Posts tonen met het label ferroviair. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ferroviair. Alle posts tonen

woensdag 11 oktober 2023

honderd woorden 481

PERSOONSONGEVAL (1)

Ik zit in een van de laatste wagons en heb het niet gevoeld. De vorige keer was het anders, reëler ook. Toen was het dag en zat ik vooraan, nu is het al geruime tijd donker. Meer dan twee uren ondergaan honderden reizigers het wachten. Ze doen dat gelaten. Iedereen beseft dat protest misplaatst zou zijn. Agenten en brandweerlieden stappen achter hun zaklampen in de berm naar voren. En keren terug. We krijgen een flesje water en een wafel. Het geduld wordt beloond, het leed verzacht. Er is geen gemopper. We staan stil maar het leven gaat door voor ons.

foto: HLN



vrijdag 29 september 2023

honderd woorden 476

HÉLABA

Net voor het binnenrijden van Brussel-Zuid was ik in slaap gesukkeld. Dat overkomt me wel vaker op de trein – het is er een van de voordelen van, dat het daar mogelijk is. Wanneer ik ontwaak, merk ik meteen dat mijn rugzak, aan het vrije zitje naast mij toevertrouwd en met erin allerlei waardevolle bezittingen, onder meer een laptop van mijn werkgever, verdwenen is. Ik veer recht en zie in het middengangetje een mij onbekende jongeman schrikken. Hij heeft mijn rugzak vast. Ik roep ‘Hélaba!’. Hij zet de rugzak neer. Een medereiziger kijkt apathisch toe. Dit is hoe onveiligheid concreet aanvoelt.

donderdag 13 januari 2022

notitie 83

LAZARUS

 

De trein naar Parijs vertrekt stipt, zoals aangekondigd, om 22 over 10. Ik neem plaats op het voor mij gereserveerde zitje 111 in wagon 4. Op het eerste stuk naar Lisieux zijn er nog veel plekken onbezet. Ik hoor omroepen dat de bagage van een identificatie moeten worden voorzien. Wellicht een gevolg van veiligheidsmaatregelen, die zelf in het leven zijn geroepen in de nasleep van terreuraanslagen en daarna nooit meer werden teruggeschroefd. Ik heb geen etiket bij, maar het chirurgisch mondmasker dat nu al dagen in mijn broekzak zit kan zeker dienstig zijn. Ik schrijf er mijn naam op en bevestig het aan mijn reistas.

Ik zit aan het raam en kijk uit op het verzopen land tussen Deauville en Pont-L’Évêque, dat ik van de kaas ken en van die keer dat ik hier eens was – ik weet niet meer met wie en wanneer.

Het weer is grauw en nat. Het contrast met wat ik lees kan moeilijk groter zijn: ‘Het lichte goud, donkere goud van de velden die zich uitstrekken vanaf zee, en het groen van alles, groen, donkergroen, de bomen verderop aan de weg werpen lange Engelse schaduwen, zoals je je een zomer voorstelt.’ (278)

In Lisieux loopt de trein vol, wellicht allemaal reizigers die vanuit Caen en van nog verder uit de Cotentin naar hier zijn gespoord. Op de 112, naast mij dus, komt een jongedame zitten, een meisje eigenlijk nog. Witte kousen onder een strak zwart rokje, zwarte sokken, een wit schapenwollen manteltje van het merk Pinkie. Ik ruik een discreet parfum. Uit haar koptelefoon laat ze Maghrebijnse klanken ontsnappen, ik hoor ze opklinken achter de lemen muren van een woning in een drukke soek. Het stoort me net niet.

Tussen Bernay en Évreux zie ik lichtblauwe toetsen in het overwegende grijs: mensen met mondmaskers die op uitgeregende perrons wachten op een lokale trein. Evenzovele levens. Vaak raast mijn trein zo snel door de stations dat ik de plaatsnaamborden niet kan lezen. Ik val een paar keer in slaap. De diffuse droombeelden die ik van gene zijde meebreng lenen zich niet tot de reconstructie van een samenhangend verhaal.

De trein rijdt stapvoets door Mantes-la-Jolie. Ik denk aan de rendez-vous die de schrijver in deze stad had, halfweg tussen zijn woonplaats Croisset-bij-Rouen en Parijs, waar zijn muze vandaan kwam om hem te ontmoeten. Ze hadden een intelligente conversatie en neukten in een hotel vlakbij het station en dat was dat. Het zwaartepunt van de relatie lag in de brieven die de dag zelf dat ze geschreven waren hun doel al bereikten en die we nu, honderdzeventig jaar later, nog altijd lezen.

Observaties van bestanddelen van een buitenwereld. Op een garage prijkt een bord ‘Spécialiste Ford depuis 1952’. Hoe zag de wereld er toen uit? Of neem nu die camionnette van Intermarché die wordt volgegoten in een tankstation van Total. Wie is die man? Hoelang moet hij vandaag nog werken? Kan hij vanavond voldaan zijn benen uitstrekken onder tafel en daarna op de poef voor de televisie? Is hij gelukkig? Doet hij zijn job graag?

Pacy-sur-Eure, Marly-le-Roi, Maisons-Laffitte. De trein gaat schuin door een bocht: links valt het landschap in een afgrond, rechts rijst een steile berg op waarvan de top niet zichtbaar is omdat het raam aan de overzijde van de wagon niet hoog genoeg reikt. En dan zie ik een wand van krijt: de Seine-oever, een erosie van miljoenen jaren. Industrie, ruimtelijke rommeligheid, voorsteden. Je voelt het aan alles dat we de metropool naderen. Precies op het moment dat de conductrice aankondigt dat we weldra het eindstation Saint-Lazare zullen binnenrijden en dat we niets op de trein mogen achterlaten, rijden we langs een begraafplaats.

