![]() |
| Meetkerke |
vrijdag 8 februari 2013
facebookbericht 368 / antireclame 7
Heel juist, natuurlijk. Wel verrassend het in deze hoek te horen. Zolang niets of niemand de lijnen tussen fictie en realiteit opnieuw kalkt, zal de leugen zegevieren. Ik weet dat dit zwaar klinkt, het zij dan maar zo. Iemand moet eens een geleerde studie wijden aan het verband tussen commercialisering en (per definitie leugenachtige) publiciteit enerzijds en het verdwijnen van een eenduidig waarheidsbegrip en bijgevolg de opkomst van een veralgemeend scepticisme en wantrouwen anderzijds. Een goed klimaat voor lieden die de democratie niet hoog in het vaandel voeren.
los ingeslagen 73
1 januari 2013
Rond een uur of zeven ben ik wakker. Ik lees, gezeten op de
trap tussen de keuken en het gangetje naar onze slaapkamer, enkele bladzijden
Mann. Ik kruip nog eens terug in bed en we slapen tot tien uur. Bij de buren
speelt iemand (akoestische) gitaar en joelt een klein kind.
Bij het ontbijt staat BBC3 op. De vertrouwde klanken van het
onvermijdelijke Nieuwjaarsconcert in Wenen bereiken ons. Nu nog Garmisch-Partenkirchen!
We laten de toast verbranden in de oven en er is bijgevolg nogal wat
schraapwerk aan.
T. spreekt af met haar vriendin F. in wier huis in Haywards
Heath we een jaar of drie geleden – T/H was er toen ook bij – een paar nachten
hebben verbleven. F. komt vanavond. Ik stel voor om spaghetti te maken, liever
dan nog maar eens op restaurant te gaan.
Met de bus – ‘twenty-four to Limpico’, herhaalt de intercom
voortdurend – tot Trafalgar Square. Daar is er opnieuw een toeloop, dit keer
niet voor het vuurwerk maar voor de New Year’s Parade. We blijven meer dan een
uur kijken naar de voorbijtrekkende fanfares, open wagens met beauty queens, olijke en nogal
carnavalachtige groepen, dansers, cheer
girls, uitbeelders van beroemde verhalen zoals Star Wars en Alice in
Wonderland, enzovoort. Wanneer een kerstman passeert, schampert een man
naast mij: ‘You’re a little too late!’ Een groep Boliviaanse dansers ontroert
me op de een of andere manier – misschien omdat ze in dit prestigieuze hart van
de voormalige wereldmacht iets van hun indiaanse authenticiteit weten over te
brengen. Ook een fanfare met enkel zwarte mensen uit een Londense voorstad, vertegenwoordigers
van een sektarische christenkerk, raakt bij mij een gevoelige snaar: deze
groep, in groen-gele uniformen gestoken, onderscheidt zich met zijn ernst en
concentratie van veel van de andere, vaak wat slordige, voorstedelijke
gezelschappen – zonder daarom het swingen te laten. Mooi is ook een groep met
kleurige ballonnen en vliegers. Ik neem heel wat foto’s.
We drinken thee in Bill’s Hampers, een degelijk en mooi
ingericht etablissement. Ik neem er een overheerlijke passion cake bij; dat doet me denken aan Rod Stewart, die gisteren
al eens ter sprake kwam, ik denk naar aanleiding van een publiciteit voor een
van zijn croonerplaten. Inkopen voor de spaghetti doen we in het warenhuis
Tesco. Het British Museum, waar S. graag de Sumerische leeuwenvoorstelling in
bas-reliëf had bewonderd, is vandaag gesloten. We nemen de 24, ‘to Hampstead
Heath’. Daar kopen we nog wortelen, paprika’s en een fles rood bij de
vriendelijkste van de twee kruideniers aan Mansfield Road. De man aan de kassa
zwaait al wanneer ik nog buiten sta om een foto te maken. Hij is bijzonder goedlachs,
gewiekst natuurlijk maar toch oprecht – en dat is ook de reden waarom we niet
naar de andere winkel gaan, waar we drie dagen geleden, toen we er de sleutel
gingen ophalen, veel norser werden toegesproken.
Thuis krijgt T. bericht dat F. en haar man vanavond niet komen. We zullen onze spaghetti
alleen moeten opeten.
Bij het avondeten bespreken we de vraag of de komende
generatie zich nog wel zo vanzelfsprekend aan het hebben van kinderen zal
begeven. Ik kan zeker niet zeggen dat het over niets is gegaan, dit verblijf in
Londen samen met T. Eergisterenavond hadden we het over het
Vlaams-nationalisme, en dan ook nog eens over het samenwonen in grotere
eenheden. Ze verliepen soms een beetje vinnig, maar toch waren deze gesprekken
zinvol, ze hadden inhoud.
