maandag 31 oktober 2005

Ryckevelde 341


75 * ? * 3275

Breskens. De Westerschelde heeft een diepblauwgroene kleur, die afwijkt van het eeuwige grijs dat ik haar altijd toedicht. Vlissingen aan de overkant. Appartementsgebouwhoog opgestapelde containers glijden in containerschepen voorbij. Terug langs de kust. De vuurtoren die beschilderd is met horizontale, afwisselend witte en zwarte banden. Nieuwendijke en Cadzand. Ganzen in V-formatie doen K. zeggen dat hij ’s nachts trekvogels met veel kabaal hoort overvliegen. Wat dan weer een grapje over nachtvluchten ontlokt aan de minister van Mobiliteit. De laatste twintig kilometer, tegen de aanwakkerende wind in, zijn er te veel aan. Ik moet lossen: één, drie, tien, twintig meter – en dan ineens honderd, driehonderd… Samen met nog twee achterblijvers kom ik bij het eindpunt aan.

Overschrijven (2)

‘“Poëzie is geen ontketening van gevoelens maar een vlucht voor gevoelens,” zegt Eliot in woorden die [de jongeman] in zijn dagboek heeft overgeschreven. “Poëzie is geen uiting van de persoonlijkheid maar een vlucht voor de persoonlijkheid.” Dan voegt Eliot er als laatste, bittere overweging aan toe: “Maar alleen zij die gevoelens en een persoonlijkheid hebben, weten wat het betekent om ervoor te vluchten.”’
J.M. Coetzee, Portret van een jongeman, 82 (Rainbow Pocket 2004)

zondag 30 oktober 2005

zaterdag 29 oktober 2005

Beeld (4)


De pijp, de stevige kin, de tas met de ongetwijfeld erg belangrijke papieren en het embonpoint dragen bij tot de status van vastberadenheid die een deurwaarder, want dat is deze man, moeten kenmerken. De blinkende schoenpunten en de ringen aan de vingers sorteren hetzelfde effect. Door de hoed krijgt de man iets gewoons. Hij is ook erg klein, overigens. De mantel is chique, maar de excentrische plaatsing van de mantelnaad in de compositie brengt iets wankelmoedigs binnen. In de blik sluipt onzekerheid. De klep van de linkermantelzak staat hoog, of er puilt iets uit - het was in elk geval niet de bedoeling dat deze onvolkomenheid ook op de foto zou staan. De man lijkt met zijn uiteenstaande benen stevig neergepoot, maar het lijkt er op dat het is om niet te vallen. Hij staat met de rug tegen de muur, zijn schaduw is meer een dreiging dan een steun. Door de witte fotorand vlak onder zijn voeten lijkt het of hij op een richel staat. (Foto August Sander; deurwaarder, Keulen, omstreeks 1931.)

Ryckevelde 339


vrijdag 28 oktober 2005

In het grootwarenhuis

J., die vijftien kilometer van hier in een boerderijtje woont (zonder stromend water en met veel weemoed) knikt naar me op de parking. Binnen graait naast me de moeder van het jongentje dat ooit een van de schoolkameraadjes van een van mijn zonen was in de groenten. Ze is een keer bij ons binnengekomen – maar het klikte niet en een vriendschap is er nooit van gekomen. Op een gegeven ogenblik hield zelfs het gedag zeggen op. Ik weet niet of ze me heeft gezien. En op het ogenblik dat ik naar buiten stap komt mijnheer X. binnen. Hoewel hij inmiddels dertig jaar ouder is dan in de tijd dat hij ons – mij en zijn zoon en nog een ander vriendje – op een keer naar een Europese voetbalmatch vergezelde, heeft hij nog steeds de allure van een filmster die een bepaalde periode in zijn leven te snel opbrandde (zo beeld ik mij in). Hij is trager nu en leeft – smeulend, zachtjes uitdovend – samen met een zieke vrouw. Hij doet de boodschappen en maakt straks allicht het middageten klaar.
Dat waren de drie mensen die ik deze voormiddag in het grootwarenhuis heb herkend.