En wanneer we daar zijn aangekomen, stapt Pinkie na anderhalf uur naast mij te hebben gezeten – geen blik, geen woord, niets… Ze stapt voorgoed uit mijn leven, zonder boe of boe, zonder verpinken. Ze neemt haar muziek en geur en soek en heel de bazaar met zich mee.

 


 

Ali Smith, Zomer (2020, 20213), Nederlandse vertaling door Karina van Santen en Martine Vosmaer van Summer (2020)

Gustave Flaubert, De kluizenaar en zijn muze. Brieven aan Louise Colet, vertaling (1983) door Edu Borger

 

donderdag 15 oktober 2020

op naar de zestig 3


In het haar zit hij niet met zijn handen want hij heeft er niet veel meer. Haar bedoel ik, niet handen. Nu ja, haar? Hem dus. Enfin, u begrijpt me. Een stem roept om dat de mondmaskerdracht te allen tijde verplicht is, niet alleen in de trein maar ook op de perrons en in het station. We zitten allemaal in hetzelfde schuitje. Ver van elkaar en onherkenbaar. Ik pleeg inbreuk op deze man zijn privacy en maak een foto. Een die veelzeggend kan zijn, vind ik op het moment zelf. Er is – in de tussenruimte – wanhoop te zien. Eenzaamheid. Verwarring.

zaterdag 22 oktober 2016

de herfst van 2016 – 18 / ferroviaire ervaring 53



Eergisteren op de trein, huiswaarts na een lange dag. Het is de trein die tegen negen in Brugge aankomt, een late trein dus – en dan is de sfeer al wat losser. In de Zuid komen drie jonge mensen bij me zitten. Ze spreken Engels. Amerikaans Engels. Eigenlijk zijn ze met vier, maar voor die vierde is er geen plaats – hij vindt nog een laatste lege stoel achter mij. Het zijn twee koppels. Prachtige jonge mensen. De jongen die tegenover me plaatsneemt, lijkt me zo’n typische surfboy. Hij zou ook zwemkampioen kunnen zijn. De twee vrouwen zijn beeldschoon. De ene, die links van me zit, heeft lang donkerbruin haar, Spaanse ogen. De andere draagt haar blonde haar strak achteruit gekamd. Ze komt zó uit een suburbverkaveling, zoals in de film The Virgin Suicides: witte villa’s en in elkaar overlopende gazonnen. Streng profiel, mond en kin wat meer naar voren. Zij, de blonde, zit schuin tegenover mij en voert het hoge woord. Ze draagt een gul gedecolleteerd T-shirt. Ze doet heel professioneel alsof ze niet merkt dat ik mijn best doe haar weelderigheid niet te zien. Zeker als ze vooroverbuigt om iets uit haar tas op te diepen die tussen haar voeten op de grond staat. Ik zet mijn koptelefoon op en tik er lustig op los op mijn laptop, zodat de jongelui kunnen denken dat ik een schrijver ben. Maar ik weet niet of ze een hoge pet op hebben van schrijvers. De surfer en de blondine dragen allebei eenzelfde gouden ring. De surfer legt zijn hand op haar dijbeen. Ter hoogte van haar knieën zitten er gaten in haar strakke jeans. Ik kan haar knieën zien.

In Gent stappen er veel reizigers af. Opeens is er plaats. De Amerikanen blijven zitten, ze hebben dus Brugge als bestemming, het Lam Gods zal hun zonden niet vergeven. Ik sta op en gebaar dat nummer vier op mijn plaats mag komen zitten. Dat vinden ze tof, ze bedanken me. Er wordt nu een fles wijn bovengehaald, chips, kaas, salami. Ze nuttigen alles door elkaar – desalniettemin hebben ze alle vier nog de ideale lijn. De vierde, die er nu bij is komen zitten, is de tweede boy. Het wordt niet duidelijk of hij bij de Spaanse hoort. Hij is meer van het studententype. Ietwat militaire coupe, acne in de nek. Ik zet even mijn koptelefoon af. De student vertelt enthousiast over de Compostellaroute. Hij heeft er een stuk van afgelegd. Je ontmoet er mensen bij de vleet, onderweg maar ook ’s avonds in de hostels die je overal langs de route aantreft. De drie anderen luisteren belangstellend. De wijn drinken ze uit kartonnen bekers van een Starbucks. Het is Spaanse wijn.

In Brugge stappen we allemaal uit. Ik spreek de Amerikanen aan. Ze blijven drie, misschien wel vier dagen in Brugge. Ze vragen me tips. Ik bezweer hen de Vlaamse primitieven te gaan bekijken. Dat waren ze van plan, wat me voor hen inneemt. Ik raad hen ook nog aan hun verkenning van de stad te beginnen met een wandeling eromheen, op de Vesten. Ze zullen eraan denken. Ze overnachten in een B&B in het centrum. De blondine voegt er – volstrekt onnodig – aan toe dat ze, twee per twee, in twee kamers slapen.

Ik wens de vier een aangenaam verblijf en ga mijns weegs. Hoe moet het zijn om voor het eerst in Brugge aan te komen, die stad met nieuwe ogen te zien, samen met vrienden, zonder zorgen, vergulde jeugd?