dinsdag 11 juni 2013

reactie


Ik geloof niet dat Proust in de eerste plaats een filosoof is. Hij is een romancier pur sang, hij slaagt er in zijn personnages te doen leven, hij slaagt er in een eigen ingewikkelde wereld neer te zetten, een netwerk van romaneske vertakkingen. Zijn Frans is zijn hoogst geraffineerde instrument, zijn stijl is weergaloos. Of er veel of weinig in een boek gebeurt, is trouwens van geen enkel belang.


S.

reactie

Ah, de weemoed van een deurgat.

Kijk, toen
bestonden er nog deuren.
Vandaag
nog enkel opgevulde gaten.

PS.
En daarmee wil ik geen afbreuk doen
aan de knappe vrouw.
Maar wel een ode brengen
aan wat meer is dan een detail.


getekend 95


los ingeslagen 97 / droom # 48


10 april 2013

C. geeft een lezing. Ze heeft het over ‘de authenticiteit van vermogens’ en het klinkt allemaal heel interessant en overtuigend. Maar wanneer ze een eerste deeltje, dat duidelijk de opmaat heeft gevormd naar iets waarin ze haar conclusies zal trekken, heeft afgerond, wordt ze onderbroken door iemand die zichzelf veel minder bescheiden opstelt, de ‘discussie’ monopoliseert en doet afglijden naar iets veel banalers. Niemand in het drukbevolkte zaaltje schijnt zich te realiseren dat hier een mooie kans op een geslaagde en zinvolle bijeenkomst teloorgaat. Achterin, waar ik heb postgevat, wordt het geroezemoes luider. Ik verkoop per vergissing de krant waarin ik enkele – noodzakelijke! – notities had gemaakt aan een jongeman die dacht dat ik krantenverkoper was omdat voor mij nog wel meer exemplaren uitgestald lagen. De jongeman verlaat de zaal en ik ga er achteraan. Ik kom terecht in een stroom mensen die naar een match van Club Brugge gaan kijken. Ik heb het wisselgeld van de kranten die ik heb verkocht in mijn boekentas meegenomen. Het lokaal waar de tickets voor de wedstrijd worden verkocht, bevindt zich bovenaan een steile trap. Ik herken op de trap een paar mensen van de ploeg waarin ik twintig jaar geleden zelf voetbalde. Zij hebben nog altijd de leeftijd van toen – en ze spreken nog op precies dezelfde manier. Ze veinzen vriendelijke belangstelling: ‘Tiens, wie we daar hebben. P.C.! Maar dat is lang geleden! Hoe is het?’ Dat is Paul D., nu mijn tandarts, waar ik dringend heen moet, met zijn hoge en zangerige stemmetje. Boven kopen ze hun ticket en verdwijnen ze naar de tribune. De match kan elk ogenblik beginnen. Ik kan zelf geen ticket kopen, enkele mensen die achter mij aanschuiven ook niet: er is geen wisselgeld meer. Ik haal de muntstukken van de kranten die ik verkocht uit mijn boekentas en stel voor hiermee te betalen – zo kunnen ook de mensen achter mij nog een ticket kopen met hun te grote bankbiljetten. De ticketverkoper vindt dat een goed idee. Ik neem met spijt afscheid van mijn muntenverzameling want het zijn heel speciale munten. Sommige hebben zelfs speciale vormen: een kogel, een raket. Een van de wachtenden uit zijn verbazing. Bij het ticket voor de match hoort een sandwich. Die prop ik in mijn boekentas. Iedereen is nu verdwenen: de ticketverkoper, mijn ex-voetbalvrienden voor mij in de rij en de wachtenden achter mij. Ik begin aan de afdaling naar het voetbalterrein waar intussen de match al begonnen is. Geen sinecure, ik moet mij laten vallen tot een lager niveau en geraak enkel met de nodige acrobatieën beneden. Ik kom ergens bij de cornervlag terecht. Club is net bezig aan een offensief maar iedereen lijkt ervan overtuigd dat de bal toch niet in het doel van de tegenstander, een Oost-Europese ploeg, zal belanden. Een van de mannen voor mij, een oudere leraar, een die mij aan Guy F. doet denken, maakt met luid schallende stem allerlei opmerkingen over de spelers, die volgens hem niet mannelijk genoeg zijn. En inderdaad, een van de Clubspelers, die vlakbij ons een hoekschop komt nemen, ziet er met al zijn haartooisnufjes en tatoeages behoorlijk verwijfd uit. Hij begint ruzie te maken met een meisje, dat bij de cornervlag heeft postgevat en hem begint uit te schelden. Iedereen wacht tot de bal voor doel wordt gebracht. Ik word wakker met de zin die de aanzet vormt tot de notitie die de aanzet zal blijken te vormen tot ‘los ingeslagen 96’.

