindelijk een belangrijke rol zou spelen in de overtuigingskracht waarmee datgene waarover het hier, in deze stad, natuurlijk echt gaat, de recente geschiedenis van dit onzalige oord, zou worden gecommuniceerd. Ja, misschien, dat is niet ondenkbaar, zou Sebald van het ijsbeertje het voertuig hebben gemaakt, de mascotte bijna, al klinkt dat hier wellicht te oneerbiedig, van de diepe wanhoop die wordt veroorzaakt door het besef dat het leed en de pijn van de tienduizenden die in deze vreselijke garnizoensstad het slachtoffer zijn geworden van het rigoureuze en extreem cynisch doorgevoerde exterminatiebeleid van de uniformdragende nazi’s totaal onvoorstelbaar is geworden. De literaire constructie is daartoe wellicht nog een van de meest efficiënte strategieën – en dat is misschien een van de essentiële kwaliteiten van een meesterwerk als Austerlitz: dat het duidelijk maakt dat enkel in de fictionalisering (de details, de omissies) de waarheid recht wordt aangedaan.

 


 

dinsdag 1 februari 2022

vrouwelijke auteurs op mijn leeslijst

Ik moet het met u hebben over de aanwezigheid van vrouwelijke auteurs op mijn leeslijst.

Ik hoor wel eens zeggen dat we in verwarrende tijden leven, of in verwarde tijden, en dan probeert het nuchtere deel in mezelf te sussen: ah, het loopt zo’n vaart niet, wees blij dat je geen pest of Beeldenstorm moet meemaken, of een wereldoorlog. Maar een drietal weken geleden haalde de stem in mij die van oordeel is dat het glas halfleeg is en dat we inderdaad in onzekere tijden leven, de bovenhand.

Dat ging zo.

Ik plaats al vele jaren bij het begin van elk nieuw jaar een lijst van door mij het voorbije jaar gelezen boeken op mijn blog. Op die manier maak ik een aantal data betreffende mijn persoonlijke voorkeuren wereldkundig. Sommigen zullen zeggen dat ik mijn privacy te grabbel gooi.

De lijst in kwestie bevat niet álle door mij gelezen boeken, enkel de ‘boeken die er om de een of andere reden voor mij toe doen’. Ik maak die lijst niet op om op te scheppen, maar wel om de volgende twee redenen.

Ten eerste is het een manier om mijn eigen lectuurgeschiedenis te archiveren.

Ten tweede – en dat is de belangrijkste reden – denk ik hiermee enkele mensen wat leessuggesties aan de hand te kunnen doen. Inderdaad zijn er een paar mensen die mij in hun reactie te kennen geven dat ze zich voornemen enkele van de door mij genoemde boeken te zúllen lezen. Daar ben ik blij mee. Ik klop mezelf op de borst en zeg: ‘Pascal, je hebt aan leesbevordering gedaan.’ En dat zonder subsidie

Dit keer kreeg ik ook een afwijkende reactie – en het was deze reactie die mij de aanloop van deze beschouwing opleverde: dat we in verwarrende tijden leven.

De reactie kwam van Herman Jacobs, een door mij in zeer grote mate gewaardeerde ex-collega. Jacobs was ooit boekenredacteur en recensent bij Knack en De Morgen, en is nu, voor zover ik daar zicht op heb, zelfstandig tekstverwerker.

Welnu, deze Herman Jacobs wees me op wat hij ‘één dingetje’ noemde: dat er in mijn lijst opvallend weinig vrouwelijke auteurs waren opgenomen.

Deze reactie zette mij aan het denken. De resultaten van dat denken wil ik nu met jullie delen.

Laat mij beginnen met een statistische wet.

Wanneer je een enigszins willekeurig samengestelde lijst hebt met daarin enkele tientallen dames en heren (of gelijk welk duo van soorten, bijvoorbeeld appels en peren, koetjes en kalfjes, vijven en zessen), is het onwaarschijnlijk dat beide soorten in precies even groten getale aanwezig zijn. Tenzij natuurlijk het werkelijk zo uitgemeten is dat de aantallen moeten kloppen, bijvoorbeeld bij de voorbereiding van een heteroseksueel geïnspireerde dansavond voor koppels. We vergeten dit soms omdat we zo gefixeerd zijn geraakt op evenwichten en gelijkheid. We moeten aanvaarden dat de stukken van een in parten gesneden taart nooit exact even groot kunnen zijn (en er is altijd wel een gelukzak die met het suikeren kindeke Jezus of het chocolade visitekaartje van de patissier of de ingebakken boon gaat lopen).

