LAZARUS
De trein naar Parijs vertrekt
stipt, zoals aangekondigd, om 22 over 10. Ik neem plaats op het voor mij
gereserveerde zitje 111 in wagon 4. Op het eerste stuk naar Lisieux zijn er nog
veel plekken onbezet. Ik hoor omroepen dat de bagage van een identificatie
moeten worden voorzien. Wellicht een gevolg van veiligheidsmaatregelen, die
zelf in het leven zijn geroepen in de nasleep van terreuraanslagen en daarna
nooit meer werden teruggeschroefd. Ik heb geen etiket bij, maar het chirurgisch
mondmasker dat nu al dagen in mijn broekzak zit kan zeker dienstig zijn. Ik
schrijf er mijn naam op en bevestig het aan mijn reistas.
Ik zit aan het raam en kijk uit op
het verzopen land tussen Deauville en Pont-L’Évêque, dat ik van de kaas ken en
van die keer dat ik hier eens was – ik weet niet meer met wie en wanneer.
Het weer is grauw en nat. Het
contrast met wat ik lees kan moeilijk groter zijn: ‘Het lichte goud, donkere
goud van de velden die zich uitstrekken vanaf zee, en het groen van alles,
groen, donkergroen, de bomen verderop aan de weg werpen lange Engelse
schaduwen, zoals je je een zomer voorstelt.’ (278)
In Lisieux loopt de trein vol,
wellicht allemaal reizigers die vanuit Caen en van nog verder uit de Cotentin
naar hier zijn gespoord. Op de 112, naast mij dus, komt een jongedame zitten,
een meisje eigenlijk nog. Witte kousen onder een strak zwart rokje, zwarte
sokken, een wit schapenwollen manteltje van het merk Pinkie. Ik ruik een
discreet parfum. Uit haar koptelefoon laat ze Maghrebijnse klanken ontsnappen, ik
hoor ze opklinken achter de lemen muren van een woning in een drukke soek. Het
stoort me net niet.
Tussen Bernay en Évreux zie ik lichtblauwe
toetsen in het overwegende grijs: mensen met mondmaskers die op uitgeregende
perrons wachten op een lokale trein. Evenzovele levens. Vaak raast mijn trein
zo snel door de stations dat ik de plaatsnaamborden niet kan lezen. Ik val een
paar keer in slaap. De diffuse droombeelden die ik van gene zijde meebreng
lenen zich niet tot de reconstructie van een samenhangend verhaal.
De trein rijdt stapvoets door
Mantes-la-Jolie. Ik denk aan de rendez-vous die de schrijver in deze stad had,
halfweg tussen zijn woonplaats Croisset-bij-Rouen en Parijs, waar zijn muze
vandaan kwam om hem te ontmoeten. Ze hadden een intelligente conversatie en
neukten in een hotel vlakbij het station en dat was dat. Het zwaartepunt van de
relatie lag in de brieven die de dag zelf dat ze geschreven waren hun doel al
bereikten en die we nu, honderdzeventig jaar later, nog altijd lezen.
Observaties van bestanddelen van
een buitenwereld. Op een garage prijkt een bord ‘Spécialiste Ford depuis 1952’.
Hoe zag de wereld er toen uit? Of neem nu die camionnette van Intermarché die wordt
volgegoten in een tankstation van Total. Wie is die man? Hoelang moet hij
vandaag nog werken? Kan hij vanavond voldaan zijn benen uitstrekken onder tafel
en daarna op de poef voor de televisie? Is hij gelukkig? Doet hij zijn job
graag?
Pacy-sur-Eure, Marly-le-Roi,
Maisons-Laffitte. De trein gaat schuin door een bocht: links valt het landschap
in een afgrond, rechts rijst een steile berg op waarvan de top niet zichtbaar
is omdat het raam aan de overzijde van de wagon niet hoog genoeg reikt. En dan
zie ik een wand van krijt: de Seine-oever, een erosie van miljoenen jaren.
Industrie, ruimtelijke rommeligheid, voorsteden. Je voelt het aan alles dat we
de metropool naderen. Precies op het moment dat de conductrice aankondigt dat
we weldra het eindstation Saint-Lazare zullen binnenrijden en dat we niets op
de trein mogen achterlaten, rijden we langs een begraafplaats.
En wanneer we daar zijn
aangekomen, stapt Pinkie na anderhalf uur naast mij te hebben gezeten – geen
blik, geen woord, niets… Ze stapt voorgoed uit mijn leven, zonder boe of boe,
zonder verpinken. Ze neemt haar muziek en geur en soek en heel de bazaar met
zich mee.
Ali Smith, Zomer (2020,
20213), Nederlandse vertaling door Karina van Santen en Martine
Vosmaer van Summer (2020)
Gustave Flaubert, De kluizenaar en zijn muze. Brieven aan
Louise Colet, vertaling (1983) door Edu Borger