![]() |
| Sint-Michiels, tuin Psychiatrisch Ziekenhuis |
dinsdag 9 juli 2013
de wereldgeschiedenis in 100 voorwerpen 3
(gebaseerd op Neil MacGregor, Een geschiedenis van de
wereld in 100 voorwerpen)
Vuistbijl uit Olduvai (1,4 – 1,2 miljoen jaar oud)
De handige vorm was al aanwezig in de ruwe klomp
toen de steentijdmens hem tussen duizend
andere zag en aan ’t kloppen en klieven ging.
(Waarmee?)
Daarmee was de tijd in ‘t spel gebracht.
Tussen inzicht, plan en uitvoering lag
het hardnekkige verlangen te blijven bestaan:
duur.
Het resultaat was multifunctioneel en poly-inzetbaar.
Een kostbare tool,
slim vervaardigd, passend in elke kit.
Het was boormachine en mes. Werktuig en wapen
in één.
Snijden kon je ermee. En schrapen, kloppen, schaven.
Ciseleren, krassen, tekenen, villen. Kelen over-
halen, iemand de kop inslaan. Loop naar de maan.
Beschaven.
Uitstel en verlangen deden hun intrede. De tot vuistbijl
uit elkaar geslagen steen deed plannen maken.
Een kwestie van met taal de angst te overwinnen.
Ideeën.
Met een vuistbijl kon je het afwezige aanwezig stellen,
en zodoende vijlen aan ideeën en ideologieën:
later, veel later, voldoende reden om op elkaar
in te hakken.maandag 8 juli 2013
los ingeslagen 101 / ingeprent 4
11 mei 2013
Een paar dagen geleden was ik op de opening van de World Press Photo-tentoonstelling in CC
Scharpoord in Knokke. Al tijdens de toespraak waarschuwde de schepen van
Cultuur dat de beelden niet altijd ‘prettig’ waren. ‘Het is geen prettige
tentoonstelling.’
Je zou hieraan een gemakkelijke sociologische sneer kunnen
verbinden en zeggen: ‘De Knokse beau
monde was gewaarschuwd.’ Je zou je zelfs kunnen verwonderen over het feit
dat het Knokse gemeentebestuur überhaupt middelen vrijmaakt om elk jaar opnieuw
de World Press Photo-tentoonstelling
te organiseren want, inderdaad, de beelden die er worden getoond zijn hoogst
ongemakkelijk. Ik flaneerde er en voelde me een beetje – hoe zal ik het zeggen
– miscast wanneer ik, met een glas Vedett in mijn knuist voorbij het
zoveelste opengereten lichaam, het zoveelste met blauwzuur verminkte gelaat, de
zoveelste opname van schreeuwende en van een bombardement weghollende kinderen
kwam.
De indruk was zelfs in die mate pregnant dat ik
sympathiseerde met het schoon volk dat verzuchtte dat het toch wel echt gruwelijke beelden waren. Ik hoorde in
elk geval niemand zeggen dat het mooie
beelden waren.
Ik heb vragen bij dit soort tentoonstellingen. Uiteraard
besef ik dat het belangrijk is dat persfotografen, vaak in zeer gevaarlijke
omstandigheden, beelden van onrecht en gruwel maken en verspreiden over een
wereld die daar anders geen kennis van zou kunnen nemen – waardoor zij in
aanzienlijke mate bijdragen tot bewustwording en, in het beste geval, tot het
terugdringen van het onrecht en de gruwel. Ik begrijp dat die persfotografen op
zoek gaan naar treffende, emotionele, desnoods schokkende beelden. Ik herinner
mij de foto’s die ons eind jaren 1960-begin jaren 1970 uit Vietnam en Biafra bereikten.
Die hadden een enorme impact. Ethiopië had het, een paar decennia later, al heel
wat moeilijker om ons te mobiliseren. Nu weet ik niet of nog iemand opkijkt van
een hongerend kind – of het moet er een zijn met vliegen in de ogen, zo
mogelijk in dramatisch zwart-wit. U begrijpt wat ik bedoel. Ik bedoel: er is
een opbod ontstaan. En dat is heel goed merkbaar op de World Press Photo-tentoonstelling. In die mate dat je je kunt
afvragen of het wel ethisch te verantwoorden valt dat hieraan een wedstrijd
wordt verbonden, een tentoonstelling, een vernissage met Cava en Vedett.
