![]() |
| Zeebrugge - 240406 |
donderdag 9 mei 2024
20 * 70,1 * 26,1 * 1065,0
afscheid van mijn digitaal bestaan 353
voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen
1 januari 2014
VEERTIEN
Twee connotaties die aan het getal veertien verbonden zijn: Johan Cruijff en de Eerste Wereldoorlog.
In de tijd dat Johan Cruijff als een generaal over het middenveld heerste, was het nog niet gebruikelijk om met rugnummers tot diep in de dertig of veertig (of zelfs nog meer) te spelen. Nu krijgt elke speler van een ploeg het hele jaar door zijn eigen nummer opgespeld, ook als hij de vierendertigste onterecht aangekochte loonslaaf uit een of ander ‘achterlijk’ Afrika is – maar in de jaren zeventig werden de nummers verdeeld naargelang van de plaats die de speler – vaker dan nu dezelfde speler – op het veld innam. De keeper speelde altijd met het nummer 1, ook als hij de reservekeeper was; de backs met de daaropvolgende nummers; ergens in het midden liepen de spelverdelers 6 en 7 (bij Club waren dat een tijd Julien Cools en René Vandereycken); voorin liepen de 9 (Lotte Lambert) en de 11 (Ulrich Lefevre); de 10 was de vrije spits, meestal een kleiner uitgevallen, wendbaar mannetje (Marc Degryse). Dat was overzichtelijk, dat was gemakkelijk. Cruijff was zo outstanding dat hij zichzelf het recht voorbehield een nummer hoger dan 11 (het aantal spelers van een ploeg) te dragen. Vandaag zouden wij dat een geniale marketingtruc noemen. Cruijff was altijd de 14 – in die mate zelfs dat nooit een andere speler, ook niet van andere ploegen, het waagde dat nummer op te eisen.
En dan de Eerste Wereldoorlog. Die moet dit jaar herdacht en – laat ons alvast maar dát cliché uit de kast halen – dat zullen we geweten hebben. We zullen het in die mate geweten hebben dat we het nu al meer dan genoeg weten. Want inderdaad: de herdenking van ‘De Groote Oorlog’ (die dubbele O is, evengoed als de 14 van Cruijff, een typografische marketingtruc, genre 2BE, U2, 4U, de @ of # in alle mogelijke afkortingen en samentrekkingen) is nu al volop bezig – ze zijn er namelijk al in 13 mee gestart! Bang om in de overkill te belanden – overkill is hier wel een benarde woordkeuze, moet het gezegd? – zijn de talrijke initiatiefnemers vroeg genoeg van wal gestoken. Of het nu om televisiedocumentaires gaat of om pientere romanciers die, vooruitziend genoeg om vooral niet in het peloton aan het jaar te beginnen, nu al hun pièce de résistance op het lezend publiek loslaten. Het is al duidelijk dat we op een indigestie van herdenkingen afstevenen. Nog vóór het eigenlijke herdenkingsjaar hoort te beginnen – die oorlog van 14-18 begon maar in augustus – zullen we dat hele herdenken al in die mate beu zijn dat we nauwelijks nog zullen luisteren of kijken als het er echt om zal gaan. Ja, de mediamoeheid treedt nu al in. En dan heb ik het nog niet over de gêne, het ongemak, de ergernis, de verontwaardiging die mogelijk zijn bij het schaamteloos uitmelken van het vreselijke, door geen enkele documentaire of herdenking of roman te evoceren leed van die vele honderdduizenden die in de blubber ten onder zijn gegaan en wier leed ten eeuwigen dage anoniem, hemeltergend en absurd zal blijven. Ook bij de tweehonderdste verjaardag.
woensdag 8 mei 2024
dinsdag 7 mei 2024
driekleur 553
Roodborstjes, vinken, blauwe gaaien, goudmerels, zwartvleugeltangaren, kraaien, mussen, winterkoninkjes, rode kardinalen, zwarte merels en af en toe een blauwe lijster.
Paul Auster, Bericht vanuit het innerlijk, 14
afscheid van mijn digitaal bestaan 352
voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen
Ik maak een paar optelsommen in mijn huishoudboek voor het voorbije jaar. De resultaten zijn toch opzienbarend. Naast alles wat noodzakelijk is en waarop enkel zou kunnen worden beknibbeld door rigoureus de broeksriem aan te halen, gaat *** op in drank en *** in geschenken, schenkingen, traktaties en attenties. Aan boeken besteedde ik het afgelopen jaar bijna 800 euro. Dit alles samen is ongeveer *** euro voor niet-noodzakelijke uitgaven, ofte de marge waarin zou kunnen worden bespaard. Roken doe ik niet en dure hobby’s houd ik er niet op na. Voor mij geen alpinisme met een Havanna na.
