donderdag 21 juli 2022

6528

Brugge, Zand - 220507

 

woensdag 20 juli 2022

winkelwagenblues 48

 

notitie 247

EEN NIEUWE DAG

Het is deze ochtend tien graden minder warm dan om middernacht. Aan afkoeling toe spring ik, na een paar bladzijden Houellebecq, om kwart voor zes op mijn fiets voor een rondje Meetkerkse Moeren. Ik verricht daarbij, zoals steeds, enkele waarnemingen. Die ik dan probeer te onthouden voor dit stukje. Fragmenten zijn het, disparate elementen die samen het gevoel van intense vreugde schragen dat mij op dit soort vroegochtendlijke fietsritjes altijd overvalt. Een gevoel dat meer dan de moeite loont die het me kost om eraan te beginnen.

Een kraai op het jaagpad vliegt op en verwittigt met een luide kras zijn partner die een eind verderop in de berm zit te fourageren van mijn komst. Een berm, overigens, waar de diensten van het agentschap De Vlaamse Waterweg vorige week met een drastische maaibeurt ongeveer alle leven uit verwijderd hebben. Waar voorheen aan weerszijden van het pad twee hagen van volwassen grassen en bloeiende bloemen zich kilometers lang uitstrekten, lustoorden voor vogels en insecten, liggen nu twee dorre stoppelvelden uitgerold. ’t Is proper. Een blauwe reiger vliegt een eind mee op, zwenkend over het kanaal. Met een vleugeltop raakt hij het wateroppervlak. In zijn rauwe kreet klinkt de archaeopteryx die hij ooit was door in dit exemplaar. Met de poten vooruit landt hij onhandig-elegant op de boord aan de overzijde van het kanaal. Hij lijkt boos omdat ik zijn wake aan deze zijde heb verstoord. Links hoor ik geklingel dat ik eerder in een gebergte verwacht dan hier op deze biljartvlakke polder: een troep lichtbruin vee is de bel aangebonden. Een volwassen koe likt haar kalf. Op het water van het kanaal maakt een koppel futen gekke bewegingen. Is dit een late balts? Groen is de specht die in golvende vlucht voor mij uit vlucht. Waarom vluchten al die vogels eigenlijk? Soms zie ik ze aarzelen. Ze lijken af te wegen of de inspanning van het wegvliegen het rendement van de op die manier verworven veiligheid waard is. Het is een deliberatie. Wat bepaalt de uiteindelijke beslissing? Zie de houtduiven die op de draad toekijken hoe de zon opkomt. Sommige kijken lui op en blijven zitten. Andere vliegen weg, waarbij ze met hun vleugels een fluitend geluid maken. Kwartels denken minder na. Hun schrikreactie is onverdeeld. Ze verraden hun aanwezigheid door ratelend over de akker te scheren. Het is een reflex, geen keuze. Ik stop om een foto te maken van de zonsopgang – het mag dan al een cliché zijn. Ik hervat mijn rondrit. Een vrouwelijke fazant trippelt een maïsveld binnen. Op gindse akker oogst een pikdorser het koren. Ik hoor het signaal wanneer hij achteruitrijdt. Tussen de stoppels spitst een haas de oren. In een rietkraag fluit een rietzanger. De vogels zingen trouwens veel minder dan toen ik hier in mei op ongeveer hetzelfde uur rondfietste. Aan de poel van een huis langs de Molenweg staat onbeweeglijk een blauwe reiger op precies dezelfde plaats als de vorige keer, en in precies dezelfde houding. Geen wonder, hij is van plastic en moet zijn échte soortgenoten afschrikken. Wanneer ik terug bij het kanaal aankom, waar ik linksaf het noordelijke jaagpad moet opdraaien, zie ik hoe een paar meter rechts van het T-kruispunt een kraai op het wegdek zit. Hij wacht af welke kant ik insla – en blijft zitten zodra het duidelijk is dat ik hem niet zal onderbreken in zijn bezigheden. Op de nieuwe fietsbrug naast de expressweg kruis ik jonge vrouwen die op weg zijn naar hun shift van zeven uur in het AZ. Applaus en witte lakens!

Ik kom thuis en schrijf dit stukje. De verfrissing die tijdens mijn afwezigheid door de voor- en achteraan geopende ramen mijn appartement is binnengewaaid heeft de binnentemperatuur al drie graden doen zakken. Ik ben klaar voor een nieuwe dag.

 


 

 

 

6527

Sint-Jozef, Dudzeelse Steenweg - 220507

 

dinsdag 19 juli 2022

winkelwagenblues 47

 

notitie 246

HET EINDE VAN DE NACHT

‘Een loodzwaar gewicht drukte op mij, de geur van de vochtige aarde hing om me heen, de onzichtbare verrotting die alles aantastte, de zwartheid van een nacht zonder einde…’ Zou het kunnen dat Louis-Ferdinand Céline in deze zin uit Joseph Conrads Heart of Darkness (hier in de vertaling van Marc Verreckt, p. 108) de inspiratie vond voor de titel van zijn bekendste werk, Voyage au bout de la nuit?

Dit doet mij eraan denken dat ik het al een tijdje over Céline wilde hebben. Deze vooraanstaande Franse schrijver en notoire antisemiet staat de jongste tijd in de belangstelling. Hoewel de man al geruime tijd het tijdelijke met het eeuwige heeft verwisseld, is onlangs nieuw werk van hem opgedoken en gepubliceerd. Dat veroorzaakt enige deining want ja, moeten en mogen we in deze wakkere tijden nog wel aandacht besteden aan iemand die zo grondig fout was?

Mijn mening is – in haar meest beknopte vorm geformuleerd – dat de morele integriteit van de kunstenaar niet relevant is voor de beoordeling van de artistieke kwaliteit van zijn werk. (Ja, eventueel ook *haar* werk, sorry.) Uiteraard speelt biografische kennis mee in de appreciatie, maar *eigenlijk* moeten moraliteit en esthetica uit elkaar worden gehouden. Doe je dat niet, dan mag de halve kunstgeschiedenis op de schop. In álle disciplines. (En het argument dat je hier een onderscheid moet maken tussen talige en niet-talige disciplines, omdat je in de talige nu eenmaal op een eenduidiger manier lucht kunt geven aan verderfelijke opinies, doet, vind ik, niet ter zake. Kunst is kunst en moet aan artistieke maatstaven worden getoetst.)