![]() |
© Paul Hansen
|
De winnende foto – van Paul Hansen, we zien enkele mannen die twee
dode kinderen van een zoveelste onheilsplek wegbrengen – heeft volgens mij
vooral emotionele kwaliteiten. Uit de foto valt niet af te leiden om welk
conflict het gaat, aan welke zijde de slachtoffers zijn gevallen, door welk
incident. De foto heeft ook geen bijzondere esthetische kwaliteiten. Hij is in
technisch opzicht oké, daar niet van (goed belicht, scherp, dat soort dingen),
maar hij vertoont geen bijzondere compositorische eigenschappen, er is weinig
te merken van een Cartier-Bressoniaans
moment décisif, de elementen in de
foto gaan met elkaar geen dialoog aan waardoor wij – zoals bij écht goede, in
esthetisch opzicht goede en dus mooie foto’s
het geval hoort te zijn – de foto moeten lezen
en op die manier tot een lectuur komen die méér inhoudt dan het zogenaamde
‘eerste zicht’. Over deze foto valt niet meer te vertellen dan dat hij ons
emotioneel raakt: wanhopige mannen dragen hun dode kinderen weg – daarbij
blijft niemand onberoerd. Conclusie: de fotograaf heeft veeleer een emotie
willen vastleggen dan dat hij een mooie foto heeft willen maken. Hij is meer
overbrenger van emoties dan fotograaf.
driekleur 122
Hij was in het zwart, broek, pullover, een wit openstaand kraagje, gouden ketting met medaillon op zijn borst. Zijn gezicht was dik geworden, hij is van nature erg bleek, en hij had een te roze poeder en een te rood mondstift gebruikt, waardoor hij een popperig en pafferig uiterlijk kreeg.
Hans Warren, Geheim
dagboek 1952-1953, 149
driekleur 121
Ik sloeg het dek weg en zag al het vuil dat Habib achter gelaten had in harde brokjes. En gitzwarte haartjes. Van mij geel en rood vocht, uit mijn oog, op het kussen.
Hans Warren, Geheim
dagboek 1952-1953, 171
driekleur 120
Het wit afgewisseld met het blauw van de bluebells en ereprijs, het roserood van koekoeksbloemen, het geel van de sleutelbloemen. Een andere tint wit van de hoornbloem. Alles zo fris, ongerept. Een machtige kastanje in volle bloei.
De rotsen: krijtwit, fel beschenen door de zon, loodrecht
oprijzend uit de oceaan. Een duizeling bevangt me altijd wanneer ik de rand
nader, platgetreden door de meeuwen die zich er met opengespannen wieken af
laten vallen. De minste windstoot doet me vrezen. Diep onder me het wiegende
zwartbruine wier in felblauw, glashelder water waarop minuscule witte bolletjes
drijven: zilvermeeuwen. Een groep zwarte, prehistorisch lijkende aalscholvers
met slangenhalzen op de witte top van Old Harry.
Hans Warren, Geheim
dagboek 1952-1953, 149
wolken 671-685
wolkenfragmenten
uit Vladimir Nabokov, Lente in Fialta
671
De lente in Fialta is bewolkt en somber. (7)
672
De wolken aan de starende hemel geven elkaar
door langzame tekens ongelooflijk gedetailleerde inlichtingen over hem. (68)
673
Het werd nacht; een glibberig glanzende maan vloog zonder
de minste wrijving door chinchilla-wolken, en Eleanor, terugkerend van
het bruiloftsmaal, en nog helemaal tintelend van de wijn en de gepeperde
grappen, liep op haar gemak naar huis en dacht onderwijl aan haar eigen
bruiloftsdag. (113)
674
Spichtige wolken – de hazewinden van de hemel.
