080904 en 080918 – Het bloedverwantschapsprobleem levert altijd spannende verhalen op. Is dit wel echt mijn kind, is dit wel echt mijn vader? De waarde die we aan de bloedband hechten berust op een van onze laatste onherleidbare instincten, een dat we nog niet hebben weggerationaliseerd – al zijn we er met het installeren van adoptie, heterogene gezinnen en holebi-ouderschap druk mee bezig.
Het bijzondere van de film L’Empreinte de l’Ange van Saffy Nebbou is dat de onzekerheid betreffende de bloedband zich hier niet situeert tussen het kind en de vader maar tussen het kind en de moeder. Bij vaders is die onzekerheid er, gezien de biologische premissen, strikt genomen altijd – mannen hebben zich daar in psychologisch opzicht tegen gewapend, denk ik dan, door niet zo hard aan hun kinderen vast te hangen. Vaders zijn ook in dát opzicht geen moeders.
Wanneer er bij vrouwen twijfel ontstaat nopens het eigen ouderschap, komt er een dosis hysterie, zelfbegoocheling en labiel gedrag om de hoek kijken. L’Empreinte de l’Ange gaat over een vrouw die door een brand in de kraamkliniek haar pasgeboren dochter verloor en die, zeven jaar later op een verjaardagsfeestje, ten aanzien van een van de aanwezige meisjes een onweerstaanbaar moederinstinct voelt opwellen. Ze is er zéker van dat dat meisje haar dochter is en laat zich door niets nog van dat denkbeeld afhelpen.
Ik verklap niet hoe het verder afloopt wanneer ik zeg dat deze overtuiging botst met een andere overtuiging, namelijk deze van die andere vrouw die ook op dat verjaardagsfeestje is, en wel om datzelfde meisje waarin de eerste vrouw haar emoties investeert, mee naar huis te nemen. Zoals ze dat al zeven jaar doet.
’t Is een interessant gegeven, maar levert het ook een goede film op? In de eindgeneriek staat te lezen dat het verhaal van de film op ware feiten is gebaseerd. Toen ik dat las, zei ik bij mezelf: blijkbaar hebben de makers van de film zelf beseft dat hun film onvoldoende overtuigingskracht heeft. En die overtuigingskracht ligt niet in de waarschijnlijkheid van het verhaal, maar in de waarachtige communicatie van de gevoelens. Blijkbaar schort er daar iets aan. Hoe zou dat komen?
Vorm is belangrijk. Er is niet alleen inhoud. De vorm moet die inhoud adequaat communiceren. Ik heb in de hele film geen enkel mooi beeld gezien. De esthetische meerwaarde is nihil. Niet één vormelement (kleur, kadrering, muziek, ritme…) draagt bij tot een algemeen welbevinden waarin ook de inhoud beter zou kunnen gedijen (waarachtiger zou worden). De dialogen dragen de verhaallijn, maar bevatten geen poëzie. Het spel van de acteurs kan er mee door maar is ook al niet bijzonder begeesterend.
En daardoor, door dat alles, komt er ruimte vrij om zich te beginnen ergeren aan details. Bijvoorbeeld dat er opvallend veel Volkswagens Golf close in beeld komen. Bijvoorbeeld dat in een café een man die een ‘demi’ bestelt een kraagloze pint krijgt van de ober, en dat er in het volgende shot wél een kraag op staat.
Voor een andere mening: http://www.digg.be/movie.php?id=1762.
