woensdag 13 juni 2012

2896

S. en H. in Dadizele - 2011 (?)

geen verloren tijd 46

I,360-372


Swann ziet nu overal tekenen die zijn liefdesverdriet bevestigen. In de krant staat de titel van een toneelstuk, Les Filles de Marbre. Dat herinnert hem eraan dat Mme Verdurin ooit eens tegen Odette zei: ‘Prend garde, je saurai bien te dégeler, tu n’es pas de marbre.’ (360:30-31) Toen stoorde hij zich niet aan deze lesbisch getinte toespeling, maar nu hij door de anonieme brief een inkijk heeft gekregen op Odettes verborgen bestaan, wél. Hij slaat de krantenpagina om en belandt in het nieuws over de storm die in de Manche heeft gewoed. Een van de getroffen plaatsen is Beuzeval, en – onwillekeurige herinnering! – [a]ussitôt il fit un nouveau mouvement en arrière (360:42). Beuzeval doet hem denken aan Beuzeville, voluit Beuzeville-Bréauté, en die plaats brengt Swann dan weer bij zijn vriend M. de Breauté, van wie in de anonieme brief wordt gezegd qu’il avait été l’amant d’Odette (361:6).

Met een relatie met M. de Breauté kan Swann leven, maar dat hij Odette nu moet verdenken van een lesbische omgang met Mme Verdurin, dat ligt moeilijker. Allerlei aanvankelijk onschuldige uitspraken uit het verleden komen nu in een ander daglicht te staan. Swann zweept zichzelf op en kan uiteindelijk niet anders dan, met inachtneming van de grootst mogelijke fysieke reserve (Il s’assit loin d’elle. (361:41-42)), aan Odette zelf de vraag voor te leggen: Dis-moi si c’était vrai, avec elle ou avec une autre. (362:6-7)

In de beschrijving van Odettes antwoord toont Proust zich, zoals zo vaak, een ongeëvenaarde meester van de observatie. Door zaken uit verschillende registers in een vergelijking met elkaar in verband te brengen, maakt hij haarfijn duidelijk wat hij bedoelt. Dat sorteert een heel bijzonder effect: de verschillende registers suggereren afstand, de precisie een maximale nabijheid. En het contrast tussen die twee prent de vergelijking zeer efficiënt in. Hier laat Proust Odette het hoofd schudden en de lippen tuiten, zoals mensen zeggen niet te zullen gaan kijken als iemand hen vraagt: ‘Viendrez-vous voir passer la cavalcade […]?’ (362:11) Cavalcade (een ‘optocht van praalwagens’) en lesbische verhouding: dat ligt behoorlijk ver uit elkaar. Maar dan ajusteert Proust: de cavalcade ligt in de toekomst, maar datgene waarvan Odette door Swann wordt verdacht, is iets dat zich in het verleden heeft afgespeeld – en daardoor worden haar getuite lippen en haar hoofdschudden onzeker, om niet te zeggen ongeloofwaardig. Swann laat niet af en vraagt Odette te zweren op haar médaille de Notre-Dame de Laghet (362:28-29) waarop zij, zoals hij weet, nooit meineed zou plegen. Hij drijft daarmee Odette tot het uiterste en zij, meer om er van af te zijn, geeft toe dat het ooit, il y a tres longtemps, wel eens gebeurd is, peut-être deux ou trois fois (363:16-17).

Dat is voor Swann min of meer – hoe vreemd dat ons nu, vroeg in de 21ste eeuw, nu we toch iets toleranter zijn geworden – de doodsteek voor zijn relatie. Hij realiseert zich nog dat die woorden ‘deux ou trois fois’ (363:24) niet meer dan woorden zijn, maar ze kunnen desalniettemin hartverscheurend zijn, dat is: in staat het hart te verscheuren comme s’ils le touchaient véritablement (363:26-27); het zijn ziekmakende, vergiftigende woorden. Hier haalt Proust, om het beoogde effect nog te verhevigen en tegelijk de constructie van zijn roman nog hechter te maken, nog een truc uit zijn doos: hij laat Swann [i]nvolontairement (363:28) denken aan de tables tournantes (353:14-15), en dus impliciet aan de heftigheid van het contrast tussen de verheven gevoelens die hij had gehad bij de beluistering van de muziek en de platvloersheid van Mme de Monterienders opmerking, die hem in geen tijd, en niet zonder pijn, terug op de grond had gebracht.

En toch kan Swann Odette niet vervloeken omwille van de pijn die ze hem aandoet. Integendeel, het heeft er alle schijn van dat ze hem nog dierbaarder wordt, naarmate ze hem meer kwetst. Ziedaar de bizarre economie van de liefde! ‘Twee of drie keer’, dat is al meer dan genoeg! Nu moet Swann erover waken dat het geen vier of vijf  keer wordt! Pour cela il lui fallait veiller sur Odette. (364:5-6) Swann wordt heen en weer geslingerd tussen zijn jaloezie en deze door de pijn versterkte verliefdheid. Maar het is de jaloezie die het wint en die hem nog meer vragen doet stellen, vragen die hem naar sa perte (365:7; ‘zijn ondergang’) zullen voeren.

