dinsdag 9 september 2008

Dag 367 vVH&C

080908 en 080909 – Kunnen lieden die niet vrij zijn van materiële zorgen esthetische ervaringen hebben? In 1910 kon blijkbaar die vraag nog worden gesteld, zo blijkt uit Howards End van E.M. Forster. ‘Zolang [Leonard] zich kon herinneren was er altijd iets geweest dat hem zorgen baarde, altijd iets geweest dat hem afleidde van zijn streven naar schoonheid. Want hij streefde naar schoonheid en daarom wiekten Margarets uitlatingen [over Debussy en Wagner] als vogels van hem weg.’ En toch leest de eenvoudige klerk na zijn geklopte werkuren Ruskins hoogdravende beschouwingen over Venetië, in een goor en veel te duur betaald achterafkamertje: ‘de stem in de gondola voer voort, melodieus kwelend over Inzet en Zelfopoffering, vol edele doelen, vol schoonheid, zelfs vol sympathie en liefde voor de mens, maar tegelijkertijd op de een of andere manier alles missend wat in Leonards leven actueel en dringend was. Want het was de stem van iemand die nooit vuil of hongerig was geweest en wiens voorstelling van vuil en honger onjuist was.’ Deze opmerkingen zijn relevant, en in deze tijd van cultuurspreiding en democratisering van de esthetische beleving (en onafscheidelijk daarmee verbonden: openlijke verkettering van alles wat intellectueel en elitair is) meer dan ooit actueel. Anderzijds: met het verdwijnen van de aristocratie (en haar acedia) lijkt er welhaast niemand nog volledig disponibel voor het Schone, voor zover dat begrip, zoals in de romantische retoriek van Ruskin gepropageerd, wordt begrepen als een alleenzaligmakende manifestatie van een soort perfecte goddelijkheid. Want dát is natuurlijk ook niet meer mogelijk: Schoonheid zelf is allang geen smetteloze nimf meer, Zij heeft veel van Haar pluimen verloren of, beter gezegd, Zij heeft danig Haar gezicht verbrand aan de helse gloed van Passchendale, Verdun en de holocaust, aan het algemeen verspreide mercantilisme en aan het, al dan niet welbegrepen, postmoderne gedachtegoed. Maar misschien ook aan het verdwijnen van klasse, distantie en fine manners.

E.M. Forster, Howards End (Amsterdam 1993; vertaling Eric van Domburg Scipio), 39 en 47

1526 / Sète 2

maandag 8 september 2008

Dag 366 vVH&C

080908 – Overschrijven (99)

Dit is het einde van het tweede millennium. Het is uit met het tweede duizendjarige rijk, het rijk van het christendom, de grote ideologieën en de kunst. Wat volgt is een uit elkaar vallen en tegelijk een overal eender worden: leeg en uiterst vitaal, chaotisch exotisme in een werveling van impulsen, dat biedt de eerste aanblik op het volgende millennium. Het derde millennium zal inzetten met verwarring, opwinding en desoriëntaties – net zoals het vorige.

Stefan Hertmans, Steden (Amsterdam 1992), 147

[Ik hou van die branie, die zin voor het grote gebaar. Een trefzeker en zelfzeker innemen van het grootst mogelijke standpunt.]

Het bestáát (9)

080815 – Op zoek naar een goede plek om in Cahors ons avondmaal te nuttigen (brood, worst, kaas, wijn), lopen we onder de saters door die met hun ‘lelijke’ koppen de dakgoot van de kathedraal stutten.
Op een dam in de Lot staat een man wijdbeens te vissen. Aan de overkant valt de avondzon op de heuvels. Bij de kademuur staat een bank, we nemen plaats en beginnen aan onze maaltijd. Een man komt met twee plastic manden vol lege flessen op de glasbak afgestapt. Hij wenst ons smakelijk eten. We brengen een toast uit en grappen over de flessen: ‘Toch niet alles van vandaag alleen?’ Hij reageert gevat: ‘Ja, en daar ben ik vroeg voor moeten opstaan.’ Wat later zitten we op een caféterras aan een plein met platanen en geparkeerde auto’s. Een man rookt een zelfgedraaide sigaret. Er zit, ruik ik, nog wat anders in dan alleen maar tabak. Wij zijn vriendelijk met hem, hij maakt aanstalten om de sigaret door te geven – wat nu ook weer niet onze bedoeling was. Plots komt de uitbaatster van het café aanstuiven. Ze stuurt de man weg. Hij gehoorzaamt. Hij stapt naar de overkant van de straat, staat daar nog een paar minuten te roken en verdwijnt dan. Wij zien het aan en nippen aan ons glas.

1525 / Sète 1

zondag 7 september 2008

Het bestáát (8)