Ryckevelde 338


donderdag 27 oktober 2005

Ryckevelde 337


Tussen pot en pint

Het mooiste van Woody Allens Broadway Danny Rose (1984) vind ik het gezelschap ouwejongenskrentenbrood dat in het etablissement ‘Delicatessen’ anekdotes zit te debiteren over impresario’s die aan lager wal zijn geraakt. Danny Rose (gespeeld door Allen) is een van die impresario’s, en zijn verhaal vormt het verhaal van de film, die dus een raamvertelling is. Hoe tragisch en dramatisch Dany’s wedervaren ook is (het gaat om vriendschap, hartstocht, loyaliteit, levensgevaar, verraad, een verschrikkelijke zeeziekte op een gammel veerpont op de Hudson en plots niet anders dan met een hoog stemmetje kunnen spreken doordat er helium uit een kogelgat is ontsnapt), het vormt niet meer dan de stof voor een gezellige babbel tussen pot en pint onder vrienden. Dat contrast tussen voor wat de een van levensbelang is en voor de andere slechts een smakelijke anekdote brengt Allen mooi samen door zijn film te laten eindigen op het trottoir voor het restaurant, met een verzoenende ontmoeting tussen Danny Rose en de vrouw die hem aanvankelijk in de steek had gelaten. Waardoor je de indruk krijgt dat die vrienden daar binnen nog zitten te vertellen – misschien drijft de camera, wanneer Danny en Tina uit beeld zijn verdwenen, wel weer, zoals helemaal in het begin van de film, dat restaurant binnen…

dinsdag 25 oktober 2005

Mijn woordenboek (99)

ACHTERFLAP
Het is me, bij mijn weten, twee keer gelukt om met een quote uit een recensie op de achterflap van een boek te komen. Het waren boeken van Paul Mennes en J.M.H. Berckmans – de een is intussen al wat meer vergeten dan de andere, dat hebben mijn quotes niet kunnen verhinderen. Nu ja. Toen streelde het mijn ego maar nu stemt het meewarig. Het heeft iets parasitairs al bij al, zo’n achterflapquote. Je naam staat daar te verbleken op iets wat zelf tot verbleken is voorbestemd. Ik ben al blij, eigenlijk, dat ik het er op een wat slinkse manier op had aangelegd. Ik kénde de kneep namelijk, had al genoeg recensies geschreven om op een bepaald punt, zo ongeveer ter hoogte van de conclusie en in elk geval in de laatste alinea (vaak de enige die wordt gelezen), aan te voelen dat het achterflapquotemoment was aangebroken. Daar aangekomen, voelde je: hier moet ik quasi achteloos de zin laten slingeren die ik uiteraard zodanig spitant formuleer dat hij kans maakt om op de achterflap van een eventuele volgende druk te belanden. Of van het volgende boek van die auteur als het niet tot een tweede druk komt. ‘Berckmans lezen is vuurwerk.’ Dat soort algemeenheden. Of: ‘Wie later iets van het godvergeten einde van de twintigste eeuw zal willen weten, kan bij Mennes terecht.’ (Ik citeer uit het hoofd want vind de boekjes waarop die quotes op de achterflap staan niet terug.) Dat staat wel, hé, zo’n ronkende loftuiting waar je nooit, of dan toch maar enkel in een soort van overmoedig enthousiasme, achter hebt gestaan? En dan je naam erbij, die samen met die boekjes verbleekt… Het is een les in bescheidenheid, de auteur te zijn van twee half oprechte achterflapquotes.

Nieuwpoort-Bad (2)


Nieuwpoort-Bad (1)


Ryckevelde 335


maandag 24 oktober 2005

Overschrijven (1)

‘Sommige mensen zien lezen alleen als een manier om te ontsnappen, om weg te vluchten uit de “werkelijke” wereld van alledag naar een wereld van de verbeelding, de wereld van de boeken. Boeken zijn veel meer. Ze zijn een manier om volledig mens te zijn.’
Susan Sontag, in ‘Een brief aan Borges’ (1996), in Waar de nadruk ligt (De Bezige Bij, Amsterdam, 2002)

