zondag 15 december 2024

een mooi moment, vorige week 89

241208

EEN LATE SINT

Ik wandel door de Langestraat. In de etalage van tweedehandsboekenzaak Sue Ryder ligt niets noemenswaardigs, of het zou de goedkope uitgave van dat dikke, mij al herhaaldelijk aanbevolen boek van Anjet Daanje moeten zijn waarvan ik de titel maar niet kan onthouden – al weet ik wel dat de dieren dromedaris en ooievaar erin voorkomen. Het boek ligt daar voor de helft van de prijs die ik ervoor, nieuw, heb betaald. Daanje en haar diergaarde zijn ondertussen onderaan de stapel ‘te lezen’ verzeild geraakt – zoals zoveel andere boeken, al troost ik mezelf met de wetenschap dat niet alle ‘te lezen’ boeken onderaan de stapel kunnen belanden want anders zou het geen stapel zijn, uiteraard. Wat verderop in de Langestraat sta ik even stil voor een oude muur van de voormalige kazerne, nu het gerechtsgebouw, bij de bronzen plaquette voor de 111 gesneuvelden die van hieruit in het begin van de Eerste Wereldoorlog ten strijde trokken. Ik verwonder mij over het bizar afgeronde getal: drie staande cijfers voor de gevallenen. Ik word tijdens mijn, in vergelijking met het leed van die jongemannen, totaal irrelevant gemijmer hierover afgeleid door een rinkelend belletje. Ik kijk op en zie nog net een Sinterklaas met zijn hulpje – ik krijg niet de tijd om te zien of het een witte roetpiet is dan wel een roetpiet van kleur – een café betreden. Ze zullen dorst hebben zeker? Of misschien moet de Sint dringend kaka doen? Enfin, een mens denkt van alles als hij niet echt bewust denkt. Ik overweeg dat deze Sint in elk geval vandaag de achtste december twee dagen over tijd is. De aanblik bezorgt mij in deze beangstigend lege Langestraat een beklemmend gevoel. Het beeld van de zorgvuldig uitgedoste kindervriend – met knalrood kleed, mijter en vergulde staf – steekt schril af tegen het wezenloze grijs van de omgeving waar ook de op dit vroege uur in de miezerige ochtend nog niet ontstoken kerstverlichting niets aan vermag te verhelpen. Even vind ik het jammer dat ik niet op tijd mijn fototoestel kon bovenhalen om de goedheiligman in een pakkend sfeerbeeld te vereeuwigen, maar kijk, hier is hij dan toch in dit stukje gered.






7408

Omgeving Falaën - 241121

zaterdag 14 december 2024

een mooi moment, vorige week 88

241207

EINSTÜRZENDE NEUBAUTEN

De zee gaat flink tekeer en beukt in op de landtong. Daarop staat, helemaal vooruitgeschoven op het uiterste punt, een appartementsgebouw in aanbouw. Golven slaan over de dijk, tot tegen dat gebouw. Ze raken het met alle geweld. Het gebouw is er niet tegen bestand. De allerhoogste golf slaat er met zijn volle gewicht tegenaan. Het gebouw begeeft, maakt slagzij, stort in. Het is een instortende nieuwbouw.

Vreemd, zo’n beeld om mee wakker te worden. Ik luister en hoor niets: de hevige wind die voor vandaag werd voorspeld, moet nog opsteken.




7407

Omgeving Dinant - 241119


vrijdag 13 december 2024

een mooi moment, vorige week 87

241206

DAGELIJKS

Ik zie M. regelmatig opduiken in het Brugse cultuurleven. Onder mijn Facebookposts steekt ze bijna elke dag een duimpje op. Vandaag had ik dan eens de gelegenheid om haar daarvoor te bedanken. Ze doet het niet zomaar, verzekert ze me. Ze vindt mijn teksten soms interessant, soms wat mismoedig, soms grappig. Maar altijd de moeite van het lezen waard. Dat vind ik uiteraard zelf ook, anders zou ik ze natuurlijk niet posten. ‘Het is voor mij een vast ritueel,’ zegt M.. ‘Het eerste wat ik elke dag doe. Ik ga met een kop koffie achter mijn computer zitten, open Facebook en lees wat je hebt gepost.’ Ik vind dat een buitengewoon aangename gedachte: te weten dat mijn berichten niet in een vergeetput verdwijnen waar ze door niemand worden opgepikt. Mocht dat zo zijn, ik denk niet dat ik de discipline zou kunnen opbrengen om ze te blijven maken. En dan is M. zeker niet de enige. Ik zie G. en M. en P. en ook X., Y. en Z.: ze zitten daar allemaal met een kop koffie. En daarachter gaan er nog wel een paar schuil die nooit met hartjes of duimpjes of verblufte of medelevende gezichtjes reageren. Ik groet en bedank hen allen.






7406

Dinant - 241119


donderdag 12 december 2024

een mooi moment, vorige week 86

241205

TWINTIG JAAR

Waarom in godsnaam verkoos ik indertijd het lezen van serieuze boeken, die ik ondertussen al allemaal grotendeels vergeten ben, boven het gezellig samen met mijn gezin bekijken van alweer een hilarische aflevering van Het Eiland? Dat vraag ik me af wanneer ik nu het verslag bekijk van de samenkomst van de acteurs die twintig jaar geleden onder leiding van regisseur Jan Eelen voor menig memorabel televisiemoment hebben gezorgd. (Sommige afleveringen heb ik blijkbaar toch gezien want ik herinner me als de dag van gisteren onder meer het ‘vogelpik’-incident, alsook de intrede van Bucky Laplasse.) Dat verslag, tegelijk ook een compilatie van een aantal hoogtepunten uit de reeks, is op zich opnieuw memorabel. Het opzet is gewaagd, maar geslaagd. Een tiental acteurs nemen samen met hun regisseur plaats aan een grote ronde tafel. In plaats van zich te beperken tot het roeren van de nostalgietrom door herinneringen op te halen, nemen ze nog eens enkele fragmenten door, waarbij elk zijn deel uit het script voorleest, uiteraard met de gepaste intonaties. De regisseur van dit huldeprogramma (is het opnieuw Eelen?, ik weet het niet) mengt deze voordracht met de originele fragmenten, waardoor het spel van destijds naadloos overgaat in het voorlezen twintig jaar later, en vice versa. Uiteraard speelt het contrast tussen de acteurs van weleer en die van vandaag, ondertussen twintig jaar ouder, een belangrijke rol. Hij of zij is dezelfde gebleven, en toch anders. Dat contrast maakt dit programma uitermate boeiend. Maar ook hard want sommigen hebben duidelijk meer un coup de vieux gekregen dan anderen, die over een eeuwige jeugdigheid lijken te beschikken – een eigenschap die door het speelse karakter dat acteurs blijkbaar eigen is nog wordt versterkt. Wat deze ‘20 jaar Het Eiland’ vooral mooi maakt, vind ik, is de vriendschap tussen deze mensen – hoe die waarschijnlijk in belangrijke mate tijdens die opnames is ontstaan en het voorbijgaan van de jaren heeft kunnen doorstaan. Die indruk krijg ik toch bij het bekijken van dit vriendelijke programma.