donderdag 7 februari 2013
De Toverberg 6
Tafelgesprekken
Hans Castorp heeft sinds zijn te lang uitgevallen wandeling
last van knikkebollen. <175> Hij beseft dat de oorzaak hiervan niet enkel
somatisch is: het is ook een reactie op de ‘spanningen en bezienswaardigheden’
die zich tijdens de maaltijden voordoen. <176> Juffrouw Engelhart heeft
het door dat er zich tussen Hans Castorp en Clawdia Chauchat ‘een zekere
affectieve relatie’ aan het ontspinnen is – en dat maakt het voor Hans Castorp
lastig om op de juiste manier te reageren wanneer Chauchat weer eens met
rinkelende deur het eetlokaal betreedt. <177> Juffrouw Engelhart schept
er genoegen in Hans Castorps gevoelens aan te wakkeren. <178> Hans
Castorp verneemt dat Chauchat getrouwd is, al voor de derde keer in de
‘Berghof’ is en haar man slechts sporadisch ziet. <179> Zou er een haar
in de boter zitten tussen Chauchat en haar man? Over dat soort zaken speculeren
de knikkebollende Hans Castorp en juffrouw Engelhart, <180> die zelf tuk
is op Chauchat, samenzweerderig aan tafel. <181> Het is van deze juffrouw
Engelhart dat Hans Castorp verneemt hoe mevrouw Chauchat van haar voornaam
heet. Deze roddels vervullen Hans Castorp zozeer, dat de tijd tussen de
maaltijden in het ‘slim en trefzeker geregelde leven’ op de ‘Berghof’ hem nu
lang valt. <182> Overigens is het genoegen dat Hans Castorp aan zijn
‘verhouding’ met Clawdia Chauchat beleeft, niet onverdeeld gunstig. Hij ergert
zich aan zijn eigen vrolijkheid en verdringt deze meteen. (Hier verandert Mann
even van perspectief, hij treedt als verteller even op de voorgrond, spreekt de
lezer rechtstreeks aan <183> en gebruikt de pluralis majestatis: ‘wij
wijzen de verantwoordelijkheid (…) van de hand’.) Hans Castorp stelt vast dat
zijn hartkloppingen geen autonome aangelegenheid van het lichaam meer zijn,
maar verband houden met zijn gemoedsrust: telkens hij aan Clawdia Chauchat
denkt, gaat zijn hart sneller kloppen.183>182>181>180>179>178>177>176>175>
Opkomende angst – Van
de beide grootvaders en het roeitochtje in de schemering
<184> Het weer is al dagen slecht maar dat is niet erg
want Hans Castorp heeft toch geen zin meer in lange wandelingen. Hij heeft van alles
aan zijn hoofd, allerlei ‘verzwegen wederwaardigheden’, hij verveelt zich niet,
het verbaast hem dat zijn tweede week zo snel passeert. Hoewel het tegen al het
gezond verstand ingaat, <185> wil Hans Castorp dat Clawdia Chauchat merkt
wat er in hem omgaat. Er worden heel wat blikken uitgewisseld. <186>
Contact zit er niet meteen in. Maar welbeschouwd blijven Hans Castorps
betrachtingen <187> ‘van buitensociale aard’. Hij beseft maar al te goed
dat de kloof tussen hem en Clawdia Chauchat onoverbrugbaar is. Hij verlustigt
zich in het ‘vakantieavontuur’, maar ‘het tribunaal der rede’ keurt dit niet
goed! <188> Invloed op zijn humeur heeft het avontuur echter wel. Het bepaalt
eigenlijk alles – en dat wordt natuurlijk door de voortdurende mogelijkheid van
een ontmoeting in de hand gewerkt. Bovendien kan Hans Castorp zelf ook het lot
een beetje bijsturen en <189> ‘toevallige’ ontmoetingen uitlokken.
<190> Een keer kruisen ze elkaar op de gang en kan Hans haar gezicht van
op ‘niet meer dan enkele handbreedten’ observeren. Dicht genoeg in elk geval om
de verbijsterende gelijkenis met Pribislav Hippe op te merken. <191> Hans
Castorp is er helemaal van zijn melk van, en hij zoekt in gedachten steun bij
de mensen die hij hier de afgelopen week heeft leren kennen. <192> Zo
denkt hij na over Joachim en diens stipte naleving van de huisreglementen. Hij
beseft dat deze stiptheid ook een ‘bedenkelijke kant’ heeft: het is Joachims
manier om aan pijnlijke situaties (met Maroesja) te ontkomen. Ondertussen heeft
ook voor Hans Castorp zelf de stringente dagindeling een ‘vanzelfsprekende
onaantastbaarheid’ gekregen – in die mate dat hem het leven in ‘het laagland
(…) van hier uit gezien, welhaast bizar en averechts voorkwam’. <193> In
Behrens zoekt Hans Castorp de ‘vaderlijke autoriteit’, maar hij twijfelt eraan
of de dokter wel gezond is, zowel fysiek als geestelijk. <194> Naar
Settembrini wil Hans Castorp wél luisteren: ‘de jeugdige Hans Castorp verlangde
er van harte naar beïnvloed te worden’. <195> Settembrini maakt zijn
beklag over brouwer Magnus, die een volksnationaal discours heeft afgestoken.
