woensdag 24 augustus 2022

notitie 277

PRODUCTIEMEDEWERKER

 

Fribona is een diepvriesgroentenbedrijf, met vestiging in Oostkamp. Toen ik er onlangs aan voorbijfietste, zag ik dat ze er een ‘productiemedewerker’ zochten. Of nog altijd zoeken, dat weet ik niet, het is inmiddels alweer een maand geleden en het is zomervakantie. Dan hebben werkzoekende productiemedewerkers wel eens andere dingen aan hun kop dan ingaan op een vacature, denk ik dan.

Maar goed, de aanvulling van het personeelsbestand van de firma F. te O. zal mij worst wezen. Waar het mij om te doen is, is dat woord. ‘Productiemedewerker’. Ik sta erbij stil. Niet alleen om de foto te maken die u onderaan dit stukje ziet, maar ook om er even over na te denken. Want wat is dat eigenlijk, een ‘productiemedewerker’. En waarom wordt het zo genoemd?

Een productiemedewerker is, het woord zegt het zelf, een persoon die meewerkt aan de productie. Dat veronderstelt alvast twee zaken. Ten eerste dat er iets wordt geproduceerd en ten tweede dat daartoe samenwerking vereist is. Wat het eerste betreft, daar kan geen twijfel over bestaan. Dat leert de website van F. mij: https://fribona.be/. De firma is gespecialiseerd in de productie en distributie van ‘diepvriesproducten, maaltijdcomponenten en bereide gerechten’, maar ook ‘aperitiefhapjes, voorgerechten, vis, groenten, snacks, ijs, broodproducten…’ zijn in het ‘gamma’ opgenomen. Een vitter zal stellen dat strikt genomen al deze zaken hier niet worden gemáákt, hoogstens bij elkaar geklutst, maar ‘productie’ is er hoe dan ook. Ook wat dat samenwerken betreft, kunnen we ervan uitgaan dat de gekozen term niet uit de lucht gegrepen is. Er zal werkverdeling zijn in zo’n fabriek, het is ondenkbaar dat elke ‘medewerker’ op eigen houtje en naar eigen goeddunken de ‘bereide gerechten’ bedenkt, klaarmaakt en in elkaar flanst – om ze vervolgens te verpakken, op te laden en naar de klant te brengen, daar een aperitiefje te drinken, het geld te ontvangen en ’s avonds thuis ook nog eens de boekhouding te doen. Neen, F. is een rationeel georganiseerd bedrijf waar efficiency en rendement vooropstaan. Zoals het hoort.

Voorwaarde één én voorwaarde twee zijn dus vervuld. We mogen van ‘productiemedewerker’ spreken. En toch blijf ik bij het woord stilstaan. Er is iets aan wat mij tegenstaat. Het is eufemiserend en verhullend. Het is newspeak. Het klinkt chiquer dan datgene waar het voor staat – dat kun je met een natte vinger aanvoelen.

We zien het niet want alles wat zich in die kubus die we bedrijfsgebouw noemen afspeelt wordt zorgvuldig afgeschermd, maar we kunnen ons toch iets voorstellen bij wat daar onder ‘productie’ wordt verstaan. Lopende banden, helse tempo’s, eentonig herhaalde handelingen. Ik denk niet dat de productiemedewerkers die er de hele dag aperitiefhapjes hebben staan draaien daar ’s avonds, wanneer ze uitgeput aan de fles gaan, nog zin in hebben. En ‘samenwerken’, los van dat stachanovisme dat hier onvermijdelijk zal heersen? ‘Medewerker’ is een woord dat vooral moet dienen om het niet over hiërarchie te hebben. Noem de medewerker een arbeider (in tegenstelling tot de witteboorden die hier ook werken en allicht een beter loon krijgen). Noem hem een ondergeschikte, wat hij wel degelijk is want hij heeft te gehoorzamen. Of noem hem ‘loonslaaf’. Dat zou misschien al dichter bij de waarheid aanleunen want, eerlijk, waarom wordt niet meteen ook het netto uurloon geafficheerd? Maar neen, ‘productiemedewerker’ klinkt natuurlijk minder afschrikwekkend. En daarom staat dat woord op dat bord.

Waarom, Fribona, de – ongetwijfeld erg lekkere – gerechten keurig en zelfs poëtisch benoemen als ‘varkensreepjes in jagersaus’, ‘kip Kiev’ (nog iets van voor de oorlog), ‘tortelloni met pecorinosaus’ of ‘Neptunusschotel’, terwijl de arbeiders die u in dienst wenst te nemen minder nauwkeurig ‘productiemedewerker’ worden genoemd? Ik lust wel een ‘haantje in wijnsaus met krielaardappelen’, maar ik heb ook graag dat u zegt waar het op staat.

 


 

6554 / de dingen 201

220720

 

6553 / mirage 161

220717

 

dinsdag 23 augustus 2022

driekleur 496

Zelfs nu hij zijn ogen dichtkneep was het er al: zwarte golven en daarin rode of gele puntjes, fonkelende stipjes.