080815 – Vier dames op de antiekmarkt. Ik wil niet nationalistisch, seksistisch af racistisch overkomen, maar het zijn – ik kan het ook niet helpen – van die dames van wie je onmiddellijk weet: Nederland. En dan heb ik ze nog niet horen spreken! Ze begeven zich zelfbewust, om dat eufemisme te gebruiken, tussen de kraampjes, bekijken hier dit, besnuffelen daar dat – om het dan weer achteloos, en minder ordelijk dan het er aanvankelijk lag, terug tussen de rest van het aanbod te gooien. Kijk, daar staan ze te negotiëren. Een ovalen lijst. Een van de vier wil veertig geven, de marketentster vraagt vijfenveertig. ‘Veertig, geen euro méér’, zegt de Nederlandse vrouw (groot, blond, vooruitstekende tanden). In het Nederlands, elke r een soort van ingehouden rochel. De verkoopster, Franstalig uiteraard want we bevinden ons zeer diep in Frankrijk, begrijpt zeer goed wat er gezegd wordt, maar schudt van neen. Toch doet ze een toegeving: ‘Kom vanavond om zes uur terug. Is die lijst dan nog niet verkocht, dan is hij van u voor veertig euro.’ En superieur grinnikend trekt ze zich terug op haar vouwstoel, waarin ze zich, keurig leesbrilletje op de neus, buigt over een vijf jaar oude Paris Match. De klok van de kerktoren achter ons slaat elf. Het natuurlijke sacherijn van de Hollandse dames neemt nu helemaal de bovenhand. Ze kóken. Ze plegen topoverleg. ‘Wat verbeeldt die zich wel! Heb je die arrogantie gezien! Als ze dan toch bereid is naar veertig euro af te dalen, waarom doet ze het dan nu niet?’ Eentje van de vier probeert alsnog te sussen: ‘Ach, komp het nou echt op die vijf euro an?’ ‘Neen hoor, maar voor mijn kop koop ik dat prul niet – ’t is trouwens maar een stom lijstje!’ Over dat laatste ben ik, die geamuseerd en quasi geïnteresseerd drie meter verder een stapeltje huisvlijt in de vorm van wufte dentellerie sta te inspecteren, het met haar roerend eens.
Een kwartiertje later, ik heb ondertussen een boek in mijn handen gehad met daarin een foto van een enthousiaste menigte die staat te luisteren naar een menner, met in die menigte een grijze muis met schuin over zijn voorhoofd gekamd sluik haar en een minuscuul snorretje onder de neus (‘Bijeenkomst SA, Berlijn 1933’), en, bij een andere bouquiniste, een overzichtsfotoboek over de Romaanse kerken in Frankrijk waaruit een formuliertje viel met daarop de naam van de bestemmeling van het boek (naam niet genoteerd), wellicht een recensent want hij werkte, zo blijkt ook uit het formulier, voor het ‘Maison de la Radio’ – enfin, een kwartiertje later zie ik de vier terug. Die ene (‘voor mijn kop niet’) draagt een plastic tas met daarin, jawel, de ovalen lijst. En het is nog lang geen zes uur!

1524 / Saint-Eulalie 4

zaterdag 6 september 2008

Saint-Eulalie 3

Het bestáát (7)

080814 – De bakkerij aan het vierkante plein van Monségur gaat pas terug open om half vier: we bevinden ons al redelijk ver in het zuiden. Omdat we het middageten vergaten en er tussen de homp brood met confituur van het ontbijt en het avondeten net iets te veel tijd ligt, hadden we een kleinigheidje willen kopen. We drinken in afwachting van het openingsuur een grand café crème op het terras van Café Jazz, op de hoek van dezelfde zijde van het vierkant, onder dezelfde arcade. Het wordt twintig voor vier en nog valt er in de winkel geen beweging te bespeuren. Uit de radio van het café, een jazzzender uiteraard want het is een jazzcafé, weerklinkt een jazzy bewerking van ‘A Hard Day’s Night’. Eindelijk zien we iemand met een baguette voorbijkomen. Onze tijd is gekomen. We betreden de bakkerij en kiezen er een kleine frangipannetaart. De diepgedecolleteerde bakkersvrouw, slaap nog in de ogen, reikt tot diep in haar glazen toonbank. Daarin liggen ook twee grote rechthoekige appeltaarten. Gepersonaliseerd en wel: Bon Anniversaire Cécile staat er met stroop op de ene geschreven. De andere taart is voor André. We vragen of het hier de gewoonte is om bij verjaardagen van die mooie appeltaarten te bakken. Het decolleté is duizelingwekkend. Ja, het is de gewoonte. Ik feliciteer haar, het zijn hele mooie taarten. Ze zal het compliment overmaken aan haar man, hij heeft tenslotte die taarten gebakken. Het is onmogelijk voor een mannenblik om zich niet in die afgrond te verliezen. De bakker ligt vast nog verwikkeld in zijn middagslaapje. Het is een heerlijke frangipanne. We verlaten Monségur met mooie herinneringen.

Het bestáát (6)

080814 – Voor het feest van morgen zijn boven het plein, straalsgewijs van een centrale verlichtingspaal naar de omliggende huizen, mooie witte linten gespannen. Daardoor doet het marktplein van Duras mij aan een merenguetaart denken – maar dat is een dwaze vergelijking. En zie: daar komt een vrachtwagen aan die zijn lading moet lossen bij een van de winkels die ook aan het plein liggen en hij kan niet onder de linten door, ze hangen te laag. Er komt een man die met een uitschuifbare ladder de linten optilt, zodat de vrachtwagen er toch onderdoor kan – als een vrouw die onder de prikkeldraad kruipt die met lange vingers door haar vriend voor haar wordt opgehouden.

1523 / Saint-Eulalie 2

vrijdag 5 september 2008

Het bestáát (5)

080814 – Op het kerkhof rond de kerk van Mauriac heb je, zoals op alle kerkhoven eigenlijk, twee soorten graven: de graven waarop de herinnering nog levendig wordt gehouden en de graven die al in de vergetelheid wegzakken. De herinnering wordt levendig gehouden met plastic bloemen en met stenen bordjes die op de zerken worden geplaatst: Le souvenir est une rose / au parfum secret / que chaque jour on arrose / avec les larmes du regret. De bloemen verwelken niet, maar ze verbleken toch, en rafelen uit. De kunstig vervaardigde stenen bordjes vallen om, barsten, vriezen uit elkaar. De metalen letters in de grafsteen roesten, vallen uit de gaten waarin ze met vijzen zijn bevestigd. De laatste nabestaanden die dit hadden kunnen voorkomen rusten nu zelf onder een steen, de graven van diegenen die zij vele jaren hebben herdacht raken vergeten.

