maandag 25 april 2022
zondag 24 april 2022
notitie 165
MIEREN IN MIJN THEE
Misschien waren die laatste concerten er net iets te veel aan – maar ik heb daar eigenlijk niets over te zeggen. Ik hoop dat de man zelf er zich goed bij voelde, dat hij zelf vond dat hij in schoonheid afscheid nam. Daar heb ik niet over te oordelen. Wie de dood onder ogen ziet, verdient respect.
Het is iets nieuws, toch. Dat we getuige zijn van het wegdeemsteren. Koenraad Goudeseune maakte zijn Facebookvrienden tot getuige van zijn laatste weken. Caroline Pauwels maakt ook geen geheim van haar ziekte en hoe ze ermee omgaat. De dood maakt weer deel uit van het leven. We wisten allemaal dat Arno vandaag of morgen zou gaan – en toch komt het nieuws nog hard aan.
Arno is dood. Zelf ouder worden, dat is – naast heel wat andere ongein – onder meer ook: je helden een voor een zien vertrekken. Je krijgt een voorsmaak van wat het zal zijn, alleen over te blijven want veel nieuwe helden komen er na je jonge jaren niet bij. Je kunt al die namen niet onthouden.
TC Matic heb ik indertijd een keer of twee, drie zien optreden. Als ik nu nog een lichte tinnitus in mijn oren hoor, dan heb ik dat misschien wel daar opgelopen. Van oordopjes bij concerten, daar had niemand toen al van gehoord. Oordopjes om te luisteren naar muziek? Ben je gek! Maar TC Matic speelde wel heel hard. Daar stonden ze om bekend. De decibels gierden in het rond.
Leuven, 1985. Zaal Samambaïa is gevuld met wel vijfhonderd fans. Ik sta rechts vooraan, een meter of tien van het podium. Ik kijk mijn ogen uit naar de spastische bewegingen van de frontzanger. Hoe hij jongleert met de staander van zijn microfoon. Hoe hij stottert in zijn geïmproviseerde, vaak nonsensicale bindteksten. Hoe dat gehakkel achterwege blijft wanneer hij zingt, met zijn ogen dicht. Le Java. Oh la la la. Middle Class and Blue Eyes. En dan, opeens, midden in een van die stomende songs, valt hij stil. De basgitaar en de drums vallen stil. Jean-Marie Aerts kijkt verwonderd op en valt ook stil.
En Arno zegt: ‘Godverdomme, kzien e lenze kwiet.’ Oostends voor: ik ben een contactlens kwijt. Hij gaat op zijn knieën zitten en begint tastend te zoeken op de podiumvloer. Wonder boven wonder vindt hij het onooglijk dingetje terug. Hij legt het op zijn oogbol. Het concert wordt hervat.
Van de latere carrière was ik vooral gecharmeerd door Arno’s zijsprong als Charles et les Lulus. Ik zoek nog eens het openingsnummer van die plaat op YouTube: Ants In My Tea, met de bezwerende intro met akoestische gitaar (Roland Van Campenhout), de zwellende accordeon (Ad Cominotto), de bas en het slagwerk die overgaan in een onweerstaanbaar stuwend ritme en Arno die de song komt binnengezwalpt: ‘Mama don’t you worry / Trouble is my best friend’. Ja, daar word ik nog altijd heel warm van.
Maar dat zwatelend-chansoneske en hese declameren, dat steeds meer zijn handelsmerk zou worden, neen, dat was minder aan mij besteed. De Franse Arno vond ik niet meer écht. Af en toe voelde ik nog wel de vroege Oostendse drive: Je veux nager, Vive ma liberté. En dan zag ik het eigenzinnige, de opgestoken middenvinger – al was dat laatste misschien vooral beredeneerd, te salonfähig, ver van het authentiek-anarchistische. Meer rue Dansaert dan Langestraat. Ik heb hem trouwens in Brussel één keer in een kroeg zien zitten, het was in de Dansaertstraat. Voorovergebogen over de toog, alleen. De kringelende rook van een sigaret.
Rust in vrede, Arno. En merci voor de kleuren die je in mijn leven aanbracht – al was het vooral rood en zwart. Iedere keer dat ik dat suizen in mijn oren hoor zal ik aan jou denken.
zaterdag 23 april 2022
notitie 164
GEEN TIJD VOOR THEATER
Tijdens en na de wielerklassieker Parijs-Roubaix, die op Pasen werd gereden, hebben belangwekkende inzichten betreffende de relatie tussen theater en sport mij bereikt. Ik wil ze nu met u delen.
