dinsdag 7 mei 2013

facebookbericht 377


'Affectie'? 'Graad van affectie'? 'Een bepaalde graad van affectie?' Ach, Mia, het is projectie. Wishful thinking. Tuurlijk dat zo'n kat die met de staart omhoog tegen je onderbeen aanschurkt prettig aanvoelt. Maar is dat affectie? En ronken dat ze doen als je ze in de nek aait. Maar is dat affectie? Ik weet het niet. Er worden in naam van die affectie vele crimes tegen de natuur begaan, hoor! En dat katten moordenaars zijn, behalve als je ze met een ecologische voetafdruk van hier tot ginder met vleesbrokken lamlegt, dat moet je maar eens weerleggen.

facebookbericht 376


We moeten leren dieren niet met menselijke categorieën te benaderen. Enfin, we moeten dat zelfs niet leren. Het is namelijk zeer menselijk dieren met menselijke categorieën te benaderen. Maar laat ons minstens beseffen dat we het doen. Wij kunnen van dieren houden (en dat doe ik zelf ook), maar is er één dier dat van mensen kan houden (wat wij vaak geneigd zijn te denken)?

facebookbericht 375

Vreemd. Ik peiger me hier heelder dagen af met inhoudelijk kwalitatief spul en geen haan die ernaar kraait. Of nauwelijks. Een enkele keer dat het over de N-VA ging niet te na gesproken, maar dat onderwerp ben ik intussen kotsebeu. En nu post ik één keer iets over een schattig dier, een bultrug nota bene, en ik oogst meteen meer dan twintig vind-ik-leuk's. Vreemd.

los ingeslagen 90


6 maart 2013

Ik ging er voor het eerst toen mijn kinderen nog heel klein waren, en ik ben er sedertdien altijd blijven gaan. Niet altijd even regelmatig maar toch. Hij moet ons meerdere fietsen hebben verkocht, tweedehandse én nieuwe. Nu was het al een tijd geleden. Ik kwam er met mijn racefiets: de remmen moesten aangespannen, de hele mechaniek opnieuw soepel gemaakt, en ik wilde een nieuwe snelheidsmeter (kilometriek).

Walter Wanneyn was tot een jaar of tien geleden zaakvoerder van een middelgrote fietsenmakerij, gevestigd in een door een poortgebouw te bereiken hangar achter een herenhuis aan de Damse Vaart. Het was toen al een gouden tijd voor fietsmechaniciens en -verkopers: er zijn er steeds minder, terwijl er alsmaar meer fietsen zijn – en steeds meer mensen ook die zich niet verwaardigen zelf goed voor die fietsen te zorgen. Walter Wanneyn nam steevast te veel werk aan, probeerde zijn aflevertermijn altijd ergens diep in de week af te spreken, en moest de voortdurende aanwezigheid van zijn wantrouwige vrouw in het atelier dulden. Laten wij haar Wanda noemen. Zoveel was duidelijk: Walter Wanneyn stond in voor de techniek, Wanda voor de centen. Haar bazigheid en norsheid staken schril af tegen de toegeeflijkheid van haar echtgenoot, die in een onbewaakt moment al eens vriendelijk durfde te zijn en een extra kost door de vingers zien. Maar we mochten het zeker niet aan Wanda zeggen.

En nu zit Walter Wanneyn dus in een drie keer zo groot en alweer te klein geworden pand aan de Koolkerkse Steenweg, een kmo-bedrijfsdoos die bulkt van de Bianchi’s en de Koga’s.

Koga? Verdorie, ik wist niet dat Walter Wanneyn in dat prestigieuze merk handelde. En dat zei ik hem ook nadat ik het reclamepaneel had opgemerkt waaruit ik kon afleiden dat ik de Koga die ik anderhalf jaar geleden in Oostburg had gekocht net zo goed hier had kunnen kopen: ‘Had ik dat  geweten.’ ‘Had ik wát geweten?’ mummelde Walter Wanneyn. ‘Wel, dat u Koga’s verkoopt. Ik heb er net elders een gekocht.’ Walter Wanneyn moest weten waar. ‘In Oostburg,’ antwoordde ik naar waarheid. En ik noemde de naam van de concurrent – want dat het een concurrent was, was duidelijk: de fietsenmakerijbusiness van Walter Wanneyn had grensoverschrijdende allures aangenomen. Ik begon al onraad te ruiken. Toch probeerde ik nog: ‘Ik wou u net vragen of u, na deze racefiets, ook mijn Koga-trekkingfiets onder handen wou nemen.’ Walter Wanneyns antwoord liet niet op zich wachten. ‘Dat gaan we niet doen.’ ’t Was niet echt duidelijk gearticuleerd, maar ik begreep hem toch. En ik had wel degelijk een pluralis majestatis gehoord. ‘Dat meent u niet,’ drong ik nog aan. ‘Weet u hoeveel fietsen ik in al die jaren bij u heb gekocht?’ ‘Dat weet ik niet, maar het onderhoud van uw Koga gaan we niet doen.’