Swann begint namen te vragen: met wie heeft Odette die onnoemelijke schanddaden begaan? En wanneer? Was het nadat hij en Odette elkaar frequenteerden? En waar is het gebeurd? Swann voert aan dat de kwelling voor hem lichter te dragen wordt als hij zich een voorstelling kan vormen van de feiten.

Odette antwoordt, luchtig. Het was inderdaad toen zij al een relatie had met Swann. Zij vertelt het toch, om van zijn lastige vragen af te zijn – maar misschien ook uit kwaadaardigheid, ze weet ongetwijfeld zeer goed hoe diep ze Swann treft. Wat het geval is: een avond waarvan hij dacht dat ze prima was verlopen, blijkt in werkelijkheid bij zijn geliefde tot vuige genoegens te hebben geleid waar hij geen weet van had. Ce second coup porté à Swann était plus atroce encore que le premier. (366:11-12) Hij neemt zichzelf in bescherming en vraagt niet verder.

Maar dan begint Odette zelf details te onthullen. Ongevraagd en zich ook onbewust van het feit dat zij in haar ontucht bijzonder ver is komen te staan van wat wie niet ontuchtig is ‘normaal’ vindt. Want zo gaat het met wie zich aan de ontucht begeeft: hij, of zij, n’a pas de controle pour se rendre compte combien [ses vices], dont la croissance continue est insensible pour lui-même, l’entraînent peu à peu loin des façons de vivre normales (369:15-18). En Odette vertelt schier achteloos dingen die zij intussen als ‘normaal’ is beginnen te beschouwen, maar die bij Swann de grond onder de voeten wegslaan. Zijn ziel wordt erdoor ‘vergiftigd’. Dat hele verleden dat hij met Odette deelde in de waan dat haar relatie met hem volledig zuiver was, blijkt bezoedeld. En: Odette n’avait pas conscience du mal qu’elle faisait à Swann. (370:42-43) Maar het vermoeden dat nu rijst, dat achter elk klein excuus voor laattijdigheid – en er zijn er nogal wat geweest – mogelijk een intimiteit met een ander schuilt, doet geen afbreuk aan Swanns liefde. En hij blijft ingaan op haar plotse opwellingen van seksueel verlangen.

dinsdag 12 juni 2012

getekend 78

schrikkel 147e

Ik zat al enkele minuten op een bank op adem te komen van mijn geslenter in het elfde en het twintigste en van mijn zoektocht naar het graf van Proust op Père Lachaise toen eindelijk het gemummel dat ik al een tijdje onbewust registreerde vorm begon te krijgen en zich metamorfoseerde tot een zeer aangename jongemannenstem die in gedragen frazen, in het Duits, een tekst luidop aan het lezen was. Aan het vóórlezen, merkte ik toen ik mij omdraaide en een uitermate vredig tafereel mocht gadeslaan: een jong meisje, in het volste vertrouwen het hoofd neergevleid op de bovenbenen van die jongeman die, uitermate geconcentreerd en uit die concentratie schijnbaar niet weg te wrikken, voorlas. Gedragen, met diepe stem, mooi intonerend en dialogen met van elkaar verschillende stemmetjes opvoerend. Toen het hoofdstuk uit was, hield hij op en dat moment viel min of meer samen met de komst van een donkerhuidige parkwachter die het koppel attendeerde op het feit dat het verboden was zich op het gazon te installeren. Ik sprak het koppel aan.
Tot de jongeman, in het Engels: U leest bijzonder goed voor. Vergeef me mijn nieuwsgierigheid, maar ik zou erg graag willen weten wat u voorleest.
Ik had als opvallende passage enkel, in een van de dialogen, de uitzonderlijke woordcombinatie ‘Tanz, tanz, tanz!’ mentaal genoteerd. En dat deed bij mij wel een belletje rinkelen, zij het vooralsnog op een zeer onbewust niveau.
Murakami. Zei de jongen. Hij las Murakami voor en hij zei, desgevraagd, heel veel van Murakami te houden.
We begonnen een praatje over Murakami op Père Lachaise. En dan over wat ze deden (filosofie en antropologie), en waar ze vandaan kwamen (Münster). Een prettig praatje, eigenlijk. Eentje waarbij ik me net iets te oud voelde. Ik bedoel: ik voelde – en ik ben daar niet fier op – onweerstaanbaar een jaloezie in me opkomen. Die twee hebben de jeugd, ze hebben de toekomst (maar wat voor een, voegde ik daar inwendig snel aan toe), ze hebben het hele leven voor zich. En ze lezen elkaar Murakami voor in Parijs.
Je hebt geluk, met zo’n goede voorlezer. Zei ik nog tot het meisje. Ze keek heel vriendelijk, leek gelukkig met mijn opmerking.
De donkere parkwachter keek nog eens om en verliet het blikveld. Ik nam afscheid van het koppel, niet na hen eerst nog de weg naar Proust te hebben gewezen.
Niet dat ik Murakami slecht vindt, maar Proust is toch beter.