Aangenomen dus dat een zekere óngelijkheid in de verdeling vergeeflijk is, luidt nu de vraag: vanaf wanneer is een verdeling opvallend ongelijk of, met andere woorden, in disproportionele mate disproportioneel? En vervolgens: moeten er aan een vastgestelde opvallende ongelijkheid conclusies worden verbonden? Toegepast op mijn leeslijst met een disproportioneel mannelijk overwicht zou de vraag kunnen luiden: is de samensteller van de lijst misschien bevooroordeeld, eventueel zelfs vrouwonvriendelijk? Of – godbetert! – misogyn of seksistisch?

In deze woke tijden is dit een kwestie die we wakker onder ogen moeten zien.

Ik zal jullie hier nu met een paar cijfers om de oren slaan.

Mijn lijstje van in 2021 gelezen ‘boeken die er om de een of andere reden voor mij toe doen’ telt 61 eenheden. Daarvan zijn slechts 12 ofte nagenoeg 20 % door vrouwen geschreven. Of nog anders bekeken: dat lijstje bevat 44 verschillende auteurs, waaronder 37 mannen en 7 vrouwen, afgerond 19 %. Vergeef me indien ik mij bij deze telling niet altijd en overal heb vergewist van eventuele fluïditeiten of trans-ingrepen, terwijl om sociologische redenen ook gefoefel met voornamen mogelijk is, zoals we weten uit de literatuurgeschiedenis in het bijzonder en de kunstgeschiedenis in het algemeen. George Eliot is allicht een van de bekendste voorbeelden.

Mijn Facebookcollega Herman Jacobs heeft gelijk. 20 procent is een verhouding die afwijkt van de algemene demografie. Het is algemeen geweten dat iets meer dan de helft van de wereldbevolking uit vrouwen bestaat. Een aandeel van 20 procent vrouwelijke auteurs is te gering.

Door nieuwsgierigheid gedreven graaf ik eens in mijn archief en kom daar tot enkele onrustbarende bevindingen. Het kost me wat opzoek- en telwerk, dat bovendien belachelijk en/of ijdel of pretentieus kan overkomen, maar ik offer mijn imago met zelfverachting op aan de wetenschap. Er zijn er die hun leven veil hadden voor het verwerven van kennis – ik denk spontaan aan Marie Curie.

De resultaten op basis van cijfers die teruggaan tot 2013 zijn veelzeggend. Ik tel 30 door vrouwen geschreven boeken ‘die er voor mij op de een of andere manier toe doen’ op een totaal van 338. Dat is 8,87 %.

Ik heb nog een andere benadering om deze kwestie te kwantificeren.

Dertien jaar lang heb ik een leesclub begeleid. Die leesclub bestond – zoals dat met leesclubs meestal het geval is – vooral uit vrouwen. Ik gaf hun inspraak in de samenstelling van ons leesprogramma. Van de 165 boeken die ik in die tijd heb behandeld, waren slechts 20 titels door vrouwen geschreven. 12 procent.

Maar het kan nog erger. Ik heb thuis een ‘bovenste plank’ met mijn lievelingsboeken. Daar is het resultaat nog bedroevender: met boeken van Rachel Cusk, Annie Ernaux, Charlotte Mutsaers, Olga Tocarkzuk en Marguerite Yourcenar zijn op een totaal van 75 auteurs slechts 5 vrouwen vertegenwoordigd. 6,6 procent.

Deze cijfers spreken voor zich. Natuurlijk had ik dit onevenwicht al eerder opgemerkt, maar ik had er mij nog nooit zorgen over gemaakt. Daar ben ik niet wakker genoeg voor, waarschijnlijk.

Ik laat nu de openbare aanklager aan het woord met zijn requisitoir. Ik stel voor dat we daarna luisteren naar de verdediging van de beklaagde.