3258

Langs de weg Kortrijk-Brugge - 130309

maandag 10 juni 2013

ingeprent 1


De desegregatie in New Orleans werd niet meteen door iedereen aanvaard. Verre van. Ruby Bridges was in 1960 een jaar of zes. Haar ouders waren moedig maar vergden veel van haar: waar haar rasgenoten uit de voortaan gemengde school werden weggepest, moest zij blijven gaan want het mócht nu. Principieel was dat volledig oké, maar wat doet een politie-escorte met de psyche van een schoolgaand kind? Het iconische, en bekendere, beeld bij dit historisch feit is: de kleine Ruby in profiel, in het wit gekleed, geprangd tussen militaire mannen waarvan je alleen de onderkant ziet kranig voortstappend voorbij het op de muur naast haar geschilderde woord ‘NIGGER’ (kapitalen). Deze foto zegt, vind ik, méér. De eenzaamheid, maar ook, door de chique bak op de voorgrond, het economische verschil. Want dat onderscheid heeft inmiddels het rassenverschil vervangen: de scheidslijn loopt vijftig jaar later in Amerika niet meer in de eerste plaats tussen zwart en blank, maar tussen arm en rijk.


bij: Geert Mak, Reizen zonder John, 499

13 in z/w 153

Bijschrift toevoegen

los ingeslagen 96


10 april 2013


Het gaat in de literatuur allang niet meer om de emotie maar om de authenticiteit van de emotie en vaak zelfs, nog een stap verder in het postmodernistische spiegelpaleis: over de authenticiteit van de perfiditeit waarmee de emotie wordt geveinsd. Het vermogen om al deze ver- en ontdubbelingen te detecteren en uit elkaar te houden wordt bij de lezer verondersteld. Het spreekt vanzelf dat dit aanleiding kan geven tot een verlies aan voeling met de werkelijkheid – wat is echt en wat niet?, en dus zijn er blijkbaar veel dingen niet echt? – alsook van het vermogen om – als lezer – onder deze epistemologische en ontologische matraquages stand te houden.

niet opgenomen 12


facebookbericht 385

Ik vind die cheffenidolatrie op de een of andere manier decadent. Welke manier, weet ik niet precies. Zou er eens over moeten nadenken. En overigens wens ik de heer Herman veel geluk als hij van zijn nieuw restaurant in Antwerpen 'een plek' wil maken 'die net zo dynamisch is als Antwerpen zelf'.

3257

Kortrijk - 130309

zondag 9 juni 2013

brief uit Bunnik 7


JWL stuurde mij een zevende brief naar Brugge als antwoord op mijn zevende brief naar Bunnik.

Hier vindt u wat voorafging in deze correspondentie.

13 in z/w 152

C.

