Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht Austerlitz. Sorteren op datum Alle posts tonen
Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht Austerlitz. Sorteren op datum Alle posts tonen

woensdag 3 februari 2010

dag 891 – 100123 – zaterdag

baraque lecture 48
W.G. Sebald besteedt in Austerlitz bijzonder veel aandacht aan architectuur en maakt daarmee van gebouwen en meer nog van onze beleving van gebouwen een van de hoofdthema’s van zijn magistrale roman. Hij leidt ons binnen in – onder meer – een landhuis en een domineeswoning in Wales, in stations in Antwerpen, Parijs, Luzern en Londen, in een woonkazerne in Praag… Maar hij neemt ons ook mee naar de concentratiekampen van Theresienstadt en Breendonk, twee lugubere staaltjes van vestingarchitectuur.

De plattegronden van die vestingen resoneren in de structuur van het boek. Met een beetje goede wil tref je in het ‘grondplan’ van Sebalds roman eenzelfde concentriciteit aan. Zoals bij een vesting een kern wordt ingesloten (en beschermd) door een eerste en tweede en eventueel derde en vierde omwalling, zo moet ook de lezer van Austerlitz vanaf de rand (het begin) het boek afpellen (als een ui) om tot de kern, de essentie, door te dringen – en de structuurverwantschap tussen boek en vesting heeft er veel mee te maken dat in beide gevallen die kern zich in het midden lijkt te bevinden.

Deze verwantschap krijgt op twee manieren vorm.

Er is vooreerst de vaststelling dat het boek in geografisch opzicht min of meer eindigt waar het begon. Min of meer want het boek begint in Antwerpen en eindigt in Breendonk, dat in het begin onmiddellijk na Antwerpen ook wordt aangedaan, maar gezien de actieradius die de auteur tussen begin- en eindpunt bestrijkt (hij reist half Europa af), kun je toch wel van een geografisch bijna-samenvallen van start- en eindpunt spreken.

Belangrijker is de tweede manier die bijdraagt tot de vormverwantschap tussen de roman Austerlitz en een uit een opeenvolging van concentrische cirkels bestaande vesting. Die tweede manier heeft niet met geografie maar met verteltechniek te maken. Sebald past een heel opmerkelijke citeertechniek toe, een die aan Russische matroesjka’s doet denken: een kleiner poppetje zit in een grotere pop en dat kleinere poppetje blijkt dan zelf weer een nog kleiner poppetje te bevatten, dat op zijn beurt, enzovoort. We zien hoe een naamloze ik-persoon (a), die veel overeenkomsten vertoont met de auteur, het personage Jacques Austerlitz (b) als verteller laat aantreden, die dan zelf weer een derde persoon (c) opvoert, die op zijn beurt een verhaal vertelt. Daardoor krijg je constructies zoals:

Maar vanaf die dag was Agáta veranderd, vervolgde Vĕra, zei Austerlitz.

En Austerlitz zegt dat tot de naamloze ik-persoon, die alles noteert, eerst vluchtig in notaboekjes, later, deze vluchtige notities verwerkend, in zijn meesterlijke roman – hoewel, dit laatste mogen we eigenlijk niet zeggen want nergens krijgen we een hint dat de naamloze ik-persoon en Sebald samenvallen, behalve dan misschien in die schier achteloos op de laatste bladzijde van het boek, als het ware als een signatuur, achtergelaten datum: de geboortedatum van W.G. Sebald.

Het voortdurende herhalen van deze zei-zinnetjes – met de afwisseling van de vaakst voorkomende enkelvoudige constructie (‘zei Austerlitz’) en de zeldzamere dubbele constructie (‘zei Vĕra, zei Austerlitz’) – draagt bij tot een intensifiëring van de muzikaliteit in de zo al uitermate harmonieuze, onstuitbare, bezwerende flux van zinnen die een, gezien hun grammaticale halsbrekende complexiteit, werkelijk onwaarschijnlijke leesbaarheid blijven behouden. Vertaalster Ria van Hengel heeft zich voortreffelijk van haar taak gekweten.