Ryckevelde 334


zondag 23 oktober 2005

Ryckevelde 333


Pieter Aspe is behalve slim ook dom

(Voor de Nederlandse bezoekers van deze weblog: de Vlaming Pieter Aspe publiceert met de regelmaat van de klok een thriller, en kan met het geld dat hij daarmee verdient ‘à volonté’ duvels drinken.)
Het is nu wel zeker: Pieter Aspe is dom. Enfin, hij is ook slim natuurlijk, zoals je op een bepaalde manier slim kunt zijn, bijvoorbeeld door een gat in de markt te vinden en daar vervolgens goed geld aan te verdienen, maar toch is nu gebleken dat hij evengoed dom is. Dat zit zo. Pieter Aspe was op de radio. Er is alweer een boek van hem uit (kon ook niet anders, met de Boekenbeurs in het verschiet) en de miljoenste verkochte ‘Aspe’ (zo ver heeft hij het al geschopt: een ‘Aspe’ is een door Aspe geschreven boek, dat wil zeggen, een zogezegd vlot lezende, de indruk van zich met lectuur en zelfs literatuur bezighouden opwekkende, niet al te veel geestelijke inspanning vergende, vaak fluttige en ronduit niets om het lijf hebbende hoeveelheid proza die, qua typografie en presentatie de indruk wekt een boek te zijn en die, steevast, gemiddeld samen met nog twee andere ‘Aspes’ in de boekentoptien staat en zo de lezende Vlaming van nuttiger activiteiten afhoudt) – de miljoenste verkochte ‘Aspe’ dus is in aantocht. En omdat Aspe denkt: per boek dat ik verkoop kan ik op het terras van Cranenburg een duvel drinken, ijvert hij voor nog meer verkoop. Dus dient aan dat miljoen een verkoopstunt te worden vastgehecht. Dat komt hij op de radio vertellen. Goed bekeken hoor, een telefonisch interviewtje van vijf minuten (onder het mom van culturele berichtgeving) kost niets en levert in elk geval meer op dan een peperdure spot van dertig seconden vlak voor het nieuws van twaalf uur.
Waaruit bestaat nu die verkoopstunt? De eerste bladzijde van de miljoenste Aspe zal in het rood zijn gedrukt en wie dat exemplaar op de kop tikt, wacht een mooie prijs: een overnachting in een chique Brugs etablissement, gevolgd door een ontbijt met de gevierde auteur! ‘Niet te vroeg opstaan, liefst’, waarschuwt Pieter nog: hij is geen ochtendmens – fotograferen kun je hem het best bij valavond, wanneer de ochtendwallen onder zijn ogen zijn gladgestreken en voordat die van de nacht zijn komen opzetten. Mooi, denk je welwillend, goed bekeken: nu stormt iedereen natuurlijk naar de boekhandel om naast dat prachtboek ook die prachtprijs in de wacht te slepen. Dat vooruitzichtje, hoe klein ook de waarschijnlijkheid dat het toeval je gunstig gezind is, zal de verkoopcijfers (en de recette van Cranenburg) danig de hoogte in jagen. Slim, hoor! Daar is geen speld tussen te krijgen. Je had van een bedenker van supervernuftige thrillers toch niet anders verwacht, natuurlijk.
Maar dan steekt, in een onbewaakt ogenblik, de domheid de kop op. Aspe namelijk praat – tandengeknars bij de uitgever – zijn neus voorbij en verklapt dat het miljoenste boek al verkocht ís! En wel in boekhandel L. in Gent! Hij zegt het zomaar – al is het al tegen het middaguur aan, je voelt dat het nog té vroeg is voor deze kerel, hij is nog niet wakker, niet alert, hij klinkt in elk geval wat geeuwerig, je ziet zo z’n warrige haardos voor je (radio is zoveel beter dan televisie!). Jammer, maar dit de neus voorbij praten zal in één klap toch een paar duizend verkochte exemplaren schelen. Scheelt het een slok op de borrel? Ach neen. Ontmaskerd komt geheid op één in de toptien, zoveel is zeker. De auteur, slim en dom tegelijk, zal er geen duveltje minder om moeten drinken. En Vlaanderen blijft toch een volk van lezers, nietwaar?