<196> En hij plaagt mevrouw Stöhr, die door op haar terras haar leeslamp
te laten branden de sanatoriumdirectie misleidt want tezelfdertijd zet ze in
het dorp de bloemetjes buiten. <197> En zo blijkt Settembrini allerlei
pittige anekdotes te kennen. <198> Met beide neven spreekt hij ook nog
wel eens serieus, onder meer over zijn grootvader, die als oppositionele
<199> humanist en nationalist – vreemde maar vanuit de context te duiden
combinatie! – meer potten schijnt te hebben gebroken dan zijn kleinzoon.
<200> Hans Castorp maakt de vergelijking met zijn eigen grootvader: ze mochten
zich dan wel allebei in het zwart hebben gekleed, ze deden dat om uitermate
verschillende redenen, en ze wáren ook uitermate verschillend. <201>
Hans’ grootvader was op het verleden gericht en rouwde om de teloorgegane
waarden, de grootvader van Settembrini keek vooruit en rouwde omdat zijn land
de verlangde waarden nog niet had gerealiseerd. Dit doet Hans Castorp denken
aan roeitochtje bij valavond, toen zon en maan om voorrang streden. <202>
Hans Castorp vraagt zich af wat Settembrini onder ‘vooruitgang’ verstaat. Gaat
het om technologische vooruitgang: buskruit, drukpers en dergelijke? Of gaat
het om ‘de morele vervolmaking van de mens’? <203> De techniek zal de
eenheid en de gelijkheid van alle mensen en volkeren bevorderen en de
uiteindelijke harmonie bewerkstelligen. <204> Settembrini onderwijst en
Hans Castorp luistert vanuit de ‘aandrang van een in zekere zin slecht
geweten’. Settembrini heeft het over de strijd tussen traditie en vooruitgang,
tussen bijgeloof en rede, tussen Oost en West en over <205> het
uiteindelijke doel: ‘de wereldrepubliek’ waar rede, wetenschap en recht zullen
zegevieren. Op weg naar dat uiteindelijke doel moet eerst en vooral Wenen
worden omvergeduwd! Dat onderdeel van het onderricht schrikt beide neven af.
<206> Settembrini bepleit het aardse en praktische humanisme tegen de
middeleeuwse levensontkenning. <207> Hij vertelt hoe zijn literaire
instelling het product is van de staatsburgerlijke politiek van zijn grootvader
en het humanisme van zijn vader. Welsprekendheid is ‘de triomf der
menselijkheid’ en het woord ‘de trots van de mens’. Literatuur ligt aan de
basis van ‘alle beschaving en zedelijke vervolmaking’, van <208>
‘civilisatie’. Hans Castorp aanhoort het allemaal, maar voelt toch ook
weerstand. <209> En hij vindt in zijn aandachtig luisteren een vrijbrief
om zijn hartstochten weer te vrije loop te laten en aan Clawdia Chauchat te
denken. Het is alsof hij weer in dat roeibootje zit: verblind door het
westelijke licht kijkt hij om naar de maan in het oosten.209>208>207>206>205>204>203>202>201>200>199>198>197>196>195>194>193>192>191>190>189>188>187>186>185>184>
De thermometer
De derde week is al een eind ingezet. <210> Volgens
Hans Castorp valt het met de onkosten best mee. Hij rekent al meteen voor
hoeveel een verblijf van een jaar hier kost – wat wel vreemd is voor iemand die
van plan is maar drie weken te blijven! <211> Hans stelt vast dat zijn
vakantie ‘voorbijgeijld’ is. ‘Drie weken waren hierboven zo goed als niets’. En
aangezien hij met de duur van zijn verblijf onder de ‘kleinste tijdseenheid’,
een maand, blijft, is het eigenlijk alsof hij er helemaal niet is geweest.
<212> Het nakende vertrek verdriet Joachim, en het onderwerp wordt dan
ook vermeden. Heeft Hans Castorp deugd gehad van zijn korte vakantie? Jawel,
maar de overvloed van nieuwe indrukken heeft hem anderzijds toch bezwaard. Hij
heeft ook last van hartkloppingen en oververhitting. En zijn sigaren smaken
niet echt zoals het zou horen. <213> Hij is bovendien ook nog verkouden.
Hij heeft die verkoudheid wellicht opgelopen tijdens de avondligkuur.
<214> Hoe aangenaam die ook is, <215> daar moet het zijn gebeurd!