Een van de vergeten graven is dat van een voormalige burgemeester van het plaatsje. Zijn naam heb ik niet genoteerd, maar ik weet wel nog dat hij gestorven is in 1928. Op zijn graf staan al lang geen plastic bloemen of bordjes met belegen verzen meer. Zelfs zijn in de steen gegraveerde naam is al bijna niet meer leesbaar, uitgevlakt door weer en wind.

Het bestáát (4)

080814 – We rijden naar Mauriac, waar ik twee dagen geleden die twee paarden onder hun boom heb zien schuilen, om er de Romaanse kerk te bekijken. In de auto weerklinkt Johnny Cash’ versie van ‘Bridge Over Troubled Water’. Wanneer de stem van Fiona Apple doorkomt en zijn brekende stem, waarin de dood al een aardig tandje bijsteekt, bijtreedt, te hulp snelt, ondersteunt, zoals een jonge vrouw een strompelende oude man zou ondersteunen, schieten de tranen me in de ogen. En ik vervloek de duivel, die in de gedaante van een hyperbewustzijn – een van des duivels favoriete gedaanten – mij doet denken dat ik niet zo sentimenteel moet zijn.

1522 / Saint-Eulalie 1

donderdag 4 september 2008

Het bestáát (3)

080814 – Plots buigt zich over mij een gestalte. Ik was nog maar net in slaap gevallen, eindelijk. Hoelang had ik geslapen? Enkele minuten? Een kwartier? Hoe dan ook, dáárvoor had ik zeker een uur, geplaagd door slapeloosheid en ruggelings uitgestrekt op een van de ligzetels aan het zwembad, naar de sterren liggen kijken. In de verte had een uil zijn nachtelijke strooptocht volbracht. Vleermuisjes waren rakelings over me heen gevlogen – waardoor ik eerst dacht dat die gestalte een grote vleermuis was. Pas daarna was ik een flits lang ervan overtuigd dat het niet anders dan de schaduw van mijn moordenaar kon zijn. Vervolgens liet ik me graag door haar kalmeren.

1521 / Duras 5

woensdag 3 september 2008

Dag 363 vVH&C

080902 – ‘Er gaapt een kloof tussen begrijpen en ervaren.’ Dat schrijft Stefan Hertmans in zijn fenomenale, tien jaar geleden verschenen essaybundel Steden, die ik nu herlees. (Ik was met dat herlezen begonnen omdat ik in de vorige Paasvakantie voor het eerst naar Venetië ging (met 46½ jaar: niks te vroeg) en ik mij meende te herinneren dat Hertmans het ook over die stad had. Maar wat hij over Tübingen schreef, waar we passeerden op weg naar het Brugge van het Zuiden, sprak mij meer aan. ‘Door die bedrukkende zuiverheid is er geen kans meer om te vluchten in een of andere vorm van ironie, je moet stelling nemen: óf ondergaan in de vriendelijkheid van het vergeten, het tot in de dementie toe dagelijks vijftig keer Grüssgot roepen, ganz schön ja […]. Of je moet een zonderling worden, vechten om het evenwicht in jezelf te vrijwaren tegen deze moordende veiligheid, om het hoofd boven water te houden en weerstand te bieden aan het in-zieke van deze zuivere Duitse wereld […].’)

Er gaapt een kloof tussen begrijpen en ervaren – het is een beetje een paradox: schrijven over steden en tegelijk zeggen dat je er eigenlijk moet geweest zijn en het aan den lijve moet hebben ondervonden, om het écht te kunnen begrijpen. Maar het is een eerlijke houding – en het siert Hertmans dat hij vanuit dit zwaktebod er toch in slaagt om niet alleen over steden waar ik, als zijn lezer, al ben geweest zaken te schrijven die ik herken (in het essay over Marseille bijvoorbeeld), maar ook om dusdanig te schrijven dat hij mij ook in essays over steden waar ik nog niet ben geweest en misschien/wellicht/zeer waarschijnlijk nooit zal komen (Wenen, Triëst, Sydney en nog andere) ráákt, gewoon omdat hij, via het schrijven over die steden iets overbrengt dat de condition humaine betreft – en dat daarom ook wie thuis in zijn zetel blijft zitten en, lezendeweg, in zijn kamer reist, aanbelangt. Begrijpen en ervaren, het is een subtiel onderscheid.

Het bestáát (2)

080812 – Twee paarden schuilen voor de regen onder de kruin van de enige boom in hun weide. Ze kijken naar hoe ik voorbijfiets in de bocht die de weg rond hun domein beschrijft. Achter hen, en achter hun boom, ontwaar ik, tweehonderd meter verderop en iets lager, het dorp dat heet zoals een Franse schrijver die ooit de Nobelprijs voor Literatuur won. Een mooi zicht is dat, afgezien van de buitenproportionele, uit betonnen prefab platen opgetrokken nieuwe loods op de voorgrond.