Ik zit met dit standpunt op één lijn met Marijke Arijs, die vorig weekend in De Standaard hierover een schitterend stuk schreef. ‘We gaan met zevenmijlslaarzen terug naar inquisitoriale tijden,’ stelt Arijs. (Altijd leuk gevonden die naam, voor een recensente die zich toespitst op de Franse letterkunde die, zoals we weten, vooral in Parijs wordt beslecht.) Natùùrlijk moeten wij Céline nog lezen, stelt zij – en daarmee dient zij Harold Polis van antwoord, die enige tijd geleden de omgekeerde stelling verdedigde. Polis wil, omwille van het antisemitisme en racisme van de Franse schrijver, hem eigenlijk nog het liefst van al uit het pantheon der Franse letteren verbannen. ‘Een goede roman heeft niets met moraal te maken,’ vindt daarentegen Marijke Arijs.

Albert Speer was een zeer belangrijke architect. Martin Heidegger was een belangrijke filosoof. Herbert von Karajan was een belangrijke dirigent. Louis-Ferdinand Céline was een belangrijke schrijver. Het lijstje van politiek incorrecte grootheden in alle mogelijke disciplines is al vele malen opgesomd, ik moet dat hier niet overdoen. Of ze in onze tijd aan de bak zouden komen of, integendeel, al niet meteen zouden weggecanceld, is een andere kwestie. Maar hun werk heeft een plaats veroverd in de cultuurgeschiedenis en is daaruit niet meer weg te denken zonder dat je alles op zijn kop zet want zo’n grootheid staat natuurlijk nooit geïsoleerd.

Twee bladzijden verder in het boek van Conrad puur ik uit een passage (110) inspiratie voor deze discussie. Blijkt dat de schurk Kurtz gedichten schrijft. De brutale slavendrijver, handjeskapper, uitperser, überkapitalist en gewetenloze schurk Kurtz is een dichter! Of het goede gedichten zijn, de gedichten die hij schrijft, dat vernemen we niet. ‘De Rus’ zegt dat zijn blik erdoor is verruimd – maar dat is natuurlijk geen garantie. Enfin, eigenlijk is het niet belangrijk. Het gaat erom dat gewetenloosheid en poëtisch vermogen wel degelijk kunnen samengaan. Zelfs de ergste nazibeul zal misschien ’s avonds na de dagtaak zijn kind met slaapliedjes te bed hebben gelegd – en misschien is uit dat kind dan een goede mens gegroeid.

Ten slotte nog een extra argument voor mijn stelling. Niet alle boeken van Céline zijn even goed. Daar kunnen we het over eens zijn – nog ongeacht ieders persoonlijke voorkeur. Maar als dat waar is, op basis van welk criterium trancheer je daarin? Blijkbaar is het dan toch mogelijk om ook van een rabiate antisemiet de geschriften op hun literaire merites te beoordelen?

6526

Sint-Pieters, Pathoekeweg - 220507

 

winkelwagenblues 46

 

maandag 18 juli 2022

notitie 245

MEEREIZEN

Een vriend maakt op dit ogenblik een fietsreis in Frankrijk. Een maand geleden vertrok hij in Brugge en nu is hij net Toulouse gepasseerd. Hij doet ongeveer 80 kilometer per dag en zit nu te puffen bij 40 graden Celsius. Dagelijks brengt hij op Facebook verslag uit van zijn reis met een summiere opsomming van indrukken en ervaringen, enkele foto’s en meestal ook een portret van mensen die hij op zijn weg kruist. Deze portretten, in woord en beeld, vormen een tastbaar spoor van een efemere gebeurtenis. Maar de ontmoetingen zijn gedoemd om op niets uit te lopen. P. ontmoet mensen die hij waarschijnlijk nooit zal terugzien. Misschien zou hij hen vergeten indien hij ze niet zou memoreren. Voor ons, thuisblijvers, zouden ze al helemaal niet bestaan indien P. niet zo genereus zou zijn om ze in zijn verslag een plaats te geven.

Wat mij van deze portretten het meest opvalt en bijblijft, is de honger naar contact die eruit blijkt. Ik herken dat. Toen ik acht jaar geleden zelf een fietsreis maakte in Frankrijk, was elke ontmoeting waardevol. Ik heb die ontmoetingen ook proberen vast te houden door erover te schrijven. Op die manier staan de meeste ervan me nog altijd voor de geest.

Genereus is een woord dat ik spaarzaam gebruik. Het is een kostbaar, een precieus woord. In dit geval vind ik het op zijn plaats. Wat P. doet, is zijn privilege delen, het voorrecht dat hij geniet om deze reis te kunnen maken, daar de tijd en de middelen voor te hebben.

Een reis zoals P. er nu een maakt is niet uitzonderlijk. Veel reizigers laten via de sociale media hun achterban meereizen. Er zijn er ook veel die er uitdrukkelijk voor kiezen om dat niet te doen. Zij brengen dan later verslag uit. Of zij doen dat niet, want natuurlijk ook een optie is. Alleen reizen is per slot van rekening een solitaire aangelegenheid. Het is helemaal geen morele plicht voor de reiziger om zijn ervaringen te delen.

P. kiest voor deze optie. Ik kan er alleen maar dankbaar voor zijn. Want hij voert mij terug naar mijn reis van 2014. Toen reed ik ook Frankrijk rond, maar dan in de omgekeerde richting. Ik bracht pas achteraf verslag uit van mijn reis – ik beschikte toen nog niet over de technische middelen om dat meteen te doen in een soort Avondetappe of Vive Le Vélo-aflevering vanuit het hotel of vanop de camping waar ik toen verbleef. Een samenvatting van dat verslag is hier te vinden.

Ik had al het plan opgevat om deze zomer opnieuw een fietsreis in Frankrijk te maken. Door allerlei omstandigheden had dat plan nog geen vaste contouren gekregen. Ik sloot zelfs niet uit dat ik, net als vorig jaar, toen ik dezelfde ambitie had, er op het laatste moment van zou afzien. Maar nu denk ik dat ik toch zal doorzetten – en dat is in grote mate aan P. te danken want hij doet mij er zin in krijgen: zijn doorzettingsvermogen en opmerkingsgave, waarvan hij in zijn verslagjes blijk geeft, inspireren me.

 

https://www.facebook.com/paskal.dendooven

6525

Brugge, Albertpark - 220507

 

zondag 17 juli 2022

winkelwagenblues 45

 

notitie 244

GEMEENTEBELASTING OP ONTMENSELIJKING

Het door socialisten en liberalen bestuurde Molenbeek heeft beslist om een belasting te heffen op zelfscankassa’s in supermarkten, lees ik op De Standaard Online. Er is in die gemeente één supermarkt die dergelijke toestellen in gebruik heeft. Dus lijkt het erop dat het hier om een gecibleerde pestbelasting gaat en, inderdaad, er is reden om dat te denken want Molenbeek was not amused toen Delhaize, want om ‘de’ Delhaize gaat het hier, in 2020 haar hoofdzetel van Molenbeek naar Zellik verhuisde. De zelfscankassataks van de Parti Socialiste en de Mouvement Réformateur zou derhalve als een wraakmaatregel kunnen worden gezien.