donderdag 18 september 2008
woensdag 17 september 2008
Het bestáát (24)
080902 – Het wérkt! Niet eerder dan na eerst ettelijke keren met een opgeofferd rolletje bij klaarlichte dag te hebben geoefend eindelijk in de donkere (bad)kamer, op de tast: een volgeschoten middenformaat op de spoel, de spoel in de container, het vooraf geprepareerde mengsel van water en ontwikkelaar op min of meer de voorgeschreven temperatuur erbij. En dan: schudden maar, zes minuten. Daarna het mengsel van water en ‘stopper’, een minuutje schudden, en ten slotte: het fixeerbad. Dan nog het spoelen met een paar druppels detergent en, met spanning, afwachten – ik, een alchimist, wie had dat ooit gedacht! De kinderlijke vreugde, verbazing, grenzend aan ongeloof bijna, wanneer ik de film van de spoel haal en aan de geïmproviseerde wasdraad ophang en zie dat – warempel! – de zestien beelden, drie maanden geleden geschoten en in mijn geheugen al bijna verloren gegaan tussen al dat digitaal geweld, tevoorschijn zijn gekomen. En dat is nog maar de eerste fase! Het beeld is in negatief, uiteraard, maar ik zie wat het voorstelt, ik herinner mij wat het geweest is. En nu is er het verlangen om de spiegeling te maken van wit naar zwart, van zwart naar wit. Verlangen!
De gedroogde negatiefstrook op de glasplaat van mijn printer gelegd (waarop een hoekvormige stofvlek zat), gescand en vervolgens met photoshop de grijswaarden omgekeerd. Mijn eerste zelf ontwikkelde analoge (en uiteindelijk hybride) foto! Het Nièpce-gevoel!
De gedroogde negatiefstrook op de glasplaat van mijn printer gelegd (waarop een hoekvormige stofvlek zat), gescand en vervolgens met photoshop de grijswaarden omgekeerd. Mijn eerste zelf ontwikkelde analoge (en uiteindelijk hybride) foto! Het Nièpce-gevoel!
dinsdag 16 september 2008
Het bestáát (23)
080831 – Op een van de graven van het kerkhof van Lissewege is de sterfdatum van de vrouw, die al vele jaren eerder haar man onder dezelfde steen die ook voor haar is voorbestemd te rusten heeft gelegd, aangebracht met metalen cijfers waarvan het korps iets afwijkt van dat van de overige cijfers en letters waarmee de beide namen, de geboortejaren van man en vrouw en het sterfjaar van de man zijn gevormd. Ze hadden ze in dat formaat niet meer in voorraad, klaarblijkelijk. Hoe vooruitziend moet een mens zijn?
maandag 15 september 2008
Reactie op Dag 376 vVH&C
Montaigne zegt ook over zijn vriendschap met La Boétie dat hij, wanneer hem gevraagd wordt die vriendschap te verklaren, enkel kan zeggen : "parce que c'était moi, parce que c'était lui ..." Geen rationele keuze toch. Ook in vriendschap bestaat le coup de foudre, en dat is de onmiddellijke totale overgave. Die overgave met alle risico's vandien, die absolute onvoorwaardelijkheid is de vriendschap.
S.
S.
Het bestáát (22)
080830 – Twee meisjes met een hoofddoek – zoals je er in deze stad nog niet vaak ziet – staan op een parkeerplaats naast de groentemarkt te kletsen. Ze hebben net inkopen gedaan, dat zie je aan de plastic zakken aan de sturen van hun fietsen. Zoals ook autochtone vrouwen plastic zakken aan de sturen van hun fietsen hangen en blijven staan kletsen. En zoals ook autochtone vrouwen het niet zouden merken dat vlak naast hen een auto aan het manoeuvreren is om zijn plaats te verlaten, zo zien ook deze twee gehoofddoekte meisjes dat niet. De meisjes staan in de weg want de auto moet een zwaai maken en zij staan precies op de plek waar die zwaai moet worden beschreven. De autobestuurder claxonneert om dat die meisjes diets te maken. Maar zijn signaal klinkt heftig. Twee korte, venijnige claxonstootjes. Iets te heftig, misschien. Indien die twee geen hoofddoek zouden hebben gedragen, zou het misschien maar ééntje zijn geweest, denk ik dan. Nu goed, de meisjes begrijpen het signaal en ruimen meteen baan, de auto maakt zijn zwaai, wij stappen verder en ik vergeet meteen dit minieme incident (dat misschien niet eens een incident was). Vijftig meter verder, in het smalle straatje tussen het plein en de winkelstraat, we lopen naast elkaar, rinkelt achter ons een fietsbel. Twee korte rinkelingen, een beetje nijdig. We moeten plaats maken en dat doen we ook. Het is een van die twee allochtone meisjes. Een bussel prei steekt de kop op uit de plastic zak aan haar stuur.