1520 / Duras 4

Duras 3

dinsdag 2 september 2008

Dag 362 vVH&C

080901 – Op weg van Duras naar Miramont-de-Guyenne zien we hoe rechts, in een lagergelegen weide, een kermis wordt opgezet. Het karkas van een carrousel, kriskas geparkeerde auto’s en bestelwagens, een tractor, mensen die aan een lange tafel aanzitten – het is drie uur, blijkbaar een wat uitgelopen middagpauze – en een grote boom, met daarin een spandoek: ‘Fête du grand chêne’. Wat je noemt een bucolisch tafereel. Mag ik niet zomaar aan voorbijrijden, denk ik honderd meter verder. We maken rechtsomkeert en parkeren aan de overkant van de weg: ik wil foto’s maken.

Meteen stelt zich een probleem. Ik neem namelijk een rol op en besef dat ik die moet gaan spelen. De rol van fotograaf, namelijk. Een fotograaf die zich, door een zeker professionalisme voor te wenden en wellicht ook door zijn professioneel ogende apparatuur, mag veroorloven om als het ware in te breken in een soort van privacy. Of een quasi antropologische houding aan te nemen. Door daar aan de kant van de weg te staan fotograferen, zadel ik die mensen op met een pittoresk gehalte – wat ze misschien niet prettig vinden. Ik ben overgeleverd aan de manier waarop ze op mijn demarche reageren.

Er wordt gereageerd. Eerst zwaaien een paar mannen zonder recht te staan. Het is mij niet duidelijk of dat zwaaien niet veeleer een wegwuiven is, een vorm van protest. Ik kadreer haastig en druk een paar keer af. En ik zwaai terug – er van uitgaande dat hun zwaaien vriendelijk bedoeld is. Kijk, daar staat al een van de mannen recht. Nu kan ik niet meer weglopen, dat zou hoogst onbeleefd zijn. De man komt naar me toe, zijn tred is niet wat je noemt vast: hij heeft kennelijk al een paar glazen op. Dat maakt de uitkomst van dit treffen nog onzekerder. Maar ik maak me ten onrechte zorgen. De man is heel vriendelijk, legt me uit wat voor een feest ze aan het voorbereiden zijn, hij nodigt ons zelfs uit. In zijn kielzog een paar kinderen. Ze hebben net een ijsje gekregen. Ik vraag of ik van hen ook een foto mag maken. Dat mag.

Ik weet niet wat het resultaat zal zijn. Vijf of zes kinderen samen op een foto, bekken trekkend: dat moet al een beetje meezitten; ik ben overgeleverd aan het toeval. Maar los daarvan heeft mijn initiatief mij nu al grote voldoening geschonken: door die rol op te nemen heb ik iets kunnen doen wat normaal gezien, bijvoorbeeld door daar als een domme toerist kiekjes te staan maken, niet zou hebben gekund. En ik kon die rol maar opnemen door erin te gelóven. Dat geloof is bevrijdend. Je laat je gewone krampachtigheid los, dúrft iets te ondernemen, en komt uiteindelijk terug met iets wat er anders nooit zou geweest zijn.

Wat is dat iets wat er anders nooit zou geweest zijn?

De herinnering zal pregnant zijn, dat zeker. En misschien komt er ook een foto van die mag gezien zijn. Hoewel ik die niet nodig zal hebben om de herinnering te bewaren. Ik zal mij herinneren: een boom met een banier, een tafel daaronder met vierende mensen, kinderen met ijsjes, de belofte van een feest. Maar ook, en misschien vooral, zal ik mij herinneren dat ik mijn angsten en scrupules opzij heb weten te zetten met een dubbel hoger doel voor ogen: het vastleggen van iets moois - en het bewaren van dit vastleggen. Ook voor wie niet het geluk had hier te passeren.

Het bestáát (1)

080811 - Een Afrikaanse vrouw – ik denk dat ze een tulband op heeft – kijkt, gezeten op een Parijse bus, schuins achterom. Je ziet dat ze de aanwezigheid van de fotograaf voelt.

[De foto maakt deel uit van de installatie ‘Honni soit’ van Jean-Luc Moulène, op de Perec-tentoonstelling in Nantes (nog tot 12 oktober).]

1519 / Duras 2

maandag 1 september 2008

Mijn woordenboek (199)

AFPINGELEN

Ik heb nooit goed begrepen dat er op rommelmarkten kan worden afgepingeld. Of afgedongen. Genegocieerd.

Een vaste prijs voor een goed is een goede prijs, zo lijkt mij – waartoe dient een prijs anders als hij niet vastligt? Dat hebben wij in onze officiële economie toch bekwaam geregeld, nietwaar? Bovendien lijkt de mogelijkheid om af te pingelen een oogluikende erkenning in te houden van het feit dat die hele handel uiteindelijk op niet veel meer dan bedrog is gebaseerd? Want wat doet iemand die iets verkoopt wat hij een tijdje geleden zelf heeft aangekocht voor een, uiteraard, lagere prijs? Hij maakt winst. Maar wat heeft hij daar uiteindelijk voor gedaan? De winstmarge, daar kun je van op aan, zal altijd hoger, of véél hoger, liggen dan de stockerings- en transportkosten. Een groot deel van de winstmarge wordt door de handelaar naar eigen goeddunken vastgelegd. Zijn inspanningen worden, in verhouding, duurder betaald dan bijvoorbeeld die van de armelui die het product hebben vervaardigd. Gelukkig speelt hier de concurrentie een belangrijke corrigerende rol. Concurrentie moet de hebzucht van de handelaar indijken. De handelaar dijkt zijn hebzucht niet in vanuit zijn morele voortreffelijkheid maar gewoon omdat hij, indien hij zijn goeddunken niet onder controle houdt, zichzelf de markt uit prijst. Leve de concurrentie! Ik ben liberaal!