In goede literatuur gaan vorm en inhoud samen. De vorm hoort de inhoud kracht bij te zetten, en eigenlijk is ook het omgekeerde waar want als de vorm niet minstens even belangrijk zou zijn als de inhoud, ja, waarom zou de romanschrijver er dan voor kiezen romans te schrijven? Het esthetisch genoegen dat hij ons, lezers, beoogt te verschaffen, berust hoofdzakelijk in de vorm. (Alle verhalen zijn al verteld, waarom zouden we er dan nog lezen?)

Hoe verhoudt in Austerlitz vorm zich tot inhoud? De concentrische structuur werkt de indruk in de hand dat in de kern de sleutel van het hele boek verborgen zit. En inderdaad, zo kun je het boek lezen. Ongeveer in het midden van de roman zijn we, samen met de door de op Sebald lijkende ik-verteller aan het woord gelaten tweede verteller Austerlitz, aangekomen in het appartement van Vĕra Ryšanová, die, toen Austerlitz nog geen vier jaar was en nog niet door zijn moeder was meegegeven met het kindertransport naar Groot-Brittannië, als kindermeisje voor zijn ouders werkte. Austerlitz’ moeder werd op een ander transport gezet en heeft dat niet, zoals Austerlitz, overleefd. Vĕra Ryšanová, die zeer gehecht was aan zowel de kleine Jacques als aan zijn moeder, heeft haar opsporingen allang stopgezet en heeft zich er eigenlijk al bij neergelegd dat ze nooit nog iets van Jacques en zijn moeder zou vernemen. Zij is dan ook bijzonder opgetogen wanneer Jacques Austerlitz zoveel jaar later plots aan haar deur staat.

Na enige tijd neemt zij Austerlitz mee naar een kast waarin een rij boeken staat: de vijfenvijftig delen van Balzacs La Comédie humaine. En uit een van die delen, er staat nog net niet ‘het middelste’, enkel dat het in de rij staat, haalt Vĕra twee foto’s.

Toen Vĕra aan het eind van haar verhaal was gekomen, zo vervolgde Austerlitz die morgen in Alderney Street, pakte ze na een lange pauze, waarin elke ademtocht van ons de stilte in de woning aan de Šporkova leek te vergroten, twee kleine foto’s van zo’n negen bij zes centimeter van het bijzettafeltje dat naast haar stoel stond en gaf ze aan mij – foto’s die zij de vorige avond bij toeval weer had ontdekt in een van de vijfenvijftig karmozijnrode delen van Balzac dat ze toevallig ter hand had genomen, ze wist niet meer hoe. Vĕra zei dat ze zich niet herinnerde de glazen deuren te hebben opengemaakt en het boek uit de rij te hebben gehaald.

Een van die twee foto’s toont Jacques Austerlitz als kind – de foto wordt in het boek afgedrukt en wordt ook gebruikt als voorpagina. Dat laatste wellicht op instructie van W.G. Sebald zelf want alle edities en vertalingen van Austerlitz hebben dezelfde, krachtige, coverillustratie.

Dit gegeven maakt om twee redenen de kern, de essentie van dit boek uit. De foto toont de verloren, nog onbezorgde jeugd: een verleden en een identiteit waarvan de oudere Austerlitz definitief afgesloten is – een cruciaal gegeven in dit boek want Austerlitz is niet alleen in de ruimte maar ook in de tijd een banneling. Bovendien draagt het boek waarin de foto vele jaren werd bewaard, bij tot de verheviging van de impact waarmee de inhoud van de roman bij de lezer aankomt. Het gaat om Balzacs novelle Le Colonel Chabert en laat dat nu, het kan geen toeval zijn, het verhaal zijn van een militair die, voor dood achtergelaten op het slagveld en begraven in een massagraf, uit de doden opstaat, na lange omzwervingen terugkeert in de maatschappij en daar stuit op de onmogelijkheid er opnieuw in opgenomen te worden.

Ze zag zich alleen maar hier in deze leunstoel zitten en – voor het eerst sinds toen, zo zei ze uitdrukkelijk – de bladzijden omslaan die de geschiedenis vertellen van kolonel Chabert en het grote onrecht dat hem zoals bekend wordt aangedaan. Hoe die twee foto’s tussen de bladzijden terechtgekomen waren was haar een raadsel, zei Vĕra.