(118)
675
Maar plotseling klommen allen op een of ander station
de trein uit en het was al donker, hoewel in het westen nog een heel lange,
heel rose wolk hing, en verderop langs de spoorbaan beefde de ster van
een lamp met het hartbrekend licht door de lome smook van de locomotief en
krekels sjirpten in het duister en ergens vandaan kwam de geur van jasmijn en
hooi, mijn lief. (121)
676
Het was een zuiver, blauw meer, waarvan de oppervlakte
een ongewone expressie had. In het midden weerspiegelde zich in zijn geheel een
grote wolk. (122)
677
(…) vanuit het raam had je een helder gezicht op het
meer met zijn wolk en zijn kasteel, in een roerloze en volmaakte
correlatie van geluk. (124)
678
De hemel was een chaos van zwarte en vleeskleurige wolken
met een dreigend doorbrekende zon achter een hoge heuvel, en de dode man lag op
zijn rug onder een stoffige plataan. (149)
679
Zo ziet een man die door een enorme telescoop kijkt
niet de vederwolken van een nazomer boven zijn betoverde boomgaard, maar
wel, zoals mijn betreurde collega, wijlen professor Alexander Iwantsenko twee
keer overkwam, het krioelen van de hesperozoa in een vochtige vallei van de
planeet Venus. (161)
680
Bij het naderen van New York waren reizigers in de
ruimte altijd even sterk onder de indruk van de ouderwetse ‘wolkenkrabbers’
als reizigers in de tijd dat zouden zijn geweest; dat ‘wolkenkrabbers’
was een verkeerde benaming, want hun omgang met de wolken riep, vooral
aan het hemelse einde van een broeiend-hete dag, bepaald geen associaties van
een krabbend contact op, maar was onbeschrijflijk teer en sereen (…) (164)
681
En laat ik de maan niet vergeten – want een maan moet
er bij zijn, die volle, ongelooflijk heldere ronde schijf die zo goed past bij kloeke
Russische koude. Daar komt hij dus aan, uitlaverend tussen een kudde
appelgrauwe wolkjes, die hij een vaag iriserende tint verleent (…) (186)
682
De zomermiddag is vol hoge wolken die worstelen
met het blauw. (192)
683
Ik keek naar een wolk en kon mij jaren later
zijn vorm nauwkeurig voor ogen halen. (193)
684
En als ik opkeek, zag ik hangend aan touwen van gevel
naar gevel, hoog boven de straat, grote, strak-gladde, half-doorzichtige
banieren wapperen wier drie bleke strepen – bleekrood, bleekblauw en alleen
maar bleek – door de zon en de vliegende schaduwen der wolken beroofd
waren van enig té bot verband met een nationale feestdag (…) (198)
685
In feite veronderstel ik dat mijn jonge afstammeling
in zijn eerste nacht daarginds, in de fantasie-stilte van een onvoorstelbare
wereld de oppervlakteverschijnselen van onze aardbol moet beschouwen door de
diepte van haar atmosfeer; dit zou betekenen stof, verspreide weerkaatsingen,
nevel, en allerlei soorten optische valkuilen, zodat continenten, als zij al
opdoemden door de wisselende wolken, zouden langsglijden in vreemde
vermommingen, met onverklaarbare kleurenschijnsels en onherkenbare omtrekken. (218)
zondag 7 juli 2013
zaterdag 6 juli 2013
facebookbericht 391
Toen ik eens aan mijn vader een brief wou schrijven om een
en ander uit te klaren, waarschuwde hij me: 'Niet zoals Kafka hé, want dan lees
ik hem niet!'
facebookbericht 390
De Recherche in
het Nederlands alleen nog tweedehands verkrijgbaar...? Ik schrok ook toen ik
dat las. Maar toch ook weer niet want toen ik een jaar of twee geleden
voorstelde om voor de leesclub die ik begeleid Combray te lezen, werd het voorstel afgekeurd omdat de bibliotheek
niet genoeg exemplaren bij elkaar wist te harken – let wel, niet alleen in
Brugge niet maar, met het interbibliothecair verkeer, in heel West-Vlaanderen
niet. Overigens kan ik wel verstaan dat de vertaling van Cornips niet echt
aanslaat. Ik moet er vaak het Frans bij nemen om de indruk te hebben dat ik
begrijp wat Proust bedoelde.
los ingeslagen 100
11 mei 2014
De coïncidenties van de lectuur, van het meerdere boeken
tegelijk lezen. Zo vind ik vandaag in twee totaal van elkaar verschillende
boeken – boeken kunnen niet méér van elkaar verschillen – dezelfde idee terug:
eigennamen kleuren onze perceptie van datgene wat, of diegene die, die
eigennaam draagt.
In De droom van de Ier
beschrijft Mario Vargas Llosa hoe de cipier van Roger Casement Casement in
vertrouwen neemt en hem vertelt over zijn tijdens de Eerste Wereldoorlog op het
slagveld gesneuvelde zoon. Dat is schrijnend want de Ier Casement bromt in een
Britse cel omdat hij heeft gecollaboreerd met de Duitsers en dus mede schuldig
is aan de dood van die zoon. Casement geraakt betrokken bij wat zijn cipier
vertelt en vraagt op een gegeven ogenblik hoe die gesneuvelde zoon heet. Dat is
een daad van intimiteit: ‘Als je de namen van mensen kent, kun je je hen beter
voorstellen. En aanvoelen, ook al ken je ze niet.’ Het is op zich een bizarre
gedachte – maar we begrijpen allemaal wat hier wordt bedoeld. De naam lijkt ons
dichter te brengen bij de persoon. Stel dat we iets vertrouwelijks over iemand
te weten zouden komen, zonder dat we ooit zijn naam zouden kennen, we zouden
het gevoel hebben dat iets essentieels ontbreekt. (Het is ook het eerste, of na
de vraag naar het geslacht het tweede, wat we vragen als een kind geboren is:
Hoe heet het?, alsof dat essentiële informatie zou opleveren.) De passage van
Llosa is des te treffender omdat hij volgt na de bedenking van de cipier dat er
van zijn zoon geen stoffelijke resten zijn. Hij kan het graf van zijn zoon niet
eren, hij kan er geen bloemen op zetten, hij kan er niet gaan bidden. Het enige
wat van zijn zoon overblijft zijn wat herinneringen, en de naam.