zondag 14 september 2008
Het bestáát (21)
080829 – Een zwanengezin komt de Gouden-Handrei opgezeild. Twee witte, volwassen exemplaren en vier juvenielen, zoals dat dan heet: ze zijn herkenbaar aan hun kleinere gestalte en hun bruinere verenkleed. (Zo heet dat ook: een verenkleed.) Ze zwemmen vrij gedisciplineerd in wat je – omwille van die discipline – een formatie zou kunnen noemen en ik besluit ze op te wachten op de brug. Daar heb je een mooi perspectief op de rei, en met die zes zwanen op de voorgrond: dat wordt wel iets. Ik fiets dus tot daar en stel mij op, mijn Cyber-shot op de P, die, zeer geschikt gezien de omstandigheden, op zwart-wit staat. De zes zwanen zwemmen in mijn richting. Ze peddelen, glijden enigszins plechtstatig maar in elk geval bijzonder fotogeniek naar me toe. Tot, plots, eensklaps, uit een raam van een tweede verdieping van een van de huizen ter linkerzijde, een fikse boterham, of beter: een snede broods, met een ferme zwaai uit het raam wordt geworpen, als een freesbee nooit zijn horizontale ligging op de lucht verliest om uiteindelijk, tussen de zwanen en mij in, als een persoon die slecht gedoken heeft en straks met een rode buik uit het zwembad zal klimmen, met een plets op het wateroppervlak te belanden. Uiteraard hebben ook de zwanen dit gezien en ja, ik kan fluiten naar een mooi in formatie onder mijn brug door peddelende zwanenformatie van volwassenen en juvenielen.


[De afleveringen ‘Het bestáát’ 10 t.e.m. 20 zijn hier niet geplaatst om de heel eenvoudige reden dat ze in niet afgewerkte toestand zijn verloren gegaan. De kladjes staan in een notitieboekje, en dat is zoek.]
zaterdag 13 september 2008
Dag 376 vVH&C
080911 en 080913 – Een gesprek met T. over de vriendschap. Zij heeft het over de vrienden die je kiest. Maar kies je wel je vrienden? In hoeverre is het hebben van vrienden een gevolg van een vrije wilsbeschikking? Word je niet veeleer zelf gekozen? Het is een kwestie van herkenning. Maar iemand herkennen, dat is één – die persoon moet ook jou herkennen. Vriendschap doet zich alleen voor als je het geluk hebt dat jouw herkenning van een ander op diens (of haar) herkenning van jou stuit. Geluk: je hebt het niet in de hand. Je kunt het niet uitlokken of sturen; je moet chance hebben.
We zullen eens kijken wat Montaigne ‘Over de vriendschap’ te melden heeft! Hij lijkt keuze en vrije wil hoger aan te slaan. Een vriendschap als die tussen vader en zoon is niet ten volle een vriendschap: ‘naarmate deze vriendschappen ons meer door plichten en natuurlijke banden worden opgelegd, komen onze vrije wil en persoonlijke keuze daarin minder aan bod. En niets is zo volledig een eigen creatie van de vrije wil als genegenheid en vriendschap.’ Om dezelfde reden kan de homoseksuele vriendschap tussen twee mannen, of zelfs de vriendschap tussen een man en een vrouw, niet ten volle vriendschap worden genoemd omdat daar altijd ook een deel van ‘een warmte’ is die ‘brandt en verzengt’.
Ik heb de indruk dat Montaigne het heeft over het gevoel ná de ontmoeting. Al dan niet vrij zijn de geboden kans te assumeren. Ik heb het over de ontmoeting zélf, de kans. De chance.