https://www.vrt.be/vrtmax/a-z/20-jaar-het-eiland/2024/20-jaar-het-eiland/



7405

Omgeving Dinant - 241119


woensdag 11 december 2024

afscheid van mijn digitaal bestaan 457

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

27 augustus 2017


Het mooiste moment van deze 8ste augustus 2017, de dertiende dag van mijn reis naar Frankrijk, was

(...)

om zes uur naar de vespers geweest in de benedictijnerabdij van Fontgombault, wellicht een van de grootste nog ‘levende’ in heel Frankrijk, een bolwerk van het meest conservatieve katholicisme – en conservatief kunnen die Franse katholieken zijn, met hun marches pour la vie en hun weerzin van le marriage pour tous.

Ik neem een halfuur voor aanvang van de dienst plaats in het schip, dat door middel van een hek is afgescheiden van het koor, waar straks, aan weerszijden in de koorbanken, een zestigtal in zwarte pijen gehulde monniken zullen plaatsnemen. De twee groepen – het indelingscriterium ontgaat mij – zitten dus recht tegenover elkaar, en doordat beide groepen elk om beurt een frase zingen – ik ken de musicologische termen niet – ontstaat een stereoeffect. Een orgel onderstreept deze gezangen met een zeer eenvoudige begeleiding. Nu ja, eenvoudig, ik heb de indruk dat schijn hier bedriegt. De gelovigen, of de neutrale belangstellenden waaronder ik mijzelf reken, nemen in zekere zin deel aan deze gezongen gebeden. Niet door mee te zingen, maar door een viertal verschillende houdingen aan te nemen: zitten, knielen, rechtop staan zónder en rechtop staan mét gebogen bovenlichaam. Met het zitten en frequente rechtop staan en weer gaan zitten, doe ik ijverig mee. Wanneer de anderen knielen, wat gelukkig maar twee keer voorkomt, ga ik zitten. Ik kan toch moeilijk knielen voor een God waarin ik niet geloof? En bij het buigen buig ik enkel het hoofd, niet het volledige bovenlichaam. Aan de overzijde van het centrale gangetje dat het schip in tweeën deelt, blijft een vrouw de hele tijd geknield zitten. Met haar hoofd in haar handen begraven, maakt zij een verdrietige indruk. Even denk ik dat ik haar zou moeten troosten, maar die gedachte lijkt mij iets te frivool in deze context. Bij de monniken gaat er af en toe, terwijl de medebroeders blijven zitten, eentje knielen. Waarom is niet duidelijk. Is het omdat hij zich door een frase bijzonder aangesproken voelt? Dat blijft in het ongewisse, maar het voegt in elk geval een opvallend persoonlijke noot toe aan dit voor de rest bijzonder strak en collectief geregisseerd aantreden. Overigens zit ik voortdurend in de knoei met mijn gedachten. Ik zondig waarschijnlijk tegen alle regels van het rituele engagement en de mindfulness want ik ben, terwijl ik daar in die kerk zit, al aan het schrijven in mijn hoofd. Er ontstaat dus een afstand tussen mijn waarneming en wat er gebeurt, ik zit er niet in. Maar ja, hoe kan ik hier iets anders dan een waarnemer zijn? Bijvoorbeeld van de jonge geestelijke van de oude school die vlak voor mij heeft plaatsgenomen. Hij draagt een soutane, en ik heb alle tijd om te observeren hoe elegant dit kledingstuk opgebouwd is en de figuur van deze jongeman, die overigens uitstekend gecoiffeerd is en een montuurloos brilletje draagt, gunstig doet uitkomen. De andere jongemannen die ik hier zie, en die te gast zijn in het klooster, misschien wel in het kader van een retraite of een seminarieopleiding, steken er in vestimentair opzicht maar bleek tegen af: vlekken op het overhemd, overhemd slordig in de broek, de riem die een riemlusje heeft overgeslagen. Maar mijn gedachten dwalen – opnieuw – af. Ik moet bij de les proberen te blijven. Ik moet luisteren naar de gezangen die, het moet gezegd, zeer helder en opvallend hoog weerklinken en die – zoals het cliché het wil – naar de gewelven opstijgen. Dat plafond steekt overigens erg ingewikkeld in elkaar, met die rondbogen en kruisgewelven waarin de pilaren overgaan. Ook dit is een vorm van schijnbare eenvoud, zoals ik heb kunnen vaststellen toen ik voor de aanvang van de plechtigheid een poging ondernam om een gedeelte van dit interieur te tekenen – wat mij niet misplaatst leek want is het nauwkeurige observeren van deze religieuze architectuur, die zelf een uiting beoogt te zijn van godsvrucht, niet zelf een vorm van contemplatie?




Ik ben niet katholiek. Wel gedoopt en in die zin opgevoed en zo, maar net als zovele anderen van mijn generatie ben ik ruim op tijd van mijn geloof gevallen – dat eigenlijk nooit een voldragen geloof is geweest, besef ik nu. Ik kan me eigenlijk niet voorstellen dat mensen überhaupt aan al die flauwekul geloof kúnnen hechten. Het zou me wat zijn, zo’n hiernamaals waar alle verschillende aanhangers van de veronderstelling dat er een is zouden samenkomen en elkaar de kop zouden inslaan omdat ze gefrustreerd zijn door het feit dat het niet is zoals zij het zich hadden voorgesteld – want het kan toch niet met ieders voorstelling overeenstemmen?