Het is in de te zeer naar eigen believen gestuurde invulling van die marge van de winstmarge dat er ruimte is voor pingelen.

Zo bekeken zijn die officieuze economieën eerlijker dan de officiële, waarin het hoegenaamd not done is af te pingelen. In een officieuze pingeleconomie zegt de handelaar welbeschouwd: ik leg mijn prijs te hoog, ik wéét dat en ik wéét dat u dat weet; ik bied u derhalve de gelegenheid om tot een rechtvaardigere prijs te komen. De relatie tussen de handelaar en de klant, die hier wél nog enigszins aanspraak kan maken op de titel van koning (en niet, zoals bij in een officiële economie, onder het mom van koningschap de zotskap wordt opgezet), wordt gekenmerkt door een stilzwijgende aanvaarding van het bedrog dat aan de basis ligt van elke transactie en is dáárom eerlijk. Wij zijn, in onze officiële economie (en in de officieuze die de officiële economie en haar geplogenheden mimiseert en dus probeert het pingelen in te dijken), veel meer overgeleverd aan allerlei vormen van willekeur.

En daarom bent u, zijn wij, dom als wij op zo’n officieuze markt niet pingelen omdat wij denken dat wij daarmee die arme drommels schade toebrengen. Maar wij trappen in hun pantomime van officieel te zijn waar ze eigenlijk maar officieus zijn. Wij zien over het hoofd dat hun bedrog niet fatsoenlijk geregeld is (zoals in onze officiële economie) en er dus om vráágt om, door onze inbreng in een negociatie, te worden gecorrigeerd.

1518 / Duras 1

Nantes 5

zondag 31 augustus 2008

J.M.H. Berckmans overleden

Vandaag overleed de schrijver J.M.H. Berckmans. Hij werd 54. Dertien jaar geleden interviewde ik hem. Het hier weergegeven interview verscheen in De Standaard van 13 april 1995.

‘Ik ben niet bang voor mijn literaire toekomst’
J.M.H. Berckmans over zijn nieuwe verhalenbundel Taxi naar de Boerhaavestraat

Elk jaar levert hij zijn boek af. J.M.H. Berckmans blijft verhalen spuien als een lek in de waterleiding: krachtig en zonder uitgeput te geraken. Als ik aankom in de Brederodestraat, waar Berckmans ‘tussen de bruine ratten’ woont (zoals hij het in zijn nieuwe boek schrijft), wuift de auteur net zijn uitgever uit. Die was Taxi naar de Boerhaavestraat komen tonen, de nieuwe verhalenbundel van J.M.H. Berckmans die deze week in de boekhandel komt. De auteur neemt me mee naar één hoog: een appartement met kleine kamers en lage plafonds. Het is er kil en grauw. Niet bepaald ordelijk ook. Op de tafel bij het raam staat een tekstverwerker. Tegen de muur een rek met boeken. En overal: paperassen en asbakken.

Taxi naar de Boerhaavestraat is een typisch Berckmans-boek. In de gekende stijl: spetterend, meedogenloos, wreed. Een tekst van Berckmans is vuurwerk. Zonder pardon slingert hij hem in je gezicht. Wat je ermee aanvangt? Zoek het zelf maar uit. Moraalridders kunnen er geen weg mee, maar de literaire kwaliteit ervan valt moeilijk te negeren. Hoogstens kan je zeggen dat de auteur zich opsluit in een monomaan universum, waarin het moeilijk wordt zichzelf niet te herhalen. Hij heeft het over het onvermogen te communiceren, de futiliteit van zoiets als geluk, het krankzinnige ritme van deze ‘roemloze’ tijd.

Vensters op een andere wereld dan die van hemzelf ontbreken geheel. Zo interesseert de politieke toestand hem geen zier. ‘Ik ga zelfs niet stemmen, heb ik nog nooit gedaan,’ zegt hij. Berckmans houdt zich bezig met wat volgens hem de condition humaine is, niet met een toevallige maatschappelijke constellatie. De dag van vandaag gaat aan Berckmans voorbij.

U doet echt geen moeite om op de hoogte te blijven?
‘Het is twee jaar geleden dat ik nog een boek heb gelezen. Ik kan niet lezen en schrijven tegelijk. Onmogelijk. Ik moet het allemaal niet weten. Tot vorig jaar ging ik drie, vier keer per week naar de bioscoop. Dat doe ik niet meer. Ik kan het niet meer betalen. Goede films zie ik wel op de tv. En ik kijk naar Ziggurat. Maar niet naar het nieuws. Ik lees zelfs geen krant. Mijn moeder zegt, Jean-Marie, zegt ze, hoe kunt ge nu de ganse dag niks doen, lees dan toch eens een gazet, lees een boek, of lees de Humo! Maar ik doe dat niet. (opgewonden) Ik moet niet weten wat er in de gazet staat. Ik moet niet weten wat erin de Humo staat. Ik moet niet weten wat er in de wereld gebeurt! (wordt nu heftig, gesticuleert) Het interesséért me niet!’

In zijn verhaal ‘Het einde van de eeuw’ laat hij enkele terroristen – ‘partizanen’, verbetert Berckmans mij – in een cel wachten op hun terechtstelling. Het enige verhaal overigens in zijn nieuwe bundel, waar hij het strikt autobiografische achter zich laat.

Heb ik het juist voor, als ik lees dat de verlosser waar de gevangenen op zitten te wachten, uiteindelijk altijd een verrader blijkt te zijn?
‘Natuurlijk.’

U wijst dus elke politiek, elke ideologie af?
‘Natuurlijk.’