Ik ben niettemin voorstander van die maatregel. Hoewel de woordvoerder van Delhaize zijn best doet om de motivering van het gemeentebestuur tegen te spreken, denk ik dat het gemeentebestuur gelijk heeft als het stelt dat het invoeren van zelfscankassa’s slecht is voor de werkgelegenheid en ook slecht voor de sociale cohesie. Dat is een dubbele ontmenselijking. Caissières worden afgedankt en met machines is het nu eenmaal lastig praten. Ik ben overigens ook voor de maatregel, alleen al omdat ik voor elke maatregel ben die het per definitie asociale kapitalisme probeert in te dijken. Hoe symbolisch en onmachtig ook dergelijke maatregelen meestal zijn.

Voor mensen die enkel aan hun eigen portemonnee denken en misschien iets te weinig aan het feit dat ze deel uitmaken van een samenleving wil ik er hier graag nog eens op wijzen dat elke belasting in essentie een vorm van georganiseerde solidariteit is. Idealiter ook van herverdeling, en in die zin vergelijkbaar met ons geroemde systeem van sociale zekerheid. De inkomsten die op arbeid, op bezit van vastgoed of luxegoederen, op autorijden, en op duizend andere zaken worden geïnd, belanden in een pot die zo goed mogelijk wordt besteed aan zaken van algemeen belang die zeer nodig zijn maar die door individuele burgers niet kunnen worden bekostigd: infrastructuur, onderwijs, gezondheidszorg, het overheidsapparaat, ordehandhaving, enzovoort. Ik heb de indruk dat dit niet vaak genoeg wordt benadrukt. Waardoor individuen, meestal individuen die in vergelijking met zeer velen in onze maatschappij niets tekort hebben, voortdurend klagen dat ze te veel belasting moeten betalen.

Uiteraard kan niet worden ontkend dat het beleid niet altijd de beste keuzes maakt. Er is vaak een gebrek aan gezond verstand, aan weerwerk tegen persoonlijke machtsambities, aan bestrijding van corruptie en aan transparantie. Daarom is het interessant om in De meeste mensen deugen van Rutger Bregman het hoofdstuk over burgerparticipatorische experimenten te lezen hoe in gemeenten en steden, onder meer in Brazilië, waar burgers inspraak hebben in de besteding van de budgetten blijkt dat deze ‘burgers bereid zijn om meer belasting te betalen’! En dit om de heel eenvoudige reden dat ze nu eindelijk eens zien hoe fiscaliteit werkt en waarvoor het belastinggeld dient. ‘Zo verandert de belastingaanslag in een contributie, die je betaalt als lid van een gemeenschap. Veel deelnemers vertellen dat ze zich door het [met inspraak beheerde] budget voor het eerst een inwoner van hun stad voelden.’ (366)

Hoe komt dat toch, vraag ik mij dan af, dat mensen geen idee hebben van wat belastingen eigenlijk zijn en dat ze er dientengevolge als vanzelfsprekend tégen zijn – en dan realiseer ik mij dat ik in mijn hele lagere- en middelbareschoolcarrière nooit ook maar één keer iets over fiscaliteit heb vernomen.

Uiteraard vertik ik het om in mijn supermarkt mijn aankopen zelf te scannen en aan de zelfscankassa voor te leggen. Ik wacht geduldig in mijn rij aan de levendemensenkassa en zeg altijd vriendelijk goeiedag aan de caissière. En meestal krijg ik een vriendelijke goeiedag terug. 

 


 

Rutger Bregman, De meeste mensen deugen (2019)

6524

Brugge, Kolenkaai - 220506

 

zaterdag 16 juli 2022

winkelwagenblues 44

 

notitie 243

EEN DIGIBEET OP TAX-ON-WEB

Ik werd vanmorgen wakker met de mededeling tijdens het radionieuws van zes uur dat het de laatste dag was om mijn digitale belastingaangifte in te dienen. Verhip, dat was voldoende om meteen klaarwakker te zijn want ik had deze klus opnieuw, zoals elk jaar, zodanig lang voor me uitgeschoven dat ik het eens te meer vergeten was. De laatste dag, dat zou straks weer een drukte van jewelste opleveren op de digitale snelweg, met allerlei blokkades tot gevolg. Ik kon dus maar beter meteen in actie schieten. Om tien over zes zat ik dus al achter mijn computer.

Ik heb een broertje dood aan dat digitale gedoe. En dan ben ik nog niet eens wat je een digibeet noemt. Ik gebruik al meer dan dertig jaar computers, zonder evenwel te begrijpen hoe in dat machien de vork aan de steel zit. Ik ken nauwelijks shortcuts, leer voortdurend al doende, slaag er niet in mijn wachtwoorden te onthouden en zit op de kast als ik weer eens een account moet aanmaken om ergens binnen te geraken. Ik benut waarschijnlijk niet eens een tiende van de mogelijkheden die mij op mij pc of smartphone worden aangeboden. Het is veel te ingewikkeld allemaal, veel te abstract, veel te losgeslagen van de analoge werkelijkheid. Ik zou gelukkiger zijn met een knop om aan te draaien. En het interesseert me niet, moet ik meteen ook toegeven. Een app is voor mij nog altijd een aap met twee p’s en een a te weinig.

Maar goed, mijn belastingaangifte. Ik dus naar ‘tax-on-web’ – wat nu dus ‘MinFinfed’ blijkt te zijn geworden. Aanmelden met mijn ID-kaart in het ID-kaart-bakje lukt me, net als vorig jaar, niet meteen. Ik blijk eerst een update van het ID-aanmeldingsprogramma te moeten downloaden. Dat doe ik dus, en ik installeer de update. Aanmelden lukt – wat had je gedacht – nog steeds niet. Ik herstart de computer, maar ook dan slaag ik er niet in mij op mijn pagina bij de FOD Financiën aan te melden. Een andere mogelijkheid dan het ID-bakje die wordt aangeboden is: de app ITSME. Ik heb daar wel al eens van gehoord, en ook dat 80 procent van mijn landgenoten deze app gebruikt, maar ik heb hem nog altijd niet uit mijn mouw geschud. Ik bekijk het instructiefilmpje en ga aan de slag met foon en computer. ’t Is een nogal ingewikkeld protocol – het zou mij te ver voeren om het hier uit de doeken te doen. Ze hebben zo ongeveer alles van me nodig: naam, e-mailadres, telefoonnummer, wachtwoord, een code, enzovoort. Het verwondert me nog dat ze mijn bloedgroep en schoenmaat niet vragen.