Maar goed, zelf ben ik niet vrij van overtuigingen die een rationele of wetenschappelijke toets niet zouden doorstaan, bijvoorbeeld de overtuiging dat het loont om altijd het goede na te streven of om gewoonweg vriendelijk te zijn of beleefd, en dus moet ik niet al te hoog van de toren blazen. Dat is ook helemaal niet mijn bedoeling. Integendeel: ik heb het grootste respect voor alle manieren waarop de mens zijn schamelheid probeert in te kleden. Want schamelheid inkleden moet hij aangezien hij het enige dier is dat zich van zijn eigen verval en onvermijdelijke verdwijnen bewust is. Daarom ook drinkt hij, rookt hij, gebruikt hij drugs, raakt hij verslingerd aan seks en probeert hij in het beste geval lief te hebben of mooie dingen te maken. Dat hij maar gelooft, dat is nog het minste kwaad. Hij neemt een aantal leerstellingen voor waar aan, knoopt daar wat gestileerde gedragingen aan vast, en is al wat blij dat hij niet telkenmale hij zich existentiële vragen stelt het warm water moet uitvinden. Gedeeld geloof is voor een groot deel ook een kwestie van comfortabel en gezellig conformisme. Niets mis mee. Maar mijn tolerantie stopt wel als de gelovige zijn geloof misbruikt om een ander lang vóór diens zuurverdiende hiernamaals de kop in te slaan. Hij moet andermans geloof respecteren. Dáárin kan hij groots zijn, en waarlijk mens: wanneer hij de betrekkelijkheid van zijn eigen overtuigingen aanvaardt door ze als even betrekkelijk te zien als de overtuigingen van een ander. Ik mag dan een overtuigd vrijzinnige zijn, ik kan met het grootste respect een traditionele vesperviering bijwonen, mij proberen in te leven in wat in die honderd oude mannenhoofden omgaat, of niet omgaat, de schoonheid van die hele pantomime en die weergaloze architectuur ervaren (het ene niet zonder het andere), en gelouterd terug naar buiten gaan. Al was het maar omdat ik daar een gast ben mogen zijn, getolereerd werd, ja zelfs het gevoel had er welkom te zijn zonder dat ik aan iemand verantwoording heb moeten afleggen.


7404

Falaën - 241121


dinsdag 10 december 2024

afscheid van mijn digitaal bestaan 456

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

25 augustus 2017

Het mooiste moment van deze 6de augustus 2017, de elfde dag van mijn reis naar Frankrijk, was toen bij het naderen van Château-Gauthier plots – ik gun mijn exegeten de vreugde die gepaard gaat met het ontwarren van deze associatie – mijn inwendige jukebox Somebody That I Used To Know begon te spelen, inclusief de spectaculaire falsetstembuigingen van de Australische zanger met – zoals onze Vlaams-nationale zender niet ophield te benadrukken toen het liedje een hit was – Vláámse roots. Ondertussen kon mijn geestelijk oog ook de video bekijken, die – God weet hoe dat allemaal mogelijk is – werd geprojecteerd op een inwendig scherm. Heel duidelijk was te zien hoe de zanger, al zingend, door beschildering van het naakte bovenlijf volledig in het decor verzonk. Dat verzinken is schijnbaar grondig gebeurd, want na het succesliedje heb ik van de man niets meer vernomen.



Deze gril van mijn hersenjukebox bracht mij terug naar het ontbijt in het hotel – want daar en toen was het dat de wurm zich via de ether in mijn oor had genesteld. Ik zat er alleen aan mijn tafeltje – uiteraard, want er had zich de avond voordien geen eenzame handelsreizigster aan mijn tafel geïnstalleerd – en onderging gelaten de behandeling die een solitaire man in hotels niet anders kan dan zich laten welgevallen: op het norse af strikt tot een minimale beleefdheid beperkt, om niet te zeggen op het onbeschofte af onbehouwen. Verliefde koppeltjes die elkaar tussen de gangen door bij de hand vasthouden en stamgasten worden met alle egards behandeld, gezinnen daarentegen waar de kilte al is ingetreden, al dan niet vergezeld door lastige kinderen, kunnen op een aan die kilte beantwoordende kille behandeling rekenen waar ze niet tegen durven op te komen omdat ze heel goed beseffen dat ze de sfeer in het etablissement in ongunstige zin beïnvloeden en dus in zekere zin zeer terecht gestraft worden. Maar als man alleen moet je ook niet al te veel kapsones hebben, heb ik de indruk. Alsof je al blij mag zijn dat je met elementair fatsoen wordt bejegend. Maar goed, vanmorgen zat ik daar dus nog maar net, toen de uiteenlopende leden van eenzelfde familie een na kwamen binnengedruppeld. Toen iedereen zijn positie had ingenomen en ik alle deelnemers aan het familieontbijt uiteindelijk had geteld en de verschillende leeftijden had geschat, kwam ik tot de conclusie dat hier vier generaties verenigd waren: een Jean Gabin-achtige stamvader van een jaar of 85, die nog opvallend fris en met een kop nog vol wit haar de rest zijner dagen tegemoet trad; zijn dochter van over de 60, verwelkend en uitdijend en eenzaam; en dan een drietal opvallend fraaigebouwde vrouwen van rond de 35-40, vergezeld van evenveel mannen, waarvan er twee een embonpoint voor zich uitdroegen. En dan was er nog het gebroed. Het viel niet uit te maken wie eigen bloed was en wie niet, maar ik denk toch dat Jean Gabin zich vooral in vrouwelijke zin had voortgeplant. De jongelui, allemaal onder de tien, waren van beiderlei kunne en hielden zich merkwaardig gedeisd. Deze kinderen hadden zich bij de begroeting opvallend lief opgesteld ten aanzien van hun overgrootvader. Een voor een waren ze hem rond de nek gevallen. De reden hiervoor kon ik opmaken uit wat ik telkens hoorde herhalen in de vorm van een wens: het was vandaag zijn verjaardag. De man beantwoordde de omhelzingen en kussen met zichtbaar genoegen, zich ongetwijfeld afvragend of ze hier volgend jaar nog eens op deze manier zouden samenkomen – maar dat zal wel, ik kan mij niet voorstellen dat zo’n patente kerel er niet nog een jaartje zou bijdoen, al weet je het natuurlijk nooit, het kan rap gaan. Met eentje, een jongen, bleef hij bezig toen het kind hem al had losgelaten en naar zijn croissant snelde. De volgende, een meisje, was al rond ‘s mans nek gaan hangen en kreeg door het nog niet afgeronde gesprekje met haar voorganger niet de verhoopte belangstelling.