Dat van mijn boekenbudget vertelde ik deze namiddag aan J. van boekhandel Raaklijn. (Ik moest daar zijn, had ik mezelf wijsgemaakt, om de bonnen te verzilveren die ik van de Biekorfleesclub en van N. had gekregen – en die dus geen spoor zullen nalaten in mijn budget). J. fronste de wenkbrauwen. Poeh, achthonderd? Slechts? Ik had een klant, hij is helaas dit jaar overleden, die hier niet buiten ging met minder dan 800 euro aan boeken! Per bezoek! De laatste jaren moest ik, omdat hij zelf niet meer hier geraakte, bij hem thuis leveren, en dat was telkens voor meer dan 1.000 euro, soms zelfs voor enkele duizendén euro! Hij kocht alles van L’Univers des Formes, Zodiaque, Pléiade… Helemaal op het laatst, toen hij ook uit zijn stoel niet meer kon, beval hij zijn dienster: ‘Reik me eens het laatste dagboekdeel van Julien Green aan, oui, le volume intitulé “Ce qui reste de jour”.’ Hij was Franstalig. Of hij zei: ‘Lieverd, kun je me eens Les Mémoires d’outre-tombe van Chateaubriand geven, ik moet dringend een passage opzoeken.’ En dan begon dat meisje te zoeken op min of meer de plek waar die man met bevende hand naar wees, en en passant stofte ze met de plumeau die ze altijd bij zich had nog vlug even de plank af.
Ik vroeg J. hoe het die man zijn bibliotheek is vergaan. Boeken zijn maar iets waard als reeks, antwoordde J.. Maar de erfgenamen zijn eerst tot de verdeling overgegaan! Elk naar zijn heug. Gevolg: geen enkele reeks is nog volledig en dus is de hele bibliotheek nagenoeg waardeloos geworden.
Een waardevolle maar voor mij nutteloze les. Nutteloos niet omdat ik nooit sterven zal, maar omdat ik geen reeksen verzamel.
maandag 6 mei 2024
afscheid van mijn digitaal bestaan 351
voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen
Ik breng deze kerstdag alleen door. Een beetje treurig is dat, maar ik heb anderzijds geen gedonder aan m’n kop en kan de hele dag besteden aan wat ik graag doe. Schrijven in dit dagboek is een van de dingen die ik graag doe.
Gisterenavond waren we te gast bij L. Net als vorig jaar. Ik keek om me heen en zag wat de tijd met sommigen onder ons in dat jaar heeft aangericht.
De gesprekken liepen vlot in elkaar over. Het viel me op dat wij elkaar niet genoeg laten uitspreken. Het stoorde me. Midden in een zin, nog voor de pointe is bereikt, zegt iemand iets over het eten, of over een detail in het interieur – en het verhaal dat gaande was, wordt nooit voltooid. Ik heb dan ook de indruk, nu, een half etmaal later, dat er niet echt veel is gezegd, dat veel onuitgesproken is gebleven. Niemand laat op die manier het achterste van zijn tong zien, waar hij of zij echt mee bezig is, wat hem of haar echt raakt.
We hadden het onder meer over de bomen die waren omgewaaid langs de vaart, over het sterk ontwikkeld smaakorgaan van eenden, over co-housing, of je dat nu al dan niet het best met vrienden doet, en over hoe straf de Vlaamse polyfonisten wel niet waren.
De gerechten smaakten voortreffelijk, de wijnen ook. Maar voor koffie waren we te moe. We praatten het nog L. uit zijn hoofd om de afwas tot morgen, vandaag dus, uit te stellen en deden hem allemaal samen. B. vloog erin als een razende Roeland, er lag al vlug een plas op de keukenvloer.
We wensten elkaar goedenacht en gingen uit elkaar en dachten, elk voor zich: misschien tot volgend jaar.
zondag 5 mei 2024
afscheid van mijn digitaal bestaan 350
voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen
29 november 2013
Een mens zou, aan de hand van het televisieprogramma ‘Blokken’ en de vragen die daarin verkeerd worden beantwoord, eens een lijstje moeten aanleggen met bewijzen van de teloorgang van de toch als evident beschikbaar veronderstelbare parate kennis. Maar een mens kan zich maar beter niet laten leiden door zorgen over de kwaliteit van ons onderwijs en door een al te pessimistische kijk op de toestand van onze beschaving – daarvoor is het leven te kort.
Dat echter gisteren een kandidaat niet wist dat de bergketen die zich op de grens tussen Spanje en Frankrijk van Atlantische Oceaan tot Middellandse Zee uitstrekt Pyreneeën heet, en dat vanmiddag allebei de kandidaten dachten dat John Le Carré een Franstalige auteur is: dat moet ik hier toch even kwijt.