Proust thematiseert het gegeven ‘eigennamen’ uitdrukkelijk
op verschillende plaatsen in A la
Recherche du temps perdu. Onder meer in Rondom
Mme Swann, het eerste deel van In de
schaduw van de bloeiende meisjes. Marcel is uitgenodigd voor een diner bij
Mme Swann. Hij verneemt dat ook zijn favoriete schrijver Bergotte aanwezig zal
zijn, en hij is danig van zijn melk wanneer blijkt dat deze Bergotte een
fysieke verschijning heeft die helemaal niet overeenstemt met het beeld dat hij
er zich, op basis van de boeken van zijn geliefde schrijver, van heeft gevormd.
Maar ook op basis van diens naam. Daarom noemt Proust de namen dessinateurs fantaisistes – en hij
bedoelt daarmee tekenaars die zich niet tot de werkelijkheid bepalen: ze tonen
ons des gens et des pays des croquis si
peu ressemblants que nous éprouvons souvent une sorte de stupeur quand nous
avons devant nous, au lieu du monde imaginé, le monde visible (548:20-24).
Dezelfde idee wordt hier geëxpliciteerd als bij Vargas Llosa, maar dan in
omgekeerde zin: namen lijken ons in overeenstemming te moeten zijn met een door
ons ingebeelde werkelijkheid, in die mate dat als dat niet het geval blijkt te
zijn, wij daarop met een soort van verbazing (stupeur) reageren.
donderdag 4 juli 2013
facebookbericht 389
Weet u, mijnheer Plum, sinds ik uw notities volg, vraag ik
mij dikwijls af hoe het nog zou zijn aan de Moervaart. En kijk, alweer niets
dan positieve, gunstig stemmende tijdingen! Ik zie zo die rosse koeien van
Claus voor me, het doet me plezier dat u Proust naar het Waasland hebt
overgebracht, het stelt me gerust dat u ook blij kunt zijn met een
glansprestatie van een compatriotte. Goeie dag nog verder, en geniet van de
zomerse dagen die in het verschiet liggen! Mag ik vragen, volgt u ook de Tour
op uw laptop?
woensdag 3 juli 2013
wolken 665-670
wolkenfragmenten
uit Niccolò Ammaniti, Laat het feest
beginnen!
665
Saverio Moneta zat op de bank en zag een zeevloot van
dikke, zwarte, gekronkelde wolken in de richting van Oriolo Romano
drijven. (60)
666
Met elke vezel van zijn lichaam voelde hij dat dit het
begin was van een nieuw leven, hij moest alleen de moed hebben om zich te
verzetten. En dat kwam niet door Gerry Scotti en ook niet door de wolk
met het gezicht van Satan die als een voorteken aan hem was verschenen (…) (72)
667
Het leek wel alsof hij naar de slotscène van King Kong keek. Wanneer dat meisje naast
die aap staat die van de wolkenkrabber is gevallen. (212)
668
Het monster smeet hem tegen een boom en het laatste
wat Saverio zag voordat hij te pletter viel tegen een boomstam was de maan,
rond en immens, die een opening had weten te vinden tussen de melkwitte sluiers
van de wolken. (239)
669
Sasà Chiatti wankelde met zijn negentig kilo en leek
de klap goed te hebben doorstaan, maar viel toen om als een wolkenkrabber
waarvan de fundamenten zijn ondermijnd. (251)
670
Ook Piero Ristori verplaatste zijn blik omhoog en zag
in de bewolkte hemel een zwarte schijf die ronddraaide boven de
gebouwen, boven de weg. (281)
wolken 657-664
wolkenfragmenten
uit Mario Vargas Llosa, De droom van de
Ier
657
Op die rustige avond in Matadi, onder een wolkeloze
hemel bezaaid met sterren die zich spiegelden in de rivier en bij het zachte
ruisen van een warme wind die hun haren verwarde, begonnen Casement en Horte,
liggend in hangmatten naast elkaar, een gesprek (…) (54)
658
Bij het aanbreken van de dag was het bewolkt en
er dreigde onweer, maar de bui barstte niet los en de hele ochtend was de