Het was een vrolijke en vreugdevolle bedoening. Allen deden zich te goed aan de croissant en het oud brood die hier, met de obligate voorverpakte porties boter en jam, als ontbijt worden geserveerd – alleen de ouwe at niet, hij had voldoende aan een petit café en een filterloze Gauloise waarvoor hij zich afzonderde op het terras. Hij was op mijn reis een van de eerste mensen die ik zag roken. En ja, net toen ik begon te denken aan hoe onwaarschijnlijk het stilaan werd dat ik ooit in zo’n rol zou kunnen aantreden, met kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen in een vreugdevol samenzijn, weerklonk uit de computershuffle achter de bar dat lied Somebody That I Used To Know – waarmee de hele associatieketen aan elkaar werd gelijmd. Ik smeerde nog op het laatste sneetje brood – geroosterd en dus niet deze ochtend heel vroeg knispervers uit een oven gerold – de rest van een ongedefinieerde en enkel door de informatie op het schuitje als pruimenjam te identificeren brij uit, verorberde deze hap, leegde mijn glas fris appelsap, naar verluidt hier ergens in de streek artisanaal bereid, en verliet onopgemerkt de gelagzaal om mij klaar te maken voor alweer een lange fietsrit, een die mij vandaag naar Laval en Château-Gauthier zou voeren.

7403

F. in omgeving Dinant - 241119


maandag 9 december 2024

afscheid van mijn digitaal bestaan 455

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

23 augustus 2017


Het mooiste moment van deze 5de augustus 2017, de tiende dag van mijn reis naar Frankrijk, was vreemd genoeg toen ik langs de weg een elektriciteitspaal in de vorm van een kruis zag. Dit leidde niet tot een religieuze ervaring, wel tot een gedachtespinsel dat nog steek hield ook, vond ik. Want ik moest niet alleen denken aan de ‘gekerstende’ menhirs die ik in Bretagne op mijn weg had aangetroffen en aan de uit graniet gesculpteerde kruisen op de – jawel – kruispunten, maar ook aan de speelse vervorming waaraan West-Vlamingen het woord ‘elektriciteit’ soms onderwerpen. Zij hebben het dan over den illigen triek, waarbij illigen de dialectvorm is van heilige. Elektriciteit wordt door dit woordspel – ‘de Heilige Triek’ – met andere woorden iets aanbiddelijks, iets wat door verering nog groter wordt gemaakt dan het op zich al is.

(...)

Misschien moet ik er nog een ander moment bijnemen, een dat minder somber is. In café La Fontaine (Pouancé) zag ik de mooiste vrouw die ik ooit gezien heb, de vrouwen die ik heb liefgehad en die mij hebben liefgehad nu eventjes buiten beschouwing gelaten (misschien lezen ze wel mee). Ik heb daar verder niet veel over te melden. Een beschrijving doet er niet toe, het gaat hier om een uitermate subjectief oordeel en ik wil in dezen zeker geen normatieve indruk maken. Het enige wat belangrijk is, is dat ik dacht: ‘Daar zit een vrouw die in zich alle kenmerken verenigt waarvan ik vind dat ze deel kunnen uitmaken van wat men dan schoonheid kan noemen en zoals ik er nog nooit een heb gezien en misschien wel nooit meer een zál zien.’ Ik schatte haar leeftijd – grotendeels, want haar schoonheid leek mij tijdloos en klassiek, op basis van hoe haar partner en twee kinderen die met elkaar in de clinch gingen om het recht om een smartphone te bedienen (op hoeveel tienduizenden plaatsen zou nu, op dit ogenblik, een dergelijk tafereel zich afspelen?) – op ergens tussen de vijfendertig en veertig jaar. Het gezin bediende zich van de Nederlandse taal, maar dan wel met een accent van boven de Moerdijk.

Ik werd er een beetje weemoedig van, en om dat tegen te gaan, probeerde ik mij op mijn petit café te concentreren maar dat lukte maar half want de Engelse uitbaters van café La Fontaine hadden het gepresteerd mij een brouwsel uit een koffiezetapparaat voor te zetten en niet het door mij verlangde product van een expressomachine die ook zelf de bonen maalt – wie weet hoelang geleden die koffie was gezet en hoelang ze dus al op de elektrische plaat stond te pruttelen. Ik legde de voor deze crime gevraagde 1,25 € op de toog – reken zelf maar uit hoeveel zo’n koffiekan opbrengt – en verliet met ingetrokken buik het pand, zonder een blik te werpen naar mijn Hollandse schone want dat vond ik om de een of andere manier niet kunnen.

Vijf kilometer meer naar het zuiden stond ik bij de Menhir de Pierre Frite, een geval van meer dan vijf meter hoog dat daar op onnaspeurbare manier rechtop in het land was komen te staan – en daar al een paar duizend jaar stond en nog steeds staat. Bizar. Ook vreemd was dat iemand het in zijn hoofd had gehaald om, zo verstandig was hij wel, boven het bereik van ieder persoon die er zich aan kon ergeren, een nis uit deze monoliet te hakken, nauwelijks tien bij twintig centimeter, om daarin een minuscuul Mariabeeldje achter te laten. Dit leek mij van een even schabouwelijke achterbaksheid als die van een hond die overal tegen pist om zijn territorium af te bakenen – en die hond heeft dan nog voor dat hij zich voor dat gedrag niet op hogere machten beroept. Ik kon mij dan ook geheel en al scharen achter de commentaar die een met deze onwaardige mariale toevoeging niet opgezette passant had achtergelaten op het didactische bordje dat bij de menhir was geplaatst en dat niet alleen van de ontstaansgeschiedenis maar ook van de kerstening ervan gewag maakte – met woedende viltstiftkapitalen stond daar geschreven: ‘Les vandales psychopathes ont encore frappé! Ni dieu ni maître, définitivement.’






7402

F. in omgeving Dinant - 241119


zondag 8 december 2024

boekverhaal 5

In deze rubriek heb ik het over door mij gelezen of in mijn bezit zijnde boeken waar een verhaal aan vast hangt of die iets bijzonders voor mij betekenen.


oktober 1976

KLEIN DING


Uit eigen beweging zou ik Le Petit Chose nooit hebben gelezen. Maar het moest voor school. Zo klein was dat ding nu ook weer niet: 315 bladzijden in de inmiddels vergeelde Livre de Poche-uitgave die ik al die tijd, bijna een halve eeuw, heb bewaard. Zonder daar ooit nog een bladzijde in te lezen.

Het ontgaat me nu volledig waarom we dat boek moesten lezen. Diende er een bespreking van te worden gemaakt? Werden we erover ondervraagd? Volgde er een ‘klassikale’ bespreking? Ik weet het niet meer. Ik weet ook niet meer waarover de roman van Alphonse Daudet gaat. Het is me in elk geval niet bijgebleven. Ik heb in elk geval niet de indruk dat het boek een verpletterende, vormende, beslissende indruk op mij heeft gemaakt. Ik vraag me dan ook af of het een goed idee was om ons, vijftienjarige pubers, te verplichten om er een uur of twintig van onze vrije tijd aan op te offeren.