Op zich zou ik dat nog niet de moeite van het opschrijven waard hebben gevonden, mocht niet de tweede kandidaat die in John Le Carré niet, in weerwil van diens Frans klinkende naam, de Britse thrillerauteur had herkend, bij de beslissende vraag niet ook nog eens freudiaans zijn uitgeschoven. Els F. uit Erpe-Mere kon niet op de naam komen van de kerel die in Pirates of the Caribbean die opgeschroefde Piet Piraat speelt waar zoveel vrouwen voor vallen – ik bedoel voor de acteur, niet voor de piraat. Johnny Depp was de naam die haar ontsnapte. Het lag op het puntje van haar tong, zoals dat pittige dipsausje waar ze onlangs van proefde, maar ze kon er niet op komen. En daardoor verloor ze het spel. Kijk, dat was nu eens iets wat ik ook niet wist: de exploten van de heer Depp zijn aan mij totaal voorbijgegaan.
Bij het troostpraatje achteraf komt Ben Crabbé, de onvolprezene, op deze onverklaarbare vergeetachtigheid terug: ‘Johnny Depp heeft het jou gelapt!’ ‘Ja,’ zegt Els F. uit Erpe-Mere, zonder dat haar was gevraagd gênante ontboezemingen prijs te geven, ‘vreemd dat ik niet op die naam kon komen want iedereen zegt dat mijn man zo op Johnny Depp gelijkt.’
Waartoe het ontbreken van parate kennis over piraten al niet leiden kan.
zaterdag 4 mei 2024
Salman Rushdie, Mes
notitie 416
GESTOKEN
Op 12 augustus 2022 werd Salman Rushdie in de Amerikaanse stad Chautauqua het slachtoffer van een aanslag. Een religieuze fanaticus bestormde het podium waarop de schrijver op het punt stond een lezing te geven en bracht hem zeer ernstige verwondingen toe. Rushdie overleefde de aanslag miraculeus.
In Mes beschrijft het slachtoffer deze ingrijpende gebeurtenis. Zoals bekend leefde hij al sinds 1989 onder dreiging, toen tegen hem naar aanleiding van de roman De duivelsverzen door de Iraanse religieuze leiders de sindsdien nooit ingetrokken fatwa werd uitgesproken. In zijn autobiografie Joseph Anton ( https://pascaldigital.blogspot.com/2022/09/salman-rushdie-joseph-anton.html ) schrijft hij over de impact die deze veroordeling op zijn leven had. In dat boek overigens schrijft Rushdie voorspellend (ik schreef bijna ‘profetisch’ in plaats van ‘voorspellend’): ‘in het ongunstigste geval zouden de fanatici blijven proberen hem te vermoorden, en als zijn beveiliging eenmaal was opgeheven, zouden ze daarin slagen’. Inderdaad, Rushdie schrijft daar in de derde persoon. Dat leek hem de geschikte vorm voor de memoires van een auteur die noodgedwongen undercover moest leven en vaak een andere naam aannam. Voor Mes daarentegen zou iets anders dan de eerste persoon onmogelijk zijn geweest gezien het rechtstreekse en zeer publieke karakter van de aanval.
Rushdie schreef Mes als een verwerking. Noem het gerust een therapeutisch schrijven, zegt hij ergens zelf. Hij was van plan om, na Victoriestad, de roman die hij in Chautauqua kwam voorstellen, aan een volgend fictieboek te beginnen, maar de aanslag benam hem – bijna letterlijk – het zicht daarop. Het ternauwernood overleven van de zo brutale belaging van zijn integriteit eiste de eerste maanden al zijn aandacht op, en toen het eindelijk zeker was dat de fysieke persoon Rushdie nog enige tijd zou kunnen blijven bestaan, besefte de schrijver Rushdie dat hij aan niets anders kon beginnen vooraleer hij die intrusieve ervaring van zich af had geschreven.
Mes is het resultaat van dit abrupte intermezzo in Rushdie’s schrijfcarrière.
Een belangrijk deel van het boek wordt ingenomen door de gebeurtenis zelf en de lange medische en psychische lijdensweg die erna volgde. Wie al eens een levensbedreigende calamiteit en een acuut verblijf op een intensieve dienst heeft meegemaakt, zal bij heel wat observaties de troost van de herkenning ervaren. Het verlies van een oog en de onherstelbare schade op andere plekken van zijn lichaam mogen dan al bijzonder erg zijn, Rushdie beseft heel goed hoe onnoemelijk veel chance hij heeft gehad. Het prettige gevolg hiervan is dat hij nu in een ingebeelde toespraak voor de rechtbank zijn belager ‘een would-be moordenaar’ kan noemen, ‘en nog een incompetente ook’. (197) Neen, Rushdie laat zich niet verleiden tot een soft vergevingsdiscours à la Johannes Paulus II die, met een camera in de buurt, in de gevangenis de voeten van zijn would-be moordenaar ging wassen. Tot diens grote verbijstering. Rushdie zegt: ‘Ik vergeef je niet. Ik vergeef je ook niet niet. Je bent gewoon irrelevant voor me.’ (197)
Soms bekruipt mij het gevoel dat Rushdie het wel erg graag over zichzelf heeft. (Dat had ik ook bij het lezen van Joseph Anton.) Maar ja, wat hem is overkomen, is bijzonder erg – en hij was al zo’n gedoodverfd doelwit van die mallotige islamisten. Dus, kun je het hem kwalijk nemen? Gelukkig dat hij (a) het leed van anderen niet vergeet te vermelden (slachtoffers van moslimterreur, maar ook vrienden van hem die in dezelfde periode minder chance hebben met medische problemen), en ook dat hij – en dat is misschien waar het boek al evenzeer over gaat – met Mes (b) een formidabele liefdesverklaring aflevert aan zijn geliefde. Hij kent de dertig jaar jongere schrijfster en fotografe Rachel Eliza Griffiths nog maar een jaar of vijf (hun hilarisch verlopen ontmoeting komt ruim aan bod) en het moet gezegd: hoe deze Eliza haar beroemde en geteisterde man bijstaat, dat is ronduit exemplarisch. Zonder haar, zegt Rushdie ergens, had hij het niet gered – en dat klinkt geenszins overdreven of pathetisch.