Hoe ik het klaarspeel, ik zou het begot niet weten, maar ik slaag erin om die ITSME-app te installeren.  Hoe het dan verder gaat, weet ik niet, maar op de een of andere manier caramboleer ik dan toch op mijn MyMinfin-pagina waar mijn belastingaangifte voor mij klaarstaat, ingevuld en wel. Ik weet niet of dat nu via mijn ID-kaart is gegaan of via die ITSME-app. Verre van mij om de cijfers te controleren, daar heb ik de tijd en het geduld niet voor – ik zoek dus de knop om mijn aangifte in te dienen. Het zal wel kloppen. Ik herinner mij dat ik vorig jaar zo’n verzendknop indrukte. Maar nu staat er enkel dat als ik akkoord ben met de voorgestelde aangifte, ik ‘niets’ moet doen. Waar was dan al die drukte voor nodig? Ik doe dus ‘niets’, maar blijf achter met de vervelende twijfel of ik nu mijn aangifte al dan niet naar behoren heb ingediend.

Het is kwart over zeven.

Ik weet dat ik harder mijn best zou kunnen doen en dat velen meewarig het hoofd zullen schudden, maar ik vraag me toch af hoe mensen die nóg ouder en – voor zover dat mogelijk is – nóg minder computerdeskundig dan ik zijn met dit digitale hindernissenparcours omgaan. Ik veronderstel dat er toch heel wat zijn die uit de boot vallen.

 


 

6523

Brugge, Kruisvest - 220501

 

vrijdag 15 juli 2022

notitie 242

MAAR ALLEZ JOSÉ

Ik kijk in juli graag naar de touretappes op tv. De sport en de spanning, de dramatiek en de landschappen, en de commentaar van José De Cauwer. Tot en met vorig jaar met Michel Wuyts, nu met Renaat Schotte.

Ik heb altijd gevonden dat het duo De Cauwer-Wuyts een onderscheiding verdiende voor hun geriatrisch werk. Ik bedoelde daarmee niet dat zij zelf krasse knarren waren, wat ze overigens wel degelijk zijn, maar wel dat zij met hun tweetjes een heel leger van senioren, patiënten en dementen bezighielden met hun oeverloos urenlang volgehouden geleuter over de koers. Je moet het maar doen, die marathonuitzendingen met weetjes en feitjes vullen, en altijd iets vinden om over uit te weiden. Vier, soms vijf uur aan een stuk. Ik zou het niet kunnen.

Wuyts zag zichzelf, tot zijn eigen verbazing, opzij geduwd omdat hij een in zijn ogen nog erg jonge leeftijdsgrens had overschreden. Hij werd vervangen door Renaat Schotte. Die het ook niet slecht doet. Eigenlijk doet hij het beter want hij weet ongeveer evenveel als Wuyts, maar hij heeft iets wat Wuyts niet had en dat is humor. Droge humor, maar toch humor. En hij onderbreekt zijn copresentator niet voortdurend, zoals Wuyts altijd deed.

Die copresentator is dus José De Cauwer, die niet onderworpen is aan de pensioenverplichtingen van overheidsambtenaren. Alle respect voor mensen van zijn leeftijd (72), en José heeft alles nog min of meer bij elkaar, maar de mogelijkheid om zijn Nederlands bij te schaven zal, vrees ik, toch niet meer aanwezig zijn. Hij zal tot hij, desnoods gevankelijk of manu militari, zal worden afgevoerd, blijven volharden in zijn soms toch wel pijnlijke taalonzorgvuldigheden.

Een van José’s eigenzinnige invullingen van het Nederlands, is de werkwoordelijke wending in de trant van: ‘Je zult dan maar, Wout Van Aert zijnde, die col nog voor de wielen geschoven krijgen.’ Of: ‘Die tussenspurt gewonnen hebbende, moet je dan weer op kop van het peloton gaan rijden om je kopman naar de volgende berg te loodsen.’

Maar dat is nog niet het ergste. Het ergste is De Cauwers voortdurende gebruik, te pas en uiteraard nog meer ten onpas, van het woord ‘verhaal’. Zo vaak doet José dat, dat Schotte, die naast hem zit in een studio in Brussel waar het daglicht niet binnenkomt, die tic begint over te nemen. Ik geef een niet uitputtende (maar wel vermoeiende) bloemlezing, de voorbije twee dagen opgetekend uit de mond van beide heren maar dan toch vooral uit die van José:

Het wordt een verhaal van klimmen en dalen. Als het al geen verhaal van winnen en verliezen wordt.

Dat is het verhaal van het verhaal.

Fred De Bruyne was toen ploegleider tussen het hele verhaal [van de peer van Pollentier].

Het Vlasov-verhaal was niet ideaal.

Het is natuurlijk het verhaal van Froome. Hij beslist natuurlijk zelf over dit verhaal.

Hij heeft blijkbaar nog altijd geen weet van het hele verhaal.

Pidcock is gaan versnellen. Dat is natuurlijk een ander verhaal.

Ze zitten daar met het verhaal van de WorldTour-status.

In sommige ploegen rijden ze allemaal met een ander type bril rond en dat is dan een beetje een ander verhaal.

Ze moeten een beetje constant blijven in dat verhaal, zodat je ze gemakkelijker kunt herkennen.

Ik denk dat Froome daar wel zelf over beslist, over dat verhaal.

Het zijn allemaal, stuk voor stuk, klimmers met een verhaal.

Vooral in de afdaling. Ik denk dat dat het verhaal is dat speelt.

Het begon met riskant afdalen, dat hele verhaal.

Dat verhaal van dat publiek, daar zou ik toch niet in meegaan.

Iedereen met zijn verhaal na die twee dagen.