Of het zou moeten zijn dat het onze kennis van het Frans ten goede zou komen. En dat geloof ik dan weer wel. Le petit chose was in elk geval voor mij het eerste boek in een andere taal dat ik volledig uitlas. Lezen vijftienjarigen vandaag nog Franstalige boeken van 300 bladzijden? Engelstalige allicht wel, maar in het Frans?

Voor mij viel dat Frans nog wel mee. Thuis was Frans geen vreemde taal. Mijn vader las veel Franstalige boeken, radio en tv stonden vaak op Franstalige zenders. Ik vraag me af hoe lastig de taak voor mijn klasgenoten moet zijn geweest.

Ik heb in mijn leven nooit veel anderstalige boeken gelezen. Misschien had ik dat beter wel gedaan, maar ik ben er altijd te lui voor geweest. Men zegt dat er in een vertaling veel verloren gaat. Ik geloof dat niet. Of beter: het is zeker niet altijd een bezwaar. Ik ben van oordeel dat een goede vertaling nooit evenveel verlies kan opleveren als er onvermijdelijk is door het eigen gebrekkige vermogen om een andere taal tot in de diepste nuances te begrijpen.

Ik herlees nu de eerste twee, drie bladzijden van Le Petit Chose. Ik zie woorden onderstreept staan: pan, ourdisseuses, agonisa, prodige, gambader, leste, exaspéra. Dat waren de woorden die ik moest opzoeken. Nu ken ik van meer woorden de betekenis dan indertijd. Ik heb dus blijkbaar wel wat vooruitgang geboekt. En die is er onder meer door dat opgelegde leeswerk gekomen.


Alphonse Daudet, Le Petit Chose


7401

Omgeving Dinant - 241119

zaterdag 7 december 2024

een mooi moment, vorige week 85

241201

VOLDOENING

Twee afspraken op één dag die in het water vallen, dat is op een mooie zondag normaal gesproken toch wel des Guten zu viel, maar ik blijf niet bij de pakken zitten en begeef mij, zondag of niet, aan den arbeid. Voor de leesclub van morgen (Schijngestalte van John Banville) probeer ik met het betere kleur- en lijnenwerk wat structuur in mijn notities aan te brengen, en ik maak een recensie van de debuutbundel van Johan Clarysse: Het geduld van water. Vooral dat laatste verschaft mij voldoening want niet alleen is het een zeer sterke bundel, met enkele prachtige gedichten erin die wat mij betreft niet zouden misstaan in een bloemlezing van de betere recente Nederlandstalige poëzie, maar ook doet mijn ijverige schrijven, dat eigenlijk een vorm van veredeld puzzelen is, waarbij niet alleen de beperking (in de omvang) maar ook het toeval een aanzienlijke rol speelt, mij denken aan de tijd dat ik regelmatig dit soort teksten produceerde. Ik heb me de jaren daarna vaak afgevraagd met welke pretentie en argeloosheid ik dat deed, maar kijk, nu ervaar ik het weer en ik maak mij sterk dat het uiteindelijke resultaat er best mag zijn. ‘s Avonds bekijk ik dan nog Un prophète van Jacques Audiard, en op die manier kan ik deze zondag, die op misnoegdheid en neerslachtigheid leek af te stevenen, met tevredenheid en ook wel enige voldoening afsluiten.




7400

Omgeving Dinant - 241119


vrijdag 6 december 2024

een mooi moment, vorige week 84

241130

VOLHARDING


In 1995 en 1996 maakte ik samen met Rita Geys een reeks voor De Standaard der Letteren onder de weinig geïnspireerde titel De bibliotheek van… Elke week bezochten we, beurt om beurt, een bijzondere bibliotheek ergens te lande. Geen instelling maar een privéverzameling. Ik herinner mij verzamelaars van boeken over oorlog, over spionage, over de klassieke oudheid, over en van Guido Gezelle of Stijn Streuvels of Felix Timmermans. Meestal kwamen we bij al wat ouder wordende mannen uit, al dan niet pijprokers – de meesten zullen ondertussen wel al overleden zijn. Mijn beste herinnering bewaar ik aan mijn bezoek aan Bernard de Coen. Hij was een atypische bibliotheekbezitter. Hij was toen nog bijzonder jong en had, naar mijn smaak, het origineelste concept als basis voor zijn boekenverzameling. Hij zocht en vond en kocht alle vijfhonderd boeken die Bernard Pivot in 1988 had voorgesteld in zijn La Bibliothèque idéale, een lijvige bucketlist (dat woord bestond nog niet), opgedeeld in vijftig rubrieken, met daarin telkens tien uitgelezen boeken. Die rubrieken staan in Pivots ideale bibliotheek dan weer opgedeeld onder de noemers ‘Littératures du monde entier’, ‘Du roman à la BD’ en ‘Histoire et savoir’. Elke rubriek bevat naast de tien ‘uitverkoren boeken’ en hun korte beschrijvingen nog eens negendertig andere titels, waar de auteur dan ook nog eens summier op ingaat.

Mijn gesprekspartner van weleer had zichzelf de opdracht gegeven om alle vijfhonderd boeken niet alleen te verzamelen maar ook, uiteraard in het Frans, te lezen. De volgorde liet hij door het lot bepalen. Indertijd was hij nog maar net aan deze taak begonnen. Het verwerven van de boeken verliep ook niet altijd gemakkelijk. Hij las elk boek, ook de Bijbel, van voor naar achteren uit. Consciëntieus, nauwgezet, gedreven en verbeten, maar gelukkig ook met een grote liefde voor literatuur, kennis en lezen.

Achtentwintig jaar later kan Bernard de Coen zeggen dat hij zich van zijn taak heeft gekweten. Het laatste boek is uit. Ik vind dit een merkwaardige prestatie. Niet alleen omwille van de volharding, maar ook omdat De Coen op een eigentijdse manier iets heeft aangetoond wat ik niet zo goed weet te verwoorden. Het heeft met contingentie te maken. Met een probleem dat elke lezer kent. Met volharding ondanks het absurde. Umsonst, trotzdem.


foto: Elke Pannier


https://www.standaard.be/cnt/dmf20241129_93426544


7399

Brugge, Gentpoortvest - 241020


donderdag 5 december 2024

een mooi moment, vorige week 83

241129

EEN PEDAGOGISCH PROBLEEM

Q. zat in zijn klas van tienjarigen met een kind – ik noem het hier X. – waarmee niets aan te vangen viel. Het weigerde obstinaat alle medewerking, meer nog, het saboteerde de goede gang van zaken en had een negatieve invloed op zijn medeleerlingen, ook diegenen die uit zichzelf wél meewerkten en luisterbereid waren. Wat meester Q. ook probeerde, de luttele vooruitgang die hij boekte bleek op maandag alweer tenietgedaan want X. werd door zijn vader meegenomen naar het voetbal waar het aan weinig verheffende koorgezangen participeerde zoals “Alle boeren zijn homo’s”. (Ik citeer.)

