vrijdag 17 juni 2005

Mijn woordenboek (90)

ACCROCHAGE
Het meest verwonderlijke aan het ophangen van lijsten met foto’s of schilderijen of kruissteekwerkjes aan een muur, is de meticuleuze precisie waarmee dat altijd gebeurt. Aan de hand van het formaat van de lijst en de inplanting van het haakje op de achterkant wordt afgepast waar precies het gat in de muur moet komen voor de nagel of de haak (te kiezen in functie van het gewicht). De bovenkanten van naast elkaar hangende lijsten moeten bijvoorbeeld – dat is slechts een van de vele mogelijkheden maar ik neem dit als voorbeeld omdat dat het meest voor de hand liggende is en ook voor de lezer van deze nodeloze uitweiding het gemakkelijkst voor te stellen – de bovenkanten dus van de naast elkaar hangende lijsten moeten precies op dezelfde denkbeeldige lijn komen te liggen. Dat is op de een of andere manier van uitzinnig groot belang. Bij meer dan twee lijsten naast elkaar – drie of elk willekeurig natuurlijk getal hoger dan drie; vier of vijf of zes of ga zo maar door, in functie van het aantal voorradige illustraties (die bovendien iets met elkaar te maken moeten hebben zodat ze een reeks vormen, dat spreekt vanzelf, wat hun ophanging in een dergelijke reeks moet rechtvaardigen) maar ook in functie van de hoeveelheid beschikbare (en uiteraard volkomen identieke) lijsten én van de lengte van de kamer en, daarin, van de vrije ruimte op de muur – bij meer dan twee lijsten naast elkaar dus is ook, behalve die denkbeeldige horizontale lijn ook de tussenruimte tussen twee lijsten van cruciaal belang. Die moet tussen lijst 1 en lijst 2 natuurlijk precies even breed zijn als tussen lijst 2 en lijst 3, enzovoort. En zo gaat het nog een tijdje door met allerlei denkbeeldige en niet denkbeeldige ruimtelijke relaties tussen de lijsten onderling en daarenboven ook tussen het lijstenconglomeraat en de contouren van de beschikbare muuroppervlakte – een samenspel van ruimtelijke relaties dat, als alles uiteindelijk aan de muur hangt, een accrochage vormt. Let er maar eens op als je zo’n kamer betreedt: er straalt een bijwijlen ontroerende nauwgezetheid van uit. Je leert de bewoners van het huis kennen aan hun accrochages. (En dan heb ik het niet over de aard van de voorstellingen!) Ontroerend is natuurlijk nog veel meer de sleet die op zo’n accrochage nederdaalt. Het stof op de bovenranden van de lijsten. Het stof op de uit-stekende onderranden. Het stof op de zijranden en op het glas vooraan. Kijk, hier hangt er al eentje scheef. Dat was, gezien de duidelijk beoogde regelmaat, duidelijk niet de bedoeling. Maar scheef hangt dat eentje al. Onmiskenbaar. Daardoor is een nieuwe afstand ontstaan met zijn buur. Niet de oorspronkelijk bedoelde afstand, maar toch ook een afstand, die – binnen een weliswaar andere logica – ook tot op de nanometer nauwkeurig te bepalen valt. En hier, in de hoek van deze lijst, steekt een foto. Hij is door ouderdom aangetast, opgekruld, verbleekt. Hij is vergeten. Deze lijst dan weer is door het gewicht van het glas aan het doorzakken. De onderste rand komt in beide hoeken al los van de opstaande randen. Het is nog maar een kwestie van jaren of het kader valt uit elkaar. Een héél ontroerend experiment, dat aan het licht brengt wat die meticuleuze precisie die bij het accrocheren aan de dag wordt gelegd voorstelt, is het moedwillig verstoren van de strakke ordening in zo’n lijstencompositie. Breng, bijvoorbeeld bij uw schoonmoeder, eens ongemerkt wat scheefte aan. Verwissel twee schilderijtjes van plaats. Of hang er eens eentje omgekeerd aan zijn haak. Zie wat er gebeurt, hoelang het duurt vooraleer er iets gebeurt. En verwonder u over de geringe aandacht die aan deze kamergarnituur wordt geschonken. Ja, over hoe blijkbaar de totale hoeveelheid aandacht ervoor in grote mate geconcentreerd is in die ene handeling van het accrocheren. Alsof het aankleden van de kamer belangrijker is dan waarmee dat gebeurt en wat er dan mee gebeurt.