<216> De verkoudheid levert hem het bezoek van de aartslelijke – Mann
amuseert zich met het in beeld brengen van die lelijkheid – ‘freule von
Mylendonk’ op. <217> Ze vindt dat Hans Castorp zijn temperatuur moet
meten <218> en ze verkoopt hem een thermometer. <219> Hans Castorp
neemt zijn koorts op. De zeven minuten daarvoor nodig zijn, <220> duren een
eeuwigheid. En ja, hij heeft koorts: 37,6. <221> ‘Zijn ontsteltenis was
groot.’ <222> Hans Castorp zegt dat zijn ‘subjectieve gewaarwordingen’ nu
zijn bevestigd door ‘een exacte constatering’. Joachim vindt dat hij bed moet
houden. <223> Hans Castorp vindt van niet: hij heeft toch niet méér
koorts dan al die anderen, die het bed niet houden? <224> De andere
patiënten plagen Hans nadat ze het nieuws hebben vernomen. Maar ze vinden wel
dat hij zich moet laten onderzoeken. Mevrouw Stöhr geeft een korte beschouwing
over de genoegens van het hoesten en het niezen. <225> Joachim stelt Hans
voor mee te gaan op consult. <226> Ze lopen Behrens tegen het lijf: dat
komt goed uit. <227> Hans Castorp herinnert zich dat Settembrini zei dat
Behrens’ vrolijkheid niet van harte is. <228> De koorts blijft de
volgende dag stabiel. <229> Clawdia Chauchat kijkt Hans Castorp nog eens
aan; het is alsof ze hem aanmaant toch maar op consult te gaan. <230> Op
het consult is Joachim als eerste aan de beurt. <231> Hans bestudeert hoe
Behrens Joachim ausculteert en de resultaten doorseint naar Krokowski, die als
bediende fungeert. <232> Hans beseft: ‘ziekte maakt de mens een stuk
lichamelijker’. <233> Nu is het zijn beurt om te worden onderzocht.
<234> Behrens vindt voldoende om te besluiten <235> dat Hans
Castorp er goed aan doet te blijven! <236> De catarre blijkt de voorbode
van iets ernstigers. <237> Volgens Behrens heeft Hans Castorp meer talent
om ziek te zijn dan Joachim.237>236>235>234>233>232>231>230>229>228>227>226>225>224>223>222>221>220>219>218>217>216>215>214>213>212>211>210>
woensdag 6 februari 2013
facebookbericht 367
Mia, ik ben het volledig met je eens - wel vraag ik me af:
zullen niet vooral linkse homo's aan homo-outing (willen) doen achter een
loket? Maw: als BDW het 'loketjeannettisme' verbiedt, en hij doet dat volgens
mij terecht, dan slaat hij vooral in de linkse kerk een gevoelig akkoord aan.
Hij wéét dat en hij jent dus - en daar lijkt ook het woord 'obediëntie' op te
wijzen. Overigens vraag ik me af: mag een (één) oorringetje? Ik wil maar
zeggen: homo's zijn nu ook niet bepaald alléén aan hun t-shirt te herkennen.
Bovendien kunnen ook hetero's zo'n T-shirt dragen, uit sympathie of
solidariteit... Ik vind: loketbeambten horen neutraal en deftig gekleed te
zijn. En een T-shirt met opschrift of opzichtige kleur, dat is niet deftig. BDW
had zich tot die stelling moeten beperken. Al die concrete voorbeelden
(peniskoker, hoofddoek, VB- of regenboogshirt), dat is polariserend, en dus
strategisch. Hij had op de vraag 'Moeten we niet aanvaarden dat die hoofddoek
er gewoon bij hoort?’ als volgt moeten antwoorden: 'Dat hebben we ook aanvaard.
Maar er zijn altijd grenzen. (...) Elke vorm van expressie is begrensd. Dat is
bij uitstek zo als je namens de stad Antwerpen aan een loket zit. (...) Wie het
gezicht is van de stad Antwerpen, wordt neutraliteit opgelegd.’ En nu ik er
toch over nadenk: zit BDW niet zelf in het Vlaams Parlement met een speldje van
de stad Antwerpen op zijn rever? Maar hij is daar toch Vlaams parlementslid en
niet de burgemeester of een vertegenwoordiger van de stad Antwerpen?
facebookbericht 366
Ja, Mia, ik hou ook van de nuance. Maar om elke kritiek op BDW te smoren met het etiket 'bashen', dat is toch ook weer niet juist. Je moet, denk ik, in wat hij zegt altijd niet alleen de vaak terechte inhoud beoordelen maar ook de strategie. Het is een vorm van hogere retoriek, die bijzonder snugger anticipeert op de fouten van de tegenstrevers en die vooral uit is op polarisatie omdat dat electoraal interessant is. Ik vind ook, net als BDW (in navolging van Patrick Janssen en diens neutraliteitsbeleid), dat homo's in overheidsdienst zich niet nadrukkelijk moeten 'outen', maar ik vind niet dat je die stelling - euh - in stelling moet brengen als daar niet de minste aanleiding toe bestaat want dan ben je meer bezig met de effecten van wat je zegt dan met wat je zegt. Ik vind ook dat Yves Desmet méér dan een punt heeft in zijn opiniestuk van vandaag: de insinuatie, door BDW, dat hij, Desmet, zou bijdragen tot een Pim Fortuyn-scenario is, om het zacht te zeggen, retoriek van een minder gesofistikeerd gehalte.
debuut 47
Zachtjes sijpelen
richting einde
h et ritmisch klapwieken van de
geest
komt hier tot stilstand
vogels zonder einder
cirkelen in gedroomde stilte
de stolp zuigt zich op het land, als een slak
het oude tijdperk rolt sonoor door het koren
de velden vallen weg, één voor één
de mens is hieruit weggegaan
Want dat is wat de tijd in Charles’ idioom doet: sijpelen. In het naar troost tastende gedicht ‘thee met zoethout’ biedt tederheid ‘oude warmte’ voor ‘een gescheurde ziel / waaruit het leven sijpelt’.