Herman Jacobs merkte op dat er ‘betrekkelijk weinig vrouwen in [mijn] kast staan’. Hij zegt dat het een ‘stokpaardje’ is van hem. Ik laat hem even aan het woord: ‘de wezenlijkste articulatie van de menselijke ervaring ligt (beweer ik) in het man- dan wel vrouw-zijn. En dus let ik, om mezelf de helft van die menselijke ervaring niet te ontzeggen, er zelf heel erg, en heel bewust, op dat minstens een derde, en liever nog 40-45%, van wat ik lees een vrouwelijke auteur heeft. De ervaring leert me trouwens dat je anders (het geldt trouwens bijna net zo sterk voor lezeressen) “vanzelf” op 80 à 90 procent mannen uitkomt.’

Ik ben het voor wat betreft twee zaken volmondig met Herman Jacobs eens: de ‘wezenlijkste articulatie’ en het ‘vanzelf’ op 80 à 90 procent mannen uitkomen. Dat cijfer komt merkwaardig goed overeen met mijn tellingen. Maar ik ga mezelf niet opleggen voor ‘minstens een derde’ werk van vrouwelijke auteurs te lezen. Laat staan voor 45 %. (Waarom trouwens die minieme toegeving? Echt consequent zou 50 % zijn, of zelfs 55 %, ter compensatie van de eeuwenlange discriminatie die maakte dat vrouwelijke auteurs zeer lang in de minderheid zijn geweest.) Ik ben niet van plan een dergelijke toegeving te doen en daarom luidt mijn verdediging als volgt:

‘Ik bewaar voor mezelf de vrijheid dat criterium op geen enkele manier te laten meespelen in de samenstelling van mijn lectuurlijst. En dat geldt voor alle andere mogelijke criteria die van mij een politiek correctere lezer zouden maken. Er staan dus ook niet doelbewust speciaal méér boeken in van gekleurde of niet- of minder-gekleurde personen, anders of enigszins bijzonder geaarde personen, joodse of niet-joodse personen, enzovoort. Het enige waardoor ik mijn lectuurlijst laat beïnvloeden is mijn persoonlijke voorkeur, mijn leesgeschiedenis, mijn belangstelling (allemaal van een witte blanke boomer dus) en hét toeval, dat godzijdank nog altijd blind is voor alle mogelijke politiek correcte onderscheiden!’

Daarmee blijft echter een onderliggende vraag onbeantwoord: als ik mijn lectuurlijst door mijn persoonlijke voorkeur laat bepalen, en dus niet door een politiek correct denken opgelegd quotum, lijken mijn cijfers te suggereren dat vrouwen minder goede literatuur voortbrengen dan mannen. Althans volgens mijn literaire smaak en opvattingen.

Schrijven vrouwen echt slechtere boeken dan mannen? Dat wil ik niet gezegd hebben! Maar misschien schrijven ze ánders? Anders dan mijn voorkeur het wil, bedoel ik. En misschien interesseert dat ‘ándere’ mij niet zo?

Ik denk inderdaad dat (de meeste) vrouwen ‘ándere’ boeken schrijven.

Neem het thriller- en misdaadgenre. Daarin blinken veel vrouwen uit. Opvallend veel. Patricia Highsmith, Agatha Christie, Elizabeth George – om er maar enkele te noemen: dat zijn allemaal hoogvliegers. Maar ik ben niet geïnteresseerd in het misdaadgenre. Omdat vrouwelijke auteurs het domineren? Natuurlijk niet. Hoe belachelijk zou dat zijn. Neen, gewoon, omdat het genre me niet interesseert.

Veel vrouwen schrijven ook over wat sommigen al dan niet denigrerend ‘vrouwenzaken’ noemen. Dat lijkt bijvoorbeeld de Nederlandse schrijfster Anna Enquist te suggereren, iets waaraan een andere Nederlandse schrijfster, Christine Otten, zich dan weer stoort in een column van haar – ik denk dat het in de Volkskrant was. Volgens Enquist zouden vrouwen zich in hun literatuur vooral met ‘“kleinere thema’s” en sociale relaties’ bezighouden – wat overigens geen ‘mindere’ literatuur zou opleveren. Enquist, voor de goede orde, is zelf een vrouw en behalve schrijfster van zeer succesvolle romans ook psychoanalytica.

Het lijkt me logisch dat vrouwen hun eigen onderwerpen hebben. Zoals mannen over mannenzaken schrijven. In een wereld waarin het verschil tussen man en vrouw eeuwenlang werd ingebakken – of je dat nu goed vindt of niet – en nog wel een tijdje zal meegaan, al was het maar omdat het biologische verschil onuitwisbaar is, lijkt mij dat de normaalste zaak van de wereld: de literatuur houdt de wereld een spiegel voor.