 


 

6522

220501

 

donderdag 14 juli 2022

afscheid van mijn digitaal bestaan 246

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

25 mei 2010

ALIGNEREN

Bij de groet aan de vlag diende het peloton op zijn voordeligst aan te treden: alle miliciens stelden zich op, of wérden opgesteld, in rechte rijen en op gelijke afstanden van elkaar. Recht, dat kun je nog min of meer de visu regelen. De tegels van het exercitieplein zijn daarbij vast en zeker een nuttig hulpmiddel. Maar op gelijke afstanden van elkaar? Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Hoe kan de rechtse piot nu weten dat de tussenruimte tussen hem en zijn linkerbuur even groot is als de tussenruimte tussen de linkse piot en diens rechterbuur? Je hebt een hulpmiddel nodig. Een lengtemaat. De linkerarm brengt de oplossing. Je strekt hem zijwaarts en als je met je vingers de schouder van je buurman raakt, sta je op de juiste afstand. Dit alignement wordt met robotachtige schuifbeweginkjes uitgevoerd. De linkse man op de eerste rij blijft staan, al wie rechts van hem staat aligneert met zijn linkerbuur. De tweede man moet een paar decimeter corrigeren, bij de meest rechtse man van de eerste rij is de correctie die nodig is al opgelopen tot een meter of twee want je gaat altijd dichter tegen je buur aan staan dan geoorloofd. Alsof je beschutting zoekt. Of troost. De linkse man van de tweede rij, die dus achter de ijkman in de voorste rij staat, moet de linkerarm niet zijwaarts maar voorwaarts heffen. Enigszins romeinsegroetgewijs. Zo wordt het peloton niet alleen in de breedte maar ook in de diepte gealigneerd. Het alignement is tweedimensionaal. Nu blijft er natuurlijk wel een klein probleempje bestaan: niet alle armen zijn even lang. Maar dat lengteverschil is verwaarloosbaar en wórdt dan ook verwaarloosd. Een beetje naar analogie met het niet te aligneren verschil in de derde dimensie, dat veroorzaakt wordt door de verschillende lichaamslengtes. Je zou de grootste al een kopje kleiner moeten maken, maar da’s iets voor het slagveld. Hier gebeurt zoiets niet. En ‘hier’, dat is in mijn herinnering: op het exercitieplein van de meest luxueuze kazerne van het land, waarvoor je al een behoorlijk lange arm moest hebben om er als milicien een postje te bemachtigen.

6521

Lille (F) - 220616

 

woensdag 13 juli 2022

notitie 241

CONTROLE EN BETUTTELING

Rutger Bregman heeft het in hoofdstuk 13 van De meeste mensen deugen over ‘de kracht van intrinsieke motivatie’. Hij verwoordt daarin, geïnspireerd door het werk van antimanagement-manager Jos de Blok (zie hier voor een korte kennismaking met deze man), wat ikzelf al jaren aanvoel: dat je misschien beter heel die managementbusiness kunt afschaffen. Enfin, daar komt het zo ongeveer op neer. Bregman citeert De Blok: ‘Managen is flauwekul. Je moet mensen gewoon hun werk laten doen.’ (321) Ik ben blij dat ik het eens zwart op wit gedrukt zie staan. Jos de Blok staat in Nederland aan het hoofd van de zeer snel groeiende en ondertussen al 14.000 tevreden werknemers tellende thuiszorgorganisatie Buurtzorg. Hij is ondanks zijn onconventionele, tegendraadse, om niet te zeggen anarchistische bestuursstijl al meerdere keren verkozen tot ‘werkgever van het jaar’.

Het klassieke management gaat uit van een negatief (‘hobbesiaans’ en behavioristisch) mensbeeld. Werknemers zijn lui en ongemotiveerd, altijd geneigd om er de kantjes van af te rijden. De hele organisatie moet er dan ook op uit zijn om deze natuurlijke neiging te counteren en doet dus een beroep op kwantificering, controle en sanctionering – met het zogenaamde taylorisme en een hele betuttelende bureaucratie tot gevolg. Maar, aldus Bregman, het is ‘verbijsterend om te zien hoe vaak we in de problemen komen door targets, bonussen en het dreigen met straf’ (328). Hij geeft het voorbeeld van academici die beoordeeld worden op het aantal publicaties, van scholen die worden beoordeeld aan de hand van het implementeren (dit woord gebruik ik hier met een ironische bijklank) van leerplannen, van chirurgen die betaald worden volgens het aantal operaties dat ze uitvoeren, en van ‘bankiers die hun bonussen verdienen door rommelhypotheken te verkopen’. (329) Dat laatste is uiteraard een verwijzing naar de financiële crisis van 2008. En dan geeft Bregman nog het voorbeeld van de ‘psychologen die betaald worden om zo lang mogelijk te behandelen’.

Ik moest bij dat laatste voorbeeld denken aan een anekdote die Y. mij onlangs vertelde. Y. zat met een burn-out en was vier keer naar een psychiater gegaan. Voorafgaand aan de derde sessie had ze zich voorgenomen om te zeggen dat ze niet meer zou terugkomen, maar de psychiater was haar te vlug af met zijn strakke manier om de sessie te besluiten: ‘Ik stel voor dat we elkaar over twee weken terugzien, op die dag en dat uur.’ Y. had daar niet alert op gereageerd en ze had toegezegd voor een nieuwe afspraak. Maar de vierde keer was ze assertiever:

PSYCH.: ‘Ik stel voor dat we elkaar over twee weken terugzien, op die dag en dat uur.’
Y.: ‘Ik denk het niet.’
PSYCH.: ‘Hoe bedoelt u?’
Y. ‘Ik denk niet dat het nog zinvol is dat ik terugkom. Ik denk niet dat u mij kunt helpen.’
PSYCH.: ‘Inderdaad. Ik heb ook de indruk dat ik u niet verder kan helpen.’

Terug naar De Blok. Controle en betutteling dus – geen wonder dat inefficiëntie hoogtij viert. En bijgevolg ontevredenheid, en wel van een omvang die doet vermoeden dat ook daar het rendement niet beter van wordt. ‘Uit een groot onderzoek onder 230.000 werknemers in 142 landen bleek een paar jaar geleden dat slechts 13 procent zich “geëngageerd” voelt op zijn werk.’ (329) Jos de Blok gaat uit van het omgekeerde van wat managers voorschrijven: schaalverkleining, vereenvoudiging, zelfregulering en vertrouwen. En hij gaat in tegen het dwangmatige altijd maar willen vernieuwen en veranderen, ook van wat goed marcheert. Bregman: ‘Vakmanschap en competentie worden de belangrijkste waarden, in plaats van rendement en productiviteit.’ (335) Als bijvoorbeeld leraren nu gemotiveerd zijn – en die zijn er zeker nog altijd – dan zijn ze dat ‘eerder ondanks dan dankzij de wirwar aan targets, regels en richtlijnen’. (336)

Het wordt tijd dat we komaf maken met al die gebakken managementlucht.