Op tien kilometer van het einde van de wedstrijd gaat kasseivreter Yves Lampaert iets te enthousiast door een van de bochten van de voorlaatste kasseistrook. Hij raakt de armen van een eveneens iets te enthousiast applaudisserende supporter. Beide enthousiasmes clashen, de coureur wordt naar de andere kant van de strook gekatapulteerd en belandt met zijn frêle en afgetrainde lichaam op spectaculaire wijze op zijn rug. Op de scherpe en beenharde klippen van het onregelmatige plaveisel.
Je denkt: die man blijft liggen. Maar neen, vijf seconden later zit hij alweer op zijn fiets. En hij eindigt nog als tiende op de wielerbaan.
Tijdens een van de talloze overbodige nabeschouwingsprogramma’s op de radio – onder het motto ‘Elke avond sport!’ – oppert een van de gasten dat mocht Lampaert een voetballer zijn geweest, hij daar waarschijnlijk nog zou liggen. Kermend en kreunend.
Coureurs hebben geen tijd voor theater. Onder andere dat maakt hun sport zo mooi. En, voor zover er geen doping mee gemoeid is, ook zo eerlijk. Linkeballen en komedie spelen, dat loont niet in de wielersport.
Heel anders gaat het er aan toe in het voetbal. We kennen allemaal – en ergeren er ons al jaren aan – de blijkbaar niet in te tomen theaterzucht van de lichtgeraakte vedetten, het gejammer, het gezeur, het geëmmer. Het aanvechten van scheidsrechterlijke beslissingen. Het veinzen. Het claimen van hoekschoppen en ingooien, ook al heeft iedereen gezien dat daar absoluut geen aanspraak aan kan worden gemaakt. Het onsportieve gedrag kortom, dat vreemd genoeg in andere ploegsporten geen schering en inslag is. Daar zijn wél nog erecodes van kracht. Ooit al eens een rugbyman kermend op de grond zien liggen om dan, wanneer het spel gewoon doorgaat, wonderbaarlijk te herrijzen?
Echt grote spelers hebben al die commedia dell’arte niet nodig (zoals Rik De Saedeleer zaliger nagedachtenis het noemde in een tijd dat een verwijzing naar zeventiende-eeuws Italiaans theater nog mogelijk was). Franz Beckenbauer speelde in de halve finale van het WK 1970 tegen Italië voort met een gebroken arm. Messi is misschien een corrupte witteboordcrimineel, maar op de grasmat beslist geen zeurkous.
Eindelijk, ja eindelijk, staat met Jan Vertonghen een voetballer op die deze toestanden aanklaagt. ‘Volgens de Belgische recordinternational nemen het ‘constante duiken en huilen’ het plezier van de weg fans,’ aldus De Standaard. Vertonghen stelt om de effectieve speeltijd te meten het gebruik voor van een chronometer, zoals in het basketbal (waar ook geen theater wordt gespeeld, of toch zeker niet in dezelfde mate als in het voetbal). Dan zou er tweemaal dertig minuten worden gespeeld. Dit voorstel betekent dus impliciet dat er per speelhelft een kwartier (!) aan tijdverlies opgaat. En Vertonghen stelt ook voor om ‘opzichtige schwalbes’ met een rode kaart te bestraffen.
Ik steun de voorstellen van Jan Vertonghen, maar ik begrijp natuurlijk niet waarom deze verdienstelijke speler, die in zijn carrière bij onder meer Tottenham Hotspurs en nu Porto voor zover ik weet meestal wel zeer sportief is geweest, er pas nu mee op de proppen komt: hij is vijfendertig.
Yves Lampaert, ondertussen (Lampy voor de vrienden en fans, waaronder ikzelf), heeft zijn excuses aangeboden aan de man die hem onvrijwillig ten val had gebracht. In een opwelling had hij die meneer ‘een kalf’ genoemd. Dat, zo vond Lampaert een etmaal na zijn val, kon niet door de beugel. Dat had hij niet mogen doen. Hij had die meneer geen kalf mogen noemen.