80 * 96,3 * 626,2


3256

130308

zaterdag 8 juni 2013

13 in z/w 151


Rondom Mme Swann


De in de Pléiade-editie slechts 44 bladzijden tellende tekst Noms de pays: le nom is eigenlijk meer een prelude op Autour de Mme Swann, het eerste deel van À l’Ombre des jeunes filles en fleurs, dan een epiloog van het eerste grote deel, Du Côté de chez Swann – zoals het, na Combray en Un amour de Swann, wordt gepresenteerd. Dat zal wel iets te maken hebben met de ingewikkelde totstandkomingsgeschiedenis van de Recherche (die ik graag overlaat aan de proustologen). Hoe dan ook, het is opvallend hoe in die korte epiloog als in een notendop enkele belangrijke thema’s van het vervolg worden aangekondigd, veeleer dan dat er wordt gereflecteerd op het voorafgaande. De gebeurtenissen waarin Gilberte, Bergotte en Mme Swann een hoofdrol spelen, komen hier allemaal al ter sprake. Ook de ideeën die in Autour de Mme Swann omstandiger zullen worden uitgelegd, worden al een eerste keer aangeraakt: hoe verwachtingen altijd te hooggespannen zijn; hoe de dingen en personen altijd met emoties, vaak erotisch gekleurde emoties, worden bezet (bezield of geanimeerd); hoe de herinnering uiteindelijk altijd échter blijkt, en in elk geval duurzamer, dan de werkelijkheid ooit is geweest.

Hoe verder ik in de Recherche vorder – het is bijna ontstellend, en tegelijk ook geruststellend, te moeten vaststellen dat ik, nu ik Autour de Mme Swann heb gelezen, plusminus een vijfde achter de kiezen heb – hoe meer ik ervan overtuigd ben dat Proust zich van stiel vergist heeft. Ik weet dat dit een beetje provocatief klinkt maar ik bedoel het niet oneerbiedig want ik ben uiteraard vol bewondering voor Prousts weergaloze taal en stijl en ambitie. Maar Proust lijkt mij in de eerste plaats een filosoof, een schrijver van filosofische bellettrie. Proust had eigenlijk een uitgewerkte kunstfilosofie moeten schrijven. Hij schreef de Recherche – ook niet mis en als hij dat waanzinnige project werkelijk helemaal tot het eind had kunnen voeren (en daarbij het overzicht had kunnen bewaren), zou het pas echt een bovenmenselijke prestatie geworden zijn – maar hij had wellicht beter een esthetica geschreven, een kunstfilosofie: om daarin uit te leggen hoe de moderne mens zijn leven vanuit het persoonlijke gevoel en de (herinnering aan) doorleefde ervaringen met betekenissen aankleedt en zin probeert te geven. Zoiets.

Autour de Mme Swann kun je, zoals de andere boeken van de Recherche en zoals alle goede boeken, op verschillende manieren lezen. ‘Voor het verhaal’ is veruit de minst interessante manier. Want, ochgot, wat gebeurt er eigenlijk in die 230 bladzijden? Marcel – zoals ik gemakshalve de verteller noem – ontloopt, door voor het schrijverschap te kiezen, de diplomatieke carrière waartoe zijn vader hem had voorbestemd. Marcel gaat naar het toneel en Marcel wordt ziek. Marcel forceert zich een toegang tot het huis van Mme Swann en gaat daar vaak op bezoek. Marcel heeft een tijdje een – licht erotisch geladen – vriendschap met Mme Swanns dochter Gilberte en geraakt daar maar zeer moeizaam van los. Marcel gaat naar de hoeren. Marcel leert dat herinneringen aan poëtische momenten duurzamer zijn dan herinneringen aan momenten waarop het hart bloedt. Op die troostrijke gedachte overigens is het Autour de Mme Swann eindigt.

Maar er is veel meer dan alleen maar het verhaal. Nu ja, het is niet eens een verhaal; het is een aaneenschakeling van een paar weinig spectaculaire handelingen.

