(220205)
VAT DE KRUIMELDIEF!
Paul De Leener schreef gisteren
een uitvoerige reactie op mijn notitie 101
over de film A Ciambra en de vraag of
nooddruft een kruimeldiefstal rechtvaardigt.
De Leener capteert in zijn
aanvangszin mijn welwillendheid met de zeer terechte vaststelling dat ik ‘het
hart op de goede plaats’ draag. Maar dan deelt hij meteen een sneertje uit door
mijn notitie, door hem gedeeld, als ‘infotainment’ te kwalificeren.
Het eerste waaraan De Leener
blijft haken is mijn citaat ‘De middenstand regeert het land’. Hij vindt dat ik
daarmee overdrijf. Kleine winkels worden weggeconcurreerd door supermarkten en
e-commerce. Dat zal ik zeker niet ontkennen, ik zie het ook met lede ogen aan
hoe kruideniers, krantenwinkels, viswinkels en alle mogelijke kleine
economische distributiekanalen, die behalve een economische ook een belangrijke
sociale functie hebben, het onderspit moeten delven. Als ik dat vers uit Mia van Luc De Vos citeer, dan bedoel ik
dat het kapitalisme in alles de toon zet met een nietsontziende dynamiek van
concurrentie en concentratie, die niet noodzakelijk de kleine neringdoener en –
bij uitbreiding – het algemene welbevinden ten goede komt. Met de Gorki-quote alludeer
ik op het kapitalistische totalitarisme waarin we ondertussen zijn
terechtgekomen en waar we de uitgang niet meer vinden omdat die er wellicht
niet meer is.
Dan komt in de repliek het
daderprofiel aan bod. Niet de hongerige kruimeldief is een gesel voor de
handelaar, maar wel de ontvreemder van luxegoederen, de obsessieve kleptomaan.
Maar over hen had ik het niet. Ik had het over die Italiaanse sukkelaar die in
eerste instantie zes maanden de nor werd ingedraaid omdat hij met een stuk kaas
en een worst in de binnenzak van zijn sjofele jas geklist werd. De ‘toenemende
technopreventie’ waar De Leener het over heeft, die het aantal diefstallen van
luxegoederen, niet van worst, doet dalen, heeft niet daarop betrekking.
‘Pascal
Cornet schrijft dat de maatschappij is verrechtst,’ schrijft Paul De Leener. En
hij voegt eraan toe: ‘Daar heeft hij gelijk in.’ De Leener specificeert: afbouw
van de welvaartstaat (ik zou zeggen afbraak),
‘meritocratische visie op de mens’… Maar, zegt hij, het is traditioneel links
die deze afbouw initieerde en het is, in ons land, Verhofstadt geweest die het
neoliberalisme tot in zijn uiterste consequenties ingang heeft doen vinden:
liberalisering van nutsvoorzieningen die vroeger in handen van de overheid
waren, privatisering van de winsten, algehele ‘ontvetting’ van de staat. Tot
waar we nu gekomen zijn: een overheid die zodanig ontbonden is, dat ze
bijvoorbeeld niet meer voor ‘een solide en kwaliteitsvolle basispolitiezorg’
kan zorgen. Want ja, ook de beveiligingssector is geprivatiseerd.
Ik ben het eens met Paul De Leener. Ik
wil dus méér overheid en minder mogelijkheden voor enkelen om winst te maken op
wat velen ten goede zou moeten komen. Daarom draag ik het hart op de juiste
plaats, links dus. En omdat links inderdaad heeft bijgedragen tot de neoliberale
ontbinding en atomisering van de samenleving (of daartegen dan toch onvoldoende
weerwerk heeft geboden), tot op het punt dat nauwelijks nog van samenleving kan
worden gesproken, stem ik sinds enkele jaren radicaal links.
Ook mijn bedenking dat de maatschappij
verhardt, onderschrijft De Leener. Hij veronderstelt dat ik dit wijt aan de
toenemende ongelijkheid. Hij voegt er een oorzaak aan toe: de te verdelen koek
wordt kleiner en moet onder steeds meer mensen worden verdeeld. Uiteraard,
vindt hij, moet daarbij de immigratiepolitiek onder de loep worden genomen. Die
noemt De Leener ‘een farce’. Daarmee leunt hij aan bij wat extreemrechts verkondigt.
Dat is een kwestie waarover ik mij niet uitspreek. Ik weet niet of natiegrenzen
en paspoorten het juiste instrument zijn om te bepalen waar verdelende
rechtvaardigheid eindigt en eigenbelang begint.
Dan krijgt de repliek van Paul De
Leener een rare twist. Hij zegt dat ik de film A Ciambra gebruik om mijn betoog te staven. ‘Dit is niets anders
dan een reïficatie van de werkelijkheid.’ Dat heb ik even moeten opzoeken. Van
Dale biedt geen uitkomst: ‘tot een zelfstandigheid maken’. Met wat Wikipedia
zegt, kan ik meer: ‘drogreden waarbij een abstractie zoals een idee of een
hypothetische constructie behandeld wordt alsof het een concrete, werkelijke
gebeurtenis of fysische entiteit is’. Ik veronderstel dat De Leener bedoelt te
zeggen dat ik wat ik in de film heb gezien voor waar aanneem. Het feit dat de familie
Amato in de film volledig uit acteurs bestaat die zo heten, en dus
gelijkgesteld kan worden met de familie Amato in de werkelijkheid, lijkt dit te
bevestigen.
Maar het blijft een film natuurlijk,
een werk van fictie – en daar ben ik mij te allen tijde van bewust. Natuurlijk
wordt de figuur van het hoofdpersonage ‘geromantiseerd’. Natuurlijk worden
trekken uitvergroot, wordt een feitelijkheid vervormd. Ik gebruik geenszins
deze film om mijn betoog ‘te staven’. Wat ik heb gedaan is: kijken naar die
film en vervolgens, naar aanleiding ervan, mij proberen in te denken hoe deze
mensen overleven in een wereld waarin voor hen geen plaats is. Wat gebeurt er
wanneer de politie legalistisch optreedt (wat uiteraard haar taak is) en de
kostwinners uit het gezin verwijdert? Wat moet de plaatsvervangende kostwinner dan
doen, ook al is hij nog maar veertien? De kans is reëel dat hij op zijn beurt
in de criminaliteit terechtkomt. Hebben de politie, de wet, de samenleving dan hun
doel bereikt?
Zijn laatste twee paragrafen wijdt Paul
De Leener aan een aspect van de Roma-cultuur dat ik niet ken maar waar ik wel
enige sympathie voor kan opbrengen: zij zouden misdrijven plegen omdat zij zich
niet willen schikken naar de waarden van
de dominante cultuur van ‘de heersende witte klasse’. De ‘minzame Roma uit de
film’ vormen een ‘anti-sociale minoriteit’. De criminaliteit die ‘rond deze
families’ georganiseerd is, zou in die optiek minstens ook een uiting van verzet
zijn. Dat zou kunnen. Maar ik wilde met mijn bedenking geen criminaliteit
goedpraten, enkel de vraag stellen of een hongerlijder, Roma of niet, met een
worst in zijn frak bij de lurven dient te worden gevat. Of wij zo iemand niet
met wat meer begrip en lankmoedigheid moeten bejegenen.