Gelukkig is dat tegenwicht van het liefdesverhaal er, anders hadden we vooral een medisch relaas gehad en, hoe ingrijpend ook, daarin verschilt het lot van deze man niet van dat van de zeer velen die door een of andere medische hel moeten gaan en daar vaak niet levend of niet goed uitkomen.
Er is nog een tegenwicht, minder omvangrijk in het geheel maar daarom niet minder belangrijk: de houding van Rushdie tegenover datgene wat zijn belager beweegt. Rushdie probeert zich in de psyche van die man te nestelen maar komt daar min of meer van een kale reis van thuis. Hij stelt niet veel woorden meer te willen verspillen aan ‘de discussie die [z]ijn leven had bedorven’, maar dat leidt toch tot enkele mooie bladzijden over tolerantie en fanatisme (183 vv). De atheïst Rushdie zegt te begrijpen dat godsdienst voor veel mensen ‘een moreel anker’ biedt. ‘Ik heb niets tegen religie wanneer ze beperkt blijft tot die privéruimte en niet probeert haar waarden aan anderen op te leggen.’ Daarmee is over deze kwestie het belangrijkste gezegd. En naast dit pleidooi voor tolerantie is er natuurlijk ook nog het belang dat Rushdie hecht aan de vrije meningsuiting naast en in de kunsten.
Mes is een gedetailleerde getuigenis, een ingehouden verdediging van Verlichtingswaarden en een mooie liefdesverklaring.
Salman Rushdie, Joseph Anton (vertaling (2012) door Martine Vosmaer, Els van der Pluijm en Karina van Santen van Joseph Anton (2012))
Salman Rushdie, Mes. Gedachten na een poging tot moord (vertaling door Karina van Santen en Martine Vosmaer van Knife. Meditations After an Attempted Murder (2024))
vrijdag 3 mei 2024
afscheid van mijn digitaal bestaan 349
voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen
ARGWAAN
Het kenmerkt de ouderdom. Oude mensen hebben het vaak, en ze zijn zeer gemakkelijk in die richting te manoeuvreren. Zij geloven niemand nog, vermoeden achter elk woord, achter elke intentie, een complot. Alle politici zijn schurken; het brood dat niet van hun eigen bakker komt, deugt niet; ze willen zich niet laten behandelen door de inspringdokter. Niet te verwonderen: hun leven bestaat op den duur uit niets anders dan een herhaling van steeds dezelfde patronen, handelingen, gewoontes. Zij weigeren het gemakkelijke overzicht van hun dagdagelijkse bestaan, hoe ingesleten, voorspelbaar en saai ook, in te ruilen voor een experiment, een onvoorziene nieuwigheid, een verrassend perspectief. Het enige perspectief waardoor zij zich nog – noodgedwongen – zullen laten verrassen, is dat van de al te voorspelbare dood. Maar dat zijn ze eigenlijk al.
De argwaan van oude mensen – die ook jong kunnen zijn in jaren – is ingegeven door teleurstelling. Maar ook door vermoeidheid en zelfs luiheid. Door verbittering. Argwaan, inderdaad bitter van smaak, berust op gemakzucht die geslotenheid dicteert voor datgene waardoor je op een aangename manier een dimensie, hoe klein ook, aan je leven zou kunnen toevoegen. Argwaan is vrijwillig gekozen verarming. Omdat je er niet echt fier op kunt zijn, op zo’n houding, geef je er een vertaling aan: de klein geworden wereld is dan een groot complot; de mensen hebben het op jou gemunt; je kunt maar beter op je hoede zijn want het gevaar schuilt in een klein hoekje en een ongeluk komt nooit alleen. ‘Dat kunnen ze ons niet meer afpakken’ is een bij argwanende zielen vaak genoteerde oneliner.
Maar eigenlijk ben je dan al zo dood als een pier. Wie zich niet meer wil laten verrassen, had maar beter al kunnen verast zijn, bij manier van spreken met een goedkope woordspeling (die daarenboven enkel in het Nederlands mogelijk is).
