vrijdag 12 juni 2026

LVO 358

fragment uit Het maaiveld


Eerwaarde Heer Pina beheerste zeer goed de alchemie waarmee – wonderlijke transsubstantiatie – distantie in gezag wordt omgezet. Hij deed dat met een air van vertrouwenwekkende en dus, paradoxaal genoeg, afstand-tenietdoende vriendelijkheid. Hij zette je, met andere woorden, op het verkeerde been.

‘Ga zitten. Wat scheelt er?’

Er moest iets schelen, anders kwam je hier niet. Bovendien zal ik er wel ontdaan hebben uitgezien, ontdaan genoeg om daaruit af te leiden dat er zeker iets moest schelen.

Ik legde de directeur uit wat er was gebeurd. Minder omstandig dan ik het hierboven nog eens heb overgedaan, bijna veertig jaar later, maar toch beeldend en duidelijk genoeg om Pina aan zijn verstand te brengen dat wat meneer Tant ons aandeed volgens mij echt niet door de beugel kon. Het wonder geschiedde:

‘Ge hebt gelijk. Ik zal eens met meneer Tant spreken. Het is goed dat ge mij dat zijt komen zeggen. Ga nu maar terug naar uw klas.’

Dat deed ik. Met een triomfantelijk gevoel, ik zal het niet ontkennen. Ik had het aangedurfd om tegen de gevreesde wiskundeleraar in te gaan; ik had ten overstaan van mijn klasgenoten het woord genomen en had hen gevraagd om solidair te zijn, een verzoek waarop zij niet waren ingegaan; ik was voor rechtvaardigheid opgekomen, in mijn eigen belang maar ook in dat van hen want zij voetbalden tijdens de speeltijd ook liever dan dat zij hun schoolagenda invulden; en ik was naar de directeur gestapt die al even ontoegankelijk leek als de nimmer geïdentificeerde bewoner van Franz Kafka’s kasteel in het boek dat ik toen wel nog niet gelezen had, maar goed. En ik had van de directeur gelijk gekregen: Tant zou een reprimande krijgen en het zou gedaan zijn met beknibbelen op onze vrije tijd.

De eerste les na de speeltijd was natuurlijk al begonnen. Ik herinner me niet meer welk vak het was. De leraar vroeg niet waarom ik te laat was. Enkele van mijn medeleerlingen keken om toen ik binnenkwam, maar niemand vroeg iets. De les ging gewoon door alsof er niets aan de hand was. En tegen het einde van dat lesuur was het momentum voorbij. Ik kon nog wel mijn verhaal doen, maar het leek al veel minder spectaculair dan het in mijn eigen ogen was geweest.

Een week later werd ik bij de directeur geroepen. Ik kende nu de weg en wist hoe hard ik op zijn deur moest kloppen – dat scheelde dus. Maar wat ik te horen kreeg was ontnuchterend.

‘Het is u geraden strikt uit te voeren wat u wordt opgedragen. Ik zal geen nieuwe klachten meer dulden. Indien er zich nog dergelijke incidenten voordoen, zullen wij moeten overwegen welke sanctie wij moeten treffen.’ Ingerukt.

En toen ik de eerstvolgende keer in de wiskundeles zat, proefde ik wat ik eerder ook al bij Dehaene, Lemmens en Lycke had geroken: de smaak van het leedvermaak, het aura van de overwinning. Het was duidelijk: het laatste schooljaar was nog maar net begonnen en mijn rol daarin, die ik mij zo groots en belangwekkend had voorgesteld, was al uitgespeeld. En niemand van mijn klasgenoten leek er een ander idee op na te houden. Ook Bert maakte een uitgebluste indruk.