dinsdag 16 december 2025

Jacques Kruithof, Het slotfeest

notitie 506


EEN VERONACHTZAAMD MEESTERWERK

Vier jaar voor zijn vroegtijdige dood verscheen van Jacques Kruithof het zeer lijvige autofictionele document – ik aarzel om het een roman te noemen – Het slotfeest. Ik vond het boek ik weet niet meer wanneer, ik vermoed ergens begin jaren 10, in de ramsj. Ik kende Kruithof van zijn summiere Recherche-handleiding Gezicht op Proust en overwoog dat ik voor welgeteld € 3,99 deze 635 dicht bedrukte bladzijden toch niet kon laten liggen, toch zeker niet omdat ze door een proustoloog waren geschreven.

Maar dat was precies wat ik met dit boek deed, vijftien jaar lang: het laten liggen. Of juister: het laten staan, ergens hoog in mijn bibliotheek, op de van Komrij tot Levi strekkende plank.

Nu ben ik buiten adem, maar ook ademloos. Door de leesmarathon en van bewondering. Het is veel, maar het is zo goed. Het slotfeest is een meesterwerk. Het stond al die jaren op zijn plaats, daar op die bovenste plank.

Groot is dan ook mijn verbazing dat ik op het internet niets vind waaraan ik mijn bewondering kan toetsen. Dat doe ik meestal niet, op het internet kijken vooraleer ik zelf iets schrijf. Maar dit keer was ik toch wel benieuwd. Hoe kon het dat ik over dit boek nooit iets mocht vernemen? Wel, het antwoord lijkt eenvoudig: dat komt omdat er over dit boek blijkbaar maar zeer weinig is gezegd. Daar moet dringend iets aan veranderen want Kruithof en zeker zijn Slotfeest verdienen beter.

Nergens in deze autobiografische of autofictionele roman staan concrete datums. Enkel door zelf de vermelde internationale gebeurtenissen te situeren en aan de hand van een onrechtstreekse afleiding (de negentigste verjaardag van Melchiors in 1901 gebouwde woning) kunnen begin- en einddatum min of meer worden gedetermineerd: 1988, zijnde het jaar, zo vind ik op Wikipedia, waarin Melchiors school wordt geherstructureerd, tot 1991. Jacques Kruithof (1947-2008) ‘verdicht’ de gebeurtenissen tot de periode augustus 1990-juli 1991. Een cruciaal jaar blijkt dat te zijn geweest voor ‘Melchior’, zoals Kruithof zijn hoofdpersonage (de ‘ik’) noemt. Niet alleen in zijn persoonlijke leven (met een carrièreswitch en een nieuwe relatie) maar ook in de ‘grote’ wereld: de geopolitieke evenwichten zijn na de val van de Muur volop aan het verschuiven. Net zoals nu, inderdaad.

Niet alleen ‘Melchior’ is een pseudoniem, ook alle andere personages krijgen – zo valt toch aan te nemen – nieuwe namen. Behalve als ze heel bekend zijn, zoals bijvoorbeeld Gorbatsjov en Jeroen Brouwers. Het lijdt geen twijfel dat sommigen onder hen, die allesbehalve goedgunstig worden beschreven en voor de incrowd zeker en vast herkenbaar zullen zijn geweest, daar niet happy mee waren. Misschien verklaart dat al voor een deel de koude steen waarop dit boek lijkt te zijn gevallen.