De argwaan van oude mensen kan bij mij niet op sympathie rekenen. Ik hoop, ook bij hen, altijd de veerkracht aan te treffen om zichzelf boven hun teleurstellingen uit te tillen. Om zich bij hun eigen haren uit het moeras van de vergeefsheid te trekken. Als ouderen dat kunnen, zeggen we dat ze wijs zijn en inspirerend. Ik begrijp dat het moeilijk wordt om, als de dood nadert, die veerkracht levendig te houden en ik zou het misschien zelf niet beter doen – maar ik neem het mij toch voor. Ik neem mij voor te blijven zeggen: verras mij. Ik neem mij voor te blijven geloven in de goedheid van de mensen die mij omringen. En blij te zijn als mijn kinderen de zondagnamiddag met een taartje langskomen die ze bij een ándere bakker hebben gekocht. Of met een nieuw lief. Of met een nieuw, argeloos kind.
Ik verwacht van mensen, ook van oude mensen, dat ze mij steeds opnieuw verrassen. Dat kunnen ze alleen als ze zelf open blijven staan voor het onverwachte, voor het verrassende en verrijkende.
donderdag 2 mei 2024
notitie 414
OPREKKEN
(a) Weken al duren nu in de Verenigde Staten de vreedzame pro-Palestijnse acties op de universiteiten. Op de VRT werd daar tot nu nauwelijks over bericht. Zoals maanden geleden met geen woord werd gerept over de toch opvallende want door joodse organisaties opgezette protesten tegen het oorlogsgeweld in Gaza, onder meer in het Central Station van New York. Ik kreeg daar toen in elk geval uitsluitend via social media lucht van. Pas nu er geweld te noteren valt op de Amerikaanse campussen lijkt de VRT de protesten niet meer te kunnen verzwijgen. Maar ze doet dat opnieuw op een manier die mijn argwaan wekt. Zo was er in het radioprogramma ‘De Ochtend’ een telefonisch interview met een Vlaamse doctoranda aan de UCLA (Los Angeles): https://radio1.be/luister/select/de-ochtend/gevechten-ontstaan-bij-pro-palestijnse-studentenprotesten-aan-universiteit-van-californie-campus-is-afgesloten. De jongedame mag beschrijven wat ze voelt bij de rellen en wat de impact is op haar werk, maar krijgt niet de kans – omdat de vraag niet wordt gesteld – om uit te leggen wat nochtans gisteren al in De Standaard (https://www.standaard.be/cnt/dmf20240413_94226992) te lezen stond: dat de rellen het gevolg zijn van extremistische joodse knokploegen die eropuit zijn om het vreedzame protest tegen de Israëlische wraakacties in Gaza uit elkaar te slaan, en dat ondertussen de politie opvallend lang afzijdig blijft.
(b) Afzijdig blijven deed, bij ons, de politie zeer opvallend niet toen enkele maanden geleden de organisatie Code Rood vreedzaam actie voerde bij de luchthavens van Bierset en Deurne. Deze manifestaties werden op brutale wijze uit elkaar geslagen door de Belgische ordediensten. Je hoeft geen criminoloog of massapsycholoog of kenner van totalitaire regimes te zijn om te weten dat de voornaamste bedoeling hiervan was: intimidatie. Ook hieraan werd op de VRT-Nieuwsdienst geen kritisch woord vuilgemaakt.
(c) Er zijn dubieuze recente ontwikkelingen bij onze openbare omroep. Onder meer met betrekking tot politieke duidingsprogramma’s die op maat van de huidige meerderheid zouden gesneden zijn. De oppositie in het Vlaams Parlement stelt er vragen over en daarbij valt het woord ‘regimepers’. Toch niet een term die men in dat gremium onbedachtzaam in de mond zal nemen. (https://www.vlaamsparlement.be/nl/parlementair-werk/plenaire-vergaderingen/1823481/verslag/1825156 – voorlopig document)
Het verband tussen (a) en (b) is duidelijk. Intimidatie. Hogere machten beschermen hun belangen door middel van institutioneel geweld. Ook tussen (a) en (b) enerzijds en (c) anderzijds is er een verband: het tekortschieten van de VRT-Nieuwsredactie.