Daarmee zou de kous af zijn geweest, ware het niet dat zoonlief Wanneyn – zou hij Wouter heten, of Wilfried?, ik weet het niet – ook geen opening liet. Blijkbaar is zoonlief Wanneyn volop bezig met het overnemen van de zaken van zijn stilaan bejaarde pa. Zonder dat hem ook maar iets was gevraagd, klonk het ijzingwekkend assertief: ‘Wij onderhouden geen fietsen die niet hier zijn gekocht.’

Het is eenvoudig de wet van vraag en aanbod. Klanten van Walter Wanneyn moeten weten dat het niet minder dan een voorrecht is te worden bediend door een fietsenmaker die veel te veel werk heeft.

Wanneer ik ’s avonds op de fietsenmaker afstap om mijn racefiets op te halen, neem ik mij voor eens flink uit de sloffen te schieten maar Wanneyn senior heeft dat voelen aankomen en draagt een van zijn inmiddels wel drie leerjongens op om mijn zaakje af te handelen. Zelf kruipt hij laf weg in de diepste diepten van zijn werkplaats, zodat ik hem niet naar het hoofd kan slingeren dat hij mij voor de laatste keer heeft gezien.

Dat kan ik dus niet zeggen, en daarom zeg ik het hier: ga niet naar Fietsen Wanneyn aan de Koolkerkse Steenweg op Sint-Jozef!

reactie


Je praat uit mijn ziel omdat de mens op zoek is naar solidar-gemeenschappen. De mens will van het gebruik binnen de solidar-gemeenschap profiteeren maar geen prestaties voor de gemeenschap leveren. De mens kijkt eerst op hun individueel gebruik voor zich zelf maar niet op het gebruik van de solidar-gemeenschap. Familie en kerk – dit zijn mogelijke solidar-gemeenschappen. De mensen gaan uit elkaar maar niet samen.

3223

Brugge, Stationsplein - 130110

maandag 6 mei 2013

13 in z/w 115

Brussel, Centraal Station

13 in z/w 114

Sint-Michiels, Psychiatrisch Ziekenhuis O.L.V.

geen verloren tijd 56


I:473-480

Marcel vraagt nu of ook Bergotte aanwezig was op het diner bij Mme Swann. De schrijver was er inderdaad, bevestigt Norpois, die overigens Marcels enthousiasme ten aanzien van Bergottes werk niet deelt: het is slap, structuurloos en politiek irrelevant. Bergotte verliest zich, aldus Norpois, in discussions oiseuses et byzantines sur des mérites de pure forme (473:27-28), en dat terwijl er un double flot de Barbares het land bedreigt, ceux du dehors et ceux du dedans (473:29-30) – wellicht worden hier de Duitsers en de proletariërs bedoeld. Er zijn in deze tijden des tâches plus urgentes que d’agencer des mots d’une façon harmonieuse (473:32-34). Het lijkt wel of Proust hier, uiteraard ironisch, tegen zichzelf fulmineert.

Natuurlijk verraadt, aldus opnieuw Norpois, het prozagedicht dat Marcel hem liet lezen de slechte invloed van de mineure dichter. Marcels gedicht is niet meer dan een jeugdzonde. Het bezondigt zich aan hetzelfde esthetiserende formalisme dat ook Bergottes werk kenmerkt, zonder zich om de inhoud te bekommeren. Een ding moet je Bergotte wel nageven, en dat is dat hij het flaubertiaanse dictaat navolgt: qu’on ne doit connaître les écrivains que par leurs livres (474:24-25). Bergotte is een warhoofd, een zich van wartaal bedienende, gekunstelde niemendal.

Marcel is behoorlijk ontmoedigd door deze vernietigende kritiek. De markies heeft hem in één klap teruggedrongen van een vermeende genialiteit ‘tot binnen de nauwe grenzen van de middelmatigheid’. Zich tot de vader richtend, vertelt hij vervolgens nog een smeuïge anekdote: hij heeft ooit, toen hij ambassadeur was in Wenen, Bergotte niet toegelaten tot een receptie omdat de schrijver in het gezelschap was van een vrouw die niet de zijne was. Ik wil wel breeddenkend zijn, aldus nog de diplomaat, maar er is un degré d’ignomie (onfatsoenlijkheid) dont je saurais m’accommoder (475:35-36), te meer omdat Bergotte in zijn boeken voortdurend de moraalridder uithangt – waardoor men hem dus helemaal niet in zijn boeken kan leren kennen, waarmee meteen ook het Flaubert-citaat op ironische – om niet te zeggen cynische – wijze de nek is omgedraaid.