schrikkel 147d

Ik wist min of meer waar ik moest zoeken, ergens in de buurt van het Crematorium, maar ‘min of meer’ is op een mastodontbegraafplaats als Père Lachaise niet genoeg om een vlotte vondst te garanderen. Zo gebeurde het dat ik het al had opgegeven – ‘t is toch maar fetisjisme – toen ik alsnog op de laatste rustplaats van Marcel Proust stuitte. Het werd op die manier warempel nog een soort van mémoire involontaire. Een stenen vaas met verse bloemen sierde de kop van de eenvoudige zerk. Vooraan een rijtje proustofiele kiezels en, een beetje afgezonderd van de rest, twee grotere keien. Ik vulde heel devoot het meest conformistische rijtje aan met een ter plekke aangetroffen grindkiezeltje, onderwijl dankbare gedachten wijdend aan de auteur van de Recherche, die mij al zoveel mooie uren had geschonken. Ik legde er nog een steentje bij voor S., die op dit eigenste moment weinig literair geïnspireerde momenten beleefde met twee meisjespubers, elders in de Franse miljoenenstad, ergens waar er vooral modieuze en hippe klerenzaken zijn en waar ze niet op zoek zijn naar de verloren tijd maar naar de centen in je tas.

schrikkel 147c

3 centimeter vooraan, 2 achteraan. Veel meer manoeuvreerruimte heeft de mevrouw in de blauwe Twingo niet. Het rozige jasje, dat bazig staat toe te kijken, is de eigenaresse van de grijze auto voor de Twingo. Wat de chauffeuse van de Twingo niet weet, is dat er voor de auto van mevrouw Roze minstens 20 centimeter ruimte onbenut blijft. Als zij haar auto wat vooruit zou rijden, zou zij de manoeuvreerruimte van mevrouw Twingo vervijfvoudigen. Maar niet, dus. Liever toekijken hoe mevrouw Twingo het ervan afbrengt. Omstaanders kijken geamuseerd toe. Eentje zegt: C’est tout à fait Paris, ça. De kleine incidenten die het totaalbeeld vormen.

schrikkel 147b

Op de Avenue Ledru-Rollin beland ik op een markt. Een prachtige zondagsmarkt, met Franse topklasseproducten: groenten, fruit, vlees, vis, zuivel… Alles, en van alles het beste. En dan zijn er ook de boerenhemden en zakdoeken en de quincaillerie. En nog meer in de periferie van dit langwerpige kramendorp onder de bomen van de avenue, stilaan uitdijend in de richting van een – duidelijk minder authentieke – tourist trap met pottecarrie en fikfakkerie en brol (geurkaarsen, new age-muziekjes, handgemaakte lederwaartjes): een paar exotische kramen. Onder andere van een modern communicerende verkoper van namaak-Afrikaans. Ik denk niet dat hij zijn leverancier aan het bellen is met een verzoek om dringende levering. Daarvoor geniet zijn koopwaar net iets te weinig belangstelling.

schrikkel 147a

Wat een luxe: een hele dag slenteren door oostelijk Parijs, het onzième en het vingtième, in het vooruitzicht, te beginnen met de Marais en de Place des Vosges. Even daar voorbij dien ik te beantwoorden aan, zoals dat heet, een hoge nood en het enige wat je dan kunt doen is: op hoop van zegen, dat wil zeggen van een vriendelijke bejegening, een café binnenstappen. Ik heb geluk. Ik kan het niet beter treffen. Ik stap namelijk – op goed geluk – op de hoek van de boulevard Beaumarchais en de rue du Pas de la Mule bistrot des Vosges binnen. Ik word er uitermate vriendelijk onthaald. Nuja, ik word er onthaald zoals het eigenlijk altijd zou moeten zijn maar in Parijs helaas veel te vaak niet is. Ik mag mijn fototoestel op de plank aan de binnenkant van de toog laten liggen terwijl ik in het souterrain de toiletten opzoek. Je vais prendre quelques photos, grapt de gerante. En ze wacht tot ik terug boven ben om me mijn koffie voor te zetten – een goede koffie trouwens, en zeer betaalbaar, toch naar Parijse normen. Ik haak de aan een leesstok bevestigde Libération van de muur. Een vrouw betreedt de zaak, compactfototoestelletje in de aanslag. Of ze een foto mag maken van de ober, dat is een van de opdrachten van de ‘fotorally’ waaraan ze op deze zondagvoormiddag deelneemt. De ober van dienst, die net zijn vrije kwartiertje heeft en bij een boterham de krant leest, is tot poseren bereid. Hij haalt er zelfs een dienschaal bij en plaatst daar een fles en een glas op, om vervolgens in de oberhouding te gaan staan: schaal met fles en glas op schouderhoogte in evenwicht op de gespreide vingers van de rechterhand, de duim van de linkerhand achter de schort gehaakt. Exit de fotorallyvrouw, waarop de gerante met de ober aan de praat gaat. Ze kennen elkaar nog niet goed want ik hoor de ober vertellen dat hij studeert en dat hij volgend jaar een Erasmus in Zweden plant, enzovoort. Ik lees verder in mijn Libération, nip mijn laatste slok koffie weg, laat het wisselgeld liggen voor het gebruik van het sanitair en zeg, bij wijze van afscheid, aan de gerante dat ze in een zeer aangename bistrot werkt. Een gelaatsbrede glimlach is mijn beloning. Ik vertrek opgewekt richting Père Lachaise.

geen verloren tijd 45

I, 353-360

De betovering is verbroken en Swann beseft – eindelijk! – que le sentiment qu’Odette avait eu pour lui ne renaîtrait jamais, que ses espérances de bonheur ne se réaliseraient plus (353:16-18). Als ze nog eens vriendelijk is, ziet hij het sceptisch aan : ’t is als vriendelijk zijn bij een vriend die op sterven ligt.