Het ‘grote onrecht’ dat kolonel Chabert werd aangedaan, is een parallel, of een voorafspiegeling, van het onrecht dat Austerlitz is aangedaan. Hij is opgestaan uit de doden omdat hij als Joods kind is kunnen ontkomen aan de Holocaust, en hij is tot zwerven, tot niet opnieuw in de maatschappij opgenomen worden, veroordeeld omdat hij niet bij machte is de ‘schuld’ die met dat overleven gepaard gaat, en het trauma dat hem heeft getroffen toen hij zijn ware identiteit achterhaalde, psychisch te verwerken.

Het mag dan al zeer nadrukkelijk als ‘toeval’ worden voorgesteld dat Vĕra de foto’s, die de sleutel blijken te bevatten van Austerlitz’ bestaan en dus van Sebalds ‘verhaal’, opduikelt, het is beslist geen toeval dat deze kern, deze ultieme waarheid die na het afpellen van alle schillen tevoorschijn komt, zich, in architectonische zin, in het midden van Sebalds vestingachtige boek ophoudt en aan de aandachtige lezer, die tot zo diep is weten door te dringen, openbaart.

Ik bouwde voor een onderdeel van deze notitie voort op een opmerking van Jean-Pierre Rondas, op 5 februari 2009 genoteerd op een avond over Sebald in Passa Porta, Brussel.

maandag 22 september 2014

W.G. Sebald, Austerlitz


(Ik heb hier al een paar keer eerder over dit boek geschreven en ben er mij dus van bewust dat ik sommige dingen al gezegd heb.)

Een van de – onbewezen – premissen van Austerlitz is een mechanisme dat ook in de psychoanalyse wordt gehanteerd: het trauma kan worden genezen door de oorzaak ervan te verwoorden. In die zin is Austerlitz ook een psychologische roman. Maar dat is Austerlitz niet in de eerste plaats. De roman vertelt wel over de ziekte van een personage, Jacques Austerlitz, en zijn poging om daarmee om te gaan, om te overleven zeg maar, maar de inzet is veel ruimer. De inzet is eigenlijk: hoe kunnen we omgaan met het verleden, en met het vergeten waaraan dat verleden onvermijdelijk wordt blootgesteld? Met Austerlitz schreef W.G. Sebald een roman over de mogelijkheid van geschiedschrijving en dus ook, in de mate dat elke geschiedschrijving een schrijven is, of elk schrijven een vorm van geschiedschrijving, een roman over het schrijven.

De metafoor voor het vergeten in dit boek is: de afgrond. Of: de duisternis. Duizeling en blindheid zijn de symptomen van de ziekte. Nog het meest: blindheid. Alles wat met zien te maken heeft, speelt in deze roman een bijzonder grote rol: ogen, licht, glans en glinstering, schemer, versluiering, maar ook open ramen waardoor je kunt kijken, of integendeel blinde ramen, die de kamers waarin je je bevindt afsluiten.

Daarmee is een andere belangrijke thematiek aangeduid: architectuur. Sebald beschrijft kleine, bescheiden en op spontane manier ingevulde vormen van architectuur, met als meest exemplarische vorm de bescheiden woning van Vĕra Ryšanová in Praag. Zij was vijftig jaar voordat Jacques Austerlitz haar daar terugvindt de kindermeid van Jacques, vlak voor hij door zijn joodse ouders met een kindertransport werd meegegeven en daardoor, samen met zijn taal, in zekere zin zijn identiteit verloor: het trauma dat hij de rest van zijn leven probeert ongedaan te maken door, jawel, te schrijven. Maar Sebald besteedt ook veel aandacht aan grote, protserige, uitermate rationele artefacten: het Centraal Station van Antwerpen, het Fort van Breendonk, het Justitiepaleis in Brussel, Theresienstadt, La Très Grande Bibliothèque van Mitterand in Parijs. Deze gebouwen lijken uitermate doelmatig en doeltreffend, maar ze zijn het door hun te grote, bovenmenselijke schaal, door hun labyrintische karakter eigenlijk niet.

Met name de vestingen missen hun doel compleet. Herhaaldelijk wijst Sebald op het feit dat deze vestingen gekenmerkt worden door een opeenvolging van gordels die zich concentrisch rond een kern ontplooien. Maar wat die kern behelst, blijft onduidelijk. En zo zijn er ook in het Justitiepaleis van Brussel kamers die niet eens toegankelijk zijn. Het is alsof er helemaal in het midden een leegte is.