Neem daar een voorbeeld aan, lichtgeraakte komedianten van de voetballerij.
vrijdag 22 april 2022
afscheid van mijn digitaal bestaan 240
22 februari 2010
AKOESTIEK
Ik betreed de kerk van de Romaanse abdij van Le Thoronet. In de middenbeuk van
het schip staat, bij zijn groep die op de banken heeft plaatsgenomen, een man
rechtop, hij houdt zijn hand op zijn borst, buigt het hoofd. Hij laat van
ergens uit zijn buik een grommend geluid aanzwellen. Hij houdt die toon lang
aan. Hij zingt zacht. Maar doordat het in deze ruimte, die ene toon niet te na
gesproken, volstrekt stil is, vult zijn toon, die nu moduleert rond een paar
noten (of hoe zeg je dat, ik ben niet thuis in het muziekjargon), moeiteloos de
hele ruimte. Tot hoog in het tongewelf. En dan begint die man, nog steeds
voorovergebogen, aan zijn rondgang. Voorin in het koor, ter hoogte van het
altaar, schrijdt hij de rechterzijbeuk binnen, die hij vervolgens in de
richting van het portaal terug afstapt. Langzaam en plechtig zingt hij een
oosters aandoende melodielijn. Hoge uitschieters en lage bastonen wisselen
elkaar af. De groep luistert verbluft naar dit hemelse gezang. En inderdaad: of
de zingende gids nu in het midden staat, of vooraan in het koor, of achteraan
of in de zijbeuk – overal klinkt zijn stem even perfect, even vol, even
volumineus.
En tegelijk kun je een speld horen vallen. Fotograferen met de
spiegelreflexcamera is onmogelijk want die maakt een gênant kabaal.
Dááraan denk ik wanneer ik in een of ander parochiezaaltje met een te laag
plafond en te grote ramen en een vloer van gietbetontegels krimp onder het
schelle geluid van een kwebbelende familie waarin niemand schijnt te beseffen
dat als iedereen op een gewone toon zou spreken er niet zou moeten worden
geroepen. In zo’n ruimte vallen de mensen ook stil, de oudsten het eerst. Niet van
verbazing of verwondering maar van vermoeidheid en van het verlangen om zo
spoedig mogelijk aan deze triestmakende onherbergzaamheid te kunnen ontsnappen.
Wat níet kan want dit is een familiefeest.
Goede architectuur is belangrijk. Een goede architect denkt altijd, behalve aan
licht en lucht, warmte en verkoeling, ruimte en geborgenheid, ook aan
akoestiek.
donderdag 21 april 2022
afscheid van mijn digitaal bestaan 239
20 februari 2010
U zou dit huis misschien niet hebben gezien. U zou er misschien aan zijn voorbijgelopen. Maar nu ziet u het wel. Door de nadruk die ik erop leg – vooral door het in zijn kader te isoleren van alle andere zaken die uw aandacht zouden opeisen omdat ze allemaal, in een welbepaald opzicht, vreemd zijn – bent u wel gedwongen het te zien. En ja, nu ziet u misschien ook waarom ik dit huis vreemd genoeg vond om het te fotograferen. Om het aan u te tonen, want dat is fotograferen ook: je wilt iets delen met wie zo vriendelijk is ernaar te kijken. Daarvoor moet je je best doen. Je moet het onderwerp zodanig tonen dat het de aandacht trekt. Daar moeten de omstandigheden je een beetje bij helpen: het licht, het tijdstip, de atmosfeer.
Fotograferen is altijd ook: het vreemde, het bezienswaardige, isoleren en tonen. Vragen om ook te kijken. De fotograaf nodigt uit tot het zien van het bezienswaardige.
facebookbericht 1139
woensdag 20 april 2022
facebookbericht 1138
afscheid van mijn digitaal bestaan 238
17 februari 2010
AIRHOSTESS
Maandag 9 uur in Londen
Dinsdag middernacht in San Francisco stad
Woensdag landen wij in Hongkong
En van daar naar Las Vegas
Het domste wat je, in eroticis, kunt
doen, is verliefd te worden op een airhostess. Nochtans is het deze calamiteit
die door Will Tura wordt bezongen: ‘Ik was verliefd op een airhostess, het was
in een DC-6’. Maar de Vlaamse charmezanger voegt er wijselijk aan toe wel te
beseffen dat het niet zo’n goed idee is: ‘Ik weet dat de liefde geen grenzen
kent, / maar te ver is te ver’ – en het blijft bij gevleugeld gemijmer.