Swann beseft dat hij Odette zou kunnen missen, maar hij heeft voorlopig niet de moed zelf definitief afstand van haar te nemen. Hij zou voor zijn Vermeerstudie naar Den Haag moeten, maar hij komt daar niet toe: de nabijheid van Odette blijft voor hem onmisbaar. En Swann beseft dat zijn stand en status hem in de gelegenheid brengen deze toestand te bestendigen: hoe erg zou het niet zijn mocht hij arm en van lage komaf zijn? En hij overdenkt: ‘On ne connaît pas son bonheur. On n’est jamais aussi malheureux qu’on croit.’ (354:35-37) Maar dan beseft hij weer hoezeer Odette hem kluistert, hoeveel kansen er misschien verloren gaan doordat hij er onbeschikbaar voor is. En hij draait nu zijn besluit van daarnet om: on ne connaît pas son malheur (…) on n’est jamais aussi heureux qu’on croit (355:4-5).

Swann wil Odette eigenlijk liever kwijt. Hij vraagt zich af hoe het zou zijn als ze zou sterven. Maar dan realiseert hij zich dat hij, als hij dergelijke gedachten koestert, voor zijn leed geen medelijden verdient, en hij geeft die gedachten op.

Swann weet dat Odette elk jaar in augustus en september een tijd uitstedig is. Hij kan daar min of meer mee leven zolang er geen echt concrete voorstelling is van die afwezigheid. Maar zodra er een concrete invulling komt – bijvoorbeeld een reis naar Egypte samen met Forcheville – wordt dat vooruitzicht ondraaglijk. Dan is le Temps à venir (355:32; Proust gebruikt de hoofdletter opzichtig) niet langer een trage stroom waarin hij gelaten met zijn verdriet ronddobbert maar een ijsklomp, une masse énorme et infrangible qui pesait sur les parois intérieures de son être jusqu’à le faire éclater (355:41-42).

Op een dag ontvangt Swann een anonieme brief waarin Odettes scabreuze verleden uit de doeken wordt gedaan. Wie kan die brief hebben verstuurd? Afgaande op enkele details erin, die verraden dat de steller op de hoogte moet zijn van Swanns privéleven, komt de verdenking te liggen op M. de Charlus, M. des Laumes en M. d’Orsan. Hierop volgen een aantal overwegingen over de karakters en daden van deze mannen op basis waarvan de waarschijnlijkheid van de verdenking kan worden getoetst. Daarbij overdenkt Swann dat het juist is dat mensen op hun daden worden beoordeeld: Il n’y a que cela qui signifie quelque chose, et nullement ce que nous disons, ce que nous pensons. (358:1-3) Ook de bediende Rémy, mon grand-père (358:15-16), Bergotte, de schilder en de Verdurins moeten de toets van Swanns verdenking doorstaan. Hij moet concluderen dat au fond il n’y avait pas une seule des personnes qu’il connaissait qui ne pût être capable d’une infamie (358:34-36). Die gedachte doet hem duizelen en hij begint weer zijn monocle op te poetsen. Voortaan kan hij zijn vrienden niet langer de hand schudden zonder hen van het opstellen van de infame brief te moeten verdenken – ja, wellicht is het ‘normaal’ dat zij tot iets dergelijks in staat zijn, móeten zijn om zich in die kringen te handhaven: [l’infamie] est une nécessité de la vie à laquelle chacun se soumet (358:52-53).

De inhoud van de brief is in de ogen van Swann – die, comme beaucoup de gens avait l’esprit paresseux et manquait d’invention (359:7-9) dermate onwaarschijnlijk dat hij er zich verder geen zorgen over wil maken: het kan toch niet zijn dat Odette, aan wie Swann zulke mooie en onschuldige herinneringen bewaart (gaande van bloemen tot theekransjes), hoerenkasten zou bezoeken en zich aan orgieën met vrouwen zou overgeven! Toch kan Swann niet weerstaan aan de verleiding om visjes te werpen en details van de smaadbrief te laten doorschemeren in zijn conversaties met Odette: misschien zal zij hem onwillekeurig toch een bevestiging geven van haar verborgen leven. Hij heeft altijd aangestuurd op oprechtheid bij haar – niet uit morele overwegingen maar uit de behoefte te weten wat zij deed als zij niet bij hem was. [I]l aimait la sincérité, mais il l’aimait comme une proxénète (‘koppelaarster’) pouvant le tenir au courant de la vie de sa maîtresse. (360:2-4) Die voorliefde voor oprechtheid maakt van Swann geen beter mens. Integendeel: om Odette de waarheid te ontlokken, schuwt hij zelf het liegen niet.

reactie

Ach, monumenten zijn gemaakt voor de duiven.
Wat er overblijft
ben je tenslotte zelf.

Met wat geluk
schijten de duiven niet op je kop.