In zijn uitermate sober ingerichte huis in Londen bewaart Jacques Austerlitz op de schoorsteenmantel enkele doosjes met daarin dode motten. Deze doosjes zijn als kleine sarcofagen.

Precies zo is dit boek georganiseerd. En in dit boek de zinnen waarin de verteller het woord geeft aan een andere verteller, die dan weer vertelt wat iemand anders vertelde. In de zeer onchronologische chronologie van het boek schikken de verschillende verhalen, die elk in een andere tijd spelen, zich rond een onbenoembare kern. Die kern is het kindertransport. We komen erbij wanneer wij in het appartement van Vĕra in Praag worden meegenomen naar de boekenkast. Daarin staan de vijfenvijftig boeken van de Comédie Humaine van Balzac. En in het deel met de roman Le Colonel Chabert, over een legerofficier die, na dood te zijn gewaand terugkeert onder de levenden maar die niet wordt herkend en dus zijn identiteit verliest, vindt Vera een foto terug van Jacques als kind: dit is de mens die hij nooit verder is mogen worden.

Het is een foto van een leegte, van iemand die in zekere zin nooit echt heeft bestaan. De kern is leeg.

Deze leegte is traumatiserend. Jacques wordt ziek, maar hij wil genezen. Om te genezen, om zijn uitweg te zoeken uit het labyrint en om licht in de duisternis te brengen, moet hij zijn verhaal vertellen. (Hij aanvaardt de onbewezen premisse dat het verhaal heling kan brengen.) Dat vertellen kan niet anders dan door te zoeken naar patronen, motieven. De roman die Sebald schrijft, valt min of meer samen met het verhaal van Jacques Austerlitz: er zijn argumenten om te stellen dat er een verregaande identificatie mogelijk is tussen auteur en personage.

Sebald wijst in de architectuur de overorganisatie af. Hij beschrijft Theresienstadt als ‘het model van een tot in de details geregelde, door de rede geschapen wereld’. Hij kiest dan ook, voor zijn roman, voor een organischer weerspiegeling van het leven, met al zijn grilligheden en toevalligheden. Met zijn onafheid ook. Tegenover de hypergeorganiseerde logica, die à la limite die van de gaskamers is, plaatst hij een vertellogica van de contingentie, een waarin overgangen mogelijk zijn die uitdrukkelijk onbegrepen en zelfs onbegrijpelijk zijn. Daardoor kan er, ter verantwoording van de overgangen die Sebald maakt, sprake zijn van een ‘verbazende’ logica (51), een ‘enigszins behoorlijke volgorde’ (52), ‘het in feite betekenisloze, maar mij toch vreemd ontroerende feit’ (127), ‘redenen die ik zelf niet begrijp’ (150), ‘een of andere wending’ (183), ‘een klaarblijkelijk dwingende logica’ (200), enzovoort. Austerlitz kent derhalve een uitermate grillig verloop. Het toeval, dat altijd onwaarschijnlijk is, speelt op een ostentatieve manier een rol, bijvoorbeeld in de manier waarop de naamloze ik-verteller en Jacques Austerlitz, die dus zelf dus ook een verteller is, elkaar op de meest onwaarschijnlijke plaatsen op het Europese vasteland en op het Britse eiland ontmoeten zonder daaraan voorafgaand een afspraak met elkaar te hebben gemaakt. Sebald weeft tussen al deze ontmoetingen en opgehaalde herinneringen een grillig web van associaties, nevenschikkingen, opsommingen. En hij laat niet na om hier en daar zijn personages zelf ook naar kennelijk contingente patronen te laten zoeken en schijnbaar willekeurige verzamelingen te laten aanleggen.

Uiteraard is bij dit alles – iemand die door zijn identiteitsverlies buiten de tijd is komen te staan, en dat gemeen heeft met de doden, en die, door het verhaal van zijn leven te vertellen, probeert om in de tijd en naar de levenden terug te keren – ook de manier waarop het thema van de tijd wordt behandeld van het allergrootste belang. Sebald zet de tijd stil, versnelt of vertraagt hem, laat gelijktijdigheid optreden, of verschuift dingen in de tijd, waardoor er tijdloosheid ontstaat, of een gevoel van eeuwigheid. De methode die hij hanteert, is zeer verwant aan die van Proust: je vindt wat je niet zoekt, je herinnert je dingen waarop je niet bedacht was. Mémoire involontaire.