Helemaal op het eind dekt Kruithof zich in. Hij benadrukt de onbetrouwbaarheid van het geheugen. De schrijver heeft het goede recht om zich, ook als hij het over zichzelf en zijn leven heeft, achter fictionalisering te verschuilen. Kruithof verstopt zichzelf zelfs achter een dubbele muur door de volgende woorden in de mond van ‘Niels’ te leggen, een van zijn eveneens schrijvende vrienden: ‘Wat je onthoudt, dat ben je, wat je vergeten bent, maakt geen deel van je uit, maar wat eventueel niet “klopt”, en toch mettertijd herinnering is geworden, zelfs datgene wat zich enkel als werkelijkheid aan je voordoet terwijl je schrijft, dat ben je evenzeer, dat is de waarheid die zich in je gevormd heeft.’ En wat verderop, in de eigen woorden van Melchior/Jacques: ‘Het domein van het autobiografische schrijven is de verbeelding, daarin onderscheidt het zich niet van andere fictie.’ Hierdoor kan Melchior/Jacques ook zeggen dat hij de mensen uit zijn omgeving ‘dwingt tot de horigheid der personages’. Wat de schrijver over hen te melden heeft, en waarin zij zich desgevallend kunnen herkennen, is enkel waar binnen zijn constructie, daar hebben zij geen verhaal tegen. Zij zijn ‘de mensen die deze onschuldige cahiers van mij bevolken, en wie ik met enig genoegen mijn wil opleg’ (624-626). Dat mag enigszins stout klinken, maar het moet gezegd dat Kruithof, ook al voel je dat hij bepaalde lieden rauw lust, zijn best doet niet vilein te zijn. De vergelijking van zijn directeur met een ‘gotische waterspuwer’ (301) is een van de scherpste invictieven die in dit boek, waarin nochtans nogal wat wordt afgerekend, zeker met de professionele omgeving waaruit Melchior wordt verstoten. Kruithof is kies genoeg om zijn afkeuring en afkeer vooral tussen de regels te ventileren.

Het slotfeest bestaat uit een afwisseling van (zeer uitgebreide en gedetailleerde) dagboeknotities, verhalende uitweidingen, portretten en essayerende stukken. Een enkele keer wordt het iets te redundant. Laat me stellen dat een betere redacteur toch een vijftigtal bladzijden had kunnen wieden, wat al bij al toch maar een klein percentage is van de geleverde waar. Een ander punt van kritiek – maar dat kan aan onzorgvuldige lectuur liggen – is dat ik niet altijd alle personages (meestal collega’s, al dan niet uit hetzelfde ‘kamp’ als dat van Melchior) uit elkaar wist te houden. Soms is Kruithof daarin wat té elliptisch.

Het verhaal van Melchiors keerpuntjaar wordt gekruid door een opkomende en al vlug in alle hevigheid zich ontbolsterende verliefdheid. Dat zorgt voor een mooi pigment – als lezer sloot ik die Melchior zodanig in mijn hart dat ik voor hem hoopte dat zijn affaire zich in de door hem gewenste richting kon ontwikkelen. Liefde doet het altijd in een roman – en seks uiteraard ook. Wat dat laatste betreft krijgt Melchior van mij een tien. Hij is zedig maar niet preuts. En ik heb mijn tenen nimmer voelen krullen bij het lezen van de lekkere brokjes.

In zijn beschouwingen – waarvan er sommige linea recta in een bloemlezing kunnen, zo goed en inhoudelijk sterk zijn ze geschreven – schuwt Kruithof de grote onderwerpen niet: kosmos, geloof, waarheid… Niets is hem te groot om over na te denken. Ik geef één voorbeeld, uit talloos veel mogelijke. In een praatprogramma wordt een uit Irak teruggekeerd echtpaar geïnterviewd. ‘Er werd, verschillend ingekleed, maar één vraag gesteld: wat voélde je toen? Het lijkt wel de enige vraag waar een interviewer nog op komt. Nooit eens: wat dàcht je ervan? Liever tranen met tuiten dan tekst en uitleg. (…) Emoties zijn van ondergeschikt belang. Bijverschijnselen, nuttige prikkels voor een mens om iets te doen of te laten, maar ze worden pas interessant als er een gedachte uit voortkomt, een gedragslijn of krijgsplan, of iets moois op papier: als het amorfe een vorm krijgt en wendbaar wordt. Een goed vertelde, geacteerde, gezongen emotie, daar kan geen huilbui tegenop.’ (432-433)

Kruithofs meest uitgesproken meningen, velen zullen zeggen controversiële meningen, gaan over pedagogie. Hij aarzelt niet om, net zoals in zijn essays over dat onderwerp (onder meer Je moet niet doen of alles hetzelfde is: een pamflet (2006)), een elitair of dan toch minstens anti-egalitair standpunt in te nemen. Je hebt slimme en je hebt minder slimme, om niet te zeggen domme studenten. Zo is dat nu eenmaal. De neergang van het onderwijs was zich in de jaren tachtig al volop aan het voltrekken. De jongeren – behoudens hier en daar een notoire uitzondering – zijn verwend, worden niet meer uitgedaagd, gaan languit in hun stoelen uit hun neus liggen vreten en zijn nauwelijks nog te enthousiasmeren. Of de docent nu parels of kralen voor de zwijnen gooit, het wordt niet eens opgemerkt. Kruithof is met andere woorden behoorlijk defaitistisch en lijkt opgelucht dat hij, na de herstructurering, de deuren van zijn school achter zich dicht kan gooien. Hij stoelt zijn teleurstelling op ervaring.