Uvi

reactie

Het 'pret'park in Dadizele! (Enkel door West-Vlamingen te begrijpen, sorry)
Erik

schrikkel 146g

Le Bateau Mouche, ik had dat nog nooit gedaan – te duur, te massaal, te laag ook: hoe kon je nu Parijs beter zien dan vanuit de straten zelf en van op de Seinekaden; de Seine zelf is een sleuf – en daarin is, inderdaad, veel aan het zicht onttrokken. Maar goed, we deden het voor de kinderen en ik moet zeggen: het is een onvergetelijke ervaring geworden. Zo’n boot biedt een uniek perspectief op de bekende historische gebouwen, die een na een met een bezadigde vaart aan je voorbijschuiven. Ergens ver achter je mummelt een luidspreker waar niemand naar luistert de namen in een paar talen van Babel: Samaritain, Quai d’Orsay, Tour Saint-Jacques, Notre Dame… En je vaart onder bruggen door, mensen erbovenop zwaaien je toe. Sommige maar, zeker niet allemaal. Je voelt dat dit vroeger een algemener gebaar was – zoals je als kind ook wel eens naar een passerende trein zwaaide. En dan zijn er de ruggen van de Japanse toeristen die elkaar vooraan op de boeg komen fotograferen. Prachtige ruggen, leuke poepjes. Het dessin van hun blouses en broekjes en hoedjes ook: subtiele patronen, smaakvolle kleurencombinaties. En dan keren ze – even maar – terug naar hun plaats vlak achter je en schreeuwen recht in je oor hoe prachtig het allemaal is wat ze hier te zien krijgen en in hun digitale bakjes mee naar huis kunnen nemen – met zichzelf op de voorgrond natuurlijk want, zeg nu eens, zou er ooit al, door al die talloze miljoenen, één Japanse toeristenfoto zijn gemaakt waarop géén Jap met zijn rug naar het monument gekeerd staat te poseren, ondertussen zelf ook weer dat monument onzichtbaar makend? Dit tafereel bleef zich maar tussen ons en al dat voorbijglijdende fraais afspelen. Tien keer, twintig keer. Met één koppel, twee, ja op een gegeven ogenblik zelfs drie koppels. En maar kwetteren. En dan moest elke foto nog eens twee keer worden gemaakt, de eerste keer met het eigen fototoestel, dan met het fototoestel van de gefotografeerde. En maar brullen in mijn oor telkens ze naar hun plaats terugkeerden. Het hielp niet deze wezens in het Brugs dialect toe te spreken. Dat ze zich zo niet moesten aanstellen. Dat ze eens moesten kijken hoe mooi Parijs toch is, zelfs vanuit een sleuf gezien. Dat ze moesten ophouden met in mijn oor te brullen. Dat ze nu eindelijk eens op hun stoel moesten blijven zitten. Neen, ze bleven maar elkaar fotograferen en ze hielden daarmee niet op tot die bateau moche eindelijk weer was aangemeerd.

2895

Dadizele - 2011 (?)

maandag 11 juni 2012

schrikkel 146f

De campagneleider was euforisch, hij had er een paar duizend Franse francs – ja die waren dan al weer vele jaren opnieuw ingevoerd – voor over. De oude man incasseerde ze met graagte, stel je voor, hij vroeg om het bedrag over te schrijven op zijn numéro de compte bancaire! Hij moest een van de laatsten zijn!
Ze hadden al een paar beelden kunnen opsnorren uit het jongere leven van de presidentskandidaat, beelden waar het enthousiasme en de gedrevenheid die nu zijn geloofwaardigheid moesten onderstrepen van spatten, maar een beeld dat zo ver in de tijd terugging had niemand teruggevonden. Oui, c’est bien moi, had de kandidaat gezegd. En dan, verwonderd: Mais qui a pris cette photo?
Het was inderdaad een helse karwei geweest om in de oeverloze digitale beeldenzeeën die zich sinds de verspreiding van de digitale fotografie over het internet hadden verbreid als tsunami’s, als een fataal stijgende zeespiegel, als een algemene zondvloed – om daarin uitgerekend dit fotootje aan te treffen. Op de ‘blog’ – c’est quoi ça, ‘un blog’? – van een cybernaut die, hoewel hij zijn teksten in het inmiddels bijna volledig verdwenen Nederlands stelde, in zijn naam een computertaal én een Franse filosoof uit een nog veel verder verleden had samengebracht, de befaamde Blaise Pascal die ooit – tu te rappelles ton bac? – had gezegd dat de uitgestrektheid van de oneindige ruimten hem de daver op het lijf joeg… Of zoiets. Op die blog dus, wat dat dan ook moge geweest zijn, hadden ze dat fotootje gevonden en, om alle gedonder in verband met copyrights en dergelijke te vermijden, hadden ze ook nog eens de fotograaf gelokaliseerd, die nog in leven bleek te zijn ook – en die had er geen graten in gezien dat het beeld werd gebruikt voor de campagne. ’t Was een mirakel, eigenlijk, dat de foto nog bestond want de harde schijf waarop ze hem hadden aangetroffen, was, blijkbaar, een van de zeldzame die niet door dat universele virus van 2031 voorgoed onleesbaar was gemaakt.
De campagneleider sprong een gat in de lucht toen de foto hem onder ogen kwam! Regarde le petit Jean-Marie jr.! Zo klein nog en hij staat daar al met de tricolore te zwaaien! Dát wordt het beeld van standvastigheid en vooruitziend patriottisme dat we willen uitdragen! Marine sera contente!