Uiteindelijk slecht Sebald ook de grens tussen de tijd van de levenden en de tijd van de doden. In Austerlitz, net zoals in zijn andere boeken, is het mogelijk dat de doden in het leven terugkeren. Op die manier wordt het personage, en worden door hem ook wijzelf, aan de vergetelheid en bijgevolg ook aan de dood ontrukt. In Austerlitz, in de figuur van Jacques Austerlitz, is Winfried Georg Sebald, die onmiddellijk na het voltooien van deze roman zou verongelukken, onsterfelijk geworden.

zaterdag 10 juni 2023

notitie 383

FEIT EN FICTIE IN THERESIENSTADT (4/5)

zie hier voor deel 1/5: https://pascaldigital.blogspot.com/2023/06/notitie-380.html
zie hier voor deel
2/5: https://pascaldigital.blogspot.com/2023/06/notitie-381.html
zie hier voor deel
3/5: https://pascaldigital.blogspot.com/2023/06/notitie-382.html


In de roman Austerlitz tekent de ik-figuur, in wie we Sebald zelf herkennen, op wat het ‘Jacques Austerlitz’ genaamde hoofdpersonage hem vertelt. Maar Jacques Austerlitz is wel degelijk een romanpersonage – ook al is hij op een reële figuur gebaseerd, zoals ik leerde uit de biografie Speak, Silence van Carole Angier.

De ik-figuur ontmoet de vreemde zwerver Jacques Austerlitz op gezette tijden, op verschillende plaatsen, telkens onverwacht en toevallig. Tussen hun opeenvolgende ontmoetingen gaat er telkens veel tijd voorbij. Jacques Austerlitz lijkt een zwijgzame man, maar eens hij begint te vertellen, is hij niet te stuiten. De ik-figuur maakt notities, en is op die manier in staat om Austerlitz’ persoonlijke geschiedenis te reconstrueren.

Als nog zeer jong kind van Tsjechisch-joodse ouders werd Jacques Austerlitz via een zogenaamd kindertransport uit de klauwen van de nazi’s gered en naar Groot-Brittannië overgebracht. Daar kreeg hij een andere naam en werd hij, zonder te weten wie hij in werkelijkheid was, door een Welsh koppel opgevoed. Zijn vroegere leven verdwijnt onder de sluiers van amnesie en depressie. Zijn hele latere leven wordt in beslag genomen door de zoektocht naar zijn ware identiteit. Die zoektocht voert hem onder meer naar Praag en naar Terezín.

Typerend voor Sebalds verteltechniek is niet alleen dat hij zijn alter ego, de ik-figuur die ijverig Austerlitz’ verhalen optekent, als een soort van verzachtende buffer tussen de trieste ervaringen van Austerlitz en de lezer plaatst, wat de lezer zou kunnen doen denken dat het allemaal ‘maar fictie’ is, maar ook dat hij, Sebald, tegelijkertijd een omgekeerd effect bewerkstelligt door zijn relaas op te luisteren met foto’s – niet door Austerlitz of door die ik-figuur maar uiteraard door Sebald zelf gemaakt –, foto’s die met hun banale kwaliteit maar al te reëel ogen en niet fictionaliseren maar integendeel aan het relaas werkelijkheidsgehalte toevoegen.






W.G. Sebald heeft het naar aanleiding van de rechtlijnige straten van Terezín over de zonnestad van Campanella, een vroeg-zeventiende-eeuwse utopie. Hij heeft het over nog andere bouwwerken en constructies die zijn ontstaan vanuit een vorm van rationalistisch-utopisch denken, bouwwerken die realisaties zijn van een idee van perfectie, vooruitgang en/of totale controle. In Austerlitz voert hij ons mee naar onder meer naar ons welbekende plekken als het station van Antwerpen, het fort van Breendonk en het Justitiepaleis in Brussel, maar ook naar de tegenwoordig gedesaffecteerde Bibliothèque nationale de France in de rue Richelieu in Parijs. Deze instelling werd vervangen door de megalomane en voor het bewaren van boeken uitermate ongeschikte Site François Mitterand op de linkeroever van de Seine. De voormalige president van Frankrijk liet deze zogenaamde Très Grande Bibliothèque neerplanten uitgerekend op de plek waar enkele decennia tevoren de geroofde bezittingen van gedeporteerde joden werden verzameld alvorens ze, net zoals hun voormalige eigenaars, naar Duitsland werden vervoerd, zij het niet om daar te worden verbrand.