Uiteraard is het belangrijk voor een man om te weten hoe vrouwen in elkaar zitten (zoals een man ook hoort te weten hoe mannen in elkaar zitten), maar dat hoeft wat mij betreft niet per se door middel van het lezen van boeken, zoals Jacobs suggereert. Er bestaan minder omslachtige manieren om de kloof tussen de geslachten te peilen. Als Herman Jacobs dat argument wil laten meespelen in de samenstelling van zijn leeslijst, dan is dat zijn volste recht. Strikt genomen heb ik daar geen zaken mee, tot hij natuurlijk opmerkingen in die zin maakt over míjn leeslijst.

Ik ben minder geïnteresseerd in vrouwen- dan in mannenzaken. Ja, ik durf dat nog zeggen! Maar ik ben wél geïnteresseerd in goede literatuur. En dat heeft niets te maken met de sekse van de auteur. Noch met het geslacht van de lezer.

Overigens, er zijn toch vast ook wel veel vrouwen die vooral mannelijke auteurs lezen – staat bij hen dan ook 'de wezenlijkste articulatie van hun menselijke ervaring' onder druk? En wat met trans en cis en fluïde?

Ach neen, ik zal vooral lezen wat mij interesseert – zolang dat nog mag en mogelijk is. Ik laat (verwachte en/of verhoopte) literaire kwaliteit primeren op het in literair opzicht secundaire kenmerk (hoe belangrijk op zichzelf ook) van het geslacht van de schrijver.

Daarmee komen we op een belangrijk punt: wat versta ik onder literaire kwaliteit? En tot de vraag waar beide kwesties samenkomen: verklaren mijn verwachtingen ten aanzien van literaire kwaliteit de ondervertegenwoordiging van vrouwelijke auteurs op mijn leeslijst?

Voor een antwoord op de eerste vraag grijp ik terug naar een tekst die ik in 2015 schreef naar aanleiding van mijn afscheid als leesclubbegeleider. In die tekst vraag ik mij af waarom wij ons aan de tijdrovende, om niet te zeggen tijdverslindende activiteit van het romans lezen overgeven. Ik overloop een aantal mogelijke antwoorden: omwille van het verhaal; omwille van de identificatie met personages; omwille van de context; omdat romans ons leren hoe wij moeten leven; omdat ik de tijd die ik in het lezen van de roman investeer niet werkelijk hoef te leven; omdat lezen statusverhogend is; omwille van de stijl; omwille van het genot.

In het kort gezegd komen de argumentaties die ik bij elk van deze redenen ontwikkel hierop neer.

Wie enkel omwille van het verhaal romans leest, verliest zijn tijd.

Wie enkel herkenning in de personages zoekt, verliest belangrijkere kwaliteiten van de roman uit het oog.

De context in een roman kan interessant zijn, maar wellicht kan wie vooral daarin geïnteresseerd is beter non-fictie lezen.

Zelden gebeurt het dat een roman ons leert hoe we moeten leven.

Escapisme verklaart niet alles – en al zeker niet waarom we de pijn die goede romans kunnen opleveren niet uit de weg gaan.

Status? Iedereen voelt aan dat snobisme geen afdoende verklaring kan zijn.

Blijven over: stijl en genot.

Meestal wanneer wij zeggen dat wij een goede roman hebben gelezen, komen wij niet verder dan de vaststelling dat hij ‘goed geschreven’ is. ‘Vlot geschreven!’ ‘Leest als een trein!’ Een ‘pageturner’! Wat bedoelen we daarmee? Wat betekent dat, ‘goed geschreven’?

We hebben het dan over de stijl van de auteur. Wat is stijl?

Stijl – dat is toch mijn overtuiging – heeft, ook in een bredere zin, met onvermogen te maken. Met hoe we met dat onvermogen omgaan. Ik citeer mezelf: ‘Woorden schieten altijd te kort, elke omschrijving is ontoereikend. Stijl is dan de manier waarop de schrijver met deze ontoereikendheid omgaat. Met stijl bindt hij een strik rond zijn onvermogen om de mensen, de dingen, de situaties, de landschappen, de psychologie van zijn personages en de ideeën die hij uiteenzet perfect en adequaat weer te geven.’ Woorden schieten altijd tekort om de werkelijkheid, die veel ruimer en complexer is, weer te geven. De schrijver (romanschrijver en a fortiori de dichter) moet verdichten. (Dat verklaart waarom we in onze ontoereikende pogingen om uit te leggen waarom we een boek goed vonden vaak ook zeggen dat de schrijver ‘poëtisch’ schrijft.) In dit verdichten laat elke schrijver zijn eigen stem klinken. (Of haar eigen stem, uiteraard!) De grootste schrijvers hebben een unieke stem. In hun romans weegt de eigen stijl, de vorm, minstens even zwaar door als de inhoud (het verhaal, de context, de personages…). Preciezer geformuleerd: in het werk van de grootste schrijvers gaat het om het juiste evenwicht tussen vorm en inhoud.