Montaigne, Essays I-28, Amsterdam 1993, 224 vv
We zullen eens kijken wat Montaigne ‘Over de vriendschap’ te melden heeft! Hij lijkt keuze en vrije wil hoger aan te slaan. Een vriendschap als die tussen vader en zoon is niet ten volle een vriendschap: ‘naarmate deze vriendschappen ons meer door plichten en natuurlijke banden worden opgelegd, komen onze vrije wil en persoonlijke keuze daarin minder aan bod. En niets is zo volledig een eigen creatie van de vrije wil als genegenheid en vriendschap.’ Om dezelfde reden kan de homoseksuele vriendschap tussen twee mannen, of zelfs de vriendschap tussen een man en een vrouw, niet ten volle vriendschap worden genoemd omdat daar altijd ook een deel van ‘een warmte’ is die ‘brandt en verzengt’.
Ik heb de indruk dat Montaigne het heeft over het gevoel ná de ontmoeting. Al dan niet vrij zijn de geboden kans te assumeren. Ik heb het over de ontmoeting zélf, de kans. De chance.
Montaigne, Essays I-28, Amsterdam 1993, 224 vv
vrijdag 12 september 2008
Terugblik (26) 489/1000
Zaterdagmarkt op het het Brugse Beursplein. Meerbepaald in de Hauwerstraat, tussen het Beursplein en het Zand. Op het Beursplein is er de fruit-, groenten- en bloemenmarkt, op het Zand vind je vlees en kaas, maar je kunt er ook kussenslopen, steunzolen, petten en onderbroeken kopen. De Hauwerstraat is voorbehouden voor gelegenheidsverkopers, spektakelpromoties, bijzondere en al dan niet eenmalige producten. Wonderzalven, supersprays, geneeskrachtige jarretellen. De Hauwerstraat is een sas tussen beide pleinen, er is op zaterdagvoormiddag altijd veel passage. De mensen kijken en luisteren er geamuseerd naar de venters en leurders-met-standplaats, die zich schor schreeuwen want hun winst wordt per verkocht stuk berekend. Het is er een voortdurende va-et-vient. Er is zo veel passage (mensen met plastic zakken vol prei of breiwol, mensen met een fiets aan de hand, mensen met jengelende kinderen in een buggy) dat de stroom traagzaam voorbijschuift. Hoewel iedereen er openlijk bij de neus wordt genomen, heerst er een opgewekte stemming. Een zotte kant van het kapitalisme. En zie, te midden van al die drukte staart een man treurig in mijn lens. Hij kijkt zo droef dat ik nu nog altijd met hem te doen heb. Door de scherpte van de focus, door het licht dat op zijn niet rechtstreeks door de zon beschenen gelaatskant valt (wellicht door toedoen van een reflectie in een ruit), door de lichttoets in zijn linkeroog, maar vooral door zijn expressieve, goedige, vragende blik, een blik die zich afwendt van alles wat zich rondom hem afspeelt, en natuurlijk door deze foto: door dat alles blijft hij in mijn geheugen gegrift. En ja, griffen is wel het juiste woord als ik dat aangezicht bekijk. Heb ik die man zijn privacy geschonden, vraag ik me dan af. (Of vraagt u zich af.) Door hem te fotograferen, door die foto te publiceren (ook al is het in dit bescheiden medium). Ik denk het niet. Integendeel, ik doe die man een beetje meer bestaan. Of hij mij zou begrijpen, weet ik niet, maar ik beschouw deze foto als een eerbetoon aan een mens die iets voor mij, en misschien ook voor u, is gaan betékenen. Het gewoel op de achtergrond (ik kan het bijna hóren) gaat maar door, het gaat op in de wanorde van de foto-achtergrond – maar hij, deze man, dat aangezicht, blijft verstild, geconcentreerd, bestaan. Hij staat op het punt een vraag te stellen en misschien heb ik die vraag hier en nu beantwoord.