donderdag 22 december 2022

notitie 331

DECORBOUW

Op 23 juni 1944 bezoekt een gemengde delegatie van het Geneefse Rode Kruis en Deense functionarissen Theresienstadt. Daar worden op dat moment vele duizenden joden in erbarmelijke omstandigheden vastgehouden, in afwachting van hun transport naar een vernietigingskamp. Dat laatste mag uiteraard niet geweten zijn. Daarom besloten de nazi’s voorafgaand aan het onafwendbaar geworden inspectiebezoek dat het kamp een metamorfose moest ondergaan. Met de hun kenmerkende grondigheid lieten zij alles opkuisen en decors bouwen. 7.500 niet meer toonbare gevangenen werden al preventief afgevoerd. De meeste anderen moesten meespelen in wat niet anders dan een groots opgezet en strikt geregisseerd spektakel kan worden genoemd. De figuranten wisten wat hun boven het hoofd hing als ze zich daar niet toe zouden lenen. De Verschönerungsaktion werd een groot succes. De inspecteurs lieten zich misleiden en konden voorlopig verder hun kop in het zand steken. Zij zouden pas na de oorlog vernemen wat Theresienstadt in werkelijkheid was.

In twee onderling sterk verschillende boeken tref ik een relaas aan over dit historisch feit. G.L. Durlacher heeft met ‘De illusionisten’, opgenomen in Strepen aan de hemel, in eerste instantie geen literaire bedoelingen – maar zijn essay heeft wel literaire kwaliteit. Durlacher heeft de gigantische en groteske opsmukoperatie als vijftienjarige jongen zelf meegemaakt. Wat hij schrijft is derhalve een ooggetuigenverslag, veertig jaar na de feiten opgetekend. De ik die dit vertelt is dezelfde ik die de hele operatie veertig jaar eerder als kind heeft meegemaakt. Dat is een indrukwekkend gegeven.

Ik had al eerder met het door Durlacher behandelde historisch feit kennisgemaakt. In Austerlitz vertelt W.G. Sebald het vanuit een andere invalshoek: het hoofdpersonage Austerlitz zoekt naar sporen van zijn door Theresienstadt opgeslokte moeder. Ook zij was als figurant-tegen-wil-en-dank betrokken bij de misleiding van de Deens-Zwitserse delegatie. Sebalds relaas past in een bij uitstek literaire constructie – maar de feiten die hij behandelt zijn daarom niet minder reëel.

De nazi’s vonden hun hele opsmukoperatie zo geslaagd dat ze na het bezoek van de inspecteurs nog een tweede keer profijt wilden halen van de inspanning, dit keer om een propagandafilm te maken waarmee ze ten aanzien van de buitenwereld ten overvloede duidelijk zouden maken dat deze zich geen zorgen hoefde te maken over de manier waarop de joden in Theresienstadt werden opgevangen en over het lot dat hun daar wachtte.

Durlacher spreekt in koele bewoordingen over deze film. ‘Bijna veertig jaar na deze cynische komedie’ (62) kwam hij in het bezit van een videocassette met een kopie van de enige veertien minuten van de film die door toedoen van ‘een weldenkende cameraman in Praag’ (63) bewaard waren gebleven. Hij bekijkt deze ‘leugens op celluloid’ (63) en merkt, puttend uit zijn eigen geheugen, droogjes op: ‘De lange rijen hongerigen, bedelenden en zieken, de vervuilde en overvolle slaapruimten, de lijkwagens volgestouwd met kartonnen dozen, getrokken door oude gekromde mannen, de gendarmes en SS’ers, maar vooral de veewagons voor de transporten naar het Oosten, bleven onzichtbaar.’ (62-63) Met die veewagons werden niet zo lang na het draaien van de film de meeste figuranten afgevoerd die nu nog kunnen worden gezien op wat overblijft van Der Führer schenkt den Juden eine Stadt – zoals de film met typische nazi-ironie werd genoemd.