Wie ben ik, nochtans aangedreven door een onvoorwaardelijk geloof in de kracht van jonge mensen, om hem daarover aan te spreken. Hij heeft ons een prachtboek nagelaten, het is hem dus vergeven.


Jacques Kruithof, Het slotfeest (2004)


7775

J. in Praag - 251108


maandag 15 december 2025

notitie 505

GROEN ZOEKT VOORZITTER

Bart Dhondt heeft ontslag genomen als voorzitter van Groen. Bart wie? Ja, Bart Dhondt, de man was nauwelijks bekend. Ook al was hij al een jaar voorzitter. En dat is in de huidige mediademocratie onmogelijk vol te houden. De man mag zijn verdiensten en kwaliteiten hebben, niemand twijfelt daar aan, maar als je na een jaar voorzitter te zijn geweest van een belangrijke oppositiepartij nog altijd niet bekend bent, dan komt dat voor die partij bijzonder slecht uit. Om te bestaan moeten politici zo vaak en veel mogelijk mediatiek op de voorgrond treden. Aan een mediaschuwe kluizenaar, iemand die achter de schermen intern orde op zaken probeert te stellen (dat was wat Dhondt blijkbaar aan het doen was), heeft ze niets.

Vraag is nu wie Dhondt moet opvolgen. Welke richting Groen uit moet.

Bruno Tobback zei ooit in het Vlaams parlement: ‘Ik weet wat ik zou moeten zeggen, over het milieu en zo, maar als ik dat zeg, ben ik de volgende keer niet meer verkozen.’ Hij is bij Vooruit, dat weet ik, maar hij benoemt heel precies het probleem van Groen. De boodschap, zoals ze echt zou moeten zijn, is electoraal on-ver-koop-baar. Ofwel kiezen ze een voorzitter die het soort mossel-noch-vispolitiek dat Groen nu voert voortzet (pappen en nathouden; sociaal met wat groene accenten of groen met wat sociale accenten, en af en toe een milieuschandaaltje tegen het licht houden), ofwel doen ze wat eigenlijk zou moeten, volgens mij toch: een veel radicalere milieuboodschap uitdragen en wat het sociale betreft veel meer naar links, weg van het bakfietsstempel. Maar dat is politieke zelfmoord. Je bereikt er hooguit nog 5 procent groene fundi’s mee. Tenzij je een figuur vindt die het uitvent (kan ook een vrouw zijn, pun intended) die zo charismatisch is en niet vies van radicaal (populistisch) taalgebruik dat hij/zij eigenlijk om het even wat zou kunnen verkopen, bij manier van spreken. Zo’n figuur, met de retorische gave en het charisma à la De Wever, Hedebouw of Bouchez, zie ik voor de moment niet bij Groen.

Want dat is de merde met de huidige democratie: je moet niet alleen de 10 of hooguit 20 procent kiezers overtuigen die al eens nadenken, maar ook de 80 of 90 procent die dat meestal niet doen en zich in hun stemgedrag laten leiden door onstandvastige sympathieën, onderbuikgevoelens en persoonlijk profijt. Ja, ik heb inderdaad geen al te hoge pet op van de modale kiezer, die in zijn luie zetel wegzapt als er weer zo’n politieker de talking head van dienst is. Behalve dan in een human interest- of spelprogramma, waarin ze het over alles behalve politiek hebben. (Die modale kiezers zouden echter wél, mits goed gecoacht, kunnen participeren in adviserende burgerraden en dergelijke. Dat geloof ik dan weer wel.)

Neen, ik weet het niet. Moet Groen salonfähig blijven (een moeizaam verworven status, de geitenwollen sokken liggen in de wasmand nog na te geuren), of moet Groen radicaliseren? Murw van mijn lectuur vorige week van Geert Buelens’ Wat we toen al wisten. De vergeten groene geschiedenis van 1972 ben ik, nochtans geen straatvechter, geneigd te zeggen dat geen radicalisme nog radicaal genoeg kan zijn. Maar dat het zo niet werkt, weet ik natuurlijk ook wel.