De feiten (a), (b) en (c) – samen met nog vele andere want deze drie zijn maar een willekeurige greep – doen mij denken dat we stilaan in een prefascistoïde klimaat verzeild geraken waarin we worden gemanipuleerd en waarin men duidelijk aan het aftasten is hoever onze onverschilligheid en apathie kunnen worden opgerekt.
woensdag 1 mei 2024
18 * 51,5 * 25,3 * 942,2
Sint-Kruis - Moerkerke - Sint-Rita - Middelburg (B) - Aardenburg - Sluis - Hoeke - Oostkerke - Dudzele
Ingrid Vander Veken, Zwijgen
notitie 414
ZWIJGEN
Het duurt minstens een generatie vooraleer geheimen aan het licht komen, vooraleer het zwijgen kan worden doorbroken. Ingrid Vander Veken beschrijft in de ‘roman’ (voorplat) Zwijgen hoe dat in zijn werk kan gaan. Hoe dat in haar geval in zijn werk is gegaan want Zwijgen is een autobiografische roman. ‘t Is te zeggen: Ingrid Vander Veken heeft het niet over zichzelf maar vooral over haar ouders en grootouders. Zeer nadrukkelijk is zijzelf in deze roman afwezig. Weliswaar is zij het die het onderzoek verricht, nog net op tijd enkele vragen weet te stellen aan wie nog in leven is op het moment dat zij eindelijk tot het besef is gekomen hoe belangrijk en exemplarisch haar voorgeschiedenis is, en dan uiteindelijk de verhaallijnen mooi samenbrengt. Maar door zichzelf met de tweede persoon in het boek te laten opdraven, geeft zij uiting aan haar voorkeur om zo onnadrukkelijk mogelijk aanwezig te zijn in dit verhaal. Het is niet haar verhaal, maar dat van haar ouders, enkele ooms en tantes, en grootouders. Ingrid Vander Veken is kort na de Tweede Wereldoorlog geboren – zij zoekt de verbanden op tussen de kleine geschiedenis van het gezin waarin zij opgroeide en de grote geschiedenis die, lang nadat alles voorbij leek te zijn, zijn schaduw vooruit blijft werpen. En in die zin is het dan toch ook weer wél haar verhaal.
Ingrid Vander Veken schrijft een geschiedenis van het zwijgen in het gezin waarin zij opgroeide. Er dient veel te worden verzwegen. En dat blijft maar duren, tot het bijna te laat is om dingen goed te maken. Voorzover alles al niet te vastgeroest was in gewoontes en geplogenheden. Men kan ervan uitgaan dat in veel families het zwijgen nooit wordt doorbroken.
Vader was in de collaboratie ‘een kleine garnaal’; moeder had ook haar geheim, maar dan een dat met la tendre guerre te maken had. Het zwijgen van de een hield het zwijgen van de ander min of meer in balans. Tot de kruik barst, maar dan heersen vooral onverschilligheid en overlevingsdrang.
Mooi is hoe Ingrid Vander Veken impliciet een zelfonderzoek inlast: hoe heeft het in godsnaam zolang kunnen duren vooraleer zij de behoefte voelde om voor dat zwijgen, dat op haar hele jeugd een stempel heeft gedrukt, een verklaring te zoeken?
Het resultaat is een mooi en spannend boek. Vander Veken legt met zin voor timing en dosering de puzzelstukken bij elkaar. Zij laat met opvallend groot empathisch vermogen haar personages in hun waardigheid. Zij probeert te begrijpen waarom mensen in hun levens bepaalde keuzes maken. Hoe kon het bijvoorbeeld gebeuren dat de ene broer in de collaboratie verzeild geraakt, en de ander in het verzet? Blijkt dat het toeval bij de grote keuzes van ons leven een schier onduldbaar grote rol speelt. En dan heb je de hardnekkigheid waarmee mensen er niet in slagen om hun foute keuzes toe te geven en tot inkeer te komen.
Enerzijds geeft Ingrid Vander Veken wel aan dat zij het belangrijk vindt om haar geschiedenis nu te vertellen, op een ogenblik (2016) dat extreemrechts net zoals tachtig jaar geleden opnieuw volop salonfähig aan het worden is, maar haar onderzoek heeft toch vooral een psychologische focus.
Ik vind Zwijgen een zeer waardevolle en bovendien – op het soms wat te elliptische na – uitstekend geschreven getuigenis.