donderdag 11 september 2008
Dag 371 vVH&C
080910 – De (op Canvas uitgezonden) reportage van de jonge Franse reporter Diego Buñuel over Noord-Korea (in zes delen te bekijken op YouTube) is wat je noemt verfrissende televisie. Undercover trekt de jonge Franse reporter naar het meest gesloten land ter wereld. Als toerist en samen met een vriend die in zijn bril een camera heeft ingebouwd. Buñuel wordt tijdens zijn verblijf voortdurend vergezeld door een ‘gids’. We krijgen de achterkant van de façade te zien die de dictatuur naar de wereld ophoudt. Buñuel trekt hierin rond met een voortdurend aangehouden glimlach op de facie – en daarin precies schuilt de grote kracht van zijn reportage: eerst denk je in een soort komisch programma te zijn beland, maar op de duur besef je dat de glimlach een grijns is, dat deze jongeman wel degelijk beseft hoe belangrijk het is dat hij dit aan de wereld toont, en hoe moedig hij daarbij te werk gaat. De glimlach is de aftandse roetsjbaan die hij uittest in een Noord-Koreaans pretpark; de grijns is de geïndoctrineerde haat en angst die bij de bevolking leven: haat jegens het Westen, angst voor de eigen leiders. Luguber.
dinsdag 9 september 2008
Dag 384 vVH&C
080909 – Een week of twee voor de sluiting alsnog, en dan nog min of meer toevallig, in eigen stad in de tentoonstelling ‘Brugge in de verf’ beland. Hoe is Brugge in de 19de en 20ste eeuw door schilders in beeld gebracht? Ik weet niet of de tentoonstelling een exhaustief beeld ophangt van de aan Brugge gewijde figuratieve schilderkunst sinds 1800, maar het valt toch op dat deze nochtans ‘schilderachtige’ stad maar weinig grote meesters heeft geïnspireerd. (Of is het net doordat Brugge zo schilderachtig is, zo pittoresk?) Van alle belangrijke kunststromingen, die nochtans Vlaanderen niet links hebben laten liggen, lijkt, zo op het eerste gezicht, enkel het symbolisme in Brugge een vruchtbare voedingsbodem (een spiegel) te hebben gevonden. (En dan nog ontbreekt op de tentoonstelling de belangrijkste vertegenwoordiger, Ferdinand Khnopff, wiens ‘Secret-Reflet’ niet werd overgebracht vanuit het naburige Groeningemuseum.) De uitschieters op ‘Brugge in de verf’ zijn de verdienstelijke luministisch-realistische doeken van Bruno De Simpel (mij voorheen onbekend), de sterke compositie ‘Brugge de dode, Brugge de levende’, een vroege Gustave De Smet (een voorstelling van een middeleeuws poortgebouw naast een 19de- of 20ste-eeuwse rokende fabrieksschoorsteen), en ‘Le Quai’ van Henri Le Sidaner.
Maar voor de rest leunt het merendeel van de getoonde schilderijen vervaarlijk dicht aan tegen het soort schilderkunst dat in deze toeristenstad op zonnige zondagen nog wel eens door amateurs wordt bedreven. Er is ten andere op de tentoonstelling een wand ingericht met foto’s van interieurs van Bruggelingen, waarin telkens zo’n product van artistieke vlijt aan de muur prijkt: bruggetjes, kantwerksters, trapgevels en begijntjes à volonté.
‘Brugge in de verf’, nog tot 21 september in het Gruuthusemuseum
Maar voor de rest leunt het merendeel van de getoonde schilderijen vervaarlijk dicht aan tegen het soort schilderkunst dat in deze toeristenstad op zonnige zondagen nog wel eens door amateurs wordt bedreven. Er is ten andere op de tentoonstelling een wand ingericht met foto’s van interieurs van Bruggelingen, waarin telkens zo’n product van artistieke vlijt aan de muur prijkt: bruggetjes, kantwerksters, trapgevels en begijntjes à volonté.‘Brugge in de verf’, nog tot 21 september in het Gruuthusemuseum
Abonneren op:
Posts (Atom)



