Wat aangevangen? Q. was met dit verhaal afgekomen omdat we het over – volgens mij – de onvermijdelijkheid van autoriteit en gezag hadden in een pedagogische situatie, wat voor een lesgever die een anarchistisch, of anarchiserend, samenlevingsmodel aanhangt toch niet meteen een gemakkelijke uitgangspositie is. Dacht ik.

Q. vertelde mij hoe er een kentering was gekomen in de impasse met X. Op een dag had meester Q. een grote display van de animatiefilm Despicable Me 2 naar de klas meegenomen. Het ding diende in elkaar gezet. Zelf niet bepaald een handige Harry, riep Q. de hulp in van enkele leerlingen van wie hij dacht dat ze wél twee rechterhanden hadden. X. was er een van. En kijk, het jongetje bleek geïnteresseerd in de opdracht en zette in geen tijd het ding op poten. Q. loofde hem uitvoerig en beloofde om bij volgende karweien opnieuw een beroep te doen op X.’s diensten.

Wat bleek? Deze aanmoediging bracht de niet meer verwachte kentering. X.’s gedrag veranderde radicaal. Opeens bleek hij collaboratief, meegaand en vriendelijk. Aan het probleem van de koorgezangen in het weekend kon Q. niets verhelpen. Maar wél duidelijk was dat hij dit pedagogisch probleem had weten op te lossen zonder gebruikmaking van gezag of dwang. Hij had gewoon het kind aangemoedigd in het aanspreken van een tot dan onontgonnen kwaliteit, en op die manier had hij zijn vertrouwen gewonnen.






7398

S. - 240901


woensdag 4 december 2024

een mooi moment, vorige week 82

241126

PERIPETIE

Eenenvijftig dagen nadat ik, correct geadresseerd, mijn zending voor Dirk E. op de bus had gedaan, krijg ik haar terugbezorgd: ‘adresse insuffisante/incorrecte // adres onvolledig/onjuist’. Dat staat op de rode sticker-met-streepjescode die over het door mij op de enveloppe geschreven adres is aangebracht, alsof de beambte – ik ga ervan uit dat het een mens was – wil verhinderen dat ik zou verifiëren of het wel het juiste adres was. Ik weet zeker dat het het juiste was want nadat Dirk mij, zeer geduldig want pas een drietal weken na zijn bestelling en overschrijving, op de hoogte had gebracht van het feit dat hij nog steeds mijn boek niet had ontvangen en ik hem een tweede zending had gestuurd, uiteraard naar hetzelfde adres als de eerste, heeft hij die tweede zending wel degelijk in goede orde ontvangen. Eind goed al goed – behalve dan dat ik drie ‘1’-postzegels, een envelop en een boek kwijt was, maar het verschil tussen het totaal van druk- en verzendingskosten enerzijds en de door mij gevraagde verkoopprijs anderzijds dient nu net om dit soort incidenten op te vangen. Maar kijk, nu krijg ik toch alvast dat boekexemplaar terug, dus dat is alvast niet verloren.

Blijft de vraag wat mijn eerste zending gedurende eenenvijftig dagen allemaal heeft meegemaakt. Hoe zag haar peripetie eruit? Door hoeveel handen is het pakje gegaan? Waar is het allemaal blijven liggen? Op welk schap? In welke lade? In wiens brievenbus – tot het daar werd aangetroffen door iemand voor wie het niet bestemd was, en die dan zo eerlijk is geweest het niet open te maken en het aan de facteur van de volgende dag, of een van de volgende dagen, of de week daarop, terug mee te geven? Wie heeft beslist dat er dan toch iets mee moest gebeuren? Hoe komt het dat het dan uiteindelijk toch niet verloren is gegaan? Ja, het is op zichzelf een nieuw verhaal.






7397

240904


dinsdag 3 december 2024

een mooi moment, vorige week 81

241125

HET GELUID VAN GEBROKEN GLAS

Wat kan gebeuren, zal gebeuren. Er bestaat een atoombom, dus reken maar dat hij zal vallen. Dat verkeersbord staat daar gevaarlijk midden op het fietspad, dus zàl er ooit wel eens iemand tegenaan knallen. Als er een wiel kan afdraaien, zàl het ook afdraaien.

Het is een wijsheid die me al veel droefenis over tegenslagen heeft helpen overwinnen.

Ik heb in mijn huisraad weinig waardevols, maar toch een paar favoriete objecten. Zo eet ik het liefst mijn ontbijt uit een halfgrote kom van keramiek, een met verticale strepen versierd groen werkstuk van een pottenbakster uit mijn kennissenkring – maar omdat ik hem bijna dagelijks gebruik, weet ik vrijwel zeker dat ik hem ooit eens zal breken… Of neem dat favoriete bierglas: een kelk voor trappist van Rochefort. Niet alleen is het mijn mooiste glas, het heeft volgens mij ook de beste vorm voor dat soort bier. En het laat zich gemakkelijk afwassen. Dat doe ik met de hand want niet alleen ben ik geen voorstander van afwasmachines, ik heb er ook geen. Maar in de handafwas kan er al eens een accidentje gebeuren. Een tik met een glas tegen de kraan en ja, je hebt prijs.

En een glas met een barst in, hoe klein ook, kun je niet meer als glas gebruiken. Die ene barst verandert het glas van waardevol gebruiksvoorwerp in waardeloos ding. Wie heeft er nu iets aan een gebarsten glas. Het klinkt om te beginnen al anders.

Rochefortglazen vind je moeilijk. Zeker niet in het tweedehandse circuit. Ik dacht niet dat ik er zo gemakkelijk een zou vinden. Maar kijk, in de eerste winkel die ik aandoe, staat er een op mij te wachten. Eentje maar, tussen een hele batterij glazen van Chimay en ander lekkers. Uitnodigend glanzend, verleidelijk met zijn vergulde rand. En intact. Wel drie keer zo duur als de andere glazen op hetzelfde schap, maar we blijven met 2 euro nog binnen de rede.