Ingrid Vander Veken, Zwijgen (2016)
dinsdag 30 april 2024
Esther Kinsky, Langs de rivier
notitie 413
GRAUWZONE
Er bestaat een term voor de non-descripte tussenzones, de vaak braakliggende, niet in cultuur gebrachte, overtollige stukken grond die verloren liggen tussen autostrades, langs spoorwegen, achter akkers, op de oevers van beken en rivieren – maar ik kan er nu even niet op komen. In de nabijheid van een grote stad vormen deze stukjes vergeten wildernis een voorafname op een natuur die er verderop, wanneer het landschap opnieuw beantwoordt aan de verlangens en behoeften van de mens, die ondertussen zowat alles in cultuur heeft gebracht, niet meer is. Het zijn lappen grond die nergens voor dienen, of het zou voor de sluikstort moeten zijn, of voor clandestiene activiteiten en rendez-vous. Of als onderwerp voor auteurs die in fictie op een onrechtstreekse manier de huidige samenleving – gekenmerkt door haast, productiviteit, rationaliteit, consumentisme, overvloed en eenzaamheid – in kaart willen brengen. Met ‘onrechtstreeks’ bedoel ik, in het geval van Langs de rivier, dat Esther Kinsky als het ware met een zijdelingse blik of ex negativo de wereld beschrijft, door de focus te richten op de achterkant, de verlorenheid, het onbeschrijfbare. Of, juister: op datgene wat ‘normaal gezien’ niet de moeite van het beschrijven waard wordt geacht.De ik-figuur in Langs de rivier heeft veel tijd. Ze maakt wandelingen, liefst in dergelijke tussenzones. Het gebied dat ze verkent ligt voornamelijk langs de River Lea, een stroompje dat uitmondt in de Theems, net voor deze veel grotere en bredere rivier in Het Kanaal uitmondt. Bij uitbreiding is het deze eenzaam dwalende wandelaarster te doen om dat hele estuarium, maar ook, via flashbacks, om herinneringen die te maken hebben met andere rivieren die een rol hebben gespeeld in haar leven: de Rijn, de Po, de Gironde, de Oder…
Langs de rivier gaat vooral over het natte, nevelige, onbestemde, grauwe randgebied waar de grootstad Londen overgaat in de aanpalende marshes. Het is een gebied met vervallen industrie, struikgewas, onkruid, afval dat in het water meedrijft of in de gewassen blijft haken, een ondoorgrondelijk wegennet, desolate spoorwegen, melkwit zonlicht en veel nevel en regen. Af en toe komt onze wandelaarster een mens tegen: een zwijgzame visser, een toeschietelijke verkoopster van ik-weet-niet-wat, en, vlakbij de eenvoudige woonst die ze betrekt, personen met keppeltjes en slaapkrullen, een Kroatische handelaar in afdankertjes, en nog een paar anderen. Er zijn ook enkele zonderlingen, bijvoorbeeld een bizarre man die de ik-figuur ‘de koning’ noemt omwille van de ondoorgrondelijke hiëratische poses die hij alleen voor zichzelf en de kraaien in een park aanneemt.
Langs de rivier biedt weinig verhaal. Zelfs helemaal geen, eigenlijk, of het zou moeten zijn dat we helemaal op het eind vernemen dat de ik-figuur haar van de vorige verhuizing nog niet uitgepakte verhuisdozen en schaarse bezittingen naar een volgende woonplaats laat brengen, dit keer ergens in Oost-Europa. Het is Kinsky veel meer om het ritme te doen, de taal, de sfeer vooral. Daarin lijkt ze me zeer verwant met W.G. Sebald, die vooral in De ringen van Saturnus een gelijkaardige sfeer oproept: een melancholische verlatenheid die op een vreemd-vruchtbare manier gepaard gaat met een gulle nieuwsgierigheid, een bereidheid om de omgeving tot in de kleinste, infiemste details op te nemen. Daarbij weigert de ik-figuur, zowel bij Kinsky als bij Sebald, op een zorgwekkende manier op de voorgrond te treden. Er is iets mis met haar, maar we vernemen niet wat.
Esther Kinsky, Langs de rivier (vertaling door Josephine – what’s in a name – Rijnaarts (2020) van Am Fluss (2014))
maandag 29 april 2024
driekleur 552
Hij wist de geelgekleurde van elkaar te onderscheiden, de rode, de bruinige, de paarszwarte.
Esther Kinsky, Langs de rivier, 355
driekleur 551
Als het slecht weer was, staken ze een zwarte paraplu op en slaakten ze half lachend verschrikte kreetjes wanneer de wind eraan rukte, het ding omklapte of hun lange sjaals erin verstrikt raakten. Soms zag ik ze tussen de gevels van de huizen aan de overkant nog op het perron staan, kleurige silhouetten te midden van gele, rode en bruine baksteen, wachtend op een trein die meestal vertraging had.
Esther Kinsky, Langs de rivier, 351
driekleur 550
Twee zwarte vrouwen met lichtgekleurde sportschoenen en een gestreept jack duiken verschillende keren op. Ze staan vissen te keuren, die van goud lijken onder de rode glans van een luifel, maar in hun keuken geel en dof zullen zijn.
Esther Kinsky, Langs de rivier, 42
driekleur 549
De rozenstruiken zaten vol donkerrode bottels, behalve die waaraan in deze vorstvrije, melkwitte winter nog geel-roze bloemen bloeiden. Tegen de tijd dat de koning zijn opwachting maakte, kleurden de bottels in de opkomende schemering zwart.
Esther Kinsky, Langs de rivier, 13
notitie 412
DOOR DE BOMEN
Het bos niet meer zien. Dat is wat veel stedelingen te vaak doen. Het gevolg is, wanneer zij de stad beu zijn, zij denken daar soelaas te vinden: in een bos.
Dat is zo min of meer de achterliggende gedachte van het VRT-televisieprogramma ‘Door de bomen’: hoe zou het zijn als je een dag of drie haast en stress zou kunnen ontvluchten en volledig digitaal zou kunnen deconnecteren?