campagne 2

Ik maak op mijn facebookpagina, blog en uitgaande e-mails met een van het internet geplukt logo kenbaar dat ik gemeenteraadskandidaat ben voor Groen. De aanmoedigingen achter de talrijke ‘vind ik leuk’’s op facebook die meteen volgen, vind ik… leuk. Maar echt substantieel is dat niet. Met mijn aangepaste e-mail-ondertekeningssjabloon oogst ik interessantere reacties. Van een partijgenote uit een ander kiesdistrict, die vertelt hoe bij haar thuis de pin’s en de kaartjes tot ver na de (vorige) verkiezingen bleven rondslingeren. Maar ook van kameraad LDW, Kongo- en Palestina-specialist, die mij een link doorstuurt naar een slecht maar toch interessant artikel van DeWereldMorgen over een uit zijn context gerukte mening van Meyrem Almaci over het ecologisch beleid van Israël: ja, ze hebben veel bossen bijgecreëerd, dat is waar, maar kritische, en alerte, stemmen voeren aan dat al die bossen nu staan op plekken waar vroeger Palestijnse dorpen gedijden – enfin, u moet het maar eens nalezen. Het is een les in adequaat citeren, voorzichtig meningen formuleren en zorgvuldig documenteren.

Moraal van het verhaal: je maakt je kenbaar als kandidaat en meteen word je erop gewezen dat je kunt geconfronteerd worden met meningen, ook over zaken waar je niet echt veel van afweet. Boeiend! We zullen veel bijleren, de volgende weken en maanden. Zaak is van het met open vizier tegemoet te treden.

schrikkel 146e

Japanse toeristen blijven verbazen. Gedwee, als schapen naar de slachtbank, volgens ze hun groep van de ene bezienswaardigheid naar de andere. Elk moment benutten ze om elkaar te fotograferen. Ze kwetteren tegen de sterren op. Ze lijken op geen enkele manier contact te maken met andere mensen. En vaak zijn ze bijzonder non-conformistisch. Je ziet ze soms met een luchtvervuilingsmasker voor de mond. Of, op zonnige dagen, met een paraplu. Duizenden mensen in de Tuileries, en eentje met een paraplu: dat is een Jap! Rare jongens toch.

schrikkel 146d

De elektronica waarachter de duizenden die van vele vlieguren ver hierheen komen datgene waarvoor ze hierheen komen verstoppen, wordt steeds indrukwekkender. Nu kun je al op iPads kijken naar wat er achter die iPads te zien is. Blijft de vraag natuurlijk of je dat dan niet beter thuis zou doen. Neen dus. Want dan ben je er niet geweest, heb je niet kunnen vaststellen of het wel allemaal echt is.

schrikkel 146c

Toen ik haar zag staan, met haar kinderwagen dwars op de oversteekplaats, vroeg ik me af wat ze daar stond te doen. Vooruit kon ze niet want ze had zichzelf achter een vluchtheuvel geparkeerd. Alles in haar kijkrichting bewoog, links en rechts van haar, maar zij stond stil. Vreemd dat je haar daar en profil zag staan. Ik drukte af. Toen ik met de mensen die rond mij stonden te wachten in beweging kwam en de straat begon over te steken, draaide de vrouw de kinderwagen negentig graden en stapte ook in de richting van het Louvre, aan de overkant van de drukke rue du Rivoli. Ze had gewoon het wagentje even dwars gezet om te vermijden dat er een auto tegenaan zou knallen. Veiligheidsmaatregel. Achter de vluchtheuvel was ze veilig zolang ze zichzelf, en haar kind, maar smal genoeg maakte.

campagne 1

Gisteren de kandidatendag. Die vond plaats in een parochiezaaltje aan de Coupure, kruisbeeld boven de deur. Sommige kandidaten kende ik enkel van zien, een paar anderen iets beter. Sammy bijvoorbeeld, met wie ik, samen met S., zeven jaar geleden eens een goed gesprek had toen hij nog zijn cafeetje uitbaatte aan het Kraanplein. Ik herinner mij de jaren zeventig-motieven, die toen net opnieuw in de mode kwamen.

Sammy is inmiddels voorzitter geworden van de Brugse afdeling van Groen en voert met verve de lijst aan. Hij zette de voornaamste programmapunten uiteen en gaf uitleg bij de volgorde van de kandidaten. Er zijn drie kolommen, dat heeft met het elektronisch stemmen te maken. De linkse kolom is voor de jeugd. De middenste kolom is voor de ‘verruimers’. De rechtse kolom, waar ik op plaats 36 prijk (wat is het lang geleden dat ik dat werkwoord heb gebruikt), dat zijn de ‘krachten die sinds jaar en dag Groen steunen’. Ik voel me eensklaps een beetje oud. Maar goed, daar is niets aan te doen. Ik ben ook trots. En ik vind 36 een mooi getal.

Charlotte gaf uitleg bij hoe er campagne kan worden gevoerd. T-shirts, hesjes, bagagedragervlaggetjes, flyers, kaartjes: het hele arsenaal aan propagandamateriaal, heel professioneel aangemaakt, mooi en verzorgd. En ik moet zeggen: dat logo en dat groen doen toch wel echt goed hun werk.