Samen met de mensentijd (het leven) sijpelt de taal weg; de dood staat gelijk met het grote zwijgen en het is zoals het in het gedicht ‘requiem’ wordt gesteld: ‘niemand was getuige van haar verdwijnen / ijl achter de einder, blind van witte woorden’. (Merk hoe dat woord einder hier opnieuw opduikt: als horizon maar ook als wat het als klank in zich draagt, als einde.)
Maar eigenlijk is de dood altijd al in de taal aanwezig geweest. Charles begint aan haar reis door de tijd ver voor ‘de mens na de dolmens’ – dolmens die, zoals in Carnac, op ondoorgrondelijke maar zeer zeker een betekenis bevattende wijze, in ‘alignements’ staan opgesteld: ‘de een na de ander / en elk voor zich’. Charles komt tot de bittere vaststelling: ‘het hoofd zit vol van zwijgen en van de dood’; de doden laten ‘roerloos’ met zich ‘stoeien / als schimmen in een schedel // hoe dan ook, ze kuieren rustig door haar hoofd / als zomergasten op een promenade / zonder haast en zonder genade’ (‘promenade’).
zo leeft hij verder, onstuimig,
niets van dat zwakke hart van hem
dat dendert tussen de ribben,
neen, zo is hij niet
hij niet, onkwetsbaar en onwetend
dat er geen houden is aan leven
dat weg wil
niet in het rekken van de ziel
niet in het verdriet vierendelen
van verdriet, onder vrienden,
nadien
volstaat deze tijd dan niet voor het schaakspel
dat wij bewonen als lopers naar het hoge noorden
waar het licht zonder meer een ivoren leegte is?
historici zijn gek op het verleden
waar wreedheid degradeert tot thema
en sterven tot kwantitatieve fait divers
het zijn de veilige helden
met achter de hand wel duizend scripts
64 p./ € 17,50
Deze recensie verscheen eerder in Poëziekrant
Dat Leen Charles haar debuutbundel aan – onder meer – de
tijd wijdt, lag voor de hand. Zij is historica en archivaris en weet dus: ‘er
is geen andere tijd dan altijd’. Tijd voor en na het leven. Niet alleen het
leven van een mens maar van dé mens. De tijd strekt zich uit van voor
de Steentijd – waar het landschap is als een inhoudsloos graf – tot en met een uitgedoofde
wereld waaruit de mens is verdwenen. In die wereld heeft de mens een al bij al
kortstondige passage gemaakt. En daarmee is meteen ook dat andere grote thema
aanwezig, dat eigenlijk in het thema ‘tijd’ besloten ligt: de dood.
In het titelgedicht ‘Ancien Regime’ – ‘Regime’, in
tegenstelling tot wat Van Dale spelt, bij Charles mét hoofdletter en zónder
accent – ligt een en ander besloten:komt hier tot stilstand
vogels zonder einder
cirkelen in gedroomde stilte
de stolp zuigt zich op het land, als een slak
het oude tijdperk rolt sonoor door het koren
de velden vallen weg, één voor één
de mens is hieruit weggegaan
Als de mens, dat ritmisch tellende wezen (‘één voor één’),
verdwijnt, dan ook de velden: de natuur neemt het over en herinstalleert haar eindeloze
cirkelgang.
‘Ancien Regime’ is het openingsgedicht van de slotcyclus
‘Burn-out’, die in het teken staat van de dood, het naderende einde, het ouder
worden. Leen Charles (1960) is nog jong, zullen we dan maar zeggen – maar toch
al oud genoeg om daarover te dichten. De stormen van het leven zijn al wat gaan
liggen, de oogst lijkt binnen, ‘werk, huis, familie of vrienden maar lekker
rustig’ – en dan is er al wel eens tijd om een gedicht als ‘ouder worden’ te
dichten: ‘dat heb je wanneer de tijd zachtjes aan / korter wordt, smaller […]
// wanneer de tijd korter wordt, zijn letters verliest / en zachtjes sijpelt
richting einde’.Want dat is wat de tijd in Charles’ idioom doet: sijpelen. In het naar troost tastende gedicht ‘thee met zoethout’ biedt tederheid ‘oude warmte’ voor ‘een gescheurde ziel / waaruit het leven sijpelt’.
Samen met de mensentijd (het leven) sijpelt de taal weg; de dood staat gelijk met het grote zwijgen en het is zoals het in het gedicht ‘requiem’ wordt gesteld: ‘niemand was getuige van haar verdwijnen / ijl achter de einder, blind van witte woorden’. (Merk hoe dat woord einder hier opnieuw opduikt: als horizon maar ook als wat het als klank in zich draagt, als einde.)