In de begingeneriek gaat de fraai vormgegeven titel kunstig schuil achter de kaarsrechte stammen van een dennenbos – quasi integraal een manmade product ten bate van de houtvest, maar daar malen we niet om. Het concept van het programma is zeer eenvoudig: een BV – maar dan wel een van de tweede garnituur, heb ik de indruk, want wie kent Dieter Coppens en Lynn Van Royen, de twee gasten van de eerste twee afleveringen? – een BV dus wordt in een vedettenlimousine van vijftien meter lang naar een boshut gebracht. Waarom dat per se in een limo moet? Wellicht omwille van de sponsoring door een taxibedrijf.
Zei ik boshut? Nu ja, ‘t is een fraai uitgerust bouwsel, met alle noodzakelijke voorzieningen: veel glas voor het uitzicht, een keuken, een slaapkamer, een buitendouche, een drankvoorraad en een muziekinstallatie. En een kat. Die Milket heet, als ik het mij goed herinner. Maar geen gastheer of gastvrouw want het is de bedoeling dat de BV drie etmalen helemaal alleen en van de buitenwereld afgesneden in deze accomodatie en de directe omgeving ervan doorbrengt.
De eerste woorden die Lynn Van Royen uitspreekt, bij het betreden van de limo, zijn: ‘What the fuck!’ Ik weet wel dat de jongedame het niet over de geslachtsdaad heeft, maar bon, echt uitnodigend om haar wat beter te leren kennen is het nu ook niet bepaald. Neen, ik maak geen deel uit van het doelpubliek van ‘Door de bomen’. Ik lees Slavoj Žižek, Thomas Pynchon en De Witte Raaf, luister naar Boulez en Rachmaninov (vooral Rach 3 dan, meer bepaald de tweede beweging, het adagio), en bespreek met vrienden wier exposés ik met evenveel aandacht beluister als zij de mijne de prangende kwesties waaraan het Avondland ten onder aan het gaan is.
Maar hier was mijn aandacht wel getriggerd. Want, geef toe, een onbewoonde boshut met een moddervette, zeer verzorgde en met een gps-nekbandje uitgeruste poes als enige bewoner, dat is toch intrigerend. Wie vult het bakje van de kat als er geen BV’s in de buurt zijn? Wie laat dan de poes op tijd en stond een luchtje scheppen? En wie ledigt de kattenbak?
Milket confronteerde me meteen met het boeiendste aspect van dit programma. Enfin, het enige boeiende aspect want veel hadden de gasten nu ook weer niet te vertellen. Vertellen? Jawel! Hun was opgedragen om tegen zichzelf te praten. Of tegen de kat. Ze mochten vooral niet in zwijgen vervallen. Nochtans is zwijgen wat je vooral geneigd bent te doen, denk ik dan, wanneer je drie dagen alleen midden in een groot bos moet doorbrengen. Maar goed, ik begreep het wel: hoezeer het misschien een verademing zou kunnen zijn, zitten kijken naar een zwijgende BV is nu ook niet meteen voldoende om een televisieavond mee door te brengen.
Ik vond het toch boeiende televisie. Het programma kon alleen maar lukken, zo kreeg ik algauw door, wanneer de kijker vergat dat de in Vlaanderen bekende gast uiteraard begeleid, belicht, geïnstrueerd, gefilmd en bepaalde richtingen uit geduwd moest worden. Zonder dat de persoon, of personen (mv.), die hem respectievelijk haar begeleidde, belichtte, instrueerde, filmde en bepaalde richtingen uitduwde in beeld kwam. De kijker moest in de waan worden gebracht dat de gast daar helemaal alleen was en, inderdaad, tegen zichzelf begon te praten. Een schoolvoorbeeld van suspension of disbelief, als het ware.
Een interessant gegeven maar, neen, het werkte niet. Want welk voordeel of genoegen viel nu te puren uit het veertig minuten zitten kijken naar een persoon die weinig tot niets interessants te melden heeft, die voortdurend aan het juichen en gillen slaat hoe zalig en keitof het in en rond dat boshuis wel niet is, die eigenlijk niet weet hoe hij/zij de zich plots aandienende zee van tijd op een zinvolle manier moet invullen? De aandacht gaat onvermijdelijk uit naar de televisuele kenmerken van het programma. Je kijkt niet naar de inhoud, maar naar de vorm, naar het programma-zijn van het programma. Je kunt niet anders dan een soort van metapositie innemen. En dan is de lol er snel af. Goed geprobeerd van productiehuizen Alverman en De chinezen, denk ik dan in een milde bui, maar ik vrees dat ik afhaak voor een derde aflevering. (Wel denk ik er even over na wat ik zou zeggen indien ik in zo’n programma verzeild zou geraken. Iets over Žižek of Pynchon? (Grapje hoor!))
https://www.vrt.be/vrtmax/a-z/door-de-bomen/





