 

Rutger Bregman, De meeste mensen deugen (2019)

6520

Lille (F) - 220616

 

dinsdag 12 juli 2022

afscheid van mijn digitaal bestaan 245

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

20 mei 2010

ALGORITME

Als mens van mijn tijd durf ik wel eens een autistisch trekje te vertonen. Kan geen kwaad, denk ik dan, als het maar onder controle blijft. Zo houd ik mij bezig – ik geef het toe – met het aan een mentale dissectie onderwerpen, tot in de kleinste details, van de bewegingen en handelingen die ik in bepaalde situaties moet volbrengen, en van de volgorde waarin dit moet gebeuren. Het gaat om procedures, of – in zekere, niet rekenkundige zin – algoritmes, waarvan niet kan worden afgeweken. Als ik mij er eenmaal hyperbewust van ben, zo denk ik dan, zullen deze bewegingen en handelingen vlotter kunnen uitgevoerd worden.

Een dergelijke situatie doet zich voor wanneer ik thuiskom. Dat gaat dan zo. Ik nader op mijn fiets mijn woning. De sleutel van de poort van de garage waarin ik mijn fiets moet stallen, haal ik al tijdens deze nadering boven en houd ik klaar. Ik open de poort, duw mijn fiets naar binnen, ontsteek het licht, sluit de poort en duw mijn fiets naar het rek waarin hij zijn vaste plaats heeft. Ik plaats de fiets in het rek, ga naar de deur die garage en hal met elkaar verbindt en doe het licht in de garage uit. Dan ga ik, nadat ik het licht in de hal heb aangestoken en alvorens rechtsaf naar de brievenbus te gaan, eerst linksaf naar de lift om er op de knop te duwen die de lift naar beneden doet komen. Vroeger ging ik altijd eerst naar de brievenbus. Deze extra stap – eerst naar de lift en pas dan naar de brievenbus – is er pas laat gekomen want het heeft, ik geef het toe, wel eventjes geduurd vooraleer ik had ingezien dat er tijdwinst te boeken viel: als de lift van helemaal boven tot beneden moet komen, duurt het langer als ik eerst naar de brievenbus ga en pas dan de lift roep. Natuurlijk win ik geen tijd als de lift al beneden staat, maar hij bevindt zich vaker boven. Dat is een statistisch gegeven. Niet dat ik dat allemaal geteld heb, het is een aanvoelen. En toen dat aanvoelen zich eenmaal had omgezet in een wéten, en vervolgens in een onthouden van dat weten, kon ik dat onderdeel van mijn algoritme bijsturen.

En zo zijn er nog een aantal dingen te doen, in een juiste volgorde, ten einde met de grootste efficiëntie en zo snel als maar mogelijk is mijn appartement te betreden. Sleutel van mijn voordeur al klaar houden in de lift en dat soort zaken.

Het vreemde nu is dat het hyperbewust opvolgen van een dergelijke procedure contraproductief kan zijn. Wees je maar eens bewust van wat je allemaal doet als je een trap bestijgt, met een fiets rijdt, een auto bestuurt. Je mag er niet aan denken wat er allemaal mis kan lopen. De angst dat iets misloopt zelf: die kan je nooit onder controle houden, die kan je nooit in het algoritme inpassen. Er zijn zoveel handelingen die je beter ‘vanzelf’ kunt doen. Het is hallucinant: we zijn vaak beter meer machine dan mens.

6519

Sint-Pieters, Dudzeelse Steenweg - 220614

 

maandag 11 juli 2022

notitie 240

OPROEP

Beste Vlamingen, Vlamen, flaminganten, confederalisten, nationalisten en regionalisten,

Ik dacht op deze ons dierbare Vlaamse feestdag eens op mijn fiets te springen om te genieten van, wat zeg ik, om te zwélgen in de aanblik van de mooi bevlagde huizen hier ter stede. Ik was al verlekkerd op de aanblik van talloze klauwende leeuwen, Vlaamse leeuwen uiteraard, onze fiere vaandels in geel en zwart. Wel, beste compatriotten, mijn teleurstelling is groot. En het draaide nochtans al tegen de noen, dus het argument dat de hardwerkende Vlaming nog niet uit zijn bedstee was gerold ten einde zijn vendel uit het raam te hangen, neen, die vlieger gaat niet op.

Hoe kaal was de reis waar ik van terug kwam! Tien kilometer heb ik hier ter stede gefietst en wat zag ik op die twee maal tien kilometer gevelrijen: vijf, sléchts vijf leeuwenvlaggen. Vier collaboratie- of fascistische en één officiële van de Vlaamse Gemeenschap. Ja, ze klauwden fier, dat wel – en dat ze dat kunnen, dat weten we. Maar sléchts vijf versierde gevels op twintig kilometer gevelrij, dat is toch een beetje weinig op zo’n mooie dag. Komaan, het kan en moet beter! Wat we zelf doen, doen we zelf!

Zeker als men dan nog in acht neemt dat ik nog twee andere vlaggen heb gezien. Een van de voetbalploeg Sint-Truiden (maar het kan ook van Oekraïne zijn geweest, waar onze nationalistische broeders van beide kanten van de Europese grens een verbeten strijd aan het voeren zijn, heb ik gehoord), en dan ook nog een van de – horresco referens – geopolitieke entiteit waarvan ons fiere Vlaanderen gedoemd is nog een tijd deel uit te maken. Maar geen lange tijd meer! Blijf dus werken, gouwgenoten, aan de verkiezingen van 2024 en hopen op de daarop volgende staatshervorming die wij samen met onze zielsverwanten van het Belang zullen doorvoeren! Daarom is het belangrijk dat wij onze gevels bevlaggen. Met leeuwenvlaggen, niets dan leeuwenvlaggen. Met leeuwen met of zonder rode klauwen, peut importe – laat die bakfietsintellectuelen, Gutmenschen en linkiewinkies daar maar over zeuren. Wij houden ons met het werkelijk en enig belangrijke bezig: de onafhankelijke republiek Vlaanderen! Kleur de straten van ons geliefde trotse steden in geel en zwart!

Dus, beste flamingant, bevlagt uwen outer en heerd, en vergeet niet:

Wat Wals is, vals is
Vliegt den Blauwvoet, storm op zee

en 

Belgikske Nikske!

notitie 239

DANIEL EN VAN

Het is niet van mijn gewoonte maar een vriendin had een ticket over en ik dacht, ja, waarom niet toch nog eens een liveconcert proberen? En bovendien: Van Morrison, die had ik nog nooit gezien en die heeft toch ook, net als ikzelf naar verluidt, niet het eeuwige leven. Dus ik naar Gent, naar Gent Jazz, voor Van The Man.