Het boek waarin Durlacher dit historisch feit beschrijft, verscheen in 1985. W.G. Sebald laat zijn protagonist halfweg de jaren negentig een kopie van diezelfde film zoeken. Austerlitz weet dat er ‘na het eind van de oorlog in de door de Britten bezette zone een kopie schijnt gevonden te zijn’ (275). Na veel speurwerk kan hij, ‘via het Bondsarchief in Berlijn’ (276), de hand leggen op deze kopie. Op een van de beelden meent hij – ‘bijna niet te onderscheiden van de zwarte schaduw eromheen’ (282) – zijn moeder te herkennen: ‘Ze draagt, zei Austerlitz, een halsketting van drie fijne bogen die nauwelijks afsteekt tegen haar donkere, hooggesloten jurk, en een witte bloem opzij in haar haar.’ (282)

 


Twee bladzijden verderop blijkt dat Austerlitz zich heeft vergist: de vrouw die hij in de film heeft gezien is niet zijn moeder. Maar de emoties die hij heeft ervaren bij het zien van het beeld van de vrouw met de donkere jurk en de witte bloem in haar haar waren wél echt.

Enkele seconden verderop in de film zien we diezelfde vrouw met de witte bloem in haar haar nog eens, zij het nu vanuit een andere gezichtshoek. Dit keer komt zij duidelijker in beeld, meer in het licht gevat. Men zou het vreemd kunnen vinden dat Sebald niet dit beeld gebruikt. Maar het is niet vreemd: hij verkiest doelbewust de schemering boven het klare daglicht. Het tanende gezichtsvermogen van veel van zijn personages en het halfduister van veel van zijn taferelen, alsook de vaak onscherpe foto’s die hij als illustraties gebruikt, helpen hem om de uitbeelding van het onweerstaanbare zich terugtrekken van de geschiedenis scherp in beeld te brengen. In die zin moeten we begrijpen wat Austerlitz bekijkt: ‘beelden, die in zekere zin al verdwenen terwijl ze verschenen’. (277)

 


 

G.L. Durlacher, ‘De illusionisten’ in: Strepen aan de hemel (1985), in: Verzameld werk (1997)
W.G. Sebald, Austerlitz (2003), Nederlandse vertaling door Ria van Hengel van Austerlitz (2001)
Der Führer schenkt den Juden eine Stadt: https://www.youtube.com/watch?v=P9V6d2Y1WjE&t=643s

zondag 27 januari 2019

van Dale 306-310


306
Van het mineraalwater en de zogenaamde Auschowitzbronnen beweerde Marie – en hierbij, zei Austerlitz, putte zij zich, met haar sterke gevoel voor het komische, uit in een waarlijk medisch-diagnostische coloratuur van woorden – dat men er bijzonder veel baat bij had als men leed aan de onder de bourgeoisie in die tijd wijd verbreide zwaarlijvigheid, aan onzuiverheid van de maag, traagheid van het darmkanaal en andere stagnaties in het onderlichaam, een onregelmatige menstruatie, verhardingen van de lever, stoornissen in de galsecretie, jicht, milthypochondrie, nierblaas- en urinewegklachten, ontstoken klieren en scrofuleuze misvormingen, maar ook aan een verzwakt zenuw- en spierstelsel, vermoeidheid, trillende ledematen, verlammingen, slijm- en bloedvloeiingen, hinderlijke huiduitslag en bijna elke andere denkbare ziekelijke aandoening.
W.G. Sebald, Austerlitz, 237-238

scrofuleus (bn.) betrekking hebbende op, of verband houdende met scrofulose, syn. klierachtig
scrofulose (de (v.)) tuberculose van de lymfeklieren, met als gevolg zwelling van de lymfeklieren, m.n. in de hals, syn. klierziekte