Wessel te Gussinklo, De verboden tuin, 109

Wessel te Gussinklo, De verboden tuin

notitie 276

 

Ik heb mezelf iets aangedaan. Ik ben weer te ijverig geweest. Te ambitieus. Te consciëntieus.

Te Gussinklo.

Dat zit zo. In Leo’s leesclubje, waar ik deel mag van uitmaken, besloten we De hoogstapelaar van Wessel te Gussinklo op het programma te plaatsen. Dat was in april. Iemand, ik weet niet meer wie, vond dat een goed idee. Was Te Gussinklo niet een onterecht onbemind en onbekend schrijver, toch zeker hier in Vlaanderen? Nochtans, prijzen en erkenning alom. Wij moesten dringend aan onze onbekendheid met deze man iets doen. Beter dat dan een voor de hand liggende keuze voor een of andere bestseller. Altijd een beetje verdacht, die bestsellers. We konden ons beter aan een geheimtip wagen. Enfin, iedereen die lid is van leesclubjes weet hoe dat gaat.

Te Gussinklo. Dus.

De hoogstapelaar bleek – dat wist ik vooraf niet – het derde deel van een cyclus van vier. Een tetralogie. Enfin, het zijn er nu vier, ik weet niet of er nog meer delen gepland zijn. En ik dacht, ijverig, ambitieus en consciëntieus: ik kan toch onmogelijk, ten einde mij grondig op de leesclubbijeenkomst van oktober voor te bereiden, enkel dat ene deel lezen. Ik moet meteen alles doornemen: De verboden tuin, De opdracht, De hoogstapelaar én Op weg naar de Hartz. Dan kan ik mij door mijn medeleesclubleden laten bewieroken om mijn ijver en inzet, en hen epateren met een diepgravende vergelijking tussen die vier werken en meer specifiek met een grondige toelichting over de plaats van De hoogstapelaar daarin.

Ik dus naar de boekhandelaar. Bleken die vier boeken daar allemaal beschikbaar, mooi uniform uitgegeven. Ze lachten mij toe. Ik moest er niet lang over nadenken. 1700 bladzijden, 2200 gram, 14 centimeter op de boekenplank. Daar zou ik eens stevig mijn tanden in zetten.

En dus begon ik aan De verboden tuin. Te Gussinklo schreef dat boekje (het dunste of dan toch zeker het minst dikke van de reeks, maar toch goed voor 279 bladzijden) al in 1976, maar het werd pas tien jaar later uitgegeven. 35 jaar later, en dus 45 jaar nadat het werd geschreven, beleefde het bij Koppernik een vijfde druk. Dat kon uiteraard alleen in het zog van de nominaties en bekroningen die de schrijver intussen en zeker ook de jongste tijd overvloedig ten deel zijn gevallen.

Hoog tijd dus om kennis te maken met Wessel te Gussinklo.

Ik heb mij door De verboden tuin gewerkt en kan niet anders dan vaststellen dat dit wel degelijk grote, belangwekkende literatuur is. Maar stug! En taai! De verboden tuin is een kleverige tekstmassa. Er gebeurt zeer weinig in. Het is in hoofdzaak een evocatie van, een onderzoek naar hoe een kind tegen de wereld aankijkt. Die wereld is klein, maar de mogelijkheden om hem te zien zijn talloos. Alles wordt langs alle kanten bekeken. Ewout, het alter ego van Wessel, is een verwrongen kind. Een getraumatiseerd kind. De vader van Wessel werd in 1944 door de Duitsers geëxecuteerd omdat hij verzetslui hielp. Wessel zelf was toen drie jaar. Ewout, in het boek in de leeftijd van 2 of 3 tot – schat ik – 10 jaar, lijdt aan overprikkeling en slapeloosheid, aan het onvermogen tot het sluiten van echte vriendschappen, aan onvoorspelbare gemoedsstemmingswisselingen. Hij onderwerpt de objecten van zijn verlangen naar liefde aan sadistische fantasieën. Ewout steelt geld uit de portemonnee van zijn moeder en koopt er vieze boekjes mee. Hij probeert zijn vriendjes te betrekken in zijn verbeelde wereld, wat alleen maar op frustratie uitloopt omdat ze zich daarin niet kunnen inleven. Hij botst op een omwereld die hij ervaart als opaak, vijandig, onwrikbaar.

In zijn beschrijvingen toont Wessel te Gussinklo zich een minutieus observator van de kinderlijke psyche. De traumatische gebeurtenissen die het kind zo hebben misvormd worden nauwelijks benoemd. Alles wordt van binnenuit verteld, vanuit de belevingswereld van het kind, vanuit diens nog verre van volgroeide vermogen om de werkelijkheid in haar juiste proporties te vatten. We vernemen alles over zijn angst, zijn verveling, zijn hunkering en verlangen. Dat is allemaal verdienstelijk, maar het proza waar dit toe leidt is – ik gebruikte het woord al – stug en, vooral, traag.

