dinsdag 18 juni 2019

graag Praag 21


190519

dag 15. Calbe (D) – Peine (D) – 163 km

In de ontbijtzaal praat ik even met de twee jongemannen die ik gisterenavond ook al zag tijdens mijn avondwandeling door de twee of drie nogal – op een ooievaarsnest bovenop een hoge schoorsteen na – oninteressante straten die Calbe telt. Ze zijn hier voor hun werk: de burgers voorbereiden op alle mogelijke calamiteiten die met een mogelijk overstromen van de Elbe gepaard zouden kunnen gaan, van verdronken vee tot massieve elektriciteitspannes. Dat hier wel degelijk rekening wordt gehouden met buiten-de-oevers-tredingen, ofte overstromingen, had ik tijdens mijn tocht langs de rivier tussen Dresden en hier al opgemerkt aan de infrastructuur: dijken, keermuren, pylonen op waterbestendige poten…
 
Om kwart voor acht zit ik alweer op mijn Koga. Ik besluit om dan toch maar via Magdeburg te reizen. Niet alleen om een impressie van die stad op te vangen, maar ook om zoveel mogelijk reliëf te vermijden. Dat is perfect mogelijk omdat ik vanaf Magdeburg, waar ik de Elbe, die van daar af naar het noorden afwijkt, definitief zal verlaten, toch nog een eind zal kunnen fietsen langs het Mittellandkanal, dat de stroomgebieden van Elbe en Rijn met elkaar verbindt. Magdeburg komt bij mij over als een chaotische stad. Van de nog behoorlijk ruïneuze nadering vanuit het zuiden gaat het beeld over in een hypermodern centrum met nieuwbouw en superbrede straten die op deze zondagvoormiddag nagenoeg verlaten zijn. Ik loop even de kathedraal binnen. Er staat een dienst op til: freules met witte colletjes waarvan ook het bovenste knoopje dicht is wachten, ginnegappend met protestantse prelaten, de binnenkomende gelovigen op. Ik overweeg dat ik een ansichtkaart moet kopen om morgen, op de verjaardag van mijn fietsongeval, naar Barbara V. te sturen, de dokter aan wie ik de rest van mijn leven te danken heb, maar ik vind geen ansichtkaartenverkooppunt.

Voorbij Magdeburg moet ik dan toch even de hoogte in, maar de beloning bestaat uit een mooi vergezicht waarin aan de einder de torens van de kathedraal die ik net heb bezocht en van de andere hoge gebouwen van de stad in de heiïge nevel priemen.


Ik volg een vijftiental kilometer het grindpad langs het Mittellandkanal, tot in Calvörde. Daar verlaat ik het kanaal, om binnendoor richting Wolfsburg te fietsen. Langs de weg zie ik opeens, op een braakliggend stuk land naast een door een haag afgesloten perceel waarop een villa staat, een man op een boomstam zitten. Hij zit daar niet zomaar. Hij zit met zijn ellebogen op zijn knieën, de onderarmen voor zich uit gestrekt, de handen gevouwen, het hoofd gebogen. Kop in kas. In de haag achter deze man, die me meteen aan de denker van Rodin doet denken, zie ik een gat. Een gat in de haag, het is een deur. De man is, zo beeld ik mij in in de fractie van een seconde dat ik dat beeld in me opneem en in de seconden daarna, tot ik alles vergeet, het beeld en het in me opnemen van het beeld en het nadenken erover – de man is door die deur vanuit de villa naar het braakliggende stuk land naast zijn perceel gekomen. Hij heeft de beslotenheid van de villa verlaten  voor een meditatief moment buiten zijn wereld. Hij is daartoe de door de haag gevormde grens overgestoken. Wat is er gebeurd? Waarom heeft die man dit meditatief moment nodig? Vrolijk ziet hij er niet uit. Is er iets ergs gebeurd? Heeft hij ruzie met zijn vrouw? Heeft hij haar vermoord? Voelde hij zich opgesloten in die mooie villa op dat keurig afgezoomde perceel? Wil hij uitbreken? Ziet hij die fietser daar voorbijkomen en denkt hij: ‘Ja, dàt zou ik ook willen. Op mijn fiets stappen en uit dit leven stappen. Me uit dit leven stampen. Gelijk waarheen, als het maar wég is van hier.’ Het beeld blijft me bij, zo ook wat ik mij erbij verzin. En door het hier op te schrijven gaan beide, beeld en verzinsel, voor even niet verloren.

Ik picknick, gezeten op een rond putdeksel bij een vijver. Kikkers kwaken, schrijverkes lopen over het water. Ik beeld me in dat ik, thuis, deze vijver en dat putdeksel, maar dan zonder mezelf erop zittend, op Google kan terugvinden. De zon schijnt nu al een dag of twee, drie, maar nu wordt het echt heet. Ik voel dat ik aan het verbranden ben en spreek voor de eerste keer mijn flacon zonnecrème aan. Een eind verderop vraag ik een tuinierende dame of ze mijn waterfles wil bijvullen. Ze doet dat graag. Als je iemand vraagt iets voor je te doen, je iets te geven, dan geef je die persoon zelf ook iets, namelijk het plezier dat met het verlenen van de gevraagde dienst gepaard gaat.

Wolfsburg is de zetel van Volkswagen. Vier hoge schoorstenen, met daarop het VW-embleem, domineren de stad en maken duidelijk welke macht hier regeert. Het stadsgedeelte waar ik doorheen fiets, oogt modern en glamoureus, met losstaande gebouwen en brede straten. Zo modern en glamoureus is Wolfsburg, dat ik er meteen mijn weg in verlies. Er is geen duidelijk centrum, geen ringweg, geen straalsgewijs vanuit het midden vertrekkende straten. In het verkeer valt geen lijn te trekken.



Op de weg naar Meine en Peine vind ik een doodgereden bonte specht. Dat doet pijn. Ik leg het dode dier aan de kant zodat de kraaien en eksters die zich eraan te goed zullen doen zelf ook geen gevaar lopen, en maak een foto van het kadaver.


Peine lijkt op het eerste zicht een verlopen industriestad, maar heeft toch een charmant centrum, met een mooi plein waarop ik in de avondzon een pizza Hawaï eet en mijn vochtspiegel op peil breng met een fles San Pellegrino. Ik heb sms-contact met Jan-Willem. Het is nog een dikke 400 kilometer naar Zeist, dat moet lukken in drie dagen.