307
Ook herinner ik mij, voegde Austerlitz er nog aan toe, dat ze zonder uitzondering zo’n regencape van dunne, blauwgrijze perlon droegen zoals die tegen het eind van de jaren vijftig in het westen in de mode waren.
W.G. Sebald, Austerlitz, 245

perlon (het; g.mv.) (chem.) een uit caprolactam vervaardigde polyamide kunststof
caprolactam (het & de (m.); g.mv.) (stofn.) (chem.) 6-aminohexaanzuurlactam, een kleurloze vaste stof, bereid uit derivaten van cyclohexaan en gebruikt als grondstof voor nylon-6
polyamide (het) (chem.) kunststof waarvan de samenstellende moleculen door amideverbindingen aan elkaar zijn gekoppeld, syn. nylon
amide (het) (stofn.) 1 (anorganische chem.) van ammoniak afgeleide verbinding, waarin een van de waterstofatomen door een metaal is vervangen

308
(…) hoe er fatsoenlijk eten op borden werd geserveerd en het brood met witte tijkhandschoenen werd uitgereikt (…)
W.G. Sebald, Austerlitz, 274

tijk II (het; g.mv.) (stofn.) grove, damastachtige, stofdichte stof voor beddenzakken

309
(…) de dwarsdoorsnede van een slechts enkele uren oud biggetje waarvan de organen met behulp van chemische diafanisering transparant waren gemaakt en dat nu als een diepzeevis die nooit het daglicht zou zien, in de hem omringende vloeistof zweefde (…)
W.G. Sebald, Austerlitz, 298

diafaan (bn.) doorschijnend

310
(…) evenals, op de teratologische afdeling, monstruositeiten in alle denkbare en ondenkbare vormen (…)
W.G. Sebald, Austerlitz, 298

teratologie (de (v.)) leer van de misvormingen in de dieren- en plantenwereld

woensdag 23 januari 2019

van Dale 291-295


291
(…) dan was het verbazingwekkend, zei Austerlitz, met hoeveel volharding generaties oorlogsbouwmeesters ondanks hun ongetwijfeld eminente begaafdheid vasthielden aan een gedachte waarvan nu gemakkelijk viel in te zien dat ze fundamenteel verkeerd was, namelijk dat je een stad veiliger kon maken dan wat ook ter wereld door een ideaal tracé aan te leggen met stompe bolwerken en ver vooruitstekende ravelijnen, zodat je met de kanonnen van de vesting het totale opmarsgebied vóór de muren kon bestrijken.
W.G. Sebald, Austerlitz, 18

ravelijn (het) (vestingb.) buiten de vestinggracht gelegen halvemaanvormig of hoekig boelwerk dat diende tot dekking van een poort of een stuk wal tussen twee bastions

292
Hier en daar bedekt met open zweren waaruit het ruwe steengruis tevoorschijn kwam, en verkorst door druppelsporen als van guano en kalkachtige vegen, was de vesting één groot monolitisch gedrocht van lelijkheid en blinde macht.
W.G. Sebald, Austerlitz, 25

guano /ɤywano/ (de (m.); g.mv.) meststof bestaande uit de verdroogde mest en overblijfselen van zeevogels, die op onbewoonde eilanden en klippen in de loop der eeuwen tot dikke lagen is opeengehoopt: de beste soort is de Peruaanse guano

293
Het ging, zei hij, om een meestal slechts tijdelijk defect, waarbij zich op de macula een blaasje vol heldere vloeistof heeft gevormd, zoiets als een blaar op het behang.
W.G. Sebald, Austerlitz, 44

macula (de (v.); maculae) huidvlek

294
Over de oorzaken van deze stoornis, in de betreffende literatuur beschreven als centraal sereuze chorioretinopathie, heerste grote onduidelijkheid, zei Zdeňek Gregor.
W.G. Sebald, Austerlitz, 44

sereus (bn.) bloedwei bevattend, deze afscheidend of ervan afkomstig: sereus vlies, vlies dat een lichaamsholte van binnnen bekleedt; – (bij uitbr.) wei-, waterachtig
bloedwei (de) bloedvocht zonder vezelstof

295
Alleen al de viskelder, waar baarzen, zanders, schollen, zeetongen en palingen massaal op de zwart leistenen tafelbladen lagen die voortdurend met vers water werden begoten, was volgens Pereira een klein dodenrijk op zichzelf, zei Austerlitz, en helaas was het nu al te laat, anders zou hij de ronde nog een keer met mij doen.
W.G. Sebald, Austerlitz, 50

zander (de (m.); -s) snoekbaars