Ik schatte al het aantal woorden van het volgende deel van de cyclus, om maar te zeggen. De opdracht is met meer dan een kwart miljoen woorden meer dan dubbel zo omvangrijk. Het wordt nog een hele klus om alles voor oktober gelezen te krijgen.

 

Wessel te Gussinklo, De verboden tuin (1986)

6552

Assebroek, Kanaal Brugge-Gent - 220715

 

6551

Sint-Pieters - 220727

 

maandag 22 augustus 2022

notitie 275

STRAATFOTOGRAFIE EN PRIVACY

 

In de discussie over straatfotografie gaat het altijd over privacy. Enigszins badinerend en absoluut niet met de bedoeling of pretentie exhaustief te zijn, vatte ik gisteren mijn meninkjes daarover samen in zeven punten. In het laatste puntje opperde ik even de veronderstelling dat ik zelf zou figureren op een geslaagde foto van een goede straatfotograaf. Ik zou mezelf dan kunnen zien opduiken in een mooi salontafelboek of, mooi ingelijst, ergens aan een muur van de white cube van een trendy galeriehouder in een gegentrificeerde wijk van een metropool.

Mijn hartje klopt al sneller van het gedacht alleen al.

Maar serieus, ik meen het. Ik heb er absoluut geen moeite mee op straat te worden gefotografeerd – zelfs niet als ik daarbij het gevoel zou krijgen dat mijn persoon het hoofdonderwerp van die foto zou zijn, ik bedoel dat ik daar dan centraal op zou figureren. (Al weet ik zelf, als fotograaf, dat er in straatfoto’s altijd een interactie is tussen de focus en de periferie, de figuur op de voorgrond en de achtergrond, en dat die figuur vaak geen benul heeft van wat de fotograaf heeft gezien.)

Eigenlijk moet ik me preciezer uitdrukken. Vaak gaat het in straatfotografie niet om een focus, om een centrale figuur, maar nu net om die interactie. Het volstaat dus niet te denken: ‘Ik zorg dat ik mij toonbaar in de openbare ruimte begeef en daardoor zal ik op om het even welke foto ook toonbaar verschijnen. Ik heb dus niets tegen straatfotografen die mij in beeld brengen.’ Dit in tegenstelling tot sommigen die daar expliciet bezwaar tegen aantekenen, en daarbij zelfs zover gaan dat ze de fotograaf aanspreken en hem vragen het gemaakte beeld te wissen. Zij willen enkel worden gefotografeerd als zij daartoe voorafgaand de toestemming verlenen – wat natuurlijk elke noodzakelijke spontaniteit tenietdoet. Of zij eisen de mogelijkheid om persoonlijk in te stemmen met het eventuele gebruik dat van dergelijke beelden worden gemaakt. Dit leidt potentieel tot oeverloze discussies en eindeloos gekissebis. Wat van straatfotografie een weinig leuke subdiscipline van de fotografie maakt.

Laat mij duidelijk zijn: ik betwist deze personen die zo gesteld zijn op wat zij hun privacy noemen niet het recht om voor zichzelf een dergelijk beeldrecht op te eisen. Niemand is verplicht om toe te laten dat hij wordt gefotografeerd. Niemand is verplicht in te stemmen met de wens van de fotograaf om het beeld waarop hij, de gefotografeerde, figureert te gebruiken. Daar gaat het dus niet over. Het enige wat ik wil zeggen is dat de mogelijkheid niet a priori uit te sluiten valt dat er goede straatfoto’s kunnen worden gemaakt en dat de fotograaf zijn onderwerp met respect zal behandelen. Dat betekent onder meer dat hij de in beeld gebrachte persoon niet onflatteus voorstelt, of dat hij die persoon geen onflatteuze interactie met de achtergrond laat aangaan. Het mogen geen uitlachfoto’s zijn – al is humor in veel straatfotografie natuurlijk wel een belangrijke component.

Goede straatfotografie is, zoals ik in mijn vijfde punt aanvoerde, een humanistische kunstvorm die beoogt de mens in zijn waardigheid en in zijn tijd en omgeving te tonen. Een goede straatfotograaf toont niet alleen met respect de mensen die hij in zijn kader vangt, maar ook zijn liefde voor de mensheid in haar geheel.

Ik geef hier mijn (werk)vertaling van twee alinea’s uit een boek van Gaëlle Josse over Vivian Maier om te verduidelijken wat ik bedoel.

‘Aangezichten. Net als Vivian Maier ben ik gefascineerd, geobsedeerd door aangezichten. Door wat je erin kunt lezen, door wat zich erin onthult. Je ziet een levensweg, een persoonlijke geschiedenis. Je ziet de textuur van de huid, de klop van het hart en het bloed, de adem, de ernst van een uitdrukking, een emotie die aan de oppervlakte komt, het lijnenspel van een rimpel, een trilling in de lippen, het knipperen van de oogleden. Je toont een innerlijke strijd, een brandende passie, een schrijnende pijn. Je hoort de woorden die niet zullen worden uitgesproken. Je vergezelt even de wezens die op hun lotsbestemming afstevenen en die ons confronteren met de onze.’ (149)