atmosfeer elektrisch geladen. (82)
659
Door de getraliede raampjes onderscheidde Roger een
paar flarden van grote, donkere wolken. (108)
660
De maan was achter een paar wolken verdwenen,
maar er stonden nog sterren aan de hemel. (134)
661
Buiten scheen de zon, de hemel was wolkeloos en
het begon warm te worden. (138)
662
Op 31 december vertrok de SS Terence met bestemming
New York en daar nam hij meteen de trein naar Washington, zelfs zonder zich de
tijd te gunnen de wolkenkrabbers te bewonderen. (281)
663
Op het bordes van het hoofdpostkantoor, onder een bewolkte
hemel die regen aankondigde, in aanwezigheid van honderd, misschien tweehonderd
mensen gewapend met jachtgeweren, revolvers, messen, pikhouwelen en knotsen,
hoofdzakelijk mannen maar ook een behoorlijk aantal vrouwen met hoofddoeken,
verhief zich de magere, tengere, ziekelijke gestalte van Patrick Pearse (…)
(308)
664
In plaats van een historisch overblijfsel trof Roger
in Connemara een spectaculair contrast aan tussen enerzijds de schoonheid van
gebeeldhouwde bergen, half door wolken bedekte hellingen en ongerepte
meren aan de oevers waarvan de inheemse pony’s rondliepen, en anderzijds mensen
die in schrikbarende armoede leefden, zonder scholen, zonder artsen, totaal aan
hun lot overgelaten. (339)
dinsdag 2 juli 2013
maandag 1 juli 2013
los ingeslagen 99
7 mei 2013
Gisteren was I. hier. We spraken over zijn sauna, hij wil er
un espace désoeuvré van maken. Hij
leest over zuiveringsplaatsen in verschillende culturen. De mystiek van de
sauna. Het sjamanistische reinigen. En hij vindt bij Franse filosofen min of
meer wat hij zoekt. Bataille, Blanchot, Barthes. En een zekere Nancy – uit te
spreken zoals de Franse stad; mij niet bekend, moet ik nog even opgoogelen. Kijk,
Jean-Luc Nancy dus heeft het niet over l’espace
maar over la communauté désoeuvrée.
Het woord désoeuvrée is onvertaalbaar,
vindt I., het heeft iets te maken met het achterwege laten van alle
utiliteitsdenken. Het totalitaire pragmatisme. In die communauté désoeuvrée moet een opening kunnen ontstaan naar een
transcendentie. Maar in dat moet ligt
natuurlijk de hele paradox: hoe kun je dat soort ervaringen, dat je moet overkomen, organiseren? I. geeft het
voorbeeld van zo’n opening, hoe die zich ook in het dagelijkse leven kan
voordoen. Stel, je zit op een trein die een eind moet halt houden vanwege een
‘personenongeluk’: iemand die zich voor de trein gegooid heeft. In de wagon
ontstaat een stilte. De dingen waarmee iedereen zich afzonderlijk bezighield,
worden opeens triviaal. Er ontstaat iets wat de mensen, die tot voor het
ongeluk onverbonden waren, samenbrengt. Ik vind het voorbeeld een beetje
drastisch. Een uur vertraging zonder ‘personenongeluk’ kan al voldoende zijn om
een dergelijke verbondenheid teweeg te brengen. Laat ons hopen dat er niet
telkens iemand zich voor de trein moet gooien om te kunnen ervaren wat Jean-Luc
Nancy bedoelt.
In het tweede gedeelte van ons gesprek – na het gezamenlijke
eten met G. en in het steeds killer wordende Visartpark, met een fles wijn, op
een bank gezeten – hebben we het over de zelfmoord van F., in 1990. De crimes van de psychiatrie. F. had zich,
vanwege zijn zelfmoordneigingen, twee maanden laten opnemen. Hij was naar huis
gestuurd met de lading antidepressiva die hij had opgespaard in zijn koffer.
Hij liet een vaste vriendin na. (…)
Dan hebben we het over liefde en relaties. (…) Hartstocht. Wat
is hartstocht? Ik zeg dat ik het niet weet. (…)
Abonneren op:
Posts (Atom)
