Maar dat kan u toch niet volhouden? Er zijn toch altijd zaken waar men voor of tegen is. Voor of tegen het subsidiëren van kunstenaars bijvoorbeeld. U hebt, zeker als schrijver, toch altijd een politieke overtuiging?
(vlak) ‘Het interesseert me niet, absoluut niet. Niets van dat alles interesseert me. Ik ben door de wereld gedegouteerd, én door de maatschappij, én door de mensen.’

U kan toch maar ‘gedegouteerd’ zijn vanuit een bepaalde overtuiging, een droom die u in uw achterhoofd houdt?
‘Ik heb geen droom meer in mijn achterhoofd. Ik heb heel lang een droom in mijn achterhoofd en zelfs in mijn voorhoofd gehad, maar ik ben daar flink van teruggekomen. Ik ben geen twintigjarige Amadees meer.’ (Amada was een extreem linkse partij, die zich in 1979 omvormde tot de Partij van de Arbeid, pc.)

In het verhaal ‘Het einde van de eeuw’ heeft een van de beulen, Goossens, de neiging om te zeggen: daar doe ik niet meer aan mee. Die man heeft dus een geweten. U sluit blijkbaar niet uit, dat iemand een geweten heeft? En dus principes, waarnaar dat geweten zich richt?
‘Neen, dat sluit ik niet uit. Sommige van mijn personages leven in de hoop, al weten ze niet waarop. (reciteert, nadrukkelijk articulerend) “Ze leven al in de gloria, al weten ze niet in de hoop op wat, op welke crematoria.” Zo formuleer ik dat. Da’s toch ook sterk, als beeld?’

U neemt niet alleen afstand van de hoop, maar ook van de wanhoop. U laat alles achter, u wordt bijna onverschillig.
‘Ik schrijf het ergens expliciet: ik ben de definitieve, de zwartste, de allerdiepste, de allerlaatste wanhoop nu definitief voorbij en schrijf alleen nog datgene wat ik denk dat ik schrijven moet. Voilà.’

Maar wat als uw eigen belang op het spel staat?
‘Ja, ik heb natuurlijk bepaalde opvattingen. Ik krijg 24.000 frank dopgeld. Daar kan ik geen eten van kopen, geen schoenen, geen broek noch trui. En van de 847 exemplaren die ik van mijn vorige boek heb verkocht, kan ik ook niet leven. Er zijn een miljoen armen in België. Heb je vanmorgen ook de cijfers gehoord? Elke dag sterven massa’s kinderen aan de belachelijkste ziekten. Een snotvalling kan genoeg zijn. Elke dag, mas-sa’s kin-de-ren! (vanuit de keuken, waar hij een glas water is gaan halen) Bah! Wat je zegt, ondersteuning van de kunstenaar. Oké, ik beschouw mijzelf als een behoorlijk getalenteerde kunstenaar. Waarom moet ik 24.000 frank per maand verdienen? Straks gooien ze mij er misschien af. Wel, dat doen ze maar. (zelfverzekerd, op treiterende toon) Dan ga ik naar het OCMW en dan krijgt ik nog 19.000 frank.’

U schrijft: ‘Ze redeneerde niet slecht, toch niet voor een hoer, al weet ik niet of jullie zich een optimistische extreem linkse hoer kunnen voorstellen.’
‘Ik vind dat een mooi beeld. Ik druk daar geen overtuiging mee uit. Kijk, ik heb altijd heel veel sympathie gehad voor extreem links. Als ik dan toch mijzelf maatschappelijk zou moeten situeren, zou ik zeggen: links van extreem links. Ik heb zeer veel sympathie voor het personage Anna Blumenthal, een van de gevangenen in dat verhaal “Het einde van de wereld”. Zij is míjn Ulrike Meinhof.’

Het klinkt als een cliché maar het is niet anders: Berckmans orakelt met dezelfde cadans als waarmee hij schrijft. Hij steekt ondertussen de ene sigaret na de andere op.

Hardnekkige critici herhalen dat Berckmans zichzelf herhaalt. Ik confronteer hem ermee, want vind zijn thematiek ook erg beperkt. Per slot van rekening beschrijft hij voortdurend zijn ervaring van negativiteit en onvermogen. Is Berckmans’ koker onuitputtelijk?
‘Dat is geen probleem. Ik verzin op tijd wel iets, hé. Gij gaat mij toch niet vertellen dat ik geen inspiratie kan blijven opdoen. Allez jong, inspiratie, wat is dát? Over mijn inspiratie hoeft u zich echt geen zorgen te maken, en mijn lezerspubliek ook niet. Dat gaat maar door en door en door en door. Het ene boek komt na het andere. Voor die ene, steeds weer dezelfde thematiek bestaan er tienduizend invalshoeken. Dat zijn tienduizend verhalen. Inspiratie, dat is het probleem niet. Techniek is het probleem. Chauffage kapot, gasvuur kapot: dat zijn problemen, allemaal. Inspiratie? Neen, elk verhaal is toch altijd nieuw, is toch altijd anders? Ik heb nog nooit twee keer hetzelfde verhaal geschreven.’

En het blijft maar komen.
‘Het blijft maar komen.’