En Josse vergelijkt de foto’s van Maier met haar eigen schrijven:

‘Het roept de herinnering aan de doden op, het vervat in zich flarden van onze geschiedenis en van de geschiedenis van alle mensen. Het is een poging om van dat fragmentarische een kunstwerk van licht te maken, van genot, van verwondering. Het gaat erom iets te maken dat tot elk van ons, zo dicht mogelijk aanleunend tegen het pulseren van het bloed in onze aderen, spreekt over wat dit leven was, wat we erin hebben nagestreefd en wat er van onze dromen is geworden.’ (151)

  

Gaëlle Josse, Une femme en contre-jour, 2019

6550

Meetkerke - 220714

 

6549

Meetkerke - 220714

 

notitie 274

STRAATFOTOGRAFIE

 

Enkele overwegingen over straatfotografie en privacy (naar aanleiding van bijdragen hierover op Facebook van Leo Van Broeck en Sammy Roelant).

 

1. Er is een tijd geweest dat mensen er geen probleem van maakten om te worden gefotografeerd in de publieke ruimte. Ze vonden het integendeel een eer. Zou het kunnen dat er een verband bestaat tussen de weigering om gefotografeerd te worden en de afbraak van het sociale weefsel, zijnde het toenemende onvermogen van mensen om met elkaar om te gaan? Liever zichzelf begraven in hun smartphone dan met open vizier de wereld tegemoet te treden.

2. Weigering om gefotografeerd te worden in de publieke ruimte is imagomanagement, een manier - zou je kunnen zeggen – om zichzelf belangrijker voor te doen dan men is.

3. De fotograaf moet respectvol zijn, maar hij moet autonoom kunnen beslissen wat respectvol is. Dat geldt trouwens ook in andere disciplines, bijvoorbeeld literatuur (waarin de auteur, gedekt door het zogenaamd fictionele karakter van zijn teksten, soms te weinig onderscheid maakt tussen zijn personages en reëel bestaande personen) of dans (waarbij de choreograaf zijn dansers bepaalde dingen oplegt die ze mogelijk zelf niet leuk vinden).

4. Iedereen fotografeert tegenwoordig, ook diegenen die er een probleem mee hebben te worden gefotografeerd. Denken zij op hun beurt bij elk shot angstvallig na over de privacy van wie in hun beeld wordt opgenomen?

5. Straatfotografie is een uitermate interessante en waardevolle discipline, die nu onnodig zwaar wordt bemoeilijkt om niet te zeggen onmogelijk wordt gemaakt. Ik voel mij in elk geval zeer geremd in die discipline, vandaar dat er op mijn foto's maar weinig mensen te zien zijn. (Ook geen katten, trouwens, maar dat is een andere zaak.) Op die manier gaan heel veel poëzie en schoonheid verloren. Straatfotografie is een humanistische kunstvorm die de tijd van leven beoogt te documenteren.

6. Wanneer ik word gefotografeerd door een fotograaf in wie ik een straatfotograaf vermoed, kan ik die mens aanspreken. Niet omdat hij mij heeft gefotografeerd (waar ik geen bezwaar tegen heb), maar ik wil het met hem wel hebben over zijn werk, wat hij hoopt te bereiken met zijn kunst, wie zijn voorbeelden zijn, enzovoort. Ik ga liever de dialoog aan in plaats van mijzelf op te sluiten in de eigenwaan van mijn zogenaamde privacy.

7. Wanneer ik word gefotografeerd hand in hand met een persoon die niet mijn partner is, kan ik de fotograaf verzoeken om zijn beeld te wissen. Maar deze situatie doet zich nooit voor. Voor het overige zorg ik ervoor dat ik, wanneer ik mij in de openbare ruimte begeef, niets te verbergen heb. Ik vind het bevrijdend om het gevoel te hebben niets te verbergen te hebben en hoop eigenlijk stiekem dat ik ooit in een belangwekkend oeuvre van een goede straatfotograaf op een van zijn foto's een plaatsje blijk te hebben verworven en zo mijzelf een beetje zal overleven!

zondag 21 augustus 2022

6548

Gent - 220710

 

6547

Gent - 220710

 

zaterdag 20 augustus 2022

Jeroen Theunissen, Ik = cartograaf (2/2)

notitie 273

(Dit is de tweede helft van de recensie waarvan de eerste helft hier te lezen is.)

Jeroen Theunissen wandelt van west naar oost dwars door Europa. Dat continent vormt dan ook het belangrijkste inhoudelijke thema van zijn reis en verhaal. Achtereenvolgens komt hij in Ierland, Nederland, Duitsland, Oostenrijk, Slowakije, Polen, Oekraïne, Roemenië, Bulgarije en Turkije. Allemaal verschillende landen, die door grenzen van elkaar gescheiden zijn – maar Theunissen doet er alles aan om te wijzen op het arbitraire en absurde van die grenzen. We zijn allemaal migranten en vluchtelingen, is zijn ondubbelzinnige en zeer overtuigende stelling. ‘Niemand is inheems.’ (212) ‘Wie tegen migratie is, is ook tegen de evolutie, tegen een waslijst aan soorten, tegen de mens, eigenlijk gewoon tegen het leven.’ (252) ‘Kun je die vragen naar identiteit nog stellen? Zijn ze niet ouderwets? Zijn ze niet besmet?’ (143), besluit Theunissen dan ook. En daarom zoekt hij naar wat de Europeanen verenigt, niet naar wat hen onderling verdeelt.