Nu heb ik twee Rochefortglazen. Het échte, oorspronkelijke glas (al weet ik niet meer waar ik het heb gevonden of verworven), dat ik al in het glaskarton had klaargezet voor transport naar de glasbol, en zijn intacte plaatsvervanger, die dat eerste glas en die pijnlijke tik tegen de kraan moet doen vergeten.





7396

Ryckevelde - 241104


maandag 2 december 2024

Johan Clarysse, Het geduld van water

notitie 461


Kiezen voor de picknick


Wat staat je te doen als de jaren te talrijk worden, als ze elkaar opvolgen ‘in nakende verjaardagen’, als er zeepbellen worden geblazen ‘als voor een laatste verjaardag’? Dichter en schilder Johan Clarysse zoekt ‘in blessuretijd’ naar een antwoord op deze vraag.


Pendelend tussen
wat voltooid is en onaf,
tussen het kind en het badwater,
tussen moederhart en getal,

speel ik in blessuretijd.


Hoeveel zit er niet in deze twee strofen, de laatste van Clarysses debuutbundel Het geduld van water! Pendelen is een ruimtelijk begrip, maar drukt ook een aarzeling uit (enerzijds-anderzijds) en een zoeken naar zingeving. Tussen het onaffe en het voltooide bevindt zich het maken. In de impliciete uitdrukking die werkt met de woorden ‘kind’ en ‘badwater’ resoneert de wil om niet te vroeg voor de mislukking te capituleren. Het ‘moederhart’ en het ‘getal’ drukken de tijd van leven uit tussen het kloppen van het bloed in de schoot en het nog in te vullen jaartal op de zerk. En het woord ‘blessuretijd’ geeft aan dat er een tekort is, maar dat er nog een mogelijkheid rest om dit tekort teniet te doen. Door te spelen. Of toch minstens te doen alsof: ‘Laten we (…) / / doen alsof de aarde een zevende hemel is’.


Soeverein en genadig vier ik
de dagen die mij resten.


Clarysse pleit voor een positief voluntarisme. Tegen beter weten in misschien. Op een zerk kun je twee dingen doen: picknicken of huilen. Hij kiest voor picknicken. Voor ja zeggen, voor het lot omarmen: ‘Omhels de okertint in je vergrijzen / en alles wat je niet geworden bent.’

En verder, in dat zelfde ‘Zelfhulpgedicht’: ‘Zet alle ramen open.’ De dichter heeft de les van zijn vader, zijn ‘rechter en vriend’, goed onthouden: ‘Uitzicht, zei je, is iets wat je maken moet’. Uitzichtloosheid verdwijnt met andere woorden niet vanzelf. Precies dat maakt het portret van de grootmoeder, in de cyclus ‘Breinmist’, zo treurig:


Ze vraagt of vandaag
de hele dag wil blijven,
de wacht houdt aan haar raam
en verte bewaart voor later.


Je ziet het en je weet dat, in haar geval, er geen later meer komt. Maar ook in blessuretijd is het misschien al te laat voor dat ‘voor later’. Vandaar: ‘Zoek het niet te ver, zeg jij, / het heden laait nog’.

Clarysse stelt enkele manieren van spelen in blessuretijd voor.

Je kunt je terugtrekken in de cocon van de huiselijkheid:


We praten over appeltaart, de kunst
van het ontvlekken, roze bietenmousse
en in de boze wereld buiten:
schaliegas,
wir schaffen das, oorlogsgedruis.

In dit citaat staat ook het woord ‘kunst’, afgezonderd en dus verzelfstandigd door het enjambement. Geen toeval is dat uiteraard – (en toeval is ‘orde die wij / niet zien’, maar dat geheel terzijde) – want op die manier komt de kunst binnen als een tweede mogelijkheid (naast de huiselijkheid). ‘Als we de horizon zijn kwijtgeraakt,’ bijvoorbeeld door het raam te sluiten, of door toe te geven aan de verleiding om te huilen op de zerk, ‘laten we die opnieuw verzinnen’. Clarysse roept de kracht van de verbeelding in. En van het geloof erin:Laten we (…) / geloven in de zachte leugens / van de kunst’.

En daar, in de kunst, speelt deze kunstenaar op twee tafels tegelijk va banque: het dichten en het schilderen. Beide brengt hij met de liefde in verband, nog een door hem gesuggereerde mogelijkheid om het raam te openen en een nieuwe horizon te zien. Maar in beide gevallen zijn de scharnieren stug en geven maar moeilijk mee.

In het dichten schieten woorden altijd tekort. De dichter kan alleen maar naderen: ‘het woord dat op zijn grenzen stoot / stilte die is uitgepraat’. Net zo is het kijken van de schilder altijd ontoereikend: het oog ziet ‘enkel / fracties en fragmenten’. Maar de dichter maakt een onderscheid tussen zien en kijken. ‘Zien is een daad’, zo luidt de titel van een van zijn gedichten, en daarin zegt hij: ‘Het vreemde van zien is / dat het ophoudt met kijken / en dat we er stil van worden.’ Dat met andere woorden de taal tekortschiet als we datgene waar het echt om gaat te zien krijgen.

Wanneer gaat het er echt om?

‘Uitzicht is iets wat je maken moet’. De schilder heeft kleuren tot zijn beschikking. Hij houdt niet van de schreeuwerige hoofdkleuren blauw, geel en rood. Neen, hij valt voor ‘grijze hond, kinky rood, sissend erts, / assepoester roze’. Het zijn ‘[k]leuren uit achterbuurten, / huizend in vochtige kamers, / in licht dat hapert aan de ramen’. (Daar heb je die ramen weer.) Maar de dichter besluit dit schildersgedicht:


Zo kijk ik om me heen:
als een schilder die in zijn schakeringen
het wit van de dood legt.


Wit, zo heeft de dichter van zijn rechter en vriend geleerd, is ‘een optelsom van kleuren’. Maar wit is ook de kleur van de dood. In wit valt niets meer te onderscheiden. In wit kun je niets meer zienzoals we weten van de beroemde sneeuwstormpassage in het vandaag precies honderd jaar oude meesterwerk van Thomas Mann.

Ook de liefde wordt in stelling gebracht. Tégen het wit, tégen de sprakeloosheid, tégen de gesloten ramen. Clarysse heeft het zeer onnadrukkelijk over de liefde, en even onnadrukkelijk verknoopt hij de liefde met de woorden van de dichter en met het oog van de beeldend kunstenaar.