In Autour de Mme Swann presenteert Proust een sociologie van een nog gedifferentieerde klassenmaatschappij en een inventaris van de door hypocrisie, pluimstrijkerij en opportunisme gedomineerde omgangsvormen daarin. (Die klassemaatschappij beleeft haar nadagen, zo blijkt uit de slotparagraaf waarin Proust vanuit een niet nader omschreven – wellicht naoorlogse – toekomst terugblikt.) In Autour de Mme Swann kaart Proust met wellustige ironie en bij momenten zeer humoristisch het gemak aan waarmee de waarheid wordt geslachtofferd op het altaar van sociale status en prestige. In huize Swann treft Proust – via zijn ‘held’ Marcel – hiervoor een ideaal laboratorium want door zijn huwelijk met de cocotte Odette heeft Charles Swann, verblind door de liefde, aan status ingeleverd. Het spreekt voor zich dat zijn transgressie van de sociale scheidslijn tussen – in dit geval – de bloedadel en de bourgeoisie behoorlijk wat onrust veroorzaakt in de omgeving. Karaktereigenschappen en omgangsvormen die in de ene sociale laag deugdelijk zijn, zijn het in de andere niet – bij promotie of degradatie kun je daar maar beter rekening mee houden. Hoe dan ook is, in alle lagen, de leugenachtigheid die alle boodschappen doordrenkt constant: er is altijd een onderscheid tussen de inhoudelijke, eventueel verifieerbare boodschap en de intentie, de bedoeling. Ook de handelingen zijn niet gespeend van hypocrisie. Zo worden bijvoorbeeld de salons gefrequenteerd allerminst omdat daar interessante gesprekken worden gevoerd – Proust is een meester in het evoceren van onbenullige gesprekken – maar omdat het belangrijk kan zijn om toegelaten te worden tot een hoger gekwoteerd salon. Op die manier ontstaat een soort van economie van de status, waarbij een (frequentie van) aanwezigheid of een verontschuldiging voor een of andere salonbijeenkomst als pasmunt fungeert in de meedogenloze en zeer concurrentiegevoelige rush naar hoger aanzien.

Uiteraard spelen mode en smaak in dit sociale spel een belangrijke rol. Je kunt maar beter niet goed vinden wat iemand die op de sociale ladder een lagere sport inneemt wel goed vindt – en vice versa. Interieurs, kleding, omgangsvormen op de promenades in het Bois de Boulogne (waar het zien en gezien worden uiteraard veel belangrijker zijn dat de lichaamsbeweging of de frisse lucht): al die materiële zaken vormen samen een ingewikkelde semantiek van prestige en aanzien. Proust analyseert het allemaal genadeloos en met een grote kennis van zaken.

Bovenal biedt Autour de Mme Swann een dissectie van de liefde – en zoals dat met dissecties gaat: van het studieobject blijft weinig heel.

Liefde, en zeker verliefdheid, is een ziekte waarvan je moet genezen. Of toch minstens moet proberen tijdelijk te genezen want liefde is een steeds terugkerende kwaal. Dat is zowat de grondtoon – geen wonder dat Proust herhaaldelijk metaforen betrekt uit de medische wetenschap en de farmaceutiek. De verliefde fokt zichzelf zodanig op met geïdealiseerde voorstellingen van het geliefde ‘object’ dat het wel niet anders kan dan op een teleurstelling uitlopen. Liefde is een puur subjectieve aangelegenheid: de verliefde creëert een fictief personage dat louter en alleen in de naam dezelfde is als het geliefde ‘object’. Let wel, het gaat niet in de eerste plaats, laat staan uitsluitend, om een seksueel verlangen: seks lijkt bij Proust niet veel meer dan een bewustzijnsvernauwende fysiologische kramp, een spanning die in de ontlading de noodzakelijke voorwaarde vindt op opnieuw met ruimere blik de werkelijkheid tegemoet te treden. Het stelt allemaal niet veel voor, de partners bij wie deze ont-spanning kan worden verkregen zijn verwisselbaar. De schier achteloze passages die Proust aan prostitutie wijdt, maken dit overduidelijk.

Neen, het gaat over liefde. Amour. Daar ging het al over in Un Amour de Swann, waar de liefde vooral door jaloezie leek te worden aangedreven. (Nu zien we dat Charles Swann, getrouwd en wel met de Odette die zijn hart zo op hol deed slaan, over de seksuele verblinding (volupté) heen is, er een maîtresse op na houdt, en zelfs helemaal niet meer geïnteresseerd is in wat Odette daarvan denkt. En hij ziet ook niet bepaald nauwlettend toe op de manier waarop zij de mannen rond haar vinger draait.) In Autour de Mme Swann gaat het niet om jaloezie, neen, hier wordt de liefde veeleer in haar tragische aspect belicht. De verliefde zoekt in zijn ‘object’ altijd méér dan wat zich aandient – en hij verlangt meteen naar dit méér. Daardoor wordt zijn verliefdheid vertroebeld. Liefde is nooit zuiver. De vervulling is hoe dan ook altijd precair. Het genot kan tijdelijk het lijden om die precariteit compenseren – maar het genot is per definitie tijdelijk. Wanneer het genot, lees de seksuele vervulling, is uitgewerkt, wordt de liefde een wrede aangelegenheid (atroce).