Theunissen heeft zich zeer over al die landen goed gedocumenteerd. Telkens wijst hij op historische conflicten, verschuivingen, migraties en actuele problemen, vooral van ecologische aard. Van oorlog in Oekraïne is nog geen sprake – die is pas, zonder dat Theunissen daar uiteraard iets mee te maken heeft, na zijn doortocht aldaar uitgebroken. De ecologische zorg neemt de bovenhand. Er is inderdaad veel aanleiding tot ‘landschapspijn’: ‘het schrijnende gevoel dat iemand ervaart bij het zien wegkwijnen van een landschap’. (69) (Al moet gezegd dat Theunissen zijn uiterste best doet om ook het vele moois dat hij onderweg ziet en ervaart in de verf te zetten.)

Het thema ‘Europa’ is inhoudelijk sterk, maar literair misschien wel het mindere onderdeel van het boek omdat je te vaak de indruk krijgt dat Theunissen zijn lectuur parafraseert. (De lijst boeken die hij in zijn nawoord vermeldt is niet exhaustief maar zo ook al indrukwekkend.) Zo bekeken zou een vergelijking met het wandelboek De ringen van Saturnus van W.G. Sebald (die overigens ook om psychosanitaire redenen het hazenpad koos, in zijn geval voor een wandeling door East-Anglia) zeer zeker in Theunissens nadeel uitvallen. (Sebald wordt met een andere titel in de bibliografie vermeld.)

En dan is er – na het reizen zelf en Europa – ten slotte de ik, de persoon van de wandelaar/verteller. Theunissens reis is een vlucht. (Dat wordt, denk ik, met zoveel woorden gezegd.) Uit omstandigheden van persoonlijke en relationele aard die voor de lezer minder belangrijk zijn, maar die de schrijver evenwel niet uit de weg gaat, al was het maar om een antwoord te bieden op de voor de hand liggende vraag of zijn demarche niet egoïstisch is. In het nawoord stelt Theunissen expliciet dat er tussen zijn wandelaar en zijn werkelijke zelf, zoals ook tussen zijn ex-echtgenote en zijn kinderen in het boek en die in de werkelijkheid, weliswaar gelijkenissen bestaan, maar dat het allemaal ‘literaire personages’ zijn. Daarmee is de kous af en inderdaad: wij hebben daar voor de rest geen zaken mee. De wandelaar zoekt genezing en probeert te herbronnen. En hij vindt wat hij zoekt: het tempo van het wandelen en de relativerende werking van wat hij allemaal ziet en meemaakt oefenen een heilzame werking op hem uit. ‘Wandelen moet een onderzoek kunnen zijn, een vorm van reflectie’ of, zo citeert Theunissen Rebecca Solnit, ‘concreet gemaakt denken’ (85). Het is een soort van zenervaring. ‘Wandelend, heb ik wel eens gelezen, zou men zichzelf vinden, maar vaak als de vermoeidheid en het steeds gelijke ritme diep genoeg waren, verloor ik mijzelf in plaats van mijzelf te vinden.’ (39)

De wandelaar lijkt – paradoxaal genoeg – op het eind van zijn reis helemaal tot rust te zijn gekomen, klaar om de tweede helft van zijn leven als vernieuwd aan te vatten, om te verhuizen, om een nieuwe relatie te beginnen, om opnieuw te proberen een goede vader voor zijn kinderen te zijn. Hij hoopt dat ze later ook een dergelijke ervaring mogen meemaken. ‘Hopelijk nemen ze de tijd om te merken hoe verbijsterend, mysterieus en prachtig alles is.’ (382) Nemen, niet krijgen.

 

Jeroen Theunissen, Ik = cartograaf (2022)

6546

Gent, Gent Jazz - 220710

 

6545

Gent, Gent Jazz - 220710

 

vrijdag 19 augustus 2022

Jeroen Theunissen, Ik = cartograaf (1/2)

notitie 272


Het is opmerkelijk hoeveel boeken er de jongste tijd verschijnen – en vlot een publiek vinden – over langzaam reizen, over wandelen meer bepaald. Ik = cartograaf van Jeroen Theunissen is er zo een.

Jeroen Theunissen (1977) timmert al enige tijd aan de weg in de Laaglandse letteren. Tot nu toe vooral met romans – ik las acht jaar geleden De omwegen, niet onverdienstelijk maar helaas niet beklijvend – maar ook met verhalen en gedichten, en nu met een reisverslag. Theunissen probeerde vijf jaar geleden een persoonlijke en ook relationele crisis te bezweren met de verwezenlijking van een kinderdroom: te voet een heel lange reis maken. Een van de kaarten die hij als verzamelaar van dit soort documenten koestert, toont lange trans-Europese wandelroutes. Min of meer at random koos hij voor het traject tussen Caherciveen in de uiterste zuidwestelijke punt van Ierland en Istanbul. Van zijn reis legt hij nu getuigenis af in het redelijk lijvige (428 bladzijden) Ik = cartograaf.