Marcel vraagt de markies nog vlug of Gilberte ook op het diner was. Dat blijkt zo te zijn geweest, maar ze was er snel verdwenen. Naar bed of naar een vriendin – dat weet de markies niet. (Merk de allusie op lesbische liefde!) Marcel geeft toe dat hij Gilberte aardig vindt. Norpois stelt – si je peux dire cela sans blesser en vous un sentiment trop vif (476:28-29) – Mme Swann toch te verkiezen. Waarop Marcel, nogal karakterloos, toegeeft ook haar te bewonderen. Norpois belooft Marcel moeder en dochter Swann op de hoogte te zullen brengen van deze bewondering. Marcel is op slag in de zevende hemel: bij zijn liefdesobject te zullen worden aangeprezen door een zo belangrijk man, dat kan niet anders dan zijn kansen op een ontmoeting aanzienlijk te verhogen! En hij weerstaat ternauwernood aan de neiging om de handen van de markies te kussen. Hij kan zichzelf daarvan nog net weerhouden – en hij gaat ervan uit dat niemand zijn aanvechting heeft opgemerkt.

Hier volgt een uitweiding over hoe moeilijk het is om de impact van de eigen handelingen en woorden op anderen precies in te schatten. Sommige schijnbaar onbelangrijke woorden en gebaren, waarvan wij denken dat ze zeer vluchtig zijn, kunnen bij die anderen lange tijd blijven haken. Vele jaren later zal Marcel tot zijn schande moeten ervaren dat de markies het zich nog precies herinnert dat de nog jonge Marcel hem ooit bijna de handen heeft willen kussen. Dit voorval opent Marcel de ogen voor de proportions inattendues de distraction et de présence d’esprit, de mémoire et d’oubli dont est fait l’esprit humain (478:21-23): de arbitrariteit van het geheugen – en deze passage is het noteren waard omdat we nog eens raken aan de corebusiness van de Recherche: de werking van het geheugen en de mate waarin hierdoor het verleden ontoegankelijk wordt (of juist toegankelijk blijft, zij het vervormd).

In zijn onderdanigheid haast Marcel zich nog te zeggen aan de markies dat hij Mme Swann niet persoonlijk kent, dat hij nog nooit aan haar is voorgesteld – en meteen beseft hij dat dat nu net ongeveer het enige is dat hij niet had moeten zeggen tot de markies: hij ziet diens blik verstrakken, wat hem doet vermoeden dat Norpois het zich al beklaagt dat hij heeft beloofd de Swanns in te lichten over Marcels bewondering voor hen. De status van Mme Swann is zo laag dat het hem wel moet tegenstaan de groeten over te brengen van een persoon die haar nog zo oneindig hoog boven zich lijkt in te schatten. Et je compris que cette commission, il ne la ferait jamais (479:32-33), beseft Marcel.

Exit de markies de Norpois.

3222

130112

zondag 5 mei 2013

schrikkel 365a


‘St Michaels Church. Making a family out of strangers’. We rijden hieraan voorbij, gezeten (omwille van het ongewone perspectief) op het bovendek van een bus. Het banier trekt mijn aandacht. De boodschap lijkt een omgekeerde missioneringsgedachte in te houden. Dit zal niet lukken, denk ik – hetgeen de twee passanten meteen ook lijken uit te beelden. De slogan denkt evengoed als de Kerk die tot pakweg een halve eeuw geleden haar missionarissen uitstuurde nog voluit in wij en zij – terwijl het volstaat om vijf minuten in deze stad, Londen, rond te lopen om tot in de diepste vezel doordrongen te zijn van het feit dat hier ofwel iedereen, ofwel niemand, stranger is. De familieverwantschap zal precies in, niet buiten dat vreemd-zijn moeten gezocht worden; hij zal dat vreemd-zijn nooit meer kunnen opheffen.

geen verloren tijd 55


I:465-473

En dan gaat het over Mme Swann: Norpois zegt de avond tevoren bij haar te hebben gedineerd. Er waren nog andere getrouwde, maar niet door hun echtgenotes vergezelde, mannen, meldt hij subtiel maar zwaar ironisch. En er waren ook vrouwen. Maar ja, echt gewone vrouwen waren dat toch ook niet bepaald.

Proust wijst hier uitdrukkelijk op de dubbelheid die in deze kringen vele boodschappen kenmerkt, een dubbelheid die niet de verhulling tot doel heeft maar integendeel de versterking van datgene wat in een ‘normale’ context onuitgesproken zou moeten blijven: de markies spreekt avec une finesse voilée de bonhomie et en jetant autour de lui des regards dont la douceur et la discrétion faisaient mine de tempérer et exagéraient habilement la malice (465:28-31).

De markies de Norpois vertelt over de Swanns, hoe ze toch erg snobistisch uitpakken met alle uitnodigingen die ze krijgen. ‘Nous n’avons pas un soir de libre’, zou Swann hebben gezegd, comme si ç’avait été un gloire, et en véritable parvenu (465:43-466:2). Het is duidelijk: Swann doet er alles aan om het statusverlies – Il doit pourtant se trouver dépaysé; évidemment ce n’est plus le même monde. (466:37-38) – dat hij zich door zijn huwelijk met Odette op de hals heeft gehaald, ongedaan te maken door te proberen bij iedereen op een goed blaadje te staan. En hij is blijkbaar bereid om te rekruteren in een laag onder deze waarin hij vóór zijn huwelijk met Odette een plaats innam. Zij heeft het hem nochtans niet gemakkelijk gemaakt: voor hun huwelijk aarzelde zij niet hem te beletten hun dochter te zien. Uiteindelijk bereikte ze haar doel en stemde hij, die nochtans een … (vous savez le mot de Molière) (467:10) is, in met een huwelijk. Iedereen dacht dat het hek dan pas goed van de dam zou zijn, maar het omgekeerde was waar: Odette, nu Mme Swann, begon zich nu ineens poeslief te gedragen – in die mate dat Swann zelfs overal begon te verkondigen dat Odette een voorbeeldige echtgenote was: elle paraît devenue d’une douceur d’ange (467:22-23). Nog wat wispelturig, dat wel, maar zeker niet wispelturiger dan Swann zelf.

