woensdag 20 mei 2026

LVO 351

fragment uit Het maaiveld


Wat er precies gebeurd was en wat precies de aanleiding was geweest – we hebben het nooit geweten. Maar dát de tegenaanval georkestreerd was, zoveel was duidelijk want er deden zich tijdens de eerste week van het laatste jaar, de zogenaamde retorica, wel opvallend veel incidenten tegelijkertijd voor.

Onze klas was er met goede moed aan begonnen, aan dat laatste jaar. De sfeer was goed, er was een soort van evenwicht tot stand gekomen tussen de volgzamen en de wat roekelozeren, de minder aangepasten, de vrijbuiters. Al viel het nog allemaal heel erg binnen de rede. Ik werd herverkozen tot klasverantwoordelijke en leidde nu ook de Boemerang genaamde, met behulp van huisvlijt, vrijwillige inzet, stencils en nagellak vervaardigde schoolkrant. (De nagellak gebruikten we om op de waslaag van de stencil de onvermijdelijke tikfouten te verbeteren.) Samen met Bert vormde ik, zonder daarom al te dominant te zijn, een sfeerbepalend duo dat onze medeleerlingen van de zesde Latijn-wetenschappen en ook onze leerkrachten scherp hield. Ik was volop mijn schuchterheid aan het overwinnen. Ik voelde eigenlijk voor het eerst in mijn leven – mijn nog kinderlijke vriend- en kameraadschappen niet te na gesproken – dat ik iets voor anderen kon betekenen. Dat anderen iets in mij zagen. Dat ik gezien werd.

Ik ging in die periode dan ook graag naar school. De vriendschap met Bert en dat prille zelfvertrouwen compenseerden de akelige sfeer die heerste in mijn ouderlijk huis. In dat jaar viel het huwelijk van mijn ouders, waarvan de schijn al vele jaren hooggehouden was, definitief uiteen. Mijn vader was vaak afwezig, maar ik miste hem niet. Als hij dan toch thuis verbleef, heerste de stilte die er zo ook al was tussen mijn moeder en mij alleen maar nog nadrukkelijker omdat mijn ouders onderling ook al niet met elkaar spraken, en ik met mijn vader al helemaal niet. Ik deed er alles aan om te ontkomen ‘aan de stemming in mijn ouderlijk huis die steeds ondraaglijker werd, aan het zwijgen dat zich daar steeds meer uitbreidde’.(*) Elke andere plek was beter. De school was er een van. Daar wisten ze trouwens niets van wat mij thuis overkwam. Of ze wisten het wel, maar ze deden alsof ze het niet wisten.


(*) W.G. Sebald, De emigrés, 198; vertaling Ria van Hengel