Ik word ook altijd verliefd op de airhostess – wat ook mijn status is bij de
burgerlijke stand: het is sterker dan mezelf. Niet dat ik al zo vaak in een
vliegtuig gezeten heb, een keer of tien al bij al, maar het was bijna iedere
keer prijs. Ze werken op mijn gemoed, die airhostessen. En dat is natuurlijk
ook hun taak: inspelen op de behoefte aan moederlijke gevoelens van die bange
mannen die daar verkrampt van angst in hun zitje zitten te wachten tot het
toestel eindelijk voor de zoveelste keer het wonder heeft volbracht van het
zich onttrekken aan de zwaartekracht zodat ze op tien kilometer boven de grond,
wanneer alvast het opstijgen is overleefd, kunnen vergeten dat ze zich op tien
kilometer boven de grond bevinden.
Ik ben bang vlak voor en tijdens het opstijgen. En dan is elk troostend gebaar
welkom. Zelfs als het komt van een bloedmooie en uiteraard volstrekt
ongenaakbare vrouw die zich tijdens die gekke pantomime van het demonstreren
van de veiligheidsmaatregelen vol overgave wijdt aan de perfecte maar toch ook
licht ironische uitgevoerde implementatie van wat ze heeft geleerd: ‘Verleid
die mannen. Doe ze hun angst vergeten. Kijk ze niet in de ogen maar toon hun
wel dat je hun begerige blikken over je lichaam voelt gaan. Verdráág dat. Het
is een essentieel onderdeel van je taak. Je moet ertegen kunnen.’
Zie ze bezig met dat leuke ventieltje op dat knaloranje zwemvest, met die
knappe zuurstofmaskers die ze enigszins koket en half nonchalant tegen hun
snoetje aandrukken nadat ze hebben gedemonstreerd aan welk touwtje je moet
trekken om het open te krijgen – en maar wijzen naar links en maar wijzen naar
rechts, het uniformhemdje strak gespannen over het hout voor de deur – en dan
diagonaal over de boezems heen maar aantonen hoe je het best je ceintuurtje
kunt aanspannen als straks dat vederlicht geval zonder vallen de lucht ingaat.
Ze verwelkomen je professioneel als je de cabine betreedt. Ze vormen een
erehaag, speciaal voor jou. Je weet al meteen in wie van de twee of drie je à fonds perdus al jouw aandacht
zult investeren. Je bent gelukkig als uitgerekend die uitverkorene jou
zorgvuldig gemanicuurd en in een wolkje van discreet parfum van je natje en je
droogje komt voorzien. Je slaat zedig je blik neer als haar blik bij het tellen
van het aantal passagiers over je hoofd strijkt. En dan, wanneer dat tuig
eindelijk opnieuw met zijn poten op de grond staat, in dat verre land waar zij
niet samen met jou van allerlei vakantiegenoegens zal genieten omdat ze twintig
minuten later alweer huiswaarts vliegt met een ander stel bange mannen, mag je
nog eens langs haar erehaag en je voelt, je merkt, je wéét dat ze je niet ziet
passeren. De obligate groet die ze mompelt, waait weg in die veel warmere lucht
die jou – in San Francisco, Hongkong of Las Vegas (of was het Cuba?) – door de
open deur tegemoet waait en je vluchtige dagdroom doet verstuiven.
Maar ze heeft je wel geholpen, deze mamma, deze moeke van de ijle hoogten, deze immer schone engelbewaarster.
dinsdag 19 april 2022
parallel 188
Heleen Debruyne citeert ‘dokter Picard’ in De huisvriend, 102-103
ǁ
In de Griekse samenleving was de vrouw bijvoorbeeld de hoedster van het huis (de oikos, zie Penelope en haar weefgetouw), terwijl mannen zich in de wereld bewogen, actief waren in de politiek en op het slagveld.
Peter Venmans, Gastvrijheid, 99
notitie 163
HET LEVEN GAAT DOOR
Twee scènes uit de film A Family probeer ik vast te houden.