Velen verbazen zich over het huwelijk van Swann met Odette, maar dat komt omdat zij zich een verkeerde voorstelling van de liefde maken. Ze begrijpen niets van het caractère purement subjectif du phénomène qu’est l’amour (468:22-23). Wie liefheeft, creëert een fictief personage, dat dezelfde naam als de geliefde draagt maar dat van die persoon te onderscheiden valt en dat eigenlijk grotendeels bestaat uit elementen die de liefhebber uit zichzelf betrekt: liefde is een in hoge mate narcistische projectie. In die zin is het nog verwonderlijk dat Odette zoveel van Swann blijkt te weten: ze kent de titels van zijn geschriften en le nom de Ver Meer lui était aussi familier que celui de son couturier (468:33-35). Toch weet Odette meer van Swanns karakter dan van zijn geschriften, en ze wenste dat in die geschriften meer van dat karakter zou kunnen teruggevonden worden. Dat zou het succes kunnen verhogen dat Swann met die geschriften zou behalen, en dat zou haar dan weer de gelegenheid kunnen bieden om een salon te houden – hetgeen haar vurigste wens is.

Twintig  jaar geleden zou Swann zelf aanstoot hebben genomen aan het huwelijk dat hij nu met de cocotte Odette heeft gesloten. Toen koesterde hij nog de hoop op un éclatant mariage qui eût achevé, en consolidant sa situation, de faire de lui un des hommes les plus en vue de Paris (469:28-30). Dat zou volkomen conventioneel zijn geweest. Maar zijn de huwelijken die tegen de conventie ingaan niet moreel hoogstaander? Het moet wel echt liefde zijn, als je alle maatschappelijke voordelen ervoor veil hebt? En zo is het met Swann gegaan. Door buiten zijn stand te trouwen, is hij un de ces croisements d’espèces comme en pratiquent les mendelistes ou comme en raconte la mythologie (470:15-17) aangegaan – de achterliggende idee die deze verwijzing naar Mendel stuurt, is dat sociale klassen evenveel van elkaar verschillen als soorten in het dierenrijk.

Er is één persoon wier oordeel Swann belangrijk vindt: de Duchesse de Guermantes, die vóór de dood van haar schoonvader Princesse des Laumes was. Maar – en hier loopt Proust vooruit op de gebeurtenissen – hij zal het bij leven niet meer meemaken samen met Odette en Gilberte door de Duchesse de Guermantes te worden ontvangen. Wat erg is – maar misschien zou het minder erg zijn als hij zou weten dat diezelfde Duchesse de Guermantes na Swanns dood een nauwe relatie met Odette en Gilberte zal onderhouden. Het is vaak zo dat we iets te hard verlangen, zodat het zich niet kan verwezenlijken, of dan toch pas als het verlangen, door de dood, is weggevallen – wat dan aanleiding geeft tot un bonheur après décès (471:23-24).

Marcel, die vreest dat het gesprek over Swann stilaan afgerond wordt, vraagt naar de vriendschap tussen Swann en de Comte de Paris. Is hun vriendschap nog mogelijk, nu Swann met Odette getrouwd is? De markies geeft er geen duidelijk antwoord op. De indruk die Odette maakte op de Comte de Paris, naar aanleiding van een toevallige ontmoeting dans une petite gare de chemins de fer d’un des pays de l’Europe Centrale (471:42-472:1) (dichter bij Parijs zou onwelvoeglijk zijn geweest), was zeker niet negatief. En, vraagt Marcels moeder par politesse et par curiosité (472:22-23), wat was uw indruk van Mme Swann? Norpois laat er geen twijfel over bestaan, die indruk was (t)out à fait excellente! (472:26)