Autour de Mme Swann is, ver voorbij het verhaal, de sociografie en de kijk op het mechaniek van de liefde, vooral een raamwerk waarin Proust een wereldvisie, een visie verraadt op het leven, waarvan alle facetten en elementen op een duizelingwekkende manier aan het schuiven gaan, waarin niets nog vastligt, waarin de mens, als pover en – inderdaad – ziek individu, eenzaam en hulpbehoevend en hunkerend naar een moederlijke avondkus, overgeleverd is aan de immense taak om zin te vinden en de dood te aanvaarden. Niet de feitelijke dood, in de zin van het levenseinde, maar de dood die binnensluipt in ons dagelijkse streven, in alles wat we een belang toedichten omdat dat belang altijd tijdelijk blijkt: de intensiteit waarmee we onze doelen aanvankelijk bezetten, wordt ondermijnd door verzadiging, gewoonte, sleur, walg, het vergeten.

Hoe kan het individu zich nu bevrijden uit deze helse rondgang van verlangen naar vervulling en teleurstelling? Proust is hierover duidelijk: door onverschillig te worden. Of: te kiezen voor berusting­ (résignation). Beter dan zich in die cirkel van onvervulbaarheid en zich steeds herhalende tijdelijkheid te begeven, kan men zich overgeven aan de herinneringen aan een nog niet bezoedelde, paradijselijke liefde.

Op deze manier krijgen wij, vanuit het werk zelf, een inzicht in wat Proust, schrijvende aan de Recherche, eigenlijk doet: hij heeft het uitzichtloze rondrennen in het rad van de opeenvolgende verliefdheden achter zich gelaten, is geresigneerd, en laaft zich aan de met behulp van de verbeelding aangedikte en op smaak gebrachte herinneringen aan een paradijselijk verleden, un merveilleux âge d’or. Uiteraard dienen we hierbij te bedenken dat Proust een homoseksueel was, en dat hij daardoor in zijn tijd bijna per definitie met onvervulbaarheid af te rekenen kreeg. Met onuitspreekbaarheid ook; de liefdes van ‘Marcel’ zijn heteroseksueel – al is er hier en daar wel een problematisering van het gender, bijvoorbeeld wanneer Marcel droomt van een jongen, die dan Gilberte blijkt te zijn.

De Recherche in het algemeen, en Autour de Mme Swann in het bijzonder, brengt een demasqué van ongeveer alles wat in het ‘gewone leven’, vóór de resignatie, belangrijk werd geacht. Het sociale leven wordt gekenmerkt door leugenachtigheid en opportunisme. Esthetische voorkeuren zijn sociaal bepaald. En liefdes blijven nooit duren. Op een dag is de fascinatie weg. Dan rest enkel de herinnering, niet deze die kan worden opgeroepen op commando van één-twee-drie, maar de herinnering die je ongevraagd en onwillekeurig overvalt, la mémoire involontaire die,omdat ze zo onverhoeds is, zo krachtig is dat ze je meesleurt naar een vorige levensfase waarin het geluk nog onbezoedeld en onverwelkt was. In Autour de Mme Swann komt dit proustiaanse madeleinemechaniek ook voor, en wel in de vorm van de weeë geur die Marcel opsnuift in een openbaar toilet op de Champs-Elysées en waardoor hij wordt meegevoerd naar het Combray van zijn kindertijd, waar diezelfde muffe geur van schimmel in het huis van oom Adolphe die hele, verloren gewaande, wereld van zorgeloosheid, zomerse wandelingen en ontluikende erotiek representeerde. Aan die herinnering is een gevoel van groot en evident geluk verbonden.

Dit soort ervaringen, dat is waar het in het leven écht om draait. Zelfs een muffe geur in een beschimmelde wc kan tot hogere toppen leiden dan de meest verheven gedachtegang. Maar je moet bereid zijn dit te ondergaan want dergelijke ervaringen kun je niet afdwingen. Je moet, om de werkelijkheid verdraaglijk te houden, bereid zijn je uit te leveren aan een soort van genade, ook al gaat het tegen elke logica in: Nous sommes tous obligés, pour rendre la réalité supportable, d’entretenir en nous quelques petites folies (591:37-39).