Een beeldend citaat kan misschien verduidelijken wat ik bedoel. In 2012 had Alessandro Baricco een column in La Repubblica. Elke week schreef hij over een boek dat er voor hem toe deed. In zijn bijdrage over de roman 2666 van Roberto Bolaño staat een passage die goed illustreert waar het hier om gaat. Op een gegeven ogenblik zegt Baricco dat het in 2666 helemaal niet, of toch niet in de eerste plaats om ‘het verhaal’ te doen is. Het lijvige boek bestaat eigenlijk uit vijf romans, en die vijf romans zijn een kluwen van verhalen. ‘[H]et kolkte schaamteloos van de verhalen’, schrijft Baricco. En waar het eigenlijk om gaat, is: ‘het rangschikken van de verhalen naast elkaar, of in elkaar, met een zachtaardigheid die in het echte leven niet voorkomt’ (206-207). En dan maakt Baricco een zeer verhelderende vergelijking, namelijk met iemand die een puzzel van tweeduizend stukken aan het leggen is en die wordt gevraagd wat het voorstelt of wat het zàl voorstellen, ‘Een Zwitsers gebergte of een Rembrandt?’ De romanlezer-slash-puzzellegger kan dan antwoorden: ‘Ik weet het niet, het maakt niet uit.’ Baricco preciseert: ‘Het is het moeiteloze, soepele in elkaar passen van de stukjes waar het om gaat: het is de redeloze belofte, die ook wordt nagekomen, dat er voor elk stukje van het bestaan weer andere stukjes zijn, speciaal gemaakt om daarbij te passen, en wel met een soepelheid die omgekeerd in verhouding staat tot de moeite die het heeft gekost om ze te vinden in de grote hoop van het geheel’. (207)

Dat voor wat de literaire kwaliteit betreft. Nu moet ik met betrekking tot de vrouwenkwestie uit de kast komen en kleur bekennen. Ik lees en apprecieer opmerkelijk veel minder vrouwelijke auteurs. Zou het echt kunnen dat zij minder literaire kwaliteit te bieden hebben?

Nu moeten jullie mij geloven dat ik besef dat ik mij hier op zeer, zeer glad ijs begeef. En dat ik aarzel om mijn conclusies te trekken. Erg woke is het allemaal niet wat ik over deze kwestie te zeggen heb. Maar ik probeer uit te gaan van mijn feitelijke, statistisch vaststelbare persoonlijke lectuurgegevens en daarover luidop na te denken in de hoop dat een confrontatie met de bedenkingen hierbij mij tot nuancering kan bewegen indien dat zou nodig zijn.

Ik had het over hoe literaire kwaliteit volgens mij te maken heeft met een evenwicht tussen vorm (stijl) en inhoud. Ik moet daar eerst nog wat nader op ingaan.

Ik had het in dat verband over de eigen stem van de schrijver (m/v). Deze stem – waarmee de inhoud van het boek wordt ‘uitgesproken’ – laat van zich horen op twee niveaus.

Er is ten eerste het microniveau van de woordkeuze, de zinnen, het ritme, de muzikaliteit. Sommige schrijvers hebben een eigen, uit de duizend herkenbare stem. Ik denk aan Elsschot, Céline, Mutsaers, Reve, Kafka, Auster, Marías, Woolf.

