fragment uit Het maaiveld
Ik had het over mijn onvermogen om iets van wiskunde te snappen. Behalve die ene keer dat ik een uitzicht op begrip leek te hebben gevonden. Niet één leraar evenwel die erin slaagde om iets van dat besef vast te houden of aan te wakkeren. Ook Tant slaagde daar niet in. Van sinussen gesproken, overigens: Tant sprak met een nasale stem, die een verstopping in zijn neus verried – orgaan dat hij om de haverklap met veel ruchtbaarheid snoot. Hij schraapte ook voortdurend zijn keel.
Daniël Tant was in een vorig leven beroepsmilitair geweest en hij droeg daar in zijn manier van doen nog altijd de sporen van. Hij bewoog zich houterig van de ene kant van het lokaal naar het andere, had een scanderende trant van spreken, zette op het bord in een onwrikbaar regelmatig handschrift de tekens van zijn geheimschrift in het gelid, blafte ons toe als was hij een onderofficier die op het exercitieveld zijn rekruten meer wil intimideren dan initiëren. Om maar te zeggen dat de man weinig medemenselijkheid en empathisch vermogen aan de dag legde. Hij was dan ook nauwelijks tot helemaal niet geliefd, maar daar trok hij zich niets van aan. Het voornaamste leek hem dat zijn gezag ongecontesteerd bleef. Daar hoefde hij alvast niet veel van de energie aan te besteden die hij bereid was om, in ruil voor zijn salaris als licentiaat, in zijn job te investeren. Tant verborg zijn kaalhoofdigheid door een lange sliert haar die aan de linkerflank van zijn hoofd ontsproot over zijn schedel tot aan de andere kant te draperen. Die enkele keer dat hij buiten zonder pet te zien was, en het daarenboven waaide, kon hij op een gevecht met deze weerbarstige lok worden betrapt – wat tot enige besmuikte hilariteit aanleiding gaf.