3221

F. - 130112

zaterdag 4 mei 2013

niet opgenomen 10


3220

Bottelare - 130112

vrijdag 3 mei 2013

13 in z/w 113

Brugge, Smedenpoort

13 in z/w 112

Brugge, Gieterijstraat

schrikkel 364b


Ik heb de job aanvaard omdat ik even niets anders had waarmee ik, zonder er al te veel moeite voor te moeten doen, in mijn basisbehoeften kan voorzien. Niet dat het goed betaalt om, in dienst van het Tourism Office, de punkbeweging levendig te houden in het Londense straatbeeld, maar ’t is toch ook niet niets. Alle Bollocks nog aan toe!, een mens moet zijn gas betalen, en zijn huur, en af een toe een rondje lager in de pub voor de overlevende vrienden van weleer, en eens om de maand of twee (de frequentie neemt af) de nieuwe cd van een van de toenmalige coryfeeën die nog weet mee te draaien in die door al dat kopiëren en downloaden besodemieterde platenbusiness. (Voor hun optredens ben ik te oud geworden – er is een nieuwe generatie publiek voor en onlangs mocht ik niet binnen in zo’n ondergronds kelderzaaltje, zogezegd omdat er geen plaats meer was maar ik weet wel beter: ik zou met mijn gegroefde kop het jonge geweld kunnen afschrikken.) Ja, nu struin ik dus de straten af, ten einde het Londens punkcachet – sluitspelden, Schotse ruit, army boots en hanenkamkapsel – levendig te houden. Ik heb gelukkig het uitdijen weten te beperken, zo kan ik nog in m’n Casualties-jasje – ik herinner me als de dag van gisteren wat een klus het was er al die spijkers doorheen te jagen! Hanenkamkapsel…? Nuja, dat is er helaas niet meer bij. Het goedje dat we er in de jaren tachtig elke dag inwreven, heeft zijn werk gedaan, blijkbaar. Ik zei toen al dat het geen gezond spul was maar ja, daar haalden wij onze neus voor op. God Shave The Queen!

geen verloren tijd 54


I:451-465

Marcel wordt door zijn vader aan de markies de Norpois voorgesteld. Norpois treedt Marcel als een diplomaat tegemoet, zoals hij tijdens zijn buitenslandse missies al die belangrijke personen is tegemoet getreden: avec une curiosité sagace et pour son profit (452:6-7), op een niet geheel onzakelijke wijze nieuwsgierig. De markies informeert naar Marcels liefhebberijen en voorkeuren. Het gesprek is voor Marcel bevrijdend, ware het niet dat de markies over literatuur spreekt (want dat is het waar het in de liefhebberijen en voorkeuren bij Marcel om gaat) op een manier die meteen duidelijk maakt dat voor hem de Littérature (452:27; met hoofdletter) heel erg verschilt van het beeld dat Marcel er zich van heeft gevormd. De aanbeveling om toch maar te schrijven, komt dan ook als een verrassing. De markies geeft Marcel een kaartje van de zoon van een van zijn vrienden, een man die al aan de weg van de Littérature heeft getimmerd met een werkje over het sentiment de l’Infini (453:24) bij een Afrikaanse stam en eentje, moins important, mais conduit d’une plume alerte, parfois même acérée (453:26-27), over het repeteergeweer in het Bulgaarse leger! De opwinding die dit bij Marcel teweegbrengt, had niet groter geweest indien men hem gezegd dat hij de volgende ochtend zou moeten vertrekken als scheepsjongen op een zeilboot!

De markies de Norpois adviseert Marcels vader hoe hij het best het legaat van tante Léonie (dat voor Marcel is bestemd maar dat Marcels vader tot Marcels meerderjarigheid moet beheren) belegt. Marcel ziet de waardepapieren en het treft hem dat ze door dezelfde kunstenaars en bijgevolg ook in dezelfde stijl zijn geïllustreerd als de dichtbundels waarvan hij houdt: rien ne fait mieux penser à certaines livraisons de Notre-Dame de Paris et d’oeuvres de Gérard de Nerval (…) que (…) une action nominative de la Compagnie des Eaux (455:9-15).

Op vraag van zijn vader laat Marcel de markies een prozagedicht zien que j’avais fait autrefois à Combray en revenant d’une promenade (455:20-21). Maar Norpois geeft het hem terug zonder er commentaar op te leveren. De markies domineert met flegma het gesprek. En dat is niet anders wanneer hij Marcel vraagt naar de indrukken die hij heeft meegebracht uit de schouwburg. Marcel kan zijn tijdens de matinee opgelopen teleurstelling niet verbergen, maar hij hoopt, door daaraan uiting te geven, van Norpois te vernemen wat hij mogelijk over het hoofd heeft gezien. Norpois wijst een paar eenvoudige zaken aan – Berma’s verstandige rolkeuze, haar stem, de eenvoud van haar kostuums – en dat is voor Marcel al voldoende om zijn gevoel van teleurstelling weg te werken. Proust wijst hier zeer nadrukkelijk naar de sociale dimensie van het esthetisch oordeel: Marcel blijkt zeer gevoelig voor het gezagsargument – het zij hem vergeven, hij is nog te jong om tot een zelfstandig oordeel te komen.