Het tweede niveau is dat van het geheel, de constructie van de roman. Ook op dit macroniveau kan de eigen stem van de auteur zich manifesteren. Ik denk aan de frivole opsommingen en puzzels van Georges Perec (bijvoorbeeld in Het leven een gebruiksaanwijzing); aan de uitzichtloze, schijnbaar onbewogen weergegeven pogingen om ergens te geraken in Het slot van Franz Kafka; aan het motievenorgel van Jeroen Brouwers in De zondvloed; aan Gustave Flauberts persiflage van de flutromannetjes van de romantische school in Madame Bovary; aan de speelse associaties met woord en beeld van Charlotte Mutsaers in Zeepijn…

Idealiter sluit deze constructievorm perfect aan bij de inhoud, illustreert en versterkt hij deze zelfs. De drie beste voorbeelden hiervan die ik ken zijn meteen ook drie van de volgens mij allerbeste romans. In De zondvloed maakt Jeroen Brouwers zijn stelling – ‘er is niets dat niet aan iets anders raakt’ – meer dan waar met de constructie van zijn boek. In Alsof het voorbij is (The Sense of an Ending) laat Julian Barnes de tijd in zijn eigen staart bijten. Wanneer je aan het eind bent gekomen is het beste wat je kunt doen: meteen opnieuw beginnen. En dat in een roman die precies gaat over het niet kunnen terugdraaien van de tijd. En in Austerlitz ten slotte slaagt W.G. Sebald er op weergaloze wijze in om een perfecte samenhang tussen vorm en inhoud te verwezenlijken door aan zijn roman dezelfde architecturale structuur op te leggen als die van de beklemmende gebouwen waar hij het voortdurend over heeft.

Ik schreef over dit samengaan van vorm en inhoud in mijn tekst van 2015 dit: ‘Stijl laat zich ook gelden in de manier waarop de schrijver zijn constructie, zijn bouwwerk, opzet. De romanschrijver is niet alleen een dichter en zanger, op het niveau van de zinnen, hij is ook een componist, of een architect, op het niveau van de gehele roman. Bij dit componeren of bouwen spelen vele technieken een rol: de omgang met de tijd (chronologie, flashbacks, etcetera...), het vermogen om te associëren en verbanden te leggen, om op zoek te gaan naar verwantschappen, enzovoort. In het beste geval moet de vorm noodzakelijkheid vertonen. Idealiter zou het zo moeten zijn dat, gegeven een bepaalde inhoud, het niet anders kán dan dat het boek op die welbepaalde manier is geconstrueerd. Vorm en inhoud horen verweven te zijn. Zoals de inhoud een bepaalde vorm noodzakelijk maakt, zo illustreert en bekrachtigt de vorm de inhoud.’

Voilà, dat is wat ik nog over literaire kwaliteit moest zeggen. En nu, eindelijk, de vrouwenkwestie, het gladde ijs. Ik stap op de dichtgevroren vijver en schuif voetje voor voetje verder totdat het ijs begint te kraken.

Ik maak – en zal altijd maken – een onderscheid tussen de mannelijke en de vrouwelijke blik. Die uit zich niet alleen in het gewone leven (met alle vreugden maar ook narigheden van dien) maar ook in zowel het lezen als het schrijven. Welnu, jongetjes spelen nog altijd liever met de blokken en meisjes met de poppen. Daar is op zich niets mis mee. Het is geen waardeoordeel, het is een vaststelling. Mannen zijn bouwers. Ze trekken constructies op. Ze leggen verbanden. Je hebt ook bij architecten, kunstschilders, componisten en dirigenten een niet tot sociale of economische beperkingen en historische discriminaties te herleiden disproportionele verhouding tussen mannen en vrouwen.

Ik zoek in romans niet alleen inhoud en stijl op het microniveau, maar ook constructies en congruenties op het macroniveau. En dus lees ik het liefst boeken die door mannen zijn geschreven, of door vrouwen die een uitzondering vormen op de door Anna Enquist bevestigde regel, namelijk dat vrouwelijke auteurs zich vooral bezighouden met de ‘“kleinere thema’s” en sociale relaties’.

Ik weet dat dit een ouderwetse opvatting is en dat ik velen ermee op stang jaag – maar echt, een andere welvoeglijke verklaring voor de wanverhouding tussen mannen en vrouwen in mijn bibliotheek, leesgedrag en literaire voorkeuren weet ik niet te vinden.

En nu keer ik snel terug naar de veilige oever van de dichtgevroren vijver.