Maar u bent wel van plan meer fictioneler werk te schrijven, losser van het autobiografische.
‘Ja, ook in de vorm van gedichten. Daar ben ik hard mee bezig. Ik heb al vaker poëzie geschreven. Ik schrijf ook songteksten voor de rock ’n rollband waar ik al anderhalf jaar als zanger deel van uitmaak: Cirkus Bulderdrang. Dat is ook literatuur, hoor! Mijn teksten zijn trouwens op zichzelf muziek – ’t is eigenlijk allemaal hetzelfde. We hebben twee maanden in de Zwarte Komedie gespeeld, elke week drie avonden. We brengen cabaret, theater, rock ’n roll, illusionisme, gebedsgenezing – alles wat je maar wil. Het is één grote show. En we treden elke week op voor driehonderd man. Het begint heel goed te lopen. We hebben onze eerste maxisingle opgenomen. Ik doe dat veel liever dan schrijven.’

Nóg liever dan schrijven?
Bwa, schrijven doe ik niet graag. Ik sta veel liever op een podium liedjes te zingen dan dat ik in het holst van de nacht moet zitten zoeken naar hoe het moet.’

Jean-Marie Berckmans staat op, deelt mee: ‘Ik kan u niets aanbieden, mijn gasvuur is kapot, ik heb alleen water’, en gaat in de keuken twee glazen water halen.

‘Verzwalpt in de meanders van een roemloze tijd’, schrijft u. Waarom is onze tijd roemloos?
(luid, gesticulerend) ‘De tram! Daar! (wijst naar de Brederodestraat, buiten, waar er net een passeert) Ik word gek van dat lawaai, daarom ook wil ik hier weg. De tijd waarin we leven is toch hallucinant? De wereld stevent regelrecht af op een totale verpaupering. Er zal een elite overblijven, die de hele hightech van bovenuit dirigeert. Wie moet er binnen honderd jaar nog gaan werken? Alles gebeurt tegen dan automatisch. Een cliché misschien, maar zo is dat nu eenmaal. De massa paupers wordt almaar groter. Kijk hier maar eens in de buurt. Klein Konstantinopel, zoals ik het in mijn nieuwe boek noem (dat pas volgend jaar uitkomt, pc). De Grauwzone, zoals ik het bezing met Bulderdrang. Het Reservaat. Het Getto. Daar komen we in: in getto’s, reservaten, grauwzones!’
(verandert van register) ‘Nu is ’t werkelijk zeer goed. De titel van mijn nieuwe boek is Bericht uit Klein Konstantinopel. Ik schilder niet expliciet mijn omgeving. Alles speelt zich nu af, zeker in het begin van de bundel, in de Grauwzone – een mythisch oord –, in het Reservaat, en op het einde van de bundel in het Getto.’

Wie of wat zijn ‘de bruine ratten’ in de Brederodestraat, waar u het in Taxi naar de Boerhaavestraat, in het verhaal ‘Groepsfoto met Camilla Wouters’ over heeft?
‘De Turken.’

Jean-Marie Berckmans staat op, gaat alweer een glas water halen in de keuken. En komt terug.
‘Alleen, ik vind het een zeer beangstigende, zeer deprimerende tijd. En ik heb daar toevallig het epitheton “roemloos” voor gebruikt, omdat ik dat poëtisch vind. Ik kies mijn epitheta omwille van hun poëtische kracht. Ik gebruik heel vaak beelden en woorden, gewoon omdat ik vind dat ze als beelden of woorden die samen achter elkaar staan een poëtische kracht hebben. Ik ben heel sterk in dichten. Ik ben geobsedeerd door de poëtische kracht van het beeld. Ik schrijf niet zomaar gewoon onnozel proza, hé?’

De tijd, dat zijn ook de mensen. Is J.M.H. Berckmans een misantroop?
‘Ik heb een heel grote minachting voor het grootste deel van de mensheid. Vooral omdat mensen zo ongelooflijk dom zijn. Ik heb er geen zaken mee, met de mensen. (stilte) Nee, ik heb er geen zaken mee. Het enige wat mij interesseert is boeken schrijven en rock ’n roll maken. Da’s het enige, en van iets anders wil ik niets weten. En ik ben goed in rock ’n roll. Dat zegt men mij toch, ik krijg daar veel complimenten over. Het zijn toch ook heel goede songs, heel sterke. Vaak zijn ze heel melodieus.’

Waarmee kan u die songs vergelijken? Waar situeert u zichzelf in de muziek van vandaag?
‘Ik maak mijn eigen muziek. Die is met niets vergelijkbaar.’

Geldt dat ook voor uw schrijverij?
‘Och, Jaap Goedegebuure noemde mij de Antwerpse Bukowski, Frank Hellemans noemt mij de Antwerpse Céline, Jos Borré noemt mij de Jeroen Bosch van de Vlaamse letteren. Ik vind dat allemaal flauwekul, hoor. Ik vind dat ik op mezelf sta. Er is niemand in Vlaanderen of in Nederland die schrijft wat ik schrijf. Of toch wel: Jan Arends, J.M.A. Biesheuvel, A. Moonen. Een van mijn verhalen, “Kleine Odyssee”, werd gepubliceerd in dat tijdschrift, Zoetermeer, en er kwam een grote bespreking van in Het Parool. Daarin stond dat alleen al door mij verhaal Zoetermeer het kopen meer dan waard was, want (citeert uit het hoofd) “J.M.H. Berckmans is Biesheuvel, Moonen en Pointl tegelijk”. Dat vond ik wel tof.’

In het verhaal ‘Mismaakte chronologie van het afgelopen gebeuren’ krijgt Malone dies van Samuel Beckett als enige boek in uw nieuwe bundel een expliciete vermelding. U noemt het ‘Het einde van de westerse literatuur. Zo niet het allereerste begin.’ Wat bedoelt u daarmee?
‘Dat is gewoon een boutade.’