Er wordt opgediend. Françoise heeft zichzelf met haar boeuf à la gelée overtroffen en bereikt nog eens sa manière incomparable de Combray (458:24). Norpois doet de gerechten eer aan en leidt de conversatie met allerlei nogal obligate anekdotes. Met het dessert, la salade d’ananas et de truffes (459:18-19), is hij minder opgezet – maar het is dan ook een waanzinnige combinatie. In de conversatie komt hij nu op zijn pièce de résistance: zijn recente ontmoeting met koning Theodosius en diens recente speech, die, zo voegt hij er speciaal ter attentie van Marcel aan toe, grote literaire kwaliteiten had en die een toenadering tussen zijn land en Frankrijk tot gevolg had. Norpois heeft het ook over zijn vriend-diplomaat Monsieur de Vaugoubert, die opgezet lijkt met een nakende overplaatsing naar Rome. Vaugoubert heeft daarbij handig de aanvallen van de pers gepareerd, wat Norpois op de uitdrukking ‘Les chiens aboient, la caravane passe’ (461:40-41) brengt. Proust wijst in een kort terzijde op het modieuze en tijdelijke karakter van dit soort uitdrukkingen – clichématige uitdrukkingen ten andere die Norpois ook in zijn artikelen voor de Revue bezigt en die hem naar verluidt de toegang tot de Académie des Sciences morales had opgeleverd. Theodosius is verguld met de door Vaugoubert geschreven toespraak die leidde tot de toenadering en waarin het woord ‘affiniteit’ zeer raak gekozen was.

Het tafelgesprek deint heen en weer. Even gaat het nog over de vakantieplannen: Marcels moeder geeft te kennen dat ze met Marcel naar Balbec denkt te zullen afreizen omdat Marcel graag eens de Romaanse kerk aldaar zou bekijken. Norpois schat de kwaliteiten van de gotische bouwkunst hoger in.

reactie


Dat is niet goed voor het verwerven van schrijversroem, maar het voordeel is alvast wel dat er geleefd werd – en dat kunnen niet alleschrijvers zeggen...

Net of het een of/of verhaal is.
Er zijn schrijvers die eerst leven
en zich een tweede leven schrijven.

You only live twice.

En wat met de 99% 'niet-schrijvers' van de wereldbevolking, hebben die wèl geleefd?
Omdat ze géén boek schreven?

Zou uw logica onderhevig zijn aan troost?
(Een zachte vorm van zelfbedrog).

3219 / mirage 68


donderdag 2 mei 2013

13 in z/w 111 / mirage 67

Zedelgem

3218

Koksijde - 121226

geen verloren tijd 53


I:438-451

Marcel herinnert zich het eerste diner dat de markies de Norpois bij hem thuis aanzat: het was in de tijd dat hij nog met Gilberte op de Champs-Elysées speelde, en hij herinnert zich de dag zeer goed want het was de dag dat hij eindelijk de actrice Berma Phèdre had zien vertolken. Marcel realiseerde zich tijdens het diner ook voor het eerst heel duidelijk combien les sentiments éveillés en moi par tout ce qui concernait Gilberte Swann et ses parents différaient de ceux que cette même famille faisait éprouver à n’importe quelle autre personne (438:40-43).

Het is op aanraden van Norpois dat Marcels vader, hoewel hij het tot dan toe altijd had geweigerd omdat hij het nutteloos vond, Marcel toestond om naar de toneelvoorstelling te gaan. En er is nog un point bien plus important (439:31-32) waarop Norpois ten gunste van Marcel ingrijpt. Marcels vader heeft Marcel altijd voorbestemd voor een carrière als diplomaat – wat Marcel niet ziet zitten omdat dan het gevaar bestaat dat hij als ambassadeur naar een hoofdstad wordt gestuurd waar Gilberte niet zou wonen. Maar de markies kan Marcels vader ervan overtuigen dat Marcel beter schrijver kan worden – ook al omdat hij niet zo hoog oploopt met diplomaten afkomstig uit de nieuwe standen: je kunt, comme écrivain, s’attirer autant de considération, exercer autant d’action et garder plus d’indépendance que dans les ambassades (440:2-5).

Marcels vader ziet meteen mogelijkheden voor zijn zoon. Hij suggereert hem een mooi stuk te schrijven, Norpois zal er dan wel voor zorgen dat het geplaatst wordt in de Revue des Deux Mondes. Maar Marcel kan natuurlijk niet maar op commando van één-twee-drie zo’n stuk schrijven. Hij troost zich met de gedachte dat hij nu spoedig Berma zal zien, en niet in een tweederangsstuk maar in het meesterwerk Phèdre. En zo hoort het ook: als je hevig verlangt om een topkunstenaar aan het werk te zien, of een meesterwerk te zien, dan moet dat in de best mogelijke omstandigheden gebeuren. Bovendien kun je de prestaties van een acteur maar echt beoordelen in een stuk dat je al kent omdat je enkel dan kunt zien wat de acteur aan het stuk toevoegt. Er komt echter nog tegenwerking: de dokter waarschuwt ervoor dat Marcel wel eens ziek zou kunnen worden van het bijwonen van het toneelstuk. Dat lijkt Marcel onzin: zelfs al werd hij er ziek van, dan nog moet hij vast en zeker naar het toneel kunnen gaan – het gaat hem er om kennis te kunnen nemen van des vérités appartenant à un monde plus réel que celui où je vivais (442:37-38), een wereld waarin zoiets onbenulligs als ziekte of fysiek ongemak van nul en generlei tel is. Daarom blijft hij aandringen bij zijn ouders. Maar wanneer hij dan uiteindelijk toch de toestemming krijgt, begint hij opnieuw te twijfelen. Zal hij zijn ouders geen verdriet doen? En zal hij, mocht hij dan toch ziek worden, zoals de dokter voorspelt, wel op tijd genezen zijn om opnieuw naar de Champs-Elysées te kunnen trekken om er Gilberte het hof te maken? De aanblik van een affiche voor de uitvoering van Phèdre met Berma doet Marcel uiteindelijk – door al zijn concreetheid – de knoop doorhakken: hij is er klaar voor.