Groen staat voor een moeilijke, maar beslissende keuze. Een bezinningsperiode dringt zich op. Het zou dwaas zijn nu rap-rap tot de orde van de dag te willen overgaan. Maar het wordt moeilijk, nu een brede frontvorming op links helemaal onmogelijk lijkt te zijn geworden aangezien de PVDA zich niet zo heel erg met ecologie lijkt bezig te houden en Vooruit een middenvinger opsteekt naar de socialistische achterban vanuit de chesterfields van het establishment.


7774

Praag - 251108


zondag 14 december 2025

driekleur 603

Zijn werkkamer, met geelblond hout en Jugendstil-ornamenten betimmerd: hier zetelde eens de directie van een verzekeringsbedrijf. Mij bezorgt het vertrek een soort engtevrees. Een koningsblauw bankstel; Van Ballegooijen schonk thee, en trok nonchalant een been onder zich. Ik heb hem de laatste jaren amper nog gezien: het grauwzwarte haar, als staalwol, nu met witte strepen, wangen en onderkin donkerder rood dan ik me herinnerde, maar hij laat onveranderd de mond openhangen, de onderlip iets naar voren geduwd boven het grijze sikje, zodat hij op een gotische waterspuwer lijkt.

Jacques Kruithof, Het slotfeest, 301


driekleur 602

Het nieuwe huis: groot, gele baksteen met rode sierranden, mansardedak met zwarte dakpannen.

Jacques Kruithof, Het slotfeest, 242


driekleur 601

Rode dovenetel, geel en groen gestreepte croton, een hangplant met geschulpt blad. Op het Singel liep ik Christa tegen het lijf. Roestbruin bontjasje boven zwarte netkousen, opgestoken haar, veel mascara en oogschaduw (…)

Jacques Kruithof, Het slotfeest, 145


driekleur 600

Ik probeerde haar in me op te nemen: blonde pony, bleke teint – maar later een lichte blos –, meestentijds lachende ogen met zilverig gespikkelde oogschaduw; kleine neus, rood gestifte lippen – een weldoordachte compositie met zwart jasje, rode blouse, en een halskettinkje dat me van witgoud leek.

Jacques Kruithof, Het slotfeest, 138


driekleur 599

De lage herfstzon werpt door het oude glas in lood van de bovenramen vlekken en strepen op het papier met aantekeningen voor mijn Proust-college, rood, geel, paars licht uit de verloren tijd. Dit huis vertoont de rimpels en littekens van een bijna negentigjarige: gebarsten ruiten, ijzeren doppen in het stucwerk waar de gaslampen op de muur hebben gezeten, schoorstenen, vroeger met zwartmarmeren schouwen, voor de kolenkachels (...)

Jacques Kruithof, Het slotfeest, 134


driekleur 598

Ook slenterde ze langs een brede verkeersstraat, waar slechts af en toe een auto of vaalrood tramstel passeerde, als was het daar nog 1960; onder de ramen van de slonzige woonkazernes liepen groene en zwarte strepen van algen en vocht, als doorgelopen mascara, en de puien zaten vol schrammen en putten. De wandeling voltrok zich in een gelige lucht, een soort smog, en dit waren nog geflatteerde beelden, want toen ik er was, vorig jaar, scheen de zon vrijwel onafgebroken.

Jacques Kruithof, Het slotfeest, 70


7773

K., H., B., J. en D. in Praag  - 251108


zaterdag 13 december 2025

notitie 504

RODENBACH 2.0


Brugge telt, afgerond, 120.000 inwoners. Daarvan wonen er net geen 20.000 in de binnenstad (verbazend weinig, toch?), en in die binnenstad slechts enkele duizenden in de zogenaamde ‘Gouden Driehoek’, die is uitgeleverd aan het toerisme. Het aantal Bruggelingen dat ‘last’ heeft van de overlast, is met andere woorden zeer beperkt. Verwaarloosbaar, bijna. Daarmee kan de burgemeester van het nog zeer traditioneel cd&v-minded Groot-Brugge zich electoraal veilig achten met zijn ondoordachte capitulatie voor commercie en spektakelzucht.