Ik had geen benul van wie er voor hem aantrad op Gent Jazz, ik ging gewoon voor Van.

Het tienkoppige combo was perfect op elkaar ingespeeld, het geluid was uitstekend, de menigte waarmee de festivaltent was volgelopen enthousiast en welwillend. Alleen was er naast het podium geen scherm, zodat wie achteraan stond genoegen moest nemen met een ver uitzicht op wat er zich op het vrij lage en boven de koppen nauwelijks zichtbare podium afspeelde. Niet dat dat veel belang had want eigenlijk gebeurde er niet veel, zodat ik het reikhalzen stilaan afwisselend met een met gebogen hoofd en gesloten ogen aandachtig luisteren. Naar de zeer toonvaste maar door het mummelen niet altijd tekstueel-verstaanbare stem van Van, naar de voortreffelijke bijdragen van de orkestleden (trompetsolootje hier, gitaarsolootje daar, alles mooi om de beurt en met duidelijke routine afgehaspeld – en dan was er weer het hammondorgeltje of de bas), en naar de perfect uitgevoerde songs. Eerst een aantal mij niet bekende nummers – al moet ik zeggen dat ik totaal niet vertrouwd ben met de zijstraatjes en achterkantjes van het repertoire van de norse bard uit Ierland, en vervolgens, tegen het eind van het vijf minuten te vroeg begonnen en iets meer dan anderhalf uur later afsluitende concert, de kleppers: ‘Brown Eyed Girl’, ‘Sundance’ en – uiteraard, dat mocht niet mankeren – ‘Gloria’. Daarmee sloot Van zijn set af. ’t Is te zeggen: hij liet zijn set afsluiten want een kwartier voor de laatste noot werd afgeleverd was hij al met een kil ‘That was it’ in de coulissen verdwenen. Zijn personeel mocht los gaan op een uitgesponnen outtro van ‘Gloria’ en deed dat dan ook, duidelijk bevrijd van het strakke keurslijf – wat eigenlijk meteen het hoogtepunt van het concert opleverde. Veelzeggend: in afwezigheid van de meester zelve.

Om maar te zeggen: ook al is een concert perfect uitgevoerd, als er geen enthousiaste interactie met het publiek is, kun je misschien toch beter naar een filmpje op YouTube kijken, bijvoorbeeld dit. De kwaliteit is even perfect, je ziet nog iets en het is gratis bovendien. Plus, je kunt er bij gaan zitten, wat toch ook niet onbelangrijk is. Dat is dan ook wat ik zelf gisterenavond ook gedaan heb. Na een uurtje of zo verliet ik de tent en nam plaats op een wonderlijkerwijs achtergelaten klapstoeltje, waarop ik het laatste kwart van het optreden op een scherm heb gevolgd. Even goede klank, maar nu wel met het surplus van het visuele. Wat bij mij de onbehaaglijke vraag opriep wat ik daar eigenlijk zat te doen.

 

©  Steven Hendrix

Gelukkig was er voor Van Morisson aantrad een optreden geweest van Daniel Lanois – dat ik dus niet eens had zien aankomen. Een zeer aangename verrassing want ik heb veel bewondering voor deze man. Ook voor de leukehoedjesdrager Van The Man hoor, maar zeker ook voor Daniel, die het bij een eenvoudige pet hield. Deze grootheid-achter-maar-ook-voor-de-schermen van de popmuziek van de afgelopen – wat zal het zijn? – dertig jaar, tevens auteur van een aantal mooie soloplaten en songs, onder meer het ingetogen 'The Maker' en het bezwerende, beheerst ontsporende 'For the Beauty of Wynona' en enkele goed in het oor liggende ballads, maakte er samen met onder meer slagwerkster en zangeres Trixie Whitley wél een beklijvend optreden van, met ruimte voor improvisatie, vrije interpretatie en, jawel, een vriendelijk woord voor de duizenden die zich méér mochten voelen dan een bron van inkomsten. 

 

©  Steven Hendrix


6518

Sint-Pieters - 220614

 

zondag 10 juli 2022

afscheid van mijn digitaal bestaan 244

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

16 mei 2010

ALGEBRA

Als je iets nooit begrepen hebt, kun je het ook niet onthouden. Maar als je iets niet begrijpt, kun je het ook niet mooi vinden. Of appreciëren.

Ik heb mij altijd, samen met Loeki Knol, afgevraagd wat ik er nou aan had, aan algebra. Ik vroeg mij dat af omdat ik nooit heb begrepen waar het eigenlijk over ging. Het bleef een ondoorgrondelijke reeks van letters en cijfers en wiskundige symbolen, die ik voor elke overhoring en examen uit het hoofd leerde en puur mechanisch net in voldoende mate wist op te dissen om niet te zakken. Dat uit het hoofd leren, zo herinner ik mij, gebeurde zelf op een volkomen mechanische manier. Ik schreef de formules en bewijzen vele keren na elkaar op, totdat ik ze, uiteraard volkomen gedachteloos, zonder voorbeeld kon reproduceren. Als een aap zou kunnen schrijven, wat hij denk ik kan, zij het op een al even louter motorische manier, dan zou hij op dezelfde manier kunnen proberen niet te zakken voor het vak algebra.

Lag het nu aan mij of aan de leraars? Ik denk vooral aan mij. Ik had er de kop niet voor. Een paar dagen na het examen was ik alles grondig vergeten, ik heb nooit wiskundige kennis kunnen cumuleren. Hoogstens slaagde ik er in een ad-hockennisvoorraadje op te bouwen. Na het – met de hakken over de sloot voor de exacte vakken – succesrijk afronden van het laatste jaar van de humaniora heb ik nooit nog met algebra te maken gehad. De talloze uren die ik eraan had besteed koekten samen tot een nare herinnering.

Ik herinner mij echter ook dat ik één keer, op een dag, tijdens één welbepaald uur, iets, een snuifje, un soupçon de heb opgevangen van wat de betekenis van die enigmatische letter- en cijfercombinaties zou kunnen zijn – en dat dit besef gepaard ging met een vrij hevige esthetische sensatie. (Ik herinner mij dat er een bundel zonlicht door de hoge ramen ter linkerzijde van het lokaal naar binnen viel, ik zie de witte krijttekens op het groene bord.) Opeens vond ik dat een bewijs van een stelling, zoals het werd opgeschreven en uitgelegd door de wiskundeleraar die al het hele jaar tevergeefs had geprobeerd mijn enthousiasme op te wekken, en dat van vele anderen, mooi in elkaar stak. (Zoals je dat met de oplossing van een schaakprobleem kunt hebben, waarbij de stukken zich onverwacht en elegant naar de onafwendbare ontknoping schikken.)