Hélas! Cette première matinée fut une grande déception. (445:9-10) Toevallig valt de dag van de matinee samen met de dag waarop Marcels vader commissie heeft en de markies de Norpois uitnodigt om te komen eten – waardoor Françoise druk in de weer is met een bijzonder gerecht en met de inkopen daarvoor; door dit alles lijkt de gebeurtenis van Marcels matinee minder aandacht te zullen krijgen dan normaal gezien zou kunnen worden verwacht.

Alles wat aan de verschijning van Berma op het toneel voorafgaat – het wachten in het parkje voor het theater, het naar binnen gaan, het voorstuk, de pauze, de driedubbele tik die de zaal moet doen verstommen en de eerste scènes waarin Phèdre nog geen rol te spelen heeft – lijkt nog niet op een desillusie te wijzen. Maar wanneer dan uiteindelijk Berma verschijnt, ontgoochelt zij Marcel: tout mon plaisir avait cessé; j’avais beau tendre vers la Berma mes yeux, mes oreilles, mon esprit, pour ne pas laisser échapper une miette des raisons qu’elle me donnerait de l’admirer, je ne parvenais pas à en receuillir une seule (449:1-5). De gebeurtenissen op het toneel voltrekken zich voor Marcel te snel: hij zou willen stilstaan bij een gebaar of een woord, maar het is alweer voorbij. Hij vraagt zijn grootmoeder, die hem vergezelt, of hij haar toneelkijker mag gebruiken maar ook dit instrument brengt geen soelaas; het komt alleen maar als een bijkomend obstakel tussen de jonge waarnemer en de werkelijkheid te staan.

Pas wanneer de andere toehoorders applaudisseren, begint Marcel – toch een beetje conformistisch! – iets van appreciatie te gevoelen. Het komt hem voor dat het publiek op een onverklaarbare manier op het juiste moment juicht, en ook dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen zijn eigen hardnekkig applaudisseren en het nóg beter spelen van Berma: au fur et à mesure que j’applaudissais, il me semblait que la Berma avait mieux joué (450:42-43). Uiteindelijk heeft Marcel van het spektakel toch nog zo genoten, dat hij ternauwernood in staat is om cette vie de théâtre qui pendant quelques heures avait été la mienne (451:13-14) achter zich te laten – hij slaagt daar maar in doordat hij weet dat hem thuis de commentaren van de markies de Norpois wachten, de man aan wie hij de toelating om naar het theater te gaan te danken heeft.

woensdag 1 mei 2013

reactie


Ik voel die eenheid en saamhorigheid in Nederland niet, Pascal. Het is dezelfde schone schijn die jullie wellicht ervaren bij het voetbal. Vooral door de alcohol waarschijnlijk. Het werd gisteren ook zo vaak benadrukt, die saamhorigheid, dat het bijna een bezweringsformule leek. Ook Nederland heeft last van afnemende solidariteit, polarisering enz., misschien minder openlijk, misschien minder intens dan in België. Het is ook eigenaardig: toen Fortuyn en Van Gogh werden vermoord riep iedereen dat Nederland de weg kwijt was. Nu hebben we een nieuwe koning en zou het allemaal weer ok zijn hier? Ik denk het niet, al helpt het wel dat sinds de laatste verkiezingen de ketting van Wilders iets korter is.

reacties


Je durft oude categorieën uit de antieke doos te halen. Maar je hebt gelijk. Ik hou ook van die trits. Kun je veel mee benaderen.
Vale.

Patrick Lateur

*
 
Ik neem aan dat er wel mensen bestaan die geïnteresseerd zijn in je vragen. Je antwoorden zijn alvast erg mooi geformuleerd en geven mij nog meer zin om na te denken over het goede, het ware en het schone.

los ingeslagen 89


1 maart 2013

Stel dat het een uitgemaakte zaak zou zijn dat ik moet schrijven, waarover anders dan over mezelf zou ik dat moeten doen? Over wat ik met mijn leven doe, over de liefde die ik krijg en probeer te geven, over de dood die mij te wachten staat en die nu al aanwezig is in veel van wat mij omringt en bezighoudt. Over de hoop die ik koester en de wanhoop waaraan ik mij ten prooi weet. Ik kan alleen over mijzelf schrijven. Het verzinnen uit het niets staat me tegen. Geen probleem dus, dat ik niet kan verzinnen.

Maar is het een uitgemaakte zaak dat ik schrijven moet? Is het een keuze, een opdracht, een kwestie van tot niets anders in staat zijn?