Een niet te miskennen realiteit is dat veel Bruggelingen hun binnenstad loslaten, heb ik zo het gevoel. (Ik neem mijn eigen ervaring als uitgangspunt, en dan ben ik als inwoner van een net buiten het centrum gelegen residentiële wijk nog relatief sterk op de binnenstad georiënteerd.) Ze kijken meewarig naar de horden, vertonen vermijdingsgedrag en doen hun boodschappen in de sowieso al excentrisch gelegen supermarkten of online. De afgelopen decennia zijn veel diensten en voorzieningen al evenzeer uit de binnenstad verdwenen. Dus, waarom nog daarheen afzakken? Ja, ze komen tijdens de donkere dagen al eens kijken naar de lichtjes of in mei wat rondlopen op de foor. En ja, ze ‘shoppen’ misschien een enkele keer graag in de ‘streets’ die daarvoor blijkbaar ‘gemaakt’ zijn. Althans volgens de handelsgebuurtekring, in samenwerking met Stad Brugge, zoals de banieren het een tijd geleden duidelijk maakten. (Die schaamteloze indoctrinatie is nu gelukkig, naar verluidt, opgedoekt. Zie voor een reactie op die actie: https://pascaldigital.blogspot.com/2024/06/notitie-426.html )

Maar is dat voldoende om van een bruisende, levende, echt democratische stad te spreken, een stad met levendige functies en openbare ruimten en publieke plaatsen die nog toebehoren aan de mensen voor wie ze ooit organisch tot stand zijn gekomen? Waar je niet op zowat elk moment van het jaar iets moet ‘beleven’ of van iets moet ‘genieten’, maar waar je in alle rust en onopgejaagd stadsgenoten kunt ontmoeten en ideeën uitwisselen? Waar je niet voortdurend het geld uit je zakken wordt getroggeld en alles veel te duur betaalt? Waar je als Bruggeling echt trots kunt zijn op je stad? Waar je ten volle kunt beseffen welk een voorrecht het is om in zo’n mooie, redelijk verkeersluwe en al bij al – potentieel – zeer binnen de mensenmaat gebleven stad te wonen?

Een voorbeeld. Vorig jaar voor het eerst, en dit jaar zou het naar verluidt worden herhaald: de Brugse Halletoren, het symbool van de stad, wordt als scherm gebruikt waarop een vereniging zichzelf afficheert. De stad kondigt dit aan als een klank- en lichtspektakel. Natuurlijk komen daar vele duizenden op af, als motten op een kaars. De mensen zijn nu eenmaal gefascineerd door kleurige lichtjes – daar valt niets aan te doen. Dat het op 11 juli gebeurt, en dat het een Vlaams-nationalistische manifestatie betreft, doet hier niet ter zake. Mochten de communisten of anarchisten of groenen het doen, het zou mij evenzeer misnoegen. Zeker ook omdat tijdens die projectie ook commerciële publiciteit op de toren wordt geprojecteerd. (Vorig jaar was dat toch het geval, is mij verteld.) Kijk, dat is echt een stap te ver. Dit is regelrechte prostitutie. Een stad die zichzelf respecteert, vrijwaart minstens haar symbolen van ideologisch en commercieel geïnspireerd oneigenlijk gebruik, van misbruik dus.

Demografische leegloop (gecombineerd met braindrain en vergrijzing, wat het potentieel aan kritiek ook niet bepaald ten goede komt); kortzichtig electoraal belang bij de bewindslieden; primauteit van de commercie; gelatenheid bij de stilaan onverschillige inwoners, zeker die van de randgemeenten die de binnenstad als een verloren zaak beschouwen: ziedaar waarom de Brugse binnenstad geen stad meer is zoals een stad zou moeten zijn. Bruges-la-morte 2.0, als het ware.

Het schrijnende is dat het stadsbestuur dit niet inziet of niet wil inzien, en dus ook niet van plan lijkt om zich daarover te bezinnen. Neen, nog meer, nog meer, nog meer toerisme. Dat is het enige wat telt. Maar de werkelijkheid is dat het voor de Bruggelingen zelf vaak steeds minder Brugge is.






