dinsdag 11 juni 2019

graag Praag 15

190515

dag 10. Radnice (CZ) – Praag (CZ) – 104 km

In een ontbijt kon het hotel niet voorzien, maar er was een regeling getroffen met de bakkerij aan de overkant van het plein. Althans dat dacht ik, voortgaande op de omstandige uitleg van de uitbater in het Tsjechisch, enkele woorden broken English en gebarentaal. Ik dus naar de overkant, waar een gezette vrouw net haar winkel had geopend. Ik probeer haar duidelijk te maken dat ik in het hotel gelogeerd heb en hier het ontbijt wens te verorberen waarover gisterenavond afspraken werden gemaakt, maar zij weet van niets. Doe mij dan maar een koffie, gebaar ik naar de espressomachine. Dat kan ik krijgen. Het mens begint te bellen, waarna ze mij komt zeggen dat alles alsnog in orde komt. Maar er gebeurt niets. Uiteindelijk ga ik naar de Vietnamees en koop er wat broodjes en een stuk chocolade. En wanneer ik op het plein tussen bakker en hotel in op een bank in de ochtendzon mijn karige maal verorber, zie ik uit het hotel een vrouw naar buiten stappen, het plein oversteken naar de bakkerij, en even later met een papieren zak in haar hand terugkeren naar het hotel. Daar gaat mijn ontbijt, denk ik nog, maar het is te laat. Ik pak mijn spullen in en vertrek.


Het eerste deel van de rit loopt door een golvend landschap. Het weer is mooi, maar de wind komt ijzig en strak uit het noorden, witte wolken drijven fotogeniek over gele koolzaadakkers. (…) Na de gele akkers tussen de groene weiden voor en na Podmokly kom ik in een bosgebied terecht, en daarin op een colletje. Deze weg doet mij denken aan achtentwintig jaar geleden, toen ik samen met een vijftal vrienden ook in Tsjechische bossen rondfietste. Dat was kort na de Omwenteling, het landelijke Tsjechië deed nog heel hard aan het Oostblok denken, althans aan de voorstelling die wij ons daarvan hadden gevormd. B. reed een eindje voor de anderen uit en verklaarde bij het volgende stoppunt dat hij reeën had gezien. We staken met hem de draak en deden alsof we het niet geloofden. Maar hij hield voet bij stuk, hij had wel degelijk reeën gezien. Net op het ogenblik dat ik overweeg om H. een sms te sturen met een aan dit voorval refererend grapje, springen er vlak voor mij uit toch wel twee reeën van links naar rechts over de weg! Enfin, één springt erover, van op grote hoogte met zijn dunne, zeer breekbaar ogende poten op het asfalt neerkomend en onmiddellijk terug opverend, om een eind meer naar rechts en dieper in het bos te verdwijnen, terwijl de tweede, die zich nog links van de weg bevindt, plots inhoudt en rechtsomkeert maakt omdat uit de tegenovergestelde richting net op dat ogenblik een auto komt aangereden. Ik zag die twee al met elkaar in botsing komen en zwaai met mijn arm naar de bestuurder van de auto. Hij stopt, dat doe ik ook en ik probeer hem, in gebarentaal, diets te maken wat er bijna was gebeurd (hij had de eerste ree niet gezien). De man begrijpt mij niet en rijdt verder.


In het derde deel van de rit kom ik, na een lange afdaling die mij via Svatá tot in Zdice brengt, terecht in de hel van het drukke verkeer voor en na Beroun. Een akelige invalsweg is dit, naast de autosnelweg tussen Plzen en Praag, wanordelijk volgestouwd met kleine bedrijven, verlaten opslagplaatsen, kmo’s, autogarages… – het zou de Boomse Steenweg kunnen zijn. Neen, het is de Boomse Steenweg, de stilaan universele Boomse Steenweg. En ik realiseer me eens te meer welke waanzin dit is, al die frenetieke verplaatsingen, al dat zinneloze verkeer. Ik zoek een bank in een parkje naast de weg, naast een nutteloos geworden kerkje. En terwijl ik mijn dagelijks brood verorber, sla ik de passanten gade. Een oude vrouw met een rollator, een nog jonge maar toch al versleten man in een paarse training, een zwangere vrouw die een kinderwagen voor zich uit duwt – hoe onmogelijk moet het zijn om hier te leven, te aarden.

Vier. Liever dan die drukke weg naar Praag nog een eind te volgen, doe ik een ommetje langs Karlstein. Opeens zit ik weer in de Ardennen. Een steile helling, en dan de bochtige weg op een dalflank, met de rivier diep rechts onder me. Karlstein is een toeristisch oord met veel horeca, casino’s, parkings en autobussen. Maar het is langs deze weg toch rustiger. Meer kilometers, maar de moeite van het omrijden waard.


In het vijfde en laatste deel van deze laatste etappe van mijn heenweg zoek ik tussen invalswegen, spoorwegen, snelwegen en de rivier, de Vltava (Moldau), die voorbij Praag in de Labem (Elbe) zal uitmonden, mijn toegang tot Praag. Er is een fietspad – in Tsjechië een zeldzaamheid. Via aan een brug over de rivier opgehangen stalen constructie beland ik op de rechteroever, waar ik de laatste tien kilometer tussen andere fietsers en joggers op een hobbelige asfaltstrook overbrug. Ik geniet van de sensatie van het aankomen in een voor mij onbekende grootstad: de kade, de toenemende drukte, en uiteindelijk de hectiek van het massatoerisme op de Karelsbrug, die ik, fiets aan de hand, te voet oversteek. Op de overkant, opnieuw de linkeroever dus, wachten mij als kers op de taart de steile helling tot voorbij het Kasteel en een zoektocht naar het adres: Šlikova. Na wat zoeken is het uiteindelijk een taxichauffeur die mij op het juiste pad brengt. Ik kom pile op het afgesproken uur aan en maak kennis met Miša. De eerste helft van mijn reis, door vijf verschillende landen van Aarlen tot Praag, is volbracht.


Miša ontvangt me allerhartelijkst en bijzonder gastvrij. Hoewel we elkaar nooit eerder hebben ontmoet, raken we onmiddellijk aan de praat: onder meer over de politiek, de veranderingen die Tsjechië ondergaan heeft (en die Václav Havel ongetwijfeld niet zou hebben goedgekeurd), haar leven en de belangrijke keuzes die ze maakte, de wisselvalligheden van het bestaan. Miša was, toen in 1968 in Praag de Lente uitbrak, in Londen, waar alles leek te wijzen in de richting van een academische carrière. Maar het liefje dat ze toen had, deed haar besluiten dat het beter was om naar huis terug te keren. Niet veel later gaf hij haar de bons, maar toen waren de grenzen al gesloten en Miša zat gevangen in een toekomst waar ze niet voor gekozen had. Ze kwam aan de kost als lerares Engels, en probeerde op die manier toch iets door te geven van het nieuwe ideeëngoed, waarmee ze in het Westen in aanraking was gekomen. Bijvoorbeeld met binnengesmokkelde teksten van Bob Dylan of door voor de Samizdat te schrijven. Gedurende twintig jaar kon ze als uit het Westen teruggekeerde rekenen op de extra belangstelling van de staatsveiligheid. En neen, ze had nergens spijt van. Nog steeds is Miša, ondanks haar tweeënzeventig jaar, actief als docente Engels, maar ook als activiste en reizigster. En als gastvrouw voor een wildvreemde fietser. We spreken lang en goed.