vrijdag 21 oktober 2005

Een stuk beton

‘Als boeken verdwijnen, zal de geschiedenis verdwijnen en dan zullen de mensen ook verdwijnen.’
Ik heb gisteren voor het eerst in mijn leven een boek kapotgescheurd. Ooit gooide ik er een van pure woede in een hoek van de kamer, ik weet niet meer welk, maar gisteren dus: boek, scheur, kapot. Ik ben daar niet trots op, het was een gebaar van onmacht. Maar wat ik las werkte me zó op de zenuwen, het vergde zó het uiterste van mijn geduld en incasseringsvermogen. Ja, in die zin is het natuurlijk wel een goed, of dan toch een sterk boek: dat het dergelijke hevige emoties kán teweegbrengen. De auteur heeft dan ook niet zomaar vorig jaar de Nobelprijs gewonnen. Ze – het is een vrouw – kijkt me met een zuinig Oostenrijks mondje hautain en parmantig toe van op het fotootje op de achterflap. Ze heeft haar lange haren streng achteruit gekamd. Haar voorhoofd vuurt agressiviteit op me af. Genadeloos. Ik lees wat ze heeft geschreven over een vrouw met een mislukte carrière als pianiste en een ongezonde moederband en een bittere kijk op het leven en kan daar niet mee om, Nobelprijs of niet. Ik weet dat ik niet moet lezen voor een plezierig verhaaltje of om mijn eigen emoties en opvattingen te spiegelen of om een bevestiging te vinden van mijn kijk op het leven. Ik weet dat een goede roman een autonoom kunstwerk is dat, zo nodig, diametraal tegenover mij kan staan en mijn grootste zekerheden ondermijnen. Maar dit, De pianiste, is een provocatie. Dit is choqueren om te choqueren. Dit is, tussen nu en de leesclub van maandag waar ik een bespreking van dit boek hoor te begeleiden, een schier onoverkomelijke berg van nog meer dan tweehonderd bladzijden pijn en negativiteit en miserabele misantropie. Ik weet niet of ik dit aankan. Ik had zoiets nooit eerder. Wat ik al gelezen heb ligt ergens in de kamer op de grond. Wat ik nog moet lezen sleur ik tot maandag met me mee als een stuk beton. Ik moet er voorzichtig mee zijn want er is een touw rond gebonden, een touw dat aan het andere uiteinde rond mijn enkel zit.

Ryckevelde 332


donderdag 20 oktober 2005

Raadselachtige bestendigheid

De onlangs overleden Amerikaanse intellectuele (essayiste, vredesactiviste, romanschrijfster, icoon van de Amerikaanse culturele elite) Susan Sontag bundelde kort voor haar dood een aantal van haar essays over kunst, literatuur, fotografie, politiek… Gezien de status van deze grote dame kon het natuurlijk niet anders of ze moest het ook hebben over een paar van mijn favoriete auteurs! Zo richt ze zich in een ontroerende brief rechtstreeks tot haar – dan al tien jaar overleden – ‘held en schutspatroon’ Jorge Luis Borges: ‘Als boeken verdwijnen, zal de geschiedenis verdwijnen en dan zullen de mensen ook verdwijnen.’ En in een essay dat aan W.G. Sebald is gewijd, klinkt diezelfde gedachte door in een citaat van de man wiens veel te kleine oeuvre Sontag een van de weinige beschikbare antwoorden acht op de vraag hoe verheven literatuur er in onze tijd kan uitzien, ‘gezien de onverbiddelijke afbrokkeling van het streven naar literaire perfectie en de daarbij horende opkomst van zouteloosheid, gladheid en nodeloos geweld als norm voor romanthema’s’. De Sebald-achtige protagonist in De ringen van Saturnus mijmert over ‘de raadselachtige bestendigheid van het schrift’. En Sebald schrijft daarbij de zeer borgesiaanse zin die Sontag citeert: ‘Telkens wanneer ik een van die aantekeningen ontcijfer, verbaast het mij dat een in de lucht of in het water allang uitgewist spoor hier op papier nog steeds zichtbaar kan zijn.’

Susan Sontag, Waar de nadruk ligt, De Bezige Bij, Amsterdam (2001), 412 p., van 29,50 naar 7,99 euro bij De Slegte.

Ryckevelde 331


zondag 16 oktober 2005

52 * 25,57 * 3200

Ik haal een oudere collega in. Zwarte fiets, zwarte outfit, gele accenten: letters op de fiets, strepen op het shirt en op het schoeisel, een gele boord op de buitenband. En een geel-met-zwarte helm, hij lijkt wel een hommel. Van de weeromstuit bekijk ik mijn fietsende zelf en stel vast dat ik er niet Vlaams doch veeleer Belgisch uitzie, met wat geel maar toch overwegend rood en zwart. (Ik besef dat dit volslagen oninteressante autobiografische informatie is, maar misschien is het toch niet geheel onbelangrijk – ik weet het niet.) Het is een tijd geleden dat ik hier rondfietste, de herfst is in het landschap getreden. De populieren zijn hun blad kwijt, de velden zijn geoogst, er is meer oker en ook luidruchtig zwart gevogelte. Ik kruis twee voor CSC publiciteit voerende wielertoeristen die mij, vreemd genoeg aangezien ik ze was gekruist, een paar kilometer verder, langs de dubbele vaart, inhalen. Er is een stuk fietspad bijgekomen, ik kan nu verder langs de dubbele vaart en rij tot aan de rijksweg van Aardenburg en Maldegem. Daar maak ik rechtsomkeert, de oostenwind blaast me nu in de rug. Ik zit met iets van dEUS in m’n hoofd en denk aan heel veel dingen. Te veel, eigenlijk.

