maandag 3 juni 2019

graag Praag 9

190510
 
dag 6 * Leipheim (D) – Ingolstadt (D) – 138 km (b)


Mijn hoofd wordt leeggewaaid. De aandacht die ik overhoud, moet ik mobiliseren om de weg in de gaten te houden. De juiste richting vinden is niet moeilijk: ik volg gewoon het fietspad stroomafwaarts langs de Donau. Mocht ik daarmee niet tijdig stoppen, ik beland bij de monding in de Zwarte Zee. Af en toe ligt het fietspad er zeer goed bij, en slingert het zich mooi door het dal, ver van het autoverkeer. Maar de bestrating is niet altijd gelijkvormig. Vaak is het pad onverhard en moet ik tussen putten en plassen door laveren. Maar de Donau-Fahrradweg levert vooral omwegen op. Het is uitgetekend voor lokale slenteraars, niet voor langeafstandsfietsers. Daarom verlaat ik het op den duur.


Zo kom ik op rechte, perfect bollende wegen. Met de wind in de rug maak ik gemakkelijk kilometers. Maar hier komt concentratie toch ook van pas. Meestal zijn de autobestuurders galant. Ze rijden in een wijde boog om je heen. Maar soms hoor je er die zo snel achter je aan komen dat je hoopt dat ze niet op een smartphone zitten te tokkelen waardoor ze je niet tijdig zien en je in het decor scheppen, om vervolgens uiteraard vluchtmisdrijf te plegen. Ik probeer die angst van mij af te zetten.

Ik drink een limonade in … en een latte in … Ik denk, ik schrijf het vanavond wel op waar dat was, maar dat vergeet ik en kijk, nu blijken die plekken oningevuld: ik kan me niet meer herinneren waar het was. In die tweede plaats (‘…’) word ik overvallen door een vlaag van nostalgie. De setting, met de manier waarop de tafeltjes geschikt zijn, het speciale koffietje en een je ne sais quoi dat misschien door een vaag gevoel van eenzaamheid is ingegeven, doet mij aan Vieste denken, waar ik ooit (...); ik denk in ‘…’ terug aan een verloren geluk.


Picknicken doe ik bij het oorlogsmonument van Wertingen of Mertingen, ik wil het kwijt, tegenover het gemeentehuis. Het is op het middaguur en een voor een verlaten ambtenaren het gebouw. Het zijn allemaal vrouwen, stuk voor stuk erg rondboezemig – wat me aan het fantaseren zet over de selectieprocedures die hier door het plaatselijke bestuur worden gehanteerd. Oorlogsmonumenten, dat is een hoofdstuk apart: die herdenkingsstenen met alle namen uit het dorp in kwestie van de gesneuvelden tijdens de twee grote, door Duitsland zelf aangerichte, wereldbranden. Altijd interessant om te zien welke formuleringen worden gebruikt. Het gaat van het ingetogen ‘Den Toten zu ehren / den Lebenden zur Mahnung’ tot het toch ietwat triomfalistische gebruik van het woord ‘Helden’. Die kwalificatie betreft dan de schier eindeloze in steen gekapte stoet van namen van mannen die van hier kwamen, waarbij ‘hier’ staat voor tot en met het onooglijkste dorp in Duitsland, en die in gindse loopgraaf, hinderlaag of aanvalsactie een zinloze dood stierven. In Tsjechië zou ik een steen te zien krijgen met portretfoto’s van de gevallenen. Dat maakte het nog concreter dan enkel die namen.


In Ingolstadt is het even zoeken naar een hotel. Meteen nadat ik me heb ingeschreven in een driesterrenhotel aan de Münchener Straβe, net buiten de stad, zie ik een bord met daarop een hele reeks wellicht goedkopere overnachtingsmogelijkheden. Ik koop – om mijn reisbudget wat in evenwicht te houden – een meeneempizza bij de Italiaan aan de overkant en eet hem op mijn kamer op terwijl ik naar het nieuws op de ZDF kijk en naar Das perfecte Dinner, een kookwedstrijd voor mensen die elkaar niet kennen maar die toch bij elkaar op bezoek gaan om de gastheer of -vrouw van de avond op zijn of haar kook- en ontvangstmerites te beoordelen. Uiteraard leidt dit tot een aaneenschakeling van pijnlijke stiltes en gênante situaties, waarmee Das perfecte Dinner meer uitlachtelevisie is dan een kookprogramma.