Maar eigenlijk is de dood altijd al in de taal aanwezig geweest. Charles begint aan haar reis door de tijd ver voor ‘de mens na de dolmens’ – dolmens die, zoals in Carnac, op ondoorgrondelijke maar zeer zeker een betekenis bevattende wijze, in ‘alignements’ staan opgesteld: ‘de een na de ander / en elk voor zich’. Charles komt tot de bittere vaststelling: ‘het hoofd zit vol van zwijgen en van de dood’; de doden laten ‘roerloos’ met zich ‘stoeien / als schimmen in een schedel // hoe dan ook, ze kuieren rustig door haar hoofd / als zomergasten op een promenade / zonder haast en zonder genade’ (‘promenade’).
Het hierop volgende gedicht, ‘vader’, is bloemleesbaar en
zal misschien zijn weg vinden naar vaderbegrafenissen:
een lach op een fiets
en wandelen op zondag
langs de grote oorlog
zo leeft hij verder, onstuimig,
niets van dat zwakke hart van hem
dat dendert tussen de ribben,
neen, zo is hij niet
hij niet, onkwetsbaar en onwetend
dat er geen houden is aan leven
dat weg wil
niet in het rekken van de ziel
niet in het verdriet vierendelen
van verdriet, onder vrienden,
nadien
Hoe levenslustig ook, er is geen houden aan, aan dat leven
dat weg wil sijpelen. Ik onthoud ontroerd dat ‘vierendelen / van verdriet,
onder vrienden, nadien’.
Hier en daar sprankelt het in deze bundel, dat gedicht
‘vader’ is een parel. Helemaal vooraan in de bundel is bijvoorbeeld ook ‘kramp’
zeker verdienstelijk te noemen, maar het is, zoals een parel, niet volmaakt
(maar dat zijn parels nooit). De eerste strofe:volstaat deze tijd dan niet voor het schaakspel
dat wij bewonen als lopers naar het hoge noorden
waar het licht zonder meer een ivoren leegte is?
Als lopers in een schaakspel – lopers bezetten de
diagonalen, maar kunnen niet van hun eigen kleur af – zoeken wij naar
verlichting en denken het te vinden in dat verre ‘noorden’. Maar het licht
alleen (‘zonder meer’) volstaat niet. Schaakstukken waren vroeger van ivoor; de
toren waaraan dat ‘ivoren’ ons doet denken, is ook een schaakstuk – een dat de
horizontale en loodlijnen van het bord bestrijkt en dus wel van het ene kleur
naar het andere kan. Ik leid daaruit af: wij, de lopers, vinden wat wij zoeken
in wat van ons verschilt… Ik weet niet of ik juist interpreteer, maar wat ik
wil zeggen is: alvast in deze strofe slaagt Charles erin om ons met kundig
uitgestrooide betekenisclusters tot een interpretatie te verleiden, of dan toch
minstens daarnaar op zoek te gaan.
Maar misschien had het allemaal iets minder doorwrocht gemogen.
Zo vind ik dat Charles’ beschouwende gedichten over haar vak van historica te
veel inzetten op de inhoud; daar – bijvoorbeeld in het gedicht ‘de slager en
het beest’ – verliest zij te zeer de vorm uit het oog:
historici zijn gek op het verleden
waar wreedheid degradeert tot thema
en sterven tot kwantitatieve fait divers
het zijn de veilige helden
met achter de hand wel duizend scripts
Ik
struikel iets te vaak in deze strofe. Ik begrijp de gedachte achter dat
degraderen van wreedheid tot thema maar vind de formulering ervan niet echt gelukkig;
ik vermoed dat Charles bedoelde faits
divers (meervoud), anders moet het ‘kwantitatief’ zijn; ‘degraderen’ en
‘kwantitatief’ zijn trouwens niet echt mooie woorden, vind ik; en waar slaat die
‘het’ in regel vier op?; in de slotregel is de uitdrukking ‘achter de hand
houden’ wel mooi impliciet gesuggereerd, maar dan slaat mijn tong weer in een
knoop bij dat laatste woord.
Leen Charles
Ancien Regime
Uitgeverij P, Leuven, 201164 p./ € 17,50
Deze recensie verscheen eerder in Poëziekrant
dinsdag 5 februari 2013
los ingeslagen 72
31 december 2012
T. wist een goede fish & chips in Marylebone Lane. We zouden er een tafel reserveren voor vanavond, maar de zaak was gesloten. Jaarlijkse vakantie tot 3 januari 2013. Dan maar via Baker Street en Marble Arch tot in Hyde Park, waar we, schuilend voor de regen, een sandwich aten. Door de winterkermis (waar ik een muts kocht) naar Harrods.