Ryckevelde 328


Mijn eigen namen (29)

AMAZONE
Drie herinneringen. Disparaat; twee hebben met een auto te maken, een met een rocksong.
1) Dat ene halfjaar dat ik ooit bij een jeugdbeweging was: de scouts. Om de een of andere reden zitten we met de hele patrouille in de auto van de aalmoezenier. We rijden op het wegje tussen het Zoute en het Zwin. Onder ons de aaneenschakeling van betonstroken – het staccato van de teernaden. Met vijf of zes – kinderen nog – zijn we overgeleverd aan de ondeugd van de aalmoezenier: hij trapt de Volvo Amazone op de staart en we halen in het rechte stuk voor de haakse bocht naar links honderd zestig per uur. Heel even maar, maar toch lang genoeg. Ik denk nog even wat als we nu een klapband hebben maar het is al voorbij. Het heeft geen pijn gedaan.
2) Een song op een elpee: Stranded. From A-ma-zo-na to El-do-ra-do, laveert Ferry erg nadrukkelijk spellend tussen de lettergrepen door. Waarna gitaren enkele wanklanken voortbrengen, en de compositie met horten en stoten op gang komt. Op de hoes smacht het gestrande fotomodel: ze ligt languit op het gras, handrug tegen het voorhoofd, tanden zichtbaar in een kreunende mond; het rode kleed kleeft nat tegen het lijf waarvan de vormen te raden overlaten. (En op de achterkant zingt Ferry Frans in ‘Song for Europe’: tous ces moments / perdus dans l’enchantement / qui ne reviendront / jamais…)
3) Nostalgie kenmerkt de derde amazonische herinnering. Opnieuw bevind ik mij in zo’n Volvo, bouwjaar ergens eind de jaren zestig, dit keer is het geen pastoorsbeige maar een donkerblauwe. Onder de immense kap slikt, neen, zwelgt de motor a rato van twintig liter per honderd kilometer. X rijdt, zij komt nauwelijks boven het stuur uit, het chroom van het dashboard harmonieert met de kleur van de carrosserie. We deinen over de rijksweg, de eikenrijen snellen stroboscopisch aan ons voorbij. We hebben geen geld, we hebben geen liefde. En als er al liefde is, dan is het een onmogelijke. Het enige wat ons bindt, op dit moment, is het feit dat we samen in de Amazone zitten en dat we over de rijksweg deinen en dat we niets om te delen hebben, sauf le passé

zaterdag 15 oktober 2005

vrijdag 14 oktober 2005

Ryckevelde 327


Bretagne 5


Ik lees Proust niet, ik vertaal hem (33)

Ainsi, de ce Paris des profondeurs nocturnes duquel avait déjà émané jusque dans ma chambre, mesurant le rayon d’action d’un être lointain, le message invisible, ce qui allait surgir et apparaître, après cette première annonciation, c’était cette Albertine que j’avais connue jadis sous le ciel de Balbec, quand les garçons du Grand-Hôtel, en mettant le couvert, étaient aveuglés par la lumière du couchant, que, les vitres étant entièrement tirées, les souffles imperceptibles du soir passaient librement de la plage où s’attardaient les derniers promeneurs à l’immense salle à manger où les premiers dîneurs n’étaient pas assis encore, et que, dans la glace placée derrière le comptoir, passait le reflet rouge de la coque et s’attardait longtemps le reflet gris de la fumée du dernier bateau pour Rivebelle.
(II:734)

Zo gebeurde het dat vanuit die nachtelijke diepten van Parijs, waaruit al eens, met de actieradius van een veraf wezen, de onzichtbare boodschap tot in mijn kamer was doorgedrongen, het de Albertine was die ik destijds onder de luchten van Balbec had gekend die, na deze eerste annunciatie, zou oprijzen en verschijnen – Balbec, waar de obers van het Grand-Hôtel tijdens het plaatsen van de couverts werden verblind door het licht van de ondergaande zon. Dit licht kwam op de onwaarneembare luchtlagen van de avond vrijelijk vanaf het strand waar de laatste wandelaars nog bleven dralen aanwaaien door de volledig openstaande ramen, tot in de immense eetzaal waar de eerste gasten voor het avondmaal nog niet waren gaan aanzitten en waar het, in de spiegel die achter het buffet stond opgesteld, de rode weerspiegeling van de romp deed verschijnen en ook de grijze weerspiegeling van de rook van de laatste boot naar Rivebelle.