Ik heb me geen moment verveeld. Meer nog: ik heb dit boek verslonden. Opmerkelijk is het contrast tussen het trage reizen van Theunissen en mijn snelle lectuur; tussen enerzijds het halfjaar dat zijn reis in beslag nam en de meerdere jaren die het schrijven van zijn boek gevergd heeft, en anderzijds de paar dagen die ik nodig had om het te lezen. Op de een of andere manier kreeg ik daarbij het gevoel dat ik de schrijver oneer aandeed. Maar ja, hij moet maar niet zo meeslepend schrijven. Dat is onder veel meer te danken aan het feit dat hij er blijkbaar alles aan heeft gedaan om alles wat op moeizaamheid, vermoeidheid, lastigheid, tegenslag of wat dan ook wijst zoveel mogelijk uit zijn verslag te weren. (Zoals ook praktische informatie – over afstanden, overnachtingsmogelijkheden, voeding, de weg zoeken etcetera – uitsluitend impliciet wordt meegegeven.) Het gevolg is dat je de indruk krijgt dat Theunissen als het ware over het continent is gezweefd, dat het een fluitje van een cent is om van Ierland naar Turkije te kuieren. Als lezer zweef je mee. Al het praktische, fysieke en sportieve is moeten wijken voor waar het Theunissen werkelijk om ging.

En dat is? Wel, ik onderscheid drie belangrijke thema’s. De volgorde is willekeurig.

Theunissen heeft het over het reizen zelf. Wat is reizen? Wat behelst traag reizen? Theunissen stapt in een traditie van (langeafstands)wandelaars die hem zijn voorgegaan: Stevenson, Thoreau, Rousseau, Nietzsche, Tesson, enzovoort. Hun ‘nutteloze’ activiteit ligt zeer goed in de markt in deze tijd van overhaasting, efficiëntie en productiviteit, en van de vragen die daarbij worden gesteld. Het wandelen is een manier om – minstens tijdelijk – het systeem te verlaten en te herbronnen. Bovendien biedt het de beste mogelijkheid om het landschap werkelijk te zien en te ervaren, en om in dat landschap oog te hebben voor geschiedenis. Theunissen toont niet alleen wat het wandelen inhoudt en waar hij wandelt, maar ook hoe hij een zin voor details ontwikkelt omdat hij weet dat hij daarin de verhalen moet zoeken die hij wil vertellen. Hij zoekt (en vindt ten overvloede) ‘een werkelijkheid die in ieder detail mysterieus en fascinerend is, en de moeite waard om langzaam, bedachtzaam onderzocht te worden’ (86). Het wandelen en het vertellen raken op die manier onlosmakelijk met elkaar verbonden. ‘Een reis is het verhaal achteraf.’ (23) 

 

(Ik heb het morgen over de twee andere belangrijke thema’s aangezien deze notitie anders onwelvoeglijk lang wordt.)

 

Jeroen Theunissen, Ik = cartograaf (2022)

6544

Brugge, Oude Zak - 220706

 

6543

Brugge, Bevrijdingslaan - 220630

 

donderdag 18 augustus 2022

driekleur 495

Nieuwe auto’s zijn haast altijd grijs of zwart, hier zag ik glinsterend blauwe, bloedrode, zongele exemplaren; sommige van die vaak dertig of veertig jaar oude Lada’s waren volledig versleten, hingen met ijzerdraad en touw aaneen, maar andere zagen er verbazend verzorgd uit en waren mooie, glanzende machines.

Jeroen Theunissen, Ik = cartograaf, 270

facebookbericht 1145

Ik zei het eerder al: in heel mijn schoolcarrière geen woord over solidariteit, rechtvaardige economie en fiscaliteit, gelijkheid... Filosofie? Noppes. Literatuur? Ja, Vandeloo en zoo... Voor mij is het 'weten' pas na de school gekomen en ik pieker er nog altijd over hoe ik de opgelopen achterstand een beetje kan inhalen. Ziedaar mijn ervaring met mijn 'humaniora'. Ik stel het nu enigszins zwart-wit voor, maar in grote trekken is dat toch de 'bilan'.

John Maloof & Charlie Siskel, Finding Vivian Maier

notitie 271

 

Bij een van de vele foto’s die in de documentaire film van John Maloof wordt getoond, is mijn blik blijven hangen. Niet dat het de mooiste is (tussen de zeer veel zeer mooie foto’s), maar omdat de blik van de geportretteerde zo bijzonder is, mij zo aansprak. Toevallig is die ene foto nu net niet door het hoofdpersonage van de film, een fotografe, gemaakt aangezien zij er zelf op figureert, maar dat is nu niet het punt.

