Poëticaal
Talrijk zijn de poëticale
notities in het dagboek. Op 16 januari 1980 neemt Nolens zich voor gebalder en
kariger en in elk geval minder barok te dichten. Hij wil ‘(h)arde, koude gedichten’
(31 januari 1980) schrijven. Maar het blijft een moeilijke evenwichtsoefening:
‘ik begin te beseffen dat een eenvoudig woordgebruik en een eenvoudige syntaxis
de complexiteit van de zegging niet uitsluiten – en complexiteit, gelaagdheid,
blijf ik een van de belangrijkste voorwaarden vinden van een tekst’ (24 juli
1980).
Het gesofisticeerde en
experimentele is in elk geval minder tijdloos en meer aan modes onderhevig.
‘Wat onvertaalbaar is, wordt op den duur ook onleesbaar. Cryptische dichters die
vandaag nog gewaardeerd worden om hun zogenaamde nieuwheid, verliezen zoveel
jaar later het verrassingseffect dat ons nu heel even doet opkijken.’ (21
september 1995)
Nolens kiest voor classicisme,
‘met alle zwakheden en met heel de gewoonheid van versleten woorden en een
gangbare zinsbouw’ (id.). Maar hij kiest niet voor aangenaamheid, niet voor
‘”leuke”, “prettig leesbare”, “mooi afgeronde”, “esthetisch verantwoorde”’
gedichten. ‘Een goed gedicht moet onder andere irriteren, bijten, als een zuur,
als een hond.’ (9 september 1981) En op 26 juni 1983 schrijft Nolens, die het
dichten vaak met koken vergelijkt en die op meerdere plaatsen in zijn dagboek
hamert op de muzikaliteit van goede poëzie, deze niet-dwingende
receptuur/partituur voor het goede gedicht: ‘Assonantie, dissonantie,
rijmtechniek, alliteratie, metrum, ritme: zoveel mogelijkheden om te komen tot
een quasi homonymisch geheel, een welluidende totaliteit, een muzikaal beeld,
een godgelijke samenklank waarbinnen zich zoveel mogelijk betekenissen hebben
verzameld, samengetrokken tot een sprekende streng.’
Dat muziek een essentieel
onderdeel is van goede poëzie blijkt onder meer bij het vertalen. Nolens
vertaalde onder meer Pavese en naar aanleiding daarvan noteert hij: ‘De
grootste moeilijkheid bij het vertalen van Lavorare
stanca was niet zozeer de verstaanbaarheid van de tekst of het vinden van
de geschikte woorden en zinswendingen. Moeilijk en boeiend was vooral het
transponeren van de Pavesiaanse muziek.’ (29 juli 1984)
Hoe dan ook gaat het ook om een
juist evenwicht tussen vorm en inhoud. Op 12 oktober 1987 blikt Nolens terug op
zijn poëzie. ‘Van Incantatie tot en
met Geboortebewijs is de idee, de
boodschap, de vent duidelijker op de voorgrond getreden, en daaronder lijdt de
prosodie van het gedicht. Nu moet je het woord en zijn betekenis, de vlag en de
lading vollediger met elkaar verzoenen.’ Uiteraard is het een wisselwerking. De
inhoud heeft vorm nodig, en de vorm genereert inhoud. ‘Door rijm, metrum,
ritme, strofische opbouw, door de retorische middelen zelf word je gedwongen je
vertrouwde denkpatronen uit handen te geven (…).’ (10 januari 1988) Dit hoort
zo onnadrukkelijk mogelijk te gebeuren: ‘het prosodische aanzicht van het
gedicht moet onzichtbaar worden om het gedicht te laten klinken’ (11 januari
1988).