De gezamenlijke foto, voor de pers, had ik gemist. Maar nu was het tijd voor een individuele foto. Ik mocht aanschuiven bij Filip Claus, een topfotograaf. Ik moest poseren naast een bouwafvalcontainer, de romp driekwart gedraaid.

En hiermee is de eerste stap gezet. Ik ben benieuwd wat er tussen nu en 14 oktober nog allemaal volgt. Ik zal er hier verslag van uitbrengen.

2894

In de buurt van Saint-Saëns - 2011 (?)

zondag 10 juni 2012

Een commerciële babbel

Een commerciële babbel. Ik ken iemand die in een callcenter werkt en ik weet: niemand doet dat met zijn volle goesting. En zelf word ik ook niet graag afgeblaft, dus: ik geef ze een kans. Maar ’t is toch wel straf, dat moet me van het hart, dat ze eerst aan contractbreuk doen en je dan, nauwelijks een maand later, datgene proberen te verkopen waarvan ze vermoeden dat je het nodig hebt, nu ze jou hebben ontriefd. De schurken. Niet die kerel aan de foon, die probeert gewoon een snede kaas op zijn boterham te verdienen. Met, ik kan het niet anders zeggen, een klotejob.
Mijn toestel herkent het nummer niet. Er verschijnt geen naam op het scherm, enkel een reeks cijfers.

Hallo, met Pascal.

Spreek ik met mijnheer Pascal Cornet?

Inderdaad.

Dag mijnheer Cornet. Fantastisch dat ik met u kan spreken.


Ik zie dat u klant bent bij Telenet. Dat vinden wij fantastisch.


Bent u een tevreden klant?


Ik zie dat u een Fiber-Fast-contractje hebt. Een heel goed contractje is dat. Kijkt u vaak tv?

Dat valt wel mee.

Naar welke zenders kijkt u, mijnheer, als ik u dat mag vragen?

Wel, u hébt het nu al gevraagd hé?


Ik kijk niet zo vaak, maar ik keek wel regelmatig naar een paar van de zenders die jullie er recent hebben afgehaald zonder ook maar iets met mij te overleggen. Of ik nu minder voor de resterende zenders zou moeten betalen, bijvoorbeeld.

Welke zenders bekeek u dan regelmatig?

A2 en de BBC. Die hebben jullie er afgehaald. En al een hele tijd geleden, ook ongevraagd, arte.

Kijkt u nog naar andere zenders?

Ja, ik kijk wel eens naar Canvas.

Ik zal eens kijken wat ik voor u kan doen.

Kunt u mij A2 en BBC en arte teruggeven?


Ik koop geen digitale televisie, hoor. U mag mij helpen, maar dan moet u het doen met de televisie die ik nu heb.

U hebt een Fiber Fast, hé?

Tja, dat zegt u. Ik weet niet welk type verbinding ik heb. Maar ik zeg u, ik wil geen digitale televisie.

Ook niet als een digibox u maar 50 euro kost?

Neen. Doet u geen moeite.

Wel dan dank ik u, mijnheer Cornet. Het was fijn van u dat u ons hebt willen helpen.

Ik dacht dat u míj zou helpen?



Dag, mijnheer Cornet.

Dag mijnheer. Het was fantastisch met u te kunnen spreken. Goede middag.

2893

In de buurt van Saint-Saëns - 2011 (?)

zaterdag 9 juni 2012

reactie

En toch, en toch straalt zij naast tristesse, een natuurlijke klasse uit... ook een vleugje Bardot,
boven de heren van stand verheven en de gestelde lichamen ...

Uvi

schrikkel 146b

Het zogenaamde Forum des Halles werd in de jaren zeventig met grote tekentafelvoortvarendheid neergeplant op de site waar sinds jaar en dag het logistieke hart van Parijs klopte. Hier werden vele decennia lang elke dag opnieuw, vaak nog heel vroeg in de ochtend, uit alle mogelijke streken van Frankrijk de gigantische hoeveelheden groenten en fruit en vis en vlees en zuivelproducten aangevoerd en verhandeld die de miljoenen magen van de hoofdstad nu eenmaal nodig hebben. Samen met alle hartelijkheid en warmmenselijkheid die daarmee gepaard gingen, alle ambachtelijkheid, kleinschaligheid en beroepseer, alle anekdotes en levensgeschiedenissen, werd deze bedrijvigheid naar de kilte van de buitenwijken weggerationaliseerd en in de plaats kwam een steriel shoppingcenter, dat al na korte tijd niet alleen van frenetiek consumentisme maar ook – en op den duur vooral – van grootstedelijke vereenzaming en onherbergzaamheid een concentratie bleek te bieden: l'image du Forum des Halles est loin d'être positive (trafics de drogue, insécurité, vices de construction…). Nu al, amper 35 jaar later, is het hele complex blijkbaar aan renovatie toe en vormt het derhalve een zo mogelijk nog onoverzichtelijker kluwen van gangen en trappen dan er voor de ingrijpende werken die er inmiddels zijn gestart al was. Een architectuur zonder logica, zonder menselijkheid. De trap naar buiten die ik samen met een al wat oudere man van het Aziatische type zoek, is niet te vinden. Op welk niveau, overigens, bevinden we ons? Zelfs dat is niet duidelijk. We nemen dan maar samen een lift die ons naar het daglicht moet brengen. De man windt zich op in proper Frans. Ik spreek hem sussend toe: Il ne faut pas vous énerver, nous trouverons la sortie. Een gesprekje wordt aangeknoopt. Ik vertel hem waar ik vandaan kom, hij vertrouwt mij toe dat zijn vrouw een Limburgse is. Daar ben ik geboren, zeg ik – we groeten elkaar en gaan elk ons weegs.