Het bleek niet zo’n goed idee om binnen te gaan in deze
tempel van consumentisme. Zodra we de potige zwarte en piekfijn geüniformeerde
portier hadden getrotseerd, belandden we in een mensenstroom waarin we alleen
maar met een ons opgedrongen traag tempo langs de uitgestalde luxehandtassen,
vervolgens luxeconfisserie en daarna de luxevis- en dan weer luxevleesproducten
konden schuiven. We passeerden een pralinestand waar elk snoepje minstens één
pond kostte, we passeerden een kaviaarbar, we passeerden de afdeling koekjes waar alles minstens vijf
of zes keer zo duur was als wat ik bereid zou zijn om, gewoon aan Colruytprijzen,
ervoor te betalen. Gesteld dat ik het al zou nodig hebben. Het was bovendien
hels warm in deze kapitalistische hemel, ik kon er niet snel genoeg buiten
zijn. T. kocht een potje ‘christmas pudding’ voor de zieke vriend die ze ’s
namiddag wilde bezoeken. Ze betaalde dankzij de 75 procent korting die er werd
gegeven ‘slechts’ £ 4,95: nog altijd een behoorlijke aflaat.
We dronken een koffie in de bar van het Millennium Hotel. Op
de tv achter mij was het feestgedruis al losgebarsten: tegenvoetse
oudejaarsavondfun. Het vriendelijke barmeisje was de eerste persoon die ik een
gelukkig 2013 toewenste.
Twee tijdelijke tentoonstellingen in Tate Modern: William
Klein, gekoppeld aan de Japanse fotograaf Daido Moriyama; ‘The Bigger Splash’,
over action painting en aanverwante fenomenen. Het drafje waarop we die tweede
tentoonstelling, gezien het gevorderde uur, moesten bezoeken, leek mij nog het
meest gepast: ik heb nooit veel geloof gehecht aan de waarde van het vlugge werk
van Pollock en diens volgelingen, die er maar op los dripten of gooiden, of die
tekenden met in verf ondergedompelde, goed in het vlees zittende en bijzonder
fotogenieke freules.
William Klein was een van de uitvinders – of ijkers – van de
straatfotografie. De sfeer en dynamiek van de stad (New York, Rome, Tokio) legde
hij vast met impressionistische, soms zeer vage en vaak sluiks en snel genomen
(geschoten) zwart-witbeelden. Toeval en geluk liet hij hun werk doen. Wellicht
had hij daarbij al van meet af aan het idee van een boek voor ogen. Sommige van
zijn foto’s hebben op zich onmiskenbare kwaliteit en een aantal verwierven een
iconische status, maar de tentoonstelling maakte toch duidelijk dat het geheel
primeerde. Zoals Klein fotografeerde, hebben het er ondertussen al vele
honderden gedaan – maar hij was wel een van de eersten. Moriyama drijft de
werkwijze van Klein tot het uiterste door. Waar Klein nog het bijzondere en
anekdotische opzoekt, documenteert de Japanner ook het banale en zelfs het
ontluisterende en gore van het dagelijkse leven. Zijn beelden worden alsmaar
onscherper en vager – tot er uiteindelijk slechts modulaties van grijs en zwart
overblijven.
Tate Modern sloot om zes uur. Nog zes uur vol te maken tot
middernacht en het vuurwerk op de Thames. Dat was te lang, zeker ook gezien de
belabberde gezondheidstoestand van T. We besloten nog een wandeling te maken
langs de rivier en vervolgens door Whitechapel, langs het Parliament en The
Mall tot op Trafalgar Square. Dat hele stuk Londen was afgezet voor het
autoverkeer. Er werden voor het vuurwerk kennelijk vele tien- en wellicht zelfs
honderdduizenden belangstellenden verwacht.
Na een tijdje vergeefs op bus 24 te hebben gewacht, namen we
de metro naar het noorden. We vonden in Hampstead Heath nog een vrije tafel bij
de Griek en klonken op het appartement om elf uur (middernacht Belgische tijd)
op het nieuwe jaar – en om twaalf uur nog eens.
maandag 4 februari 2013
schrikkel 360
De vreemde symmetrie van de gevel van dit hoekhuis wordt
door enkele elementen doorbroken: het straatnaambord, en de twee excentrisch
gepositioneerde bakken Jupiler op het balkonnetje. Lege of volle flesjes? Dat
valt niet uit te maken. We schrijven kerstdagochtend. Van vriesweer is geen
sprake. ’t Is grijs en lauw, allicht niet fris genoeg om bier te bewaren.
facebookbericht 365
De campagne voor 2014 is hiermee officieel van start gegaan
want een verspreking is het zeker niet. Je moet overigens maar de culot hebben om na vier weken
bestuurservaring al van een 'hel' te spreken.
zondag 3 februari 2013
los ingeslagen 71
30 december 2012
In Somerset House, aan The Strand, de tentoonstelling ‘Cartier-Bresson: A Question of Colour’. Over fotografen die zich door Cartier-Bresson lieten inspireren maar hem niet volgden in zijn overtuiging dat kleur een minder volwaardig medium was dan zwart-wit. (Cartier-Bresson aanvaardde enkel voor de centen eens een kleuropdracht.) Een heel interessante tentoonstelling was het, met foto’s van, behalve Cartier-Bresson, Haas, Gruyaert, Leiter, Walker en nog een paar anderen. Ik koop de catalogus, die dertig pond kost, wat me doet aarzelen, maar ik wil wel iets van deze ervaring vasthouden.