Er zijn wel degelijk uitzonderingen bij de vrouwelijke auteurs, dat weet ik wel, en ze komen, naarmate het sociologisch en economisch onderscheid tussen mannen en vrouwen vager wordt steeds vaker voor, heb ik de indruk. Het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke literatuur lijkt de jongste decennia snel te verkleinen. Ik zie steeds vaker vrouwelijke auteurs (Olga Tokarczuk, Siri Hustvedt, Niña Weijers, Ali Smith – dat zijn maar enkele van de voorbeelden die ik ken) die experimenteren met wat ik hier het macroniveau van de vorm noem.

Ik moet hier nog een paar extra-literaire verklaringsmodellen aan toevoegen voor het feit dat vrouwen anders schrijven dan mannen en in het algemeen zeer lange tijd veel minder aan bod kwamen in de literaire canons en dat dit nu aan het veranderen is.

Er is een biologische factor, een psychologische factor en een economische factor.

Eerst de biologische factor. Vrouwen menstrueren en baren. Dat lijkt een banale, om niet te zeggen grove en mogelijk zelfs politiek incorrecte vaststelling. Maar het is wel een gegeven dat hen meer dan mannen weghoudt van de schrijftafel. Alleen al het feit dat zij twee tot drie dagen per maand fysiek gehinderd worden in hun intellectuele activiteit, maakt dat zij benadeeld zijn in het perfectioneren van hun talent. Als ze kinderen krijgen, gaat het zelfs over weken en maanden en loopt de achterstand nog veel verder op. Gelukkig zijn er tegenwoordig middelen om deze biologische ongelijkheid te verkleinen. Vrouwen krijgen ook veel minder kinderen. Vrouwelijke auteurs kunnen zich met andere woorden steeds meer aan het schrijven wijden, ja, zij kunnen ook het krijgen van kinderen tot na de lancering van hun literaire carrière uitstellen.

Ook de psychologische factor moet ik hier zeker vermelden. Ik hoorde de onverdachte bron Anna Enquist erover bezig in een recente aflevering van Berg en Dal. Zij haalde de feministische schrijfster Camille Paglia aan, die in Het seksuele masker opperde dat er – en ik citeer – net zomin als er een vrouwelijke Jack The Ripper bestaat, ook geen vrouwelijke Mozart kan opstaan. Anna Enquist zegt: mannen zijn agressiever en daadkrachtiger, ze hebben meer geldingsdrang. Ze worden ook nog altijd zo opgevoed. Dit sluit aan bij wat ik ooit eens bij George Steiner las – maar dat is een verklaringsmodel dat in onze tijd bijna niet meer uitspreekbaar is: de vrouw verwerkelijkt haar basisbehoefte aan creativiteit in het baren van kinderen en houdt dus minder van die behoefte over voor het creëren van literatuur (en van kunst in het algemeen).

Ten slotte is er nog een economische factor die ik zeker moet vermelden, en wel een die zorgt voor een kentering in de verhouding tussen de seksen in de literatuur. Uitgeverijen zijn tegenwoordig niet langer culturele instellingen die een rol spelen in de bewaking van de literaire ontwikkeling maar wel in de eerste plaats – om niet te zeggen uitsluitend – door economische imperatieven gedreven bedrijven. Zij publiceren met andere woorden niet per se louter en alleen datgene wat zij kwalitatief het meest hoogstaand achten maar wel datgene waarvan zij denken dat het de grootste winsten zal genereren. Dit heeft zeker een impact op de verhouding tussen mannelijke en vrouwelijke auteurs in de hedendaagse uitgeefpraktijk, zeker in een leesomgeving waar – zoals alle onderzoeken bevestigen – fictie veel meer door vrouwen dan door mannen wordt geconsumeerd.

Tot slot heb ik nog een uitsmijter.

Ik keer nog even terug naar Alessandro Baricco. Zijn boek, Een bepaald idee van de wereld, bestaat uit vijftig hoofdstukjes over vijftig verschillende boeken uit diverse genres. Het is nu natuurlijk verleidelijk om eens te turven hoe het bij Baricco zit met de verhouding tussen de seksen. Welnu: van de vijftig boeken die Baricco heeft gerecenseerd hebben er tien een vrouwelijke auteur. Dat is, inderdaad, 20 procent.

Ik besef dat ik met deze uiteenzetting het risico loop mij aan uw banbliksems bloot te stellen. Wees genadig! Maar: blijf vooral lezen wat u zelf graag leest! Onderzoek uw leesgedrag! Sla ook eens aan het tellen op uw boekenplanken en in uw lijstjes. En breng mij dan op de hoogte van de conclusies van uw onderzoek.