Rechts een alleenstaande rij naargeestige huizen met vier kamers, donkerrood en beroet. Links een oneindige rij fabrieksschoorstenen, schoorsteen na schoorsteen, die vervaagt in een sombere, zwartige nevel. Achter me een spoordijk die gemaakt is van het afval van de hoogovens. Voor me, voorbij het braakland, een vierkant gebouw van groezelige rode en gele baksteen met het opschrift JOHN GROCOCK, TRANSPORTBEDRIJF.
Andere herinneringen aan Sheffield: zwart beroete stenen muren, een ondiepe rivier die geel ziet van de chemicaliën, kartelige vlammen uit de kappen van hoogovenschoorstenen, het bonken en krijsen van stoomhamers (het ijzer lijkt te krijsen onder de slagen), de geur van zwavel, gele klei, het moeizaam heen en weer schommelende achterwerk van vrouwen die hun kinderwagens tegen de heuvels op duwen.
George Orwell, Dagboeken 1931-1949, 77