In het verhaal staat de jonge vrouw Ditte Rheinwald (Lene Maria Christensen) centraal. Zij is de favoriete dochter van Rikard (Jesper Christensen), een van de beste bakkers van het land. Hij gebruikt in het familiebedrijf waarover hij de leiding heeft achttien verschillende soorten deeg. Een van de geheimen van zijn succes is een bepaald soort deeg dat zijn grootvader vanuit Frankrijk naar Denemarken heeft gesmokkeld. Als dit het deeg is waarmee ze in Frankrijk baguettes maken, begrijp ik al beter het succes van Rikards bakkerij. Rikards gedoodverfde opvolgster is zijn lievelingsdochter Ditte. Maar Ditte is helemaal niet van plan in de voetsporen van haar vader te treden. Zij krijgt een aanbieding om in New York een kunstgalerie te leiden. Daar wil ze met haar vriend Peter (Pilou Asbæk) naartoe. Maar dan gebeuren er twee dingen. Ditte wordt zwanger en Rikard wordt ziek. Ditte vindt dat ze niet én naar New York kan én een kind krijgen. Samen met Peter besluit ze een abortus te ondergaan. Maar dan noopt de ernst van de ziekte van haar vader haar er ook toe om bij hem te blijven. Geen kind dus, maar ook geen New York. Toch minstens tot haar vader sterft. En misschien moet ze dan toch de bakkerij overnemen?
Regisseuse Pernille Fischer Christensen maakte met dit verhaal een ingetogen film waarin tussen enkele uitbarstingen van woede en onmacht bedachtzame dialogen en stiltes de bovenhand nemen. Vooral stiltes, eigenlijk. We worden opvallend vaak met de aarzelingen, met de twijfels van de personages geconfronteerd. Soms vloeit het leven en lijkt alles mooi uitgestippeld, maar soms zijn er hindernissen en weten we niet goed hoe we het grillige lot in onomkeerbare beslissingen moeten omzetten. Sommige wendingen van het lot vergen veel tijd. Zo voltrekt het sterven van Rikard zich erg langzaam. Ik denk niet dat ik ooit eerder in een film zo lang naast een sterfbed heb gezeten. We horen letterlijk de bakker zijn laatste adem uitblazen. We zien de mengeling van verdriet en opluchting bij de familieleden die naast het sterfbed op het onontkoombare hebben gewacht.
Met dat sterven heeft de tweede scène die ik wil vasthouden te maken. Maar eerst de eerste. Rikard ligt in het ziekenhuis aan zijn bed gekluisterd. Ferm tegen zijn zin want hij wil naar huis. Op zijn tafeltje ligt, op een schoteltje, een broodje. Een pistolet. Zichtbaar slecht gebakken en half verbrand. Met zijn pezige ouwemannenhand grijpt Rikard het ding vast en knijpt het stuk. We horen de droge korst verkruimelen. Zijn vingers breken door de korst zoals een voet door het ijs op een plas of een verdroogde korst van een koeienvla. In Rikards verkrampte gebaar zit alle woede om het eigen onvermogen, maar ook het verdriet om het teloorgaan van het bakkersambacht.
En dan de tweede scène. Eigenlijk gaat het om een tegenstelling tussen twee scènes, om het uitspelen van twee scènes tegen elkaar door middel van een vormovereenkomst. In de eerste zien we hoe Chrisser (Line Kruse), de andere dochter van Rikard, samen met een verpleegster de overledene het hemd aantrekt waarin hij zal worden begraven. Geen evidente klus. De verpleegster zegt telkens duidelijk voor wat Chrisser moet doen. De camera volgt deze omslachtige handeling van heel dichtbij. We zien fragmenten van de aflijvige. We zien de rimpels van de hand, de kreukels in de stof. Alles verloopt ingetogen en waardig. Onmiddellijk hierna volgt de slotscène van de film. Ditte en Peter staan tegenover elkaar. Naakt – maar dat wordt enkel gesuggereerd. We zien een troostende omhelzing, die overgaat in lust. Maar ook hier staat de camera heel dicht op de lijven en zien we slechts fragmenten. Het zorgende contact tussen de lijkbezorgers en het dode lichaam gaat over in het liefdevolle contact tussen twee geliefden. Het leven gaat door.
Pernille Fischer Christensen, A Family (2010)
maandag 18 april 2022
notitie 162
MIJN TOP-DRIE
De voorbije twee weken zond VRT-Radio 1 naar gewoonte de Classics 1000 uit, de volgens een democratische toepassing door de luisteraars samengestelde lijst van duizend ‘beste’ pop-, rock-, kleinkunst- en chansonnummers van de voorbije plusminus halve eeuw. Iedereen mocht zijn of haar drie favoriete nummers doorgeven en op basis daarvan werd de lijst samengesteld, van weinig naar heel veel en uiteindelijk de meeste stemmen. Niets mis mee: het levert dezelfde muziek op die we gewoon zijn op Radio 1 te horen, maar dan in een andere volgorde.