7772

Gids, C. en P. in Praag - 251108


vrijdag 12 december 2025

LVO 330

fragment uit Het maaiveld


Ik probeer enkele anekdotes uit mijn geheugen op te diepen. Ze liggen als snippers verspreid over die zes jaren, vaak weet ik niet eens meer waar ik ze precies moet situeren. Als ik aan mijn middelbareschooltijd terugdenk, vooral dan de eerste vier jaren, heb ik stellig de indruk dat het zwaartepunt van mijn leven élders lag: in het gevecht met de monsters van mijn puberteit, in de zomervakanties, in de afbrokkeling van het gezin waar ik deel van uitmaakte, in buitenschoolse activiteiten zoals voetbal en de tekenacademie, in de avonden die ik bij Danny Devriese doorbracht, in een hunkering naar vriendschap waarvoor ik pas tegen het einde van die onzalige periode vervulling vond.

De levendigste herinneringen bewaar ik – om evidente redenen, vanwege het hevige contrast met wat eraan was voorafgegaan – aan de eerste weken en maanden van het eerste jaar, en daarnaast ook aan het eerste trimester van het voorlaatste jaar, omdat er zich toen relatief veel incidenten voordeden op korte tijd. Tussenin en daarna strekken zich twee lange grijze schemerzones uit, die samen een buitengewoon fletse tijd vormen waaraan ik zo goed als geen enkele herinnering bewaar. Er waren, voor zover ik daar nu nog zicht op heb, nauwelijks noemenswaardige gebeurtenissen. Enkel het einde van het vierde jaar begon er iets interessants te ontstaan, een soort van solidariteit of creativiteit, iets was de strikte discipline en de domme volgzaamheid die tot dan onze klas hadden gekenmerkt oversteeg.

Ook over het laatste jaar, de zogenaamde retorica, strekte zich een grijze sluier uit – maar die was anders dan die van de eerste vier jaar. Een soort verdoving was het, iets heel droevigs dat met ontgoocheling en niet ingeloste verwachtingen te maken had – en tegen het einde van dat laatste jaar kwam daar ook nog eens de weinig geruststellende dreiging bij die uitging van de onzekerheid over wat de toekomst zou brengen. Die schimmige en verontrustende onduidelijkheid leek alles wat zich op welke manier ook onderscheidde of poogde te onderscheiden te overheersen en daardoor af te vlakken tot een behoedzaam conformisme, waardoor niemand zich nog de moeite getroostte om zich nog met wat dan ook te profileren: we waren getemd, gedresseerd, gefnuikt.

7771

Praag - 251108


donderdag 11 december 2025

getekend 519

juli 1999


LVO 329

fragment uit Het maaiveld


Het gezag van de leraren bleef ongecontesteerd en ze konden het zonder al te veel moeite afdwingen en handhaven. Er liepen daar ook nog enkele priesters rond: meneer Verbrugge (den Duupen, een leraar godsdienst en Latijn met een hoog stemmetje en enkele opmerkelijke tics nerveux); meneer Naes (een grijze muis met een stofjas en een alpinopet, bijgenaamd de Muus, een wat kruiperig type – ik herinner me niet meer welk vak we van hem kregen, het zal wel godsdienst geweest zijn); meneer Eendevijver (de Zwoâne, een forsgebouwde man die toen hij jonger was lichamelijke opvoeding had gegeven maar van wie we nu muziek kregen; hij zou staande voor de klas, maar niet de mijne, bezwijken aan een – door enkele pestkoppen uitgelokte! – hartaanval). Onder de lekenleraars waren er enkele anciens naar wie de lagerejaars met vrees en beven opkeken omdat hun een reputatie van strengheid aankleefde: Frees van geschiedenis en Nederlands (geen bijnaam); Dehaene van fysica (den Ieften omdat zijn voornaam Yves was – hij was een ver familielid van de kanunnik-vertrouwenspersoon van mijn moeder (en dus ook van de latere eerste minister)); Tant en Lycke in de hogere jaren, maar daar kom ik nog wel bij. En dan was er nog het leger der onopvallenden. Zij beantwoordden perfect aan de criteria die directeur Pina wellicht hanteerde bij de rekrutering. Zij vormden de meerderheid. Op hen was perfect van toepassing wat George Steiner schrijft in een beschouwing over het onderwijs: ‘Ze spannen zich in om hun studenten tot hun eigen niveau van onverschillige vermoeidheid te verlagen.’(*) Vroegoude, ongeïnspireerde, kleurloze mannen tussen dertig en vijftig waren het, jonge huisvaders die om den brode les gaven en hun best leken te doen om zo weinig mogelijk te inspireren. Want grijs was die school niet alleen omdat het een grijs gebouw was of omdat de leerlingen er op maat onder de maat werden gehouden. Neen, het was een grijze school vooral omdat er heel weinig begeestering in rondwaarde, omdat het enthousiasme in het lerarenkorps soms ver te zoeken was.

