woensdag 6 augustus 2014

tour 115



12 mei 2014

dag 14.1

Weet u hoe oud ik ben? Dat is een van de allereerste dingen die Joseph me zegt. Hij ziet er bijzonder goed uit voor zijn 73 jaar. Ik zeg hem dat uiteraard, een beetje obligaat maar ook welgemeend. Joseph vertelt me er meteen gratis bij hoe hij dat voor elkaar heeft gekregen. J’aime regarder les belles femmes. Dat klinkt schalks. We hebben geen kans om verder op dit interessante onderwerp in te gaan want daar komt Josiane al aan. Son épouse. Zij is twaalf jaar jonger. Je l’ai achetée avec la ferme!, lacht Joseph. Josiane is al even vriendelijk als haar man. Ze toont me waar alles in de gîte te vinden is en hoe ik de dingen moet gebruiken.

Josiane en Joseph zijn allerhartelijkste en bijzonder praatvaardige en -grage mensen, die heel attent en vriendelijk luisteren en spreken. Een verademing.

Zo verneem ik van Joseph dat hij in 1948 met zijn ouders uit Italië (Veneto) hierheen is gekomen, hij was toen zeven jaar oud. Zijn vader werkte bij boeren en hielp ook bij de aanleg van de weg op de Galibier. Door hard te werken kon Joseph, die aanvankelijk Giuseppe heette maar bij zijn naturalisatie tot Fransman ook zijn naam liet verfransen, in 1972 de boerderij kopen. Wanneer ik opmerk dat dat ook alweer bijna een halve eeuw geleden is, kijkt hij verrast op. Vous avez raison. En hij glimlacht.

Bij het ontbijt vertel ik Josiane van mijn tour en wat ik om den brode doe en ik informeer naar haar kinderen en kleinkinderen. We hebben het even over huwelijken die niet meer blijven duren zoals vroeger, een van haar kinderen is ook gescheiden. Ik kondig aan dat ik besloten heb om een dag te blijven, ook al blijft de geannonceerde regen uit. Omdat ik me hier zo goed voel. Zo op mijn gemak, zo thuis. En ik inviteer het paar op het avondeten. Chez moi!

Ik ga dus inkopen doen in het anderhalve kilometer, aan de andere kant van het Canal du Midi gelegen dorp. Sérignac-sur-Garonne is een mooi oud dorp, met enkele onregelmatig gevormde arcades rond het centrale pleintje en een Romaanse kerk met een vreemd getorseerde torenspits. Alsof een reus de kerktoren als kurketrekker heeft gebruikt. Langs de hoofdweg, de nationale (rood) tussen Bruch en Brax (en verder naar Agen), zijn de Spar gevestigd, een (gesloten en – o optimisme! – ‘over te nemen’) bar, een coiffeur en een institut de beauté. En natuurlijk ook de onvermijdelijke pharmacie. Ondertussen heb ik vernomen hoe het komt dat er in zowat elk dorp apothekers zijn. Meer dan slagers of bakkers of kruideniers in elk geval. Dat moet zo, van overheidswege. Apotheken moeten er overal zijn, om de zieke Fransen – de echte én de ingebeelde – aan geneesmiddelen te helpen. Apotheker lijkt me op die manier het best beschermde beroep in dit land.


Ik stop mijn fietskleren in de wasmachine, geef mijn fiets een klein onderhoud, en installeer me ten slotte met mijn laptop aan de tuintafel onder het afdak. Tot na de middag de wind komt opzetten, dan wordt het te koud en werk ik binnen voort. Joseph laadt een twintigtal bakken vers geoogste en afgespoelde blinkende blette in (groen-witte groente, warmoes?). Hij gaat ze deze namiddag in Agen op een groothandelsmarkt verkopen. Op bestelling, met gegarandeerde aftrek dus. De twintig bakken zullen hem 180 euro opleveren, ongeveer alles officieel. Ik durf niet te vragen hoeveel uren werk hierin steken. Joseph legt uit dat blette een weinig gegeerde maar daarom niet minder lekkere groente is. Je kunt hem met tomaat eten, of met een bechamelsaus. Zelf lust Joseph zijn blette vooral met een goede entrecôte. We hebben het over werken. Dat de jeugd niet staat te springen om zijn bedrijf over te nemen. Tja, hij heeft een kleinzoon die hier toen hij nog klein was twee vakanties is komen helpen en toen zei dat hij de boerderij zou overnemen. Maar die is ondertussen volwassen geworden en van gedacht veranderd. Nu moet het allemaal du numérique zijn. En dan, ouwe jongens krentenbrood onder elkaar, hebben we het over arm geboren zijn, leren werken, bereid zijn je handen vuil te maken. Ze leren niet meer schrijven met de hand, emmer ik vanuit mijn vakgebied. Wij moesten nog een handschrift ontwikkelen met pen en inkt. Daarbij maakte je vlekken en je vingers vuil. Joseph vertelt hoe hij als kind voor dag en dauw uit de veren moest om eerst een uur of twee op het land te werken alvorens naar school te gaan. Dat deed hij goed, naar school gaan – hij zou graag verder hebben gestudeerd en in de politiek zijn gegaan. Maar dat geluk heeft hij nooit gekend. Ik zeg hem: je hoeft toch geen diploma te hebben om aan politiek te doen? Il n’y a pas de pauvres au parlement, antwoordt hij en daar heb ik niet van terug.