Na een paar jaar zijn de selectie en de volgorde van de nummers min of meer voorspelbaar: zo snel sterft het steeds ouder wordende Radio 1-publiek niet uit. In de top-twintig treffen we steevast de obligate ’Stairway To Heaven’, ‘Bohemian Rhapsody’ en ‘Wish You Were Here’ aan. Er zijn uiteraard elk jaar lichte wijzigingen – het is nu eenmaal een statistisch gegeven dat precies eenzelfde poll-uitkomst onwaarschijnlijk zou zijn.
In functie van de actualiteit zijn er evenwel toch ook veranderingen. Zo scoorde dit jaar het thema oorlog opvallend goed, met spectaculaire stijgingen voor nummers als ‘Give Peace A Chance’, ‘War (What Is It Good For)’ en ‘Russians’. Ik denk dat ik weet hoe dat te verklaren is.
Een andere invloed is de toestand waarin bepaalde artiesten zich bevinden. Neem nu de ‘LageLandenLijst’ van vorig jaar. Toen stemden de luisteraars ‘Amsterdam’ van de nog maar net overleden Kris De Bruyne voor het eerst op 1. En dan hebben we nu natuurlijk Arno. Nog niet helemaal dood, maar toch al voldoende bijna dood om het gemoed der Radio 1-luisteraars te beroeren. Ze plaatsten ‘Les yeux de ma mère’ helemaal bovenaan de lijst als het beste nummer aller tijden.
Nog los van de vraag of Arno dan werkelijk niets beters heeft gemaakt – ik denk van wel, bijvoorbeeld ‘Middle Class and Blue Eyes’ (samen met het door Jean-Marie Aerts gedragen TC Matic) – en nog los van de vraag of er dan werkelijk geen betere nummers zijn van ándere artiesten – ik denk al evenzeer van wel – moet ik hier toch een kanttekening van algemeen-maatschappelijk belang maken.
Hebben de Radio 1-luisteraars het beste nummer, worldwide en aller tijden, gekozen? Neen, dat hebben ze zeker niet gedaan – en dat weten ze zelf ook wel. Ze hebben niet hun muzikale smaak laten spreken maar wel hun gevoel, hun ontzag en hun angst voor de dood. Ze leven al mee met de stervende Arno. En dat is begrijpelijk want we hebben in deze ondergaande wereld onze helden meer dan nodig. Ik neem het de Radio 1-luisteraars dan ook niet kwalijk dat ze een poging doen om hun angsten te bezweren, maar wel dat ze zich betuttelend opstellen ten aanzien van de door hen gekozen en getrooste artiest. Arno weet zelf heus wel dat zijn ‘Les yeux de ma mère’ geen meesterwerk is. Ik ben er zeker van dat hij liever een van zijn andere nummers een dergelijke erkenning had willen zien krijgen. Voor zover hij, staande voor de eeuwigheid, nog zin heeft om zich met dergelijke zeer tijdelijke fenomenen bezig te houden.
Ik weet het, een muziekpoll is een triviale aanleiding voor zo’n zwaarwichtige beschouwing. Maar het zegt wel iets over deze tijd. We zijn overgeleverd aan sentimentalisme. Wij geven ons over aan doorzichtige bezweringsrituelen om de werkelijkheid niet onder ogen te moeten zien.
En dan hier mijn top-drie:
1. Alain Bashung, La nuit je mens (live,
enkele maanden voor zijn dood)
2. dEUS, Instant
Street (uiteraard met volledige outtro)
3. Georges Brassens, Jeanne (vooral omwille
van de tekst)
driekleur 490
Albert Camus, Koninkrijk en ballingschap, 19
parallel 187
Albert Camus, Koninkrijk en ballingschap, 7
ǁ
Er leeft een vorm van angst in het meisje tussen 20 en 25 jaar: dat ze niet gehuwd zal raken. Zelfs meisjes die studeren zijn hierover bezorgd, en het is voor velen een opluchting als ze voor de eindexamens nog verloofd zijn. ‘De vrouw alleen’ wordt gezien als een gefrustreerd wezen, als een vorm van vrouwelijke levensmislukking.