En dat is natuurlijk een heel spijtige zaak.


(*) George Steiner, Het oog van de meester, 26

7770

Praag - 251109


woensdag 10 december 2025

facebookbericht 1208

Science à la carte. Waardenvrije wetenschap? Ammehoela! Neen, de vaart van de Vlaamse vooruitgang is niet te stuiten. Desnoods zetten we de waarheid naar onze hand. Mijn klomp breekt bij deze uitspraak van de minister van Boerenbond.




7769

Praag - 251109


dinsdag 9 december 2025

getekend 518

juli 1999


LVO 328

fragment uit Het maaiveld


Mijn herinneringen aan de middelbare school zijn vaag en vreemd genoeg nauwelijks levendiger dan die aan de lagere school. Ik zie natuurlijk nog wel het mistroostige gebouw voor me; ik kan me nog enkele leraren en medeleerlingen voor de geest halen; ik herinner me enkele gebeurtenissen. Maar als ik overdenk hoe weinig ik van die zes jaren van mijn leven, op dit ogenblik ongeveer een tiende van mijn bestaan, in mijn geheugen heb bewaard, slaat de schrik mij om het hart.

Het was zeker geen gelukkige tijd. Den OLVA was een grijze school waar alles wat van het gemiddelde afweek onmiddellijk werd aangemaand om zo snel mogelijk weer in de pas te lopen. Het was geen school voor lieden die uit de band sprongen, een afwijkende of kritische houding werd er in de kiem gesmoord. Enkel scoren telde: op het rapport én op het sportveld want in sport meende het schoolbeleid dan toch een terrein te hebben gevonden dat neutraal genoeg was om excellentie op toe te laten. De excellentie van de lichamen. Voor de geest evenwel, de mens in het corpus, was het een school van het grijze midden, een verkavelingsschool. Op studiegebied overheersten discipline en competitiviteit. Opmerkelijk was dat de meeste studenten, zeker in de eerste jaren, die waarden kritiekloos en vrijwel onmiddellijk overnamen. De besten probeerden elkaar te overtroeven: met de beste notities, met de uitslagen van toetsen en examens, met het aantal uren dat er ‘geblokt’ werd – en tot hoe diep in de nacht voor een examen men daarmee had voortgedaan, of hoe vroeg men in de vroege uurtjes was opgestaan om er alsnog de laatste bladzijden in te pompen.


7768

J., B., H, K. en 'ik' in Praag - 251109


maandag 8 december 2025

7767

DOX, Praag  - 251109


zondag 7 december 2025

getekend 517

juli 1999


LVO 327

fragment uit Het maaiveld


Het medisch onderzoek was een van de andere schaarse momenten waarop lichamelijkheid in het geding kwam. Wij dienden er ons in ondergoed een voor een aan een grimmige dokter te presenteren die ons, in zijn kabinet en dus – gelukkig maar! – niet voor het oog van de anderen, in de balzak neep ten einde zich ervan te vergewissen of onze teelballen al voldoende waren ingedaald. Tijdens die vernederende tortuur moesten wij onze geopende mond op onze pols drukken en hard uitblazen.

Voor het overige werd het eigen lichaam angstvallig buiten de collectieve sfeer gehouden. Het plezier dat eraan te beleven viel, was iets voor de beslotenheid van de privésfeer. Seks en genot bleven een verre, met schuld en geheimzinnigheid beladen bekoring. Homoseksualiteit, daar was al helemaal geen sprake van.

