dinsdag 5 mei 2026

LVO 346

fragment uit Het maaiveld

Aan het woord is een melancholische, oververmoeide, overgevoelige, defaitistische puber die zich uitverkoren waant en die een geluk nastreeft ‘dat slechts voor weinigen is weggelegd’ (26 oktober 1979). Hij lijdt aan contactarmoede (‘een van mijn grootste zwakheden’ (1 januari 1979)) en stevent stuurloos af op ‘de nakende levensbeslissende wendingen’ (id.). Hoewel, stevenen is hier niet het juiste werkwoord. Zwalpen zou een betere werkwoordkeuze zijn – en inderdaad, dat werkwoord komt ook wel eens voor in de notities. In diezelfde notitie van 1 januari 1979 maak ik een balans op. Nieuwjaarsdag leent zich daar wel toe. Het was een voor mij bijzonder treurige oudejaarsavond geweest. Ik had alleen door de Brugse straten gelopen, vruchteloos op zoek naar wat aanspraak. Gelukkig had het die dag gesneeuwd en lag de stad er winters koud bij – op die manier had ik mij dan toch kunnen warmen aan de geneugten van het pittoreske.



Gênant bij dat dagboek is dat ik mezelf het vermogen toedicht om alles zeer intens aan te voelen, en vooral dat ik de (schaarse) gebeurtenissen rondom mij die ik het vermelden waard acht bijna uitsluitend vanuit mijn eigen perspectief registreer. Nooit ofte nimmer treed ik ook maar een klein beetje buiten mezelf. Het is bijzonder egocentrisch allemaal. Ik lijk dat in die notities gelukkig nog wel te beseffen, maar bestrijd het mogelijke verwijt meteen: ‘De concentratie op het ik, soms ten onrechte egoïsme genoemd.’ (9 juli 1979) Tegenover deze hypersensitiviteit staan toch ook de opvallend vaak voorkomende vermeldingen van lethargie, vermoeidheid en apathie. ‘Nu voel ik me leeg, vermoeid. Ik voel eigenlijk niets. (…) Slechts weinig dringt echt tot me door.’ (28 augustus 1979)