Is dit een minimalistisch programma? Zeker en vast. Maar het kan genoeg zijn: seks, schilderkunst, muziek, kunst en kunstreizen, er zijn genoeg bronnen van genot en zingeving om een leven te vullen, hoe gedesillusioneerd men ook moge zijn. Want inderdaad: het geluk is een onmogelijk te bereiken doel. Na de vervulling wacht een nieuw verlangen. Het geluk om de vervulling is altijd tijdelijk, ja, geluk is een impossibilité psychologique (625:5). Je kunt daar om treuren, maar weet dan dat ook die pijn tijdelijk zal zijn: la permanence et la durée ne sont promises à rien, pas même à la douleur (631:1-3). En het goede nieuws is dat de goede herinneringen, de herinneringen aan poëtische ervaringen, duurzamer zijn dan die aan pijn. 


Een meer gedetailleerd lectuurverslag van Rondom Mme Swann is hier te vinden.

3255

130305

vrijdag 7 juni 2013

getekend 94


13 in z/w 150

Sint-Michiels, achterkant station

facebookbericht 384

Landegem, 9 u 20: "Wegens een technische probleem met een marchandisetrein moeten wij wachten vijf tot tien minuten eer onze trein verder zetten." - Komaan zeg, ze gaan ons toch deze plezanterieën niet afpakken met hun uniform Vlaanderen.

13 in z/w 149

Brussel, Centraal Station

geen verloren tijd 73


I:632-641

Er komt nog een reden bij om niet langer bij Mme Swann op visite te gaan: de poging Gilberte sneller te vergeten. De bezoeken zijn voor Marcel immers altijd verweven gebleven met zijn herinnering aan Gilberte. Hij moet ervoor zorgen dat nieuwe indrukken – des pensées, des intérêts, des passions (632:14-15) – waar Gilberte niets mee te maken heeft, zijn ziel kunnen vullen en zo zijn liefde voor Gilberte kunnen verdringen. Want op de gewone manier zal het niet lukken: door zijn dubbele, geveinsde, voorgewende gevoelens en de verwrongen uiting die hij daaraan heeft gegeven, kan hij noch voor- noch achteruit. Alles is nu ongeloofwaardig geworden. De ingebeelde verandering in hun relatie wordt, door erover te schrijven en – van haar kant – erover te zwijgen, werkelijkheid. De ingebeelde afstandname wordt – selffullfilling prophecy-gewijs – een reële afstand.

Het niet-meer-zien van Gilberte doet Marcel steeds minder pijn. Soms is er nog wel eens een sentimentele traan wanneer een flard uit het verleden tot in het heden doordringt, maar hij begint toch steeds meer spijt te hebben dat hij de lokroep van de liefde – voor een meisje dat hij nu aan het vergeten is – heeft laten prevaleren op de lokroep van Venetië en Firenze. Nuja, niet dat hij daar ooit zou geraakt zijn, gezien zijn zwakke gezondheid. Balbec vinden Marcels ouders voor hem een betere, een gezondere bestemming.
Marcel blijft nog wel even Mme Swann frequenteren. Ondanks de koude van een verlate winter heeft zij haar salon aangekleed met witte bloemen waarvan de geuren Marcel aan Combray doen denken – met als gevolg dat hij vaststelt dat deze geur risquait d’entretenir le peu qui subsistait de mon amour pour Gilberte (635:23-24). Daarom probeert hij hoe langer hoe meer weg te blijven bij Mme Swann. Toch probeert hij haar wel nog te ontmoeten op haar wandelingen op zondagvoormiddag in de buurt van de Arc de Triomphe. Zie, daar komt zij aangewandeld in een wolk van mauve, omlijst door een selecte hofhouding van stijve heren: zij is een wandelende, of beter: kuierende, ode aan de nieuwe lente. Marcel heeft een grote bewondering voor de frutseltjes en frulletjes van haar uitermate gesofistikeerde outfit. Geen golfsweaters, inderdaad, maar wel een zeer uitgekiend conglomeraat van stoffen en stiksels, een klaterende waterval van lintjes en knoopjes en minutieus geborduurde details – waarvan er een aantal zelfs aan het oog onttrokken blijven, comme ces sculptures gothiques d’une cathédrale dissimulées au revers d’une balustrade à quatre-vingt pieds de hauteur (638:15-17), waarmee we, via deze beschrijving van de kledij van Mme Swann, nog eens mee de toren inklimmen om, op het eind van dit deel van de Recherche, nog eens het hele landschap te kunnen overschouwen.