Terwijl ik naar de prachtige foto’s van Saul Leiter sta te kijken
(van wie ik in Charleroi een paar jaar geleden de tentoonstelling miste), word
ik aangesproken door een man die me in meer dan één opzicht aan S.B. doet
denken: fysionomie, schutterigheid, melomaan tot in het voorkomen,
intellectueel, ietwat excentriek. Hij vraagt me iets
technisch-Testaankoopachtigs over het fototoestel dat over mijn schouder hangt,
en we raken aan de praat over fotografie als een goede manier om op een nieuwe
manier naar de werkelijkheid te kijken. Een kort contact, dat echter wel een
zin in zich draagt. Ik geef de man mijn blogadres.
In The National Portrait Gallery is er een tentoonstelling
met inzendingen voor een portretfotowedstrijd. Spontane portretten, geforceerde
portretten… Het doet mij zin krijgen om ook eens op een ernstige manier mensen
te portretteren… Geen pasfoto’s, maar op een relevante manier de mensen in hun
omgeving plaatsen… Maar over welke interpretatie heb je het dan: die van jou of die van de geportretteerde?
Misschien wil de geportretteerde helemaal niet worden geportretteerd op de
manier die jij voor ogen hebt?
De laatste tentoonstelling die we vandaag bezoeken is die
over de 18de-eeuwse Britse landschapsschilderkunst in The Royal Academy of
Arts: Gainsbourough, Constable en Turner en de graveurs voor en na, die voor de
verspreiding van de Europese landschapsschilderkunst zorgden (voor) en voor de
verspreiding van de Britse en van de idee van het pittoreske (na).
schrikkel 359c
In de kerk van Sint-Kruis worden de voorbereidingen
getroffen voor de nachtmis. Ik ben op weg naar S. Samen met G. en T. zijn we
uitgenodigd bij L. om er deze kerstavond door te brengen. B. zal er ook zijn. Het
wordt een onuitgegeven gezelschap. L. hebben we wel al een paar keer gezien
maar nog niet echt leren kennen. B. hebben we nooit eerder ontmoet. We
vertrekken met een bang hartje, blij met de uitnodiging maar toch ook onzeker
over hoe de avond zal verlopen. We worden zeer gastvrij ontvangen. Alles
verloopt rustig en gemoedelijk. L. ontkurkt de champagne en ontsteekt de
kaarsen. B. heeft een heerlijke lamstoofpot meegebracht, gemaakt volgens een
recept uit de Libelle Rosita. Er
worden plezierige verhalen opgehaald. Wanneer ik me wat ziek voel, mag ik
zonder probleem languit op de bank liggen. We gaan uit elkaar met oprechte wensen
en het voornemen elkaar spoedig terug te zien.
De Toverberg 5
Vierde hoofdstuk
Noodzakelijke aanschaf
<122> Op de derde dag is het weer, na een zomerse
tweede dag – waarover verder geen verslag wordt gedaan – omgeslagen.
<123> Het begint te sneeuwen. Volgens Joachim vervloeien in het gebergte
de jaargetijden – wat uiteraard een weerslag zal hebben op de tijdsbeleving.
Hans Castorp koopt een deken in het dorp, maar geen bontzak voor de winter: hij
denkt dat hij daarvoor niet lang genoeg zal blijven. Ze komen Settembrini
tegen, <125> die klaagt over de kou. Settembrini vindt dat Hans Castorp
zich te gedwee onderwerpt aan de sanatoriumvoorschriften. Door de herinnering
aan zuiderse warmte begint Settembrini over zijn overleden vader, een filoloog.
<126> En hij maakt zijn beklag over ‘Krokowski, dat schaamteloos stuk
biechtvader’ – Mann legt het verband tussen psychoanalyse en het katholieke
biechten –, en over zijn stompzinnige tafelgenoten. <127> Hans Castorp
wil niet onderdoen en hekelt mevrouw Stöhr, die ziek én dom is, met andere
woorden zowel naar lichaam als naar geest deficiënt. Dat gaat volgens Hans
Castorp in tegen de verwachting dat iemand die ziek is een sterke geest heeft,
en omgekeerd. <128> Deze wankele redenering wekt de pedagoog in
Settembrini. Hij wil Hans Castorp van zijn ‘bestrijdenswaardige’ opvattingen
bevrijden: ziekte is ‘helemaal niet eerbiedwaardig’. Deze opvatting is
geworteld in duistere tijden, toen ‘gebrekkigheid (…) gelijk stond met een
vrijbrief voor het rijk der hemelen’. Settembrini verdedigt hiermee de
Nietzscheaanse kritiek op het christendom. <129> Gelukkig, zegt hij,
hebben rede en Verlichting sindsdien de mens min of meer weten te bevrijden.
Ziekte is niet voornaam, het is ‘veeleer vernedering’.
<130> En wie ziek én dom is, kan enkel op ons medelijden rekenen.
Tragisch is hij, zoals Leopardi, die ziekte en genie in zich verenigt.
<131> De ziekte reduceert de mens tot zijn lichaam, en dat is ‘het
onmenselijke en vernederende’. Dan is de mens ‘in de meeste gevallen niet beter
dan een kadaver’. Settembrini voegt hier nog enkele