Clarysse speelt graag met gezegden en spreekwoorden. Met clichés ook. Hij doet de geijkte uitdrukkingen wankelen en houdt zo het luie denken van de lezer alert. In het tweede gedicht van de cyclus ‘Rechter en vriend’ heeft hij het bijvoorbeeld over ‘dertien stielen zonder ongelukken’ en over ‘perken en palen’. En zo zinspeelt hij in het vierde gedicht van diezelfde cyclus op de titel van een bestseller in het katholieke Vlaanderen van zijn – en mijn – jeugd:


Morgen schrijf ik jou een brief
over hoe het mij vergaat en over het werkwoord
liefde dat zich niet gemakkelijk laat verbuigen.


Hier raakt de liefde de ontoereikendheid van het woord.

‘Haar ogen (…) / leren mij dat kijken aanraken is.’ Gezichtsvermogen en tastzin zijn voor Clarysse de belangrijkste organen, of zintuigen, van de liefde. (Zintuigen: tuigen om zin te maken.) Het oog van de liefde is hetzelfde oog dat hij voor zijn schilderkunst zo nodig heeft. De interactie met de geliefde verloopt, behalve via het aanraken en het dagelijkse leven in de cocon met zijn beschouwingen over bietenmousse en schaliegas, in hoofdzaak via het kijken. Het kijken naar en zien van elkaar vormt en bevestigt en versterkt de liefde. Maar het zien van de ander is altijd ook een introspectie:


Hoe zij zich schikt naar mijn blik,
mooier wordt als ze mij ziet.


Helemaal los van het cliché (‘liefde is een werkwoord’) komt Clarysse in het prachtige gedicht ‘Alziend oog’. Ik noem het prachtig omdat het zowel toegankelijk als diepzinnig is, en omdat, dat spreekt vanzelf, de inzichten en de wijsheid waarvan het getuigt mooi zijn verwoord:


Was ik een boek, je zou mijn rug strelen
en de letters stelen uit elk blad.
Een wiskundig vraagstuk, je zou me oplossen
met wetten geschreven door vergeten dichters.

Was ik het heelal, jij zou mijn big bang zijn,
het parallelle universum aan mijn voeten.
Een amoebe, je zou je inleven
in mijn primitieve, cellulaire ziel.

Was ik een orkaan, je zou schuilen
in mijn alziend oog.
De kroeg om de hoek,
je zou je bedrinken en in mijn
eenzame schoenen gaan staan.

En was ik jou,
je zou in de spiegel kijken
tot je mij ziet.


Het geduld van water is een bijzonder sterke debuutbundel. Ingetogen en wijs, getuigend van plezier in het spel, diepzinnig in de beschouwingen over leven en zin in het licht van de ouderdom en de sterfelijkheid, en vooral ook een boeiende inkijk in het leven van deze dubbelkunstenaar.


*


Johan Clarysse, Het geduld van water, Uitgeverij P, 2024




driekleur 567

(…) dan kijken we naar de foto van die zatlap, die net zo geniaal was als die andere twee, betuigen we eer aan de restjes van de rode vlier die daar als een wachtpost aan zijn hoofdeinde staat… men zegt dat toen hij als ongelukkig man stierf… dat toen de rode vlier in Moskou bloeide en dat zijn lijkkist bedolven werd onder een dikke laag rode vlierbesbloesem… want voor de Russen is een dichter een profeet, een bard, en daarna gaan we met het laatste bosje bloemen naar een gedenksteen, zwart en van marmer en concaaf als die spiegeloppervlakken met een straal van tien meter… en daar, Dubenka, weet u waar het daar om gaat? Daar een beetje links is de val van Icarus… van goud… en daar aan uw rechterhand is een gouden gelaat, u zult vast zeggen, is dat niet Lenin?

Bohumil Hrabal, Praagse ironie, 206


driekleur 566

(…) toen eenmaal boven aangekomen dat jochie met het rode jasje en gouden knopen en met die zwarte hoed op, versierd met hanenveer, op de grond was gesprongen, gaf die mij een teken (...)

Bohumil Hrabal, Praagse ironie, 50


een mooi moment, vorige week 80

241124

ZWART-WIT

Het is mooi weer vandaag, maar veel te warm voor de tijd van het jaar en erg winderig. Sabine legde het deze middag uit op de radio: we zitten op de uiterwaarden van storm Bert, die de voorbije dagen voor nogal wat miserie zorgde in Ierland en Noord-Engeland. Een strakke zuidenwind voert rechtstreeks lucht uit Afrika aan. Doordat het – door Bert – zo hard waait, krijgt die lucht nauwelijks de tijd om af te koelen. En daardoor wordt hier het dagrecord met zomaar eventjes één punt zeven graden Celsius ‘gebroken’.

Maar goed, we denken er niet aan op onze wandeling in de Meersen. We hebben het te druk met koetjes en kalfjes: de toestand van de wereld, het klimaat, de halve of hele charlatans, criminelen en clowns waarmee Trump zijn regering samenstelt, en nog enkele andere akkefietjes. Maar dan staan we toch even stil bij de temperatuurwaarden van vandaag. Het stilaan uitzichtloze en wanhopigmakende daarvan. Het opiniestuk van Nic Balthazar gisteren in De Standaard. De open brief van Valerie Trouet vandaag in De Morgen. Die er de brui aan lijkt te geven.

Zijn de meningen van deze klimaatactivisten – want dat is Trouet nu toch ook – voldoende genuanceerd? Zijn er eigenlijk nog wel andere standpunten mogelijk dan deze die noodsignalen, of noodkreten, uitsturen?

Op het einde van onze wandeling komen twee aanpalende weiden in zicht. Op de ene zit een regiment kauwen, op de andere een peloton meeuwen. De kauwen vliegen in formatie op en laten zich collectief wegwaaien. Dat doen ze graag, kauwen: spelen met de wind. Ook de meeuwen vliegen op. Maar zij zijn niet zo speels als de kauwen. Ze zijn pragmatischer, beredeneerder, minder exuberant. Een zwarte vlucht en een witte vlucht. Twee soorten, elk met een eigen aard, elk op zijn eigen veld. Een ornithologisch schaakbord. Zullen ze zich vermengen? Zouden ze zich ook zorgen maken over de temperatuur? Of zich er dan minstens over verbazen? De warmte van vandaag als ongewoon aanvoelen?


Valerie Trouet: https://www.demorgen.be/meningen/ik-heb-het-u-gezegd-en-u-heeft-uw-schouders-opgehaald-trek-uw-plan-het-zijn-uw-kinderen-bescherm-ze-zelf~b036317a/

Nic Balthazar: https://www.standaard.be/cnt/dmf20241122_97302967