Heleen Debruyne citeert Maria Schouwenaars in De huisvriend, 116
zondag 17 april 2022
wolken 4573-4578
wolkenfragmenten uit Albert Camus, Koninkrijk en ballingschap
4573
Kamelen en palmen, gehuld in fondantkleurige, rose en paarse wolken, waren op de naakte muren geschilderd. (13)
4574
Hier en daar klaarde het wat op. Een koud, helder licht scheen uit de blauwe plekken, die tussen de dikke wolken zichtbaar werden. (16)
4575
Even later echter verloor het licht die starheid weer, de zon zakte rond en koud naar het westen, waar de hemel een rose tint kreeg, terwijl in het oosten een wolk van lichtgrijs licht oprees, op het punt om in duizend druppels uiteen te spatten in de oneindige uitgestrektheid. (21)
4576
’s Morgens was het licht vaal en loodgrijs geweest en ook, toen het wolkendek wat opgetrokken was, was het maar ternauwernood een beetje licht geworden. (67)
4577
De hemel zou nog dagen en dagen lang totaal onbewolkt blijven en een hard licht uitgieten over deze eenzame uitgestrektheid, waarin niets aan de mensen deed denken. (71)
4578
Misschien zouden de wolken er door verdwijnen en zou de zon morgen weer tevoorschijn komen. (78)
Heleen Debruyne, De huisvriend
ROESELAARSE POELEN
Behalve romanschrijfster en columniste is Heleen Debruyne radiomaakster en zelfs seksuologe of dan toch adviserend experte inzake seksuele aangelegenheden. Recent verscheen van haar De huisvriend, een autobiografisch boek dat allicht een rimpeling zal hebben veroorzaakt in de van geheimen gistende kikkerpoel in het in westelijk Flandre profonde gelegen nijvere stadje Roeselare waar de auteur is opgegroeid. De zielen van priesters en prelaten die er naar het Grootseminarie werden geroepen, de geest van Rodenbach – Vliegt de Blauwvoet, storm op zee! – en de schaduw van Gezelle waren er in de meest geborneerde kringen nog altijd rond. De keurige en weldenkende goegemeente is er een van de laatste bastions van de tanende christendemocratie en tegelijk een voorpost van het bloeiende, met ondernemerskapitaal opgepookte Vlaams-nationalisme.
Heleen Debruyne was, toen zij haar boek schreef, zwanger van haar eerste kind en zij bezon zich over het moederschap, over wat het betekent moeder te zijn. Dat doet iedereen die moeder, of ouder, zal worden waarschijnlijk wel in min of meerdere mate, maar in haar geval was de noodzaak om het te doen wel acuut want er doken nare verhalen op uit de dagboeken van haar grootvader.
Michiel De Bruyne was behalve gemeenteontvanger van Rumbeke een vooraanstaand heemkundige – hij heeft zelfs in de vorm van een Wikipedialemma eeuwige roem verworven. Samen met zijn vrouw, Heleens grootmoeder dus, leefde hij in het kleine stadje op grote voet, op grotere voet zelfs dan op basis van zijn inkomen – moeder de vrouw werkte uiteraard thuis – te verwachten en te verantwoorden viel. Dat was mogelijk door toedoen van Albert, koosnaam Bertie: de huisvriend. Bertie trakteerde het echtpaar op etentjes en reisjes en dat viel vooral bij mevrouw in de smaak. Heleens grootvader was een kamergeleerde, hij liet het zich welgevallen. Op zich niets bijzonders aan de hand, zou je denken, ware het niet dat Bertie ook wel een return on investment verwachtte – hij kreeg dat in de vorm van het zoontje van het echtpaar, het jongetje dat later de vader van Heleen zal worden. Misbruik in het katholieke West-Vlaanderen, waar hebben we dat nog gehoord.
Over de aard van wat hem is aangedaan zwijgt vader Debruyne in alle talen. Het onderwerp is met andere woorden taboe. Heleen respecteert zijn manier om met de pijn om te gaan: ‘Als ik niet toegeef dat ik even een morbide nieuwsgierigheid voel, tot in de details wil weten hoe die rare eenzaat hem betast heeft, zou ik een huichelaar zijn. Maar het is niet mijn recht om te gaan graven in andermans selectieve geheugen, om mijn vaders krakkemikkige dam tegen zijn nare herinneringen stuk te slaan.’ (179) Zij moet het stellen met het dagboek van haar grootvader, waarin naast zijn werkgerelateerde beslommeringen en aan gefrustreerde seksualiteit ontsproten mijmeringen de afwezigheden van Koentje ternauwernood en zonder enige ongerustheid worden vermeld.