En zo, uit dat Parijs vol nachtelijke ondoordringbaarheid vanwaar naar mijn kamer, de actieradius afmetend van een verre ziel, de onzichtbare boodschap al was uitgegaan, zou er nu opdoemen en verschijnen, na deze eerste verkondiging, die Albertine die ik eertijds had gekend onder de hemel van Balbec, wanneer de kelners van het Grand-Hôtel bij het tafeldekken verblind werden door het ondergaande zonlicht, wanneer, door de geheel weggeschoven ramen, de haast onmerkbaar suizelende avondwind vrijelijk van het strand waar nog de laatste wandelaars talmden binnenkwam in de immense eetzaal waar de eerste etensgasten nog niet waren gezeten, en wanneer in de spiegel achter het buffet de rode weerschijn voorbijgleed van de romp en lang de grijze weerschijn achterbleef van de rook van de laatste boot naar Rivebelle.
(Cornips IV:140)

donderdag 13 oktober 2005

Ryckevelde 326


Suds and soda (dEUS in de AB, Brussel, 12/10/05)

De band is op de duur onzuiverder beginnen te spelen; de man achter de knoppen heeft het volume stilaan opgetrokken; Janszoons viool begint, vooral in de hoge registers, pijnlijk in de oren te snerpen. Met ‘Suds and Soda’ bereikt het concert een zoveelste hoogtepunt. Het rechtopstaande deel van het publiek laat zich door het schorre scanderen in de strofe gewillig opzwepen. De achter de groep opgehangen spotlichten wentelen, kantelen, flikkeren stroboscopisch; Barman staat spastisch van neen te schudden terwijl hij zijn gitaar geselt. Dan valt de muziek even stil, de hele zaal onder mij (maar ook de gaanderijen op de zijkanten, en de tribune met zitplaatsen achterin waar ik heb plaatsgenomen) baadt in het licht, en de massa heft, na het staccato van daarnet opvallend melodieus, het hymnische refrein aan: there is always something in the air / sometimes, / suds & soda mix OK with beer / can I / can I break your sentiment… Een zee van geheven armen en reikhalsende hoofden, drijvend op de mist van sigarettenrook en wietdampen. Even voel je de orgastische extase in deze zaal; drankbekers, uit puur enthousiasme weggekeild, vliegen door het van klanken en licht en energie gevulde luchtruim en doen je even, heel even, denken dat álles kan. En dat heb ik nooit eerder meegemaakt. Het was een duizelingwekkende, gevaarlijke, aanlokkelijke, bedwelmende, verdovende sirenenzang.

dinsdag 11 oktober 2005

maandag 10 oktober 2005

Bretagne 3


Trois couleurs

Dit is wat overblijft van een beschaving. Trois couleurs: bleublancrouge. Een restje hoopvol blauw, een wat bredere strook met het giftige loodwit van teleurgestelde verwachtingen, een laag aarderood - al aangekondigd door het roest in het wit - van het verzonkene. De grenspaal van een ooit trots land, een vergeefse poging om het Fort Europa, dat niet wachtte op barbaren, gesloten te houden. Nu staat het daar, in dat toekomstig museum, hengelend naar aandacht van de dan actuele bezoekers, die met evenveel voeling voor het verleden als wij bij de vaas van Fix of een Romeinse munt of een brok lava door de Etna uitgespuwd naar dat stomme, met een rest van trots fier rechtop staande, een rest van fleurigheid bewarende maar eigenlijk niet aan immense treurigheid ontsnappende object kijken. Iemand zaagde die plank, iemand bereidde de verf en de grondstoffen voor die verf. Iemand mengde de kleuren en vervaardigde het penseel waarmee nog weer iemand anders dit stuk hout verfde. Iemand sloeg de paal in de grond en iedereen vergat hem. En iemand plaatste hem in het museum dat aan onze beschaving is gewijd.