schrikkel 146a

Zij staat hier elke dag. De Sophie Calle van dienst, maar dan zonder fototoestel allicht. Rommel ruimen op de kamers voor een habbekrats. De op een hoop gegooide handdoeken in een hoek van een veel te natte badkamer. Haren in het afvoergat en wijnvlekken op de lakens. Een vuile stinksok die is blijven liggen. En kijk, ook hier zijn alle zeepjes meegegrist. Kamermeisje, kamervrouw. Strijdvaardig in de liftdeur, orders in ontvangst nemend van de receptioniste. Denkend aan thuis, ongetwijfeld. Onverschillig geworden voor de levens die hier anoniem samenkomen en dan weer verdwijnen naar betere oorden – en beter moeten ze zijn want zeg nu zelf, wie kan zo’n hotelkamer betalen?

2892

Le Thoronet - 2008 (?)

vrijdag 8 juni 2012

mail aan de auteur van een reactie

Beste Leen,

Bedankt voor je reactie. Ik hoop dat ik – in het algemeen – de vrouwen en – in het bijzonder - jou niet heb beledigd. Ik heb enkel uiting gegeven aan mijn (onvermijdelijk tastende) overtuiging dat het 'niet ten volle opnemen van de vrouwelijkheid' van vrouwen andere vrouwen maakt dan de vrouwen die hun ‘vrouwelijkheid’ wel ‘ten volle opnemen’. Hetzelfde geldt voor mannen en hun mannelijkheid. En voor alle duidelijkheid: ik heb het niet in eerste instantie over het hebben van kinderen maar wel over het toelaten en ervaren van seksualiteit. Ik schrijf: ‘Ik ben, en blijf, overtuigd van het feit dat iemand die nooit de warmte en de troostende compliciteit van de seksuele gemeenschap en eventueel het daaruit voortvloeiende (of voortspruitende) ouderschap heeft gekend, nooit écht, dat wil zeggen volledig, heeft geleefd.'
Onbaatzuchtigheid is een schone deugd die niet hoog genoeg kan worden ingeschat. En vrouwen zijn naar mijn aanvoelen niet te herleiden tot ‘uit te huwelijken fokvee’ – als ik dat in jouw ogen zou gesuggereerd hebben, kan ik niet anders dan dat ten zeerste te betreuren.
Het celibaat, ook van mannen, heeft zeker voor culturele hoogstandjes gezorgd, ja, het is er vaak een voorwaarde voor. Wie vrijgezel blijft, heeft meer tijd. Zo simpel is dat. In die zin vind ik het niet eens iets ‘absurds’, zoals jij stelt. Maar evengoed heeft het van vrouwen – en mannen – ongelukkige en in méérdere opzichten steriele wezens gemaakt. Ik ken natuurlijk niet alle nonnen, maar ik heb zo’n vermoeden dat velen van hen dit lot beschoren was. Het zijn niet allemaal Theresa van Avila’s en Hadewychen! Het zou interessant zijn om eens te bekijken wat de aanleiding/oorzaak/reden was van vele intredens en ‘roepingen’ tijdens laat ons zeggen de eerste helft van de twintigste eeuw. Ik schat dat er veel vaker economische en ander minder ‘hoge’ motieven meespeelden dan meestal wordt aangenomen.
Beste groet,
Pascal

reactie

hallo pascal,
voor alle duidelijkheid en om alle misverstanden dat momenteel de ronde doet op te lossen:
"maria onbevlekt ontvangen " wil zeggen: maria geboren zonder erfzonde

vele groeten
B.


Ja, dat weet ik, B. Maar het blijft evengoed een absurd dogma. Ofwel zijn we allemaal geboren met de erfzonde, ofwel niet. Uitzonderingen maken voor één individu, dat gaat voor mij niet. Om dezelfde reden kan volgens mij ook niet één persoon onfeilbaar zijn. Een godsdienst die dat soort regels bedenkt, is het geloof in zichzelf aan het verliezen.
Beste groet,
Pascal

2891

Marseille - 2008 (?)

donderdag 7 juni 2012

reacties

Hoewel alle boeken van Sebald de moeite waard zijn, is deze toch wel mijn favoriet.

JWL



Zeer uitnodigend!

Leen Huet



Dirk schreef: Zelden kom ik er een boekbespreking tegen die zo weemoedig is als deze, maar dat is wellicht ook de aard van het besproken boek. Ik veronderstel dat dit huiswerk je door niemand anders dan jezelf werd opgelegd, Pascal. Waarom doe je toch die moeite?

Dirk Pauwels


@Dirk Pauwels
Je vraag 'Waarom doe je toch die moeite?' is een van de mooiste complimenten die ik ooit heb gekregen! Maar een 'boekbespreking' is het natuurlijk niet, hé.

P.C.