John Maloof is de ontdekker van de intussen wereldberoemde Vivian Maier. Haar geschiedenis is genoegzaam bekend. Kort samengevat: onduidelijke, om niet te zeggen mysterieuze afkomst; los van elke familiale band en zelf een eenzaat zonder een relatie en zonder kinderen; kinderoppas bij verschillende gezinnen waarvan de leden nooit oog hadden voor wie zij ‘werkelijk’ was; en wat zij dan ‘werkelijk’ was: een zeer getalenteerde fotografe die zich, naarmate de tijd vorderde, steeds vreemder begon te gedragen, om uiteindelijk totaal vereenzaamd en miskend te eindigen. Haar nalatenschap – vele tienduizenden fotonegatieven en honderden niet ontwikkelde filmrolletjes, alsook honderden filmopnames en talloze prullaria en documenten allerhand – kwam door een onwaarschijnlijk toeval in handen van iemand die er de waarde van inzag maar die ook over het (commerciële) talent beschikte om deze waarde niet alleen in postume erkenning om te zetten maar ook om daar zelf beter van te worden.

Van dat laatste getuigt de film Finding Vivian Maier. Het is een interessante en goedgemaakte documentaire, zeker en vast, maar er hangt hoe dan ook een mercantiele zweem rond. De maker is tevens eigenaar van Maiers nalatenschap en heeft er dus alle belang bij om Vivian Maier de roem te bezorgen waar ze zeker aanspraak op kan maken. Dat heeft iets onoprechts. Al poogt – het moet gezegd – Maloof wel om ook Maiers mindere kantjes in de verf te zetten. Volgens sommige getuigenissen was zij niet helemaal toerekeningsvatbaar. Zeker in haar nadagen gedroeg ze zich vreemd en verloor ze soms haar zelfbeheersing. Tijdens haar werk als nanny zette ze de kinderen voor wie zij te zorgen had niet altijd op de eerste plaats.

En dan is er de kwestie of zij het wel zou hebben gewild, de roem die Maloof haar nu bezorgt. De beroemde straatfotograaf Joel Meyerowitz, een van de interviewees in de film, zegt: ‘Maier was een kunstenares, geen twijfel aan. Maar zij maakte alleen maar haar werk, zij deed niets om het aan de wereld te tonen.’ Het is de eeuwige paradox: een goed kunstenaar moet niet enkel een goed kunstenaar zijn om een erkend kunstenaar te worden. Hij moet zijn werk ook aan de man weten te brengen. Hij moet zichzelf promoten en verkopen. Maier beperkte zich, volgens de filmmakers, vreemd genoeg tot het nooit in werkelijkheid omgezette voorstel, gericht aan de fotograaf van het dorp in de Franse Alpen waar haar familie vandaan kwam, om op basis van enkele van haar negatieven, die ze hem vanuit New York zou opsturen, ansichtkaarten te maken. ‘Zie je wel,’ concludeert Maloof (die natuurlijk zijn eigen activiteiten zo goed mogelijk probeert te verantwoorden), ‘dat ze eigenlijk wel wilde dat de wereld haar werk zou zien!’

De documentairemakers hebben ook hun best gedaan om – zoals tegenwoordig te doen gebruikelijk is – zoveel mogelijk emotie in hun portret te brengen. Wanneer zij over de nadagen van Maier vertellen, tijdens dewelke zij verarmd, vereenzaamd en al quasi totaal vergeten op haar verscheiden wacht, brengen zij – zorgvuldig gecadreerd – de zitbank in beeld waarop zij in een parkje naar spelende kinderen kwam kijken. In hun streven om zoveel mogelijk ‘echte’, aan het leven van Maier verbonden plekken en objecten in beeld te brengen, begeven de makers zich soms op glad ijs en wordt de toeschouwer geconfronteerd met de vraag of de emoties die hij nu wordt verondersteld te hebben ook wel echt kunnen worden genoemd.

Echt is in elk geval wel de foto waarmee ik dit stukje aanvatte. Ik heb een still uit de film geknipt om hem hier te kunnen tonen. De foto is gemaakt op zee, wellicht tijdens de wereldreis die Vivian Maier op 33-jarige leeftijd maakte. Alleen. Alleen met haar Rolleiflex, want ze bracht van die reis duizenden foto’s mee. We zien op de foto (met onzorgvuldig scheve horizonlijn) een mooie, ernstige, gelukkige, zelfbewuste vrouw – of dan toch minstens een vrouw die haar best doet om er gelukkig en zelfbewust uit te zien.

 

John Maloof & Charlie Siskel, Finding Vivian Maier (2013) – nog tot 7 september te bekijken op VRT NU

6542

220729

 

6541

220729

 

woensdag 17 augustus 2022

Michel Houellebecq, Sérotonine

 

notitie 271

Tijdens mijn fietsreis door het Noord-Franse platteland las ik Sérotonine en dat kwam goed uit aangezien ik niet anders kon dan getuige zijn van een van de belangrijke thema’s die Michel Houellebecq aansnijdt: de crisis waarin de aan de globalisering en een genadeloos kapitalisme uitgeleverde landbouw verkeert. En dat is nog maar het economische aspect. Over ecologie heeft Houellebecq het ook, maar toch minder: de nefaste invloed van ruilverkaveling, agro-industrie, monocultuur, kunstmeststoffen, besproeiingen, uitputting van de waterlagen, enzovoort. En dan is er nog de toenemende zorg om het dierenwelzijn. De landbouwstiel staat onder zware druk. Tienduizenden kleine boeren zijn al verdwenen en weggeconcurreerd, als ze zichzelf al niet door suïcide uit het bestel hebben verwijderd. Tienduizenden zullen nog volgen.