En nu denk ik: omwille van die ene sensatie, die mij ooit is te beurt gevallen, mag voor mij het vak algebra blijven bestaan, kan ik een vorm van sympathie opbrengen voor al wie zich ermee bezighoudt.

6517

Brugge, Patentestraat - 220614

 

zaterdag 9 juli 2022

David Grossman, Jij bent mijn mes

notitie 238

MESSCHERP

Geen gemakkelijke auteur, die David Grossman. Zie: liefde vond ik indertijd een hele klus – en dat kan ik ook zeggen van Jij bent mijn mes. Deze roman lijkt een puzzel waarvan de stukken niet meteen als stuk herkenbaar zijn. Daardoor heb je niet altijd door wat je moet onthouden om twee- of driehonderd bladzijden verderop alles in elkaar te kunnen passen.

Om eerlijk te zijn: ik heb Jij bent mijn mes maar half begrepen. Maar dat hoeft geen bezwaar te zijn, vind ik. Ik begrijp liever iets wat mij aanspreekt maar half dan een banaal verhaal te lezen dat meteen al zijn geheimen prijsgeeft. Wat is er mis met een boek dat je twee keer moet lezen? Muziek kun je toch ook vaak niet bij de eerste beluistering ten volle smaken? Jij bent mijn mes lijkt mij zo’n boek. (Al moet ik toch toegeven dat ik vind dat bepaalde schrijvers nu ook weer niet moeten toegeven aan de neiging om hun boeken té moeilijk of zelfs ronduit ontoegankelijk te maken. Grossman zit daar dicht tegenaan.)

Zijn titel heeft Grossman ontleend aan een van de brieven van Franz Kafka aan Milena: met het mes dat zij voor hem is denkt hij de waarheid in zichzelf te kunnen loswrikken. Een wrede gedachte, eigenlijk.

Jij bent mijn mes is dan ook een wreed boek. Kort samengevat komt het hierop neer: Jaïr schrijft Mirjam aan nadat hij haar zag op een feestje. Hij kent haar niet, zoals ook zij hem niet kent. Hij stelt haar een experiment voor. In een correspondentie wil hij tot de diepste waarheid komen over zichzelf en over de liefde. Mirjam gaat op zijn voorstel in. De premisse lijkt te zijn: het werkelijke leven leidt te veel af en verhindert mensen om tot hun diepste kern door te dringen.

Natuurlijk is dit experiment onrealistisch. Zulke dingen gebeuren niet. Vrouwen die op die manier zouden worden aangesproken, zullen nooit op een dergelijk aanbod ingaan. Mannen ook niet, trouwens. Grossman lijkt het te willen hebben over iets wat niet mogelijk is. Maar daar dient literatuur net voor. Wie al meteen blijft haperen aan de waarschijnlijkheidsvraag, begint beter niet aan dit boek.

Grossman laat ons enkel Jaïrs brieven lezen, niet die van Mirjam. Maar we vernemen onrechtstreeks wel veel over wat zij schrijft. Er ontstaat een erotische spanning. Deze voert naar een climax. Je zou kunnen stellen dat de fantasie ontspoort. Natuurlijk stelt de werkelijkheid haar eisen. Beide correspondenten zijn getrouwd en hebben een eigen leven, dat niet bepaald over rozen loopt. Mirjam bijvoorbeeld heeft een ernstig ziek zoontje dat heel veel zorg vergt. Daarover vernemen we veel in het tweede deel van het boek. Daar laat Grossman ons meelezen in het dagboek van Mirjam, dat aanvangt na het aflopen van de correspondentie.

In hoeverre kan er liefde ontstaan ten aanzien van iemand wiens persoonlijk leven je niet kent, ‘die je niet eens van gezicht kent’ (23)? Ik welke mate kan een geschreven relatie een surrogaat zijn voor iemand die ‘niet [kan] geloven in een natuurlijk, openlijk, gewoon contact tussen twee mensen’ (32)? In welke mate kun je van je partner verlangen dat hij je privacy respecteert en aanvaardt dat je nog een eigen gevoelsleven hebt? Wanneer Mirjams man Amos ziet dat ze in haar dagboek schrijft, vraagt hij haar daar niet over uit. Mirjam waardeert dat: ‘in mijn ogen is dit juist liefde’ (287). In welke mate moet je jaloezie en ontrouw aanvaarden? Mirjam schrijft dat ze het erger zou vinden dat haar man zou flirten dan dat hij op een ander echt verliefd zou worden: ‘als hij zo’n levend en dierbaar gevoel zou kennen, zou dat hem in mijn ogen alleen maar mooier maken’ (301). Is een absolute waarheid mogelijk, of zelfs wenselijk, binnen een relatie?

Dat zijn maar enkele – van de talrijke – vragen die Grossman oproept. In zijn antwoorden vernemen we veel over de (westerse, joodse, romantische) conventies van de liefde en het huwelijk – conventies die Jaïr achter zich wil laten, getuige zijn messcherpe definitie van het huwelijk: ‘een vreselijk langdurige, gruwelijk trage plechtigheid: de executie van een zeer geliefd persoon’ (172).

Jij bent mijn mes gaat ook over de relatie tussen mannelijkheid en vrouwelijkheid (in een en dezelfde persoon), en tussen de volwassene en het kind dat hij/zij ooit geweest is; over het hebben van (moeilijke) kinderen en de verantwoordelijkheden die dat met zich meebrengt; over de relatie tussen fantasie en werkelijkheid, en tussen woorden en aanrakingen; over het moeilijke huwelijk tussen liefde en seks; over het liefhebben van meer dan één persoon en over het vermogen om andermans pijn te voelen of zelfs maar om iemand anders te kennen. In die zin snijdt wat Mirjam in haar dagboek schrijft hout: ‘iemand iets over zichzelf vertellen wat hij nog niet weet – dat is in mijn ogen een groot liefdescadeau, het allergrootste’ (258).

Mirjam geeft ook het antwoord op de vraag of het experiment van Jaïr, waaraan zij heeft meegewerkt, zinvol is: ‘Je kunt iemand met woorden alleen niet genezen. Ziek maken, dat wel. Dat is blijkbaar niet bepaald moeilijk. Maar troosten? Tot leven brengen? Daarvoor moet je op een gegeven moment ogen voor je zien, lippen voelen, handen, dat hele lijf (…).’ (277)

 

David Grossman, Jij bent mijn mes (2000; vertaling door Shulamith Bamberger van shett’i ha-sakin (1998))