Dat meent u niet.
Malone dies is de totale afbraak van alle menselijkheid. Dat boek heeft een enorme invloed op mij gehad. Ik ben alleen door Beckett en Arends beïnvloed.’

‘En dat Camilla de gorilla niet te hoog van de toren moet blazen. Die moet niks anders doen dan tappen en de dikke koe moet niks anders doen dan afdragen. Die moeten niks anders doen dan de patjes bedienen en wat is daar nu aan. Die moeten niet zagen, die moeten niet zeveren, en als het eenmaal zover is nog een schone erfenis van Mie Bees die ondertussen met haar laatste scheet de hele Lemméstraat de lucht in blaast. Alleen het huis van Elsschot staat nog overeind.’ Zo eindigt het verhaal ‘Een beetje voorbij het huis van Elsschot’.

Behalve voor Beckett dus ook een grote onderscheiding voor Elsschot?
‘Zeker en vast. Dat is een eerbetoon. Een mooi eerbetoon! Met weer zo’n sterk beeld. Het huis van Elsschot staat schuin tegenover dat van mijn ouders.’

U noemt nog andere reëel bestaande figuren met name. Frans Boenders, Jooris van Hulle, Marc Cels (‘Die beroemde fotograaf van De Standaard’), Juliette Binoche. En Boudewijn en Albert, wier namen u dan verandert in ‘Jef Klak’ en ‘Bettens’. Uit strategische overwegingen?
‘Nee, ik deed het om die hele troonopvolgingstoestand te ridiculiseren. Zoals ik in dat verhaal “Groepsfoto met Camilla Wouters” eigenlijk ook mijn hele familie ridiculiseer.’

Sommigen zullen niet zo gelukkig zijn met hun vermelding. Ik denk daarbij in de eerste plaats aan Kristien Hemmerechts, die u niet bepaald vriendelijk aanpakt. Nochtans hebt u ooit in een interview verklaard haar verhalen goed te vinden.
‘Dat is lang geleden.’

Uw eigen naam komt ook in uw bundel voor, maar soms vervormd.
‘Dat schept een zekere afstand.’

Wat niet belet dat u zich volledig blootgeeft.
‘Ik ken geen gêne. (gaat water halen) Dat zie je in “De wortel in de brievenbus”. Dat verhaal is in de ikvorm geschreven. “Kleine Odyssee van waar je vertrekt naar waar je vertrokken bent” ook. Wat ik soms wel doe als ik vind dat er afstand nodig is, is overschakelen naar de jijvorm. Heb je dat gemerkt?’

Hoe kan u nu vinden dat er afstand nodig is, als u alles al hebt prijsgegeven?
‘Het is ook stilistisch interessant.’

Bij een titel als ‘De wortel in de brievenbus’ moet een mens geen tekeningetje maken. In dat verhaal gaat de ikfiguur op zoek naar ‘die ene enkele metafoor’. Volgens hem bestaat die hierin, ‘dat niks nog in woorden te vatten is’. Maar de vrouwelijke tegenspeelster houdt er een andere mening op na; volgens haar gaat het om ‘de wortel in de brievenbus’. Ik maak J.M.H. Berckmans erop attent dat seksualiteit nochtans niet bepaald een grote rol speelt in zijn verhalen.
‘Dat interesseert me ook niet. Het enige wat me interesseert is boeken schrijven en rock ’n roll maken.’

De zoektocht naar die ene metafoor leidt niet naar de dood.
(afgemeten) ‘Nee, nee, nee.’

In Rock & Roll met Frieda Vindevogel schrijft u: ‘De dood is geen beeld maar een stijlfiguur.’ Wat bedoelt u daarmee?
‘Dat is iets wat mij te binnen schoot. Een kronkel in de hersens van het hoofdpersonage. Ik schrijf wel vaker dingen waarvan ik niet weet wat ze betekenen. Er loopt eigenlijk zo goed als geen normaal personage rond in dat boek.’

Wat is er te doen in de Boerhaavestraat?
‘Daar was een zothuis. Het grootste van Antwerpen.’

Liever chef dan Jef

Schone televisie: http://www.brusselnieuws.be/artikels/stadsnieuws/multimedia/video/julien-vrebos-ontmoet-oud-korpschef-roland-vanreusel

Dag 360 vVH&C

080829 en 080830 – Met branie en bluf badineert Dimitri Verhulst in De helaasheid der dingen over zelfs vandaag nog door taboes bezwaarde onderwerpen, bijvoorbeeld dat hij, enfin, zijn mannelijk hoofdpersonage (ZMH), zijn moeder háát, of dat hij, cq ZMH, absoluut niets met kinderen heeft. Ook al worden deze pijnlijke ontboezemingen zeer zwaar aangelengd met een – toegegeven – bijwijlen verdienstelijke vertelstijl en een flinke portie boereleute, ze blijven toch aan de ribben kleven. Afgezien daarvan valt, als we het hele boekje overzien, toch vooral de onwil op om dieper op deze en andere interessante onderwerpen in te gaan. Of is het onkunde? Ik heb niet de indruk dat aan Verhulst, doordat hij zich aan de schone letteren heeft begeven, de grootste filosoof is verloren gegaan. Een enkele keer probeert hij een uitweidinkje, over het aanleggen van verzamelingen bijvoorbeeld, maar veel potten breekt hij daarin toch niet. En dat kan toch niet allemaal aan Verhulsts nauwelijks verholen anti-intellectualisme gelegen zijn?

De helaasheid der dingen, met zijn inmiddels al dertig of meer drukken, is een vlot en licht, maar toch vooral een licht werkje. Ondraaglijk licht.

Nantes 4