Kortom: in ruil voor materiële verwennerijen liet mevrouw Debruyne haar man de pleziertjes met zijn maîtresse en de ‘huisvriend’ de zijne met haar zoon. Proper is anders.
Deze onverkwikkelijke verhaalstof had voldoende kunnen zijn voor een roman, maar dat is De huisvriend niet geworden – en die ambitie koestert Debruyne ook niet. Gelukkig gebruikte zij niet alleen fragmenten uit het dagboek van haar grootvader maar ook documenten die de tijdgeest typeren: voorlichtingsboekjes uit de jaren vijftig en zestig, en ook feministische geschriften, onder meer die van Simone de Beauvoir en Elisabeth Badinter. Daardoor is De huisvriend een interessant en ook beklijvend document geworden over benepen kleinburgerlijkheid en hypocrisie, over de Vlaamse klei waaruit iedereen zich op zijn eigen manier moet zien te trekken.
zaterdag 16 april 2022
driekleur 489
Heleen Debruyne, De huisvriend, 47
afscheid van mijn digitaal bestaan 237
31 januari 2010
Mon village en France van Henri Baudet, oorspronkelijk, in 1955, in het Nederlands geschreven en pas veertig jaar later in het Frans vertaald, gaat, zo blijkt nu ik het nog eens ter hand neem, over de Brie, een streek ten noordoosten van Parijs in de omgeving van Meaux. In mijn herinnering ging het over de nog wat meer naar het noordoosten gelegen Champagne, de streek waar je doorheen rijdt op weg naar Bourgondië of het zuiden, op die eindeloze snelweg tussen Reims en Troyes, waar op de paaltjes van het afsluitingshek naast de weg geposteerde buizerds en kraaien de enige afleiding vormen in het monotone landschap. Baudet heeft het over hoe de wereld in dit deel van Frankrijk de voorbije eeuw totaal is veranderd. Hij doet ons inzien dat dit landschap er niet altijd zo heeft uitgezien. Dat die eindeloze, licht golvende akkers met goudwuivend graan – die wij, gedachteloos als we zijn, geneigd zijn mooi te vinden – er niet altijd zijn geweest, evenmin als de reusachtige silo’s, de kathedralen van dit zielenloze land. Hun silhouet steekt af tegen gindse horizon waarboven de zon, die de hele dag genadeloos heeft gebrand, al rood wordt en ter kimme neigt.Het gemengde landschap van hagen en struweel, vochtig weiland en bos, ingeslapen dorpjes waar het idyllische geklep van klokken en ooievaars zich vermengt met de metaalklanken die uit de smidse naar buiten waaien – dat is niet meer. Het is ten prooi gevallen aan de agro-industrie.
Er zijn veel dergelijke landschappen. En niet alleen buiten, in het land, maar ook – in metaforische zin – in onze winkels, in onze scholen, in onze kranten, in onze hoofden. De globalisering slaat toe op alle niveaus.
Vaak zien we het verlies niet omdat we niet eens meer weten wat we kwijt zijn. Een litteken, bijvoorbeeld in een landschap, maar ook in een aangezicht, wijst op een verloren volmaaktheid. We kunnen dat betreuren. Maar in bepaalde gevallen blijft van het origineel niets over en zien we niet alleen niet wát er verloren is gegaan maar ook niet dát er iets verloren is gegaan. Dat is een akelige vorm van onzichtbaarheid want het verlorene heeft geen verweer meer tegen de vergetelheid – het is op geen enkele manier nog aanwezig; het is van tafel geveegd; het is onder de mat geschoven.
Wij moeten daar rekening mee houden. Van Het verkoolde alfabet van Paul de Wispelaere heb ik vele zaken onthouden, maar dit toch in het bijzonder: dat er een generatie op komst is die er geen idee van heeft dat er aan de agro-industrie een ambachtelijke landbouw voorafging, die is ontstaan en gegroeid en gehandhaafd op de schaal van het dorp en de familie. Dat het geen zin heeft om nostalgisch gewag te maken van verdwenen soorten als de vuursalamander en de tuinfluiter want voor onze ‘kids’ hebben die wezens evenveel realiteit als Darkwing Duck en Super Mario. Of eigenlijk minder.