De manier waarop Mme Swann zich over straat beweegt – dat schrijdend kuieren, dat schijnbaar nonchalant maar in werkelijkheid zeer doordacht wandelen –, is natuurlijk ook weer de emanatie van een statusbevestigende sociale strategie. Mme Swann behoort tot een soort van tussenklasse: niet de hoge aristocratie van de faubourg Saint-Germain, maar toch in elk geval ver verheven boven de heffe des volks. Zij behoort tot een artistiekerige, meegaand geworden klasse van de rijken, een tussensoort die misschien – zegt Proust in retrospectief – niet meer bestaat. Het is een tussensoort die in die mate bereikbaar is voor de jongemannen die op hetzelfde moment, en beslist niet toevallig, op straat rondzwermen, dat ze zich kunnen afvragen of het wel gepast zou zijn Mme Swann beleefd te groeten. Ze doen het dan toch maar, wat bij het gevolg van Mme Swann un mouvement d’horlogerie losmaakt, la gesticulation de petits personnages salueurs qui n’étaient autres que l’entourage d’Odette (640:4-7). Een van die personages is Charles Swann. Hij licht zijn zijden avec une grâce souriante, apprise dans le faubourg Saint-Germain, mais à laquelle ne s’alliait plus l’indifférence qu’il aurait eue autrefois (640:8-10). Hautaine aristocratische onverschilligheid heeft bij Charles plaatsgemaakt voor een ergernis – omdat de jongemannen die Odette kennen zo slecht gekleed zijn – én een bewondering voor Odette – omdat ze zovéél jongemannen blijkt te kennen. Ook nu dus: sentiment mixte (640:15)!

Odette richt zich nog een laatste keer tot Marcel, ze vraagt of het nu echt af is tussen hem en Gilberte. Ze vindt het jammer, want hij oefende zegt ze, een goede invloed uit op haar dochter. Als hij haar maar niet in de steek laat.

Maar kijk, hun gesprekje wordt alweer onderbroken: prins Sagan wil haar groeten. Hij laat zijn paard front maken en produceert un grand salut théâtral et comme allégorique, où s’amplifiait toute la chevaleresque courtoisie du grand seigneur inclinant son respect devant la Femme, fût-elle incarnée en une femme que sa mère ou sa soeur ne pourraient pas fréquenter (640:32-36).

Aan deze momenten zal Marcel later, wanneer hij Gilberte al lang zal vergeten zijn, nog vaak terugdenken. Dat is mogelijk doordat la durée moyenne de la vie van les souvenirs des sensations poétiques langer is dan pour ceux des souffrances du coeur (641:2-4).


Op deze positieve noot eindigt Autour de Mme Swann, het eerste deel van A l’ombre des jeunes filles en fleurs. Het volledige lectuurverslag staat op mijn offspinblog rechercheur.

facebookbericht 383

't is behoorlijk ijdel om als kunstenaar bewuste of onbewuste verbanden weg te wuiven in naam van zoiets beklemmends als 'originaliteit' - alsof dat vandaag nog mogelijk zou zijn

3254

Oostende, Muzee - 130302

donderdag 6 juni 2013

13 in z/w 148

Brussel, Koloniënstraat

13 in z/w 147

Brugge, Filips de Goedelaan

wolken 645-647


wolkenfragmenten uit Joseph Conrad, Hart der duisternis

645
Het was nog donkerder geworden in de kamer, alsof het trieste licht van die bewolkte avond een toevlucht had gezocht op haar gezicht. (6)