Landbouwingenieur Florent zoekt zijn oude studiegenoot Aymeric op, die van adellijke komaf is en het toch heeft aangedurfd een melkveebedrijf te runnen. Maar de veel te lage melkprijzen nekken elke investering, elk doorzettingsvermogen, elk risico. Aymeric heeft er zijn huwelijk aan opgeofferd, zijn jeugd, zijn gezondheid. Dit mondt uit in eenzaamheid, zelfdestructie en uiteindelijk een naar buiten gekeerde agressie, die Houellebecq met sardonisch meesterschap in beeld brengt.

Sérotonine gaat gelukkig niet enkel over landbouw. Even belangrijk is de persoonlijke crisis van de verteller, die in de huid van Florent kruipt. Na een aantal relaties beseft hij dat zijn leven voorbij is. Alle ambities en illusies zijn doorgeprikt. De kansen – ‘ça n’arrive pas si souvent, dans une vie’ (246) – die hij heeft laten liggen komen niet meer terug. Nostalgie naar verloren liefdes baat niet. De pillen die hij krijgt van zijn psychiater leggen zijn seksuele appetijt plat. Onze agronoom besluit uit het leven te stappen, in eerste instantie niet letterlijk maar in de zin van: alles achter zich laten, zich afzonderen, verdwijnen. Hij trekt zich terug in een bos en zoekt zijn toevlucht in spiritualiën. En in een grondige lectuur van Dode zielen van Gogol.

Sérotonine is een git-, git-, gitzwart boek: ‘non seulement les gens se torturent les uns les autres, mais ils se torturent avec une totale absence d’originalité’ (222). Houellebecq laat geen sprankel hoop toe. Of het zou het een soort van principieel geloof in de liefde moeten zijn, de liefde als enige manier om dit aardse bestaan dan toch een beetje zinvolle invulling te geven – met dien verstande dat: ‘ce même mot d’amour recouvre, chez l’homme et chez la femme, deux réalités radicalement différentes’ (69).

Maar toch is Sérotonine ook een bijzonder grappig boek. ‘[I]l ne me paraissait pas absurde d’essayer de développer une attitude humoristique’ (346). Houellebecq is zo ‘over the top’ politiek incorrect en provocatief dat je al heel erg ‘woke’ moet zijn om er aanstoot aan te nemen. Met name feministen jaagt de auteur graag op de kast. Bijvoorbeeld met vaststellingen zoals ‘Wat is er nu poëtischer dan een natte poes’ (ik citeer uit het hoofd en vertaal meteen mijn benaderend citaat). Houellebecq heeft een status bereikt waarmee hij zich dit soort toogpraat kan permitteren.

De humor zit vooral in de toon, die Houellebecq in eerdere boeken heeft ontwikkeld en waarvan hij hier de uiterste draagkracht en houdbaarheid exploreert. Zonder modulaties debiteert hij frasen uit verschillende registers. Hij juxtaposeert highbrow en banaliteit. Een wetenschappelijke theorie kan naast een uitermate platvloerse – maar volgens mij toch meestal ironisch bedoelde! – uitlating staan. Zo kan Houellebecq het zich ook kan permitteren om uitdrukkelijk niet de moeite te doen om zijn gegevens te checken of correct weer te geven. Herhaaldelijk laat hij doorschemeren dat hij te lui is om iets op te zoeken of te verifiëren: ‘(…) la troisième [fille] dont le prénom m’échappe à l’instant mais le lecteur s’il est aussi attentif que je l’imagine complétera’ (186); ‘le lecteur attentif complétera’ (341). Ook met literaire conventies neemt hij graag een loopje: hij vertelt alsof hij op een kruk aan de bar zit: ‘enfin je simplifie mais il faut simplifier sinon on n’arrive à rien’ (20); ‘circonstances que je relaterai peut-être quand j’aurai le temps’ (21); ‘raisons que j’expliquerai sans doute plus tard’ (22). Enzovoort. (Daarmee belandt Houellebecq, literair-technisch gesproken, op een geestige manier op een metaniveau.) Dit versterkt de toon van m’enfoutisme die dit monstre sacré van de Franse letterkunde – zowel aanbeden als verguisd – zich monkelend aanmeet, een zoveelste sigaret tussen ring-en middenvinger naar de door voortijdig tandbederf ingevallen lippen brengend.

 

Michel Houellebecq, Sérotonine (2020)

6540

220729

 

6539

Oostende - 220728

 

6538

Beernem - 220726