Ik vraag het me af – maar ik ben tegelijk toch ook doordrongen van het besef dat ik er alles aan moet doen om diegenen die dit lezen niet weg te jagen. Ik moet hen niet afschrikken met een spervuur van vragen die ik aan mezelf stel. Daar hebben zij per slot van rekening  geen boodschap aan. Want ze kennen me niet – mensen zijn niet geïnteresseerd in vragen van onbekenden. Antwoorden, ja dat misschien wel. Als ze er hun voordeel mee kunnen doen. Zoniet moeten in elk geval de vragen mooi geformuleerd zijn. Dat is dus de kwestie. Niet of ik moet schrijven, maar dat ik het, als ik het doe, goed doe.

Anders kan ik het beter niet doen.

Met welke antwoorden op niet geformuleerde vragen zou mijn lezer, u dus, zijn voordeel kunnen doen? Ik zou kunnen zeggen: geloof dat uw leven zin heeft, om die en die reden; heb lief en sta open  voor de liefde die u krijgt en geniet ervan; wees niet bang voor de dood want zonder is er geen leven. Dat zou ik kunnen zeggen en een vermoeide grijns zou mijn deel zijn. ‘U vertelt niets nieuws.’ ‘Anders en beter.’ ‘Nog zo’n preker.’ U zou gelijk hebben. Maar wacht nog even want ik wil u vertellen over de kruidenierszaak van mijn ouders en mijn brief aan de koning, waarom romantische liefde een illusie is, hoe het is om de postume parkeerboete van je moeder niet te betalen.

U moet niet denken dat ik hierover niet voldoende nagedacht heb. Maar ik heb tot nu toe toch altijd de voorkeur gegeven aan het leven boven het schrijven. Nuja, dat is niet precies uitgedrukt – juister is het te zeggen dat het leven mij te veel in beslag heeft genomen. Het kwam er maar niet van – niet van het leven maar van het schrijven. Het oeuvre werd alsmaar uitgesteld en bleef potentieel. Dat is niet goed voor het verwerven van schrijversroem, maar het voordeel is alvast wel dat er geleefd werd – en dat kunnen niet alle schrijvers zeggen.

Schrijversroem? ‘De schrijver hoort geen roem na te streven.’ U hebt gelijk. Eerzucht is zowat de slechtst denkbare motivatie. Mijn motivatie is ondenkbaarder. Niet helemaal ondenkbaar, maar toch: moeilijk te denken, moeilijk te omschrijven, moeilijk uit te leggen. (Dat is allemaal min of meer hetzelfde.) Mijn motivatie heeft te maken met: schoonheid. Met: waarheid. En met – wie een elementaire notie van scholastiek heeft, raadt het al –: het goede. Bonum et verum et pulchrum convertuntur. Het staat heden ten dage chique om met Latijnse spreuken te zwaaien, maar dit is er toch eentje waar ik geloof aan hecht: het goede en het ware en het schone zijn… – neen, niet inwisselbaar, maar dan toch min of meer gelijkwaardig of met elkaar verweven. Het ware en het ethisch goede vallen niet samen maar zijn toch verwant aan elkaar, blijken zich dikwijls in elkaars vaarwater op te houden. Een goede daad is een mooie daad. De waarheid heeft vaak een esthetische kwaliteit – zelfs als ze haar lelijke gelaat toont omdat het ook waar is dat het slechte onvermijdelijk is en dat mensen altijd voor verbetering vatbaar zijn. Omdat het ook waar is dat er veel lelijke dingen zijn – de wereld, met daarin de mensen, heeft een ugly face.

Als ik schrijf – en ik doe het bij deze – moet de waarheid die ik betracht niet in een feitelijke overeenstemming met de werkelijkheid liggen, maar in de verwevenheid van het ware, het goede en het schone.

13 in z/w 110

Carrefour Christus-Koning

facebookbericht 374

@JWL

Dat iets emotioneel is, is tegenwoordig het nieuwsfeit. Niet wat dat 'iets' dan wel inhoudt. Overigens moet ik zeggen dat Beatrix bepaald stijlvol met haar emoties omging. En je hebt gelijk: precies dat ingehoudene was er het mooie aan. Schril contrast met die carnaval- en voetbaltoestanden een verdieping lager. Al moet het ons Belgen toch steken dat jullie er zoveel plezier aan beleven. Geestig was een toevallig door de VRT geïnterviewde antimonarchist: 'Ik kon het toch niet maken er *niet* bij te zijn.' Dat gevoel van eenheid en samenhorigheid missen wij hier heel erg. Enkel bij het voetballen steekt het nog eens de kop op. Voor het overige heersen verscheurdheid (tussen Frans- en Nederlandstaligen), gebrek aan solidariteit (tussen rijk en arm, en tussen autoch- en allochtoon) en polarisering (tussen de Vlamingen onderling: nationalistisch of niet). Ziedoor, in een notendop, de reactie van een Belg bij jullie 'oranjegekte' en de manier waarop het tot ons is gekomen. Ik wens je nog een uitstekende 1ste mei! Groeten uit Brugge.

3217

A. - 121226