De jongens die in die eerste weken het hardst waren opgevallen of op de een of andere manier een beklijvende indruk hadden nagelaten, oogstten bij de klasraadverkiezing de meeste voorkeurstemmen. Ik was daar dus niet bij omdat ik een illustere onbekende was en bovendien door de ingrijpende wijziging van de omstandigheden danig geïntimideerd. Ik had mij zo onopvallend mogelijk proberen aan te passen. Op die manier maakte ik wellicht een schuchtere, verlegen en weinig sympathieke indruk. Ik kreeg twee stemmen – ik heb nooit geweten van wie de tweede kwam.

Een van de klasgenoten had maar één stem gekregen: Benoni van Binst. Hij had het spel eerlijker gespeeld dan de meeste anderen en niet voor zichzelf gestemd. Dat sierde hem. Maar ook hij wist niet aan wie hij die door iemand anders op hem uitgebrachte stem te danken had. Maar ik wist het wel.


7766

B. in Praag - 251109


zaterdag 6 december 2025

LVO 326

fragment uit Het maaiveld


Hormonale factoren speelden in elk geval geen rol bij de verkiezing van de klasraad. Het Onze-Lieve-Vrouwecollege van Assebroek was een ongemengde jongensschool. Meisjes bleven voor de meesten van ons nog tot minstens 1979 vreemde wezens die we hooguit op weg naar huis het naburige Sint-Andreaslyceum zagen binnenfietsen of verlaten en er waren er maar weinigen die daar, behalve met een zus of zo, contacten onderhielden. De interactie tussen de leerlingen van beide colleges werd trouwens bemoeilijkt door de verschillende aanvangs- en afsluituren. In onderling overleg was een klein verschil afgesproken, naar verluidt met geen andere bedoeling dan om precies die ongeoorloofd geachte contacten tegen te gaan.(*)

Seks, erotiek en zelfs alleen maar lichamelijkheid waren in onze school hoe dan ook uitermate afwezige aspecten van het jongelingenbestaan. Er werd met geen woord over gerept. Enkele jongens verwierven een speciaal statuut door nog voor het eind van hun humaniora een lief te hebben en zich op die manier niet alleen aan de ongeschreven codes maar ook aan de vriendschappen en contacten met hun medeleerlingen te onttrekken. Een zeker ontzag viel hun te beurt. Maar zij waren uitzonderingen. Het fysieke part van ons bestaan leidde een spookachtig bestaan. Een niet-bestaan. Bijvoorbeeld het omkleden in de gemeenschappelijke kleedruimte van het zwembad verliep besmuikt. Schaamte, gêne en de angst gezien te worden overheersten. We probeerden onze prille piemels in de gemeenschappelijke kleedkamer, een kleedzaal eigenlijk, aan het zicht van de klasgenoten te onttrekken door de dag waarop we naar het zwembad moesten met de zwembroek al aan naar school te trekken en ons, na het zwemmen, met onze handdoek te omgorden alvorens het zwemslipje uit en onze onderbroek aan te trekken. Ondertussen wierpen we zijdelings een sluikse blik naar het in die grotere ruimte ingebouwde kleedhokje waarin de L.O.-leerkracht, met openstaande deur, zich omkleedde en afdroogde – weliswaar altijd met zijn rug naar ons gekeerd. Waarom stond die deur open? Daar hadden wij het raden naar. (Nu ik, zoveel jaar later, aan die toch wel bizarre situatie terugdenk, vermoed ik dat de zwemleraar, door zijn deur te laten openstaan, onze schroom wat wilde temperen, maar uiteraard valt de zweem van exhibitionisme die hieraan blijft kleven niet helemaal uit te sluiten. Alleszins wanneer in overweging wordt genomen dat wij in de loop van die zes jaar twee verschillende L.O.-leerkrachten hadden en dat de ene wel en de andere niet zijn deur sloot. Enfin, het blijft tobben.)




(*) ‘Ook verbroedering met de andere sekse was niet toegestaan: de meisjesschool die aan de onze was gekoppeld en vlakbij gehuisvest was, liet haar leerlingen een kwartier voordat de jongens werden losgelaten naar buiten, zodat ze de tijd hadden zich een flink eind te verwijderen van hun rooflustige en ontuchtige mannelijke tegenhangers.’ (Julian Barnes, Alsof het voorbij is, 141; vertaling Ronald Vlek)

7765

M. - 251110


vrijdag 5 december 2025

getekend 516

24 juli 1999