donderdag 20 december 2007

Dag 114 vVH&C

Vries

Er zou voor ieder mens ergens een kamer moeten groeien:
één millimeter nieuwe ruimte

als rente voor elk waardevol voorbij
moment. Een vertrek om te vinden, te innen

wanneer je het aandurft er luid passen tellend door te gaan,
de oppervlakte te berekenen in damp

op het raam. En dat getal, ik zal het tijdens mijn bezoek
lezen noch na-

tellen alleen de vriesbloemen die het
uitwissen.

Uit: Ruth Lasters, Vouwplannen (Meulenhoff/Manteau, 2007)

071211 en 071220 – De idee aan de basis van dit gedicht is: dat elk mens ‘voor elk waardevol voorbij / moment’ ‘ergens’ een reserve opbouwt, een reserve aan levensruimte, ademruimte, iets waarvan je beter en langer en ruimer kunt leven. Die reserve groeit maar traag aan: slechts ‘één millimeter nieuwe ruimte’ per waardevol voorbij moment. Je moet er dus al duizend hebben voor één meter, voor één extra pas. Die kun je dan, ‘wanneer je het aandurft’, tellen. Moet je doen als je de ‘rente’ wilt ‘innen’ (nadat je het vertrek hebt gevonden – je moet het dus eerst nog zoeken, en dan kan het maar beter zo groot mogelijk zijn…). Het is duidelijk: die rente wordt je niet op een schoteltje aangereikt. Nog een lastig probleem: wanneer is een voorbij moment ‘waardevol’? Wie bepaalt dat? En: welke ervaringenbank schrijft de rente uit en wie bepaalt de tarieven? ‘[I]nnen’, overigens, past mooi bij dat vertrek omdat ‘binnen’ erin doorklinkt – terwijl ‘vertrek’ natuurlijk ook alweer een beweging naar buiten inzet.

‘[L]uid passen tellend’ meet je die ruimte, waarvan de omvang wordt bepaald door de positieve levensmomenten die je hebt gehad – en dan moet je op basis van je telling een rekensom maken en ‘de oppervlakte’ van het vertrek ‘berekenen’. Je hebt niets bij om te schrijven, dus reken je met je vinger in de damp op de ruit. Die damp is er omdat je ademt. Omdat je leeft, dus. Het einde van het gedicht verrast en verbaast. De tweede persoon wordt vervangen door de eerste. En, zegt die ik nu, ik zal bij mijn bezoek in jouw ruimte het in damp op de ruit geschreven getal ‘lezen noch na- // tellen’. Zie hoe wijd die witregel daar gaapt. Het gedicht sputtert naar zijn einde, grammaticaal hapert de laatste zin alvorens het geheel tot stilstand komt: ik zal dat getal niet lezen of natellen ‘alleen de vriesbloemen die het / uitwissen’. Het gedicht eindigt met een beeld van verdwijnen. De vriesbloemen, de koude dood (die een koud verdwijnen is), zullen deze geluksboekhouding, en meteen ook alle geluksmomenten, uitwissen. (Maar vriesbloemen zijn natuurlijk zelf ook alleronbestendigst.) De ik zal geen oog hebben voor de boekhouding, wel voor wat de boekhouding bedreigt en uiteindelijk zal ondermijnen. Net zomin als de voorbije momenten er nog zijn, zal iets van de neerslag ervan overblijven.