646
Zijn gezicht was als de hemel op een herfstdag: het ene ogenblik bewolkt, direct daarna helder. (89)

647

Hij stond recht, wankelend, lang, bleek, vaag, als een wolk mist die uit de aarde ontsnapt. (113)

geen verloren tijd 72


I:627-632

Proust onderscheidt nu twee soorten (liefdes)verdriet. Er is een constante vorm, een soort van constant knagende pijn die wordt ingegeven door de afwezigheid van de persoon die is omgeven door het aureool van onze liefde, het zoete heropleven van onze hoop, of dan toch minstens de rust van een tristesse permanente (627:26). Maar er is de – veel pijnlijkere – vorm die bestaat uit hevige prikken, plotse onaangename herinneringen, telle phrase méchante dite, tel verbe employé dans une lettre qu’on a reçue (627:17-18). Dan ervaren we dat het beeld dat wij van de geliefde hadden en waarvan wij dachten dat het authentiek was, niets anders is dan het resultaat van talrijke bewerkingen; het is iets dat deel uitmaakt van un merveilleux âge d’or, un paradis où tout le monde sera réconcilié (628:11-12). De pijnlijke herinneringen brengen ons terug naar de werkelijkheid en doen ons voelen, par le brusque mal qu’ils nous font, combien nous nous sommes éloignés (de la réalité) dans les folles espérances de notre attente quotidienne (628:13-16).

Hoe dan ook, de tijd doet zijn werk. Stel dat het voorwerp van onze onbevredigde begeerte, na lang vruchteloos wachten aan onze kant, een wachten dat het verlangen heeft doen uitdoven en dit in onverschilligheid heeft getransformeerd, uiteindelijk toch aan onze begeerte zou willen tegemoetkomen, dan zouden wij het geluk dat wij vroeger nastreefden niet meer herkennen want wij zijn zelf intussen veranderd: quand le but que nous nous proposions deviendra accessible, il aura cessé d’être un but pour nous (628:37-39). We beseffen echter wel dat het wel eens zou kunnen dat het pas door onze onverschilligheid mogelijk is geworden dat de begeerde ons wil kennen – wat misschien precies door onze toenmalige begeerte onmogelijk was! Maar ja, daar zijn we vet mee want we zijn immers… onverschillig! We zullen met andere woorden nooit weten of het geluk dat ons nu te beurt valt hetzelfde is als het geluk dat we destijds moesten ontberen. We kunnen het niet weten want we zijn dezelfde niet meer – en stel dat ons toenmalige ik door een of ander wonder, een wonder dat even wonderlijk is als deze kromme redeneringen, zou kunnen terugkeren, dan zou ongetwijfeld ons geluk meteen verdwijnen als sneeuw voor de zon.

Marcel stookt zijn fantasierijke herinneringsarbeid met zijn door zijn gefrustreerde begeerte aangewakkerde ideaalbeeld van Gilberte – dat door een vervulling nooit zal kunnen worden weerlegd – zo hard op dat het de vervelende herinnering aan Gilberte, wandelend met die jongeman, verdringt. Daardoor zou hij wel weer op visite bij Mme Swann zijn kunnen gaan, ware het niet dat hij een nare droom heeft gehad waarin hij door een vriend van onoprechtheid werd beticht. Maar wie was die vriend? Marcel weet dat de droomfabriek in hem handig voor vermommingen zorgt. Na lang zoeken en door rekening te houden met de gevoelens die zijn droom had opgewekt, komt hij tot het besluit dat de jongeman in zijn droom niemand anders dan… Gilberte kan zijn! De droomvermommer doet zijn werk grondig! – maar ’t is natuurlijk ook een in seksueel opzicht revelerende genderwissel!


Hoe dan ook, dat Gilberte hem onoprechtheid verwijt – wat zij eigenlijk al eens in werkelijkheid heeft gedaan toen zij niet naar de dansles mocht gaan, maar wat ook M. Swann al eens had gedaan toen hij aanvankelijk vond dat Gilberte geen goede vriendin voor Marcel zou zijn – komt hard aan. Maar ook die pijn blijkt, zoals alles, niet duurzaam: la permanence et la durée ne sont promises à rien, pas même à la douleur (631:1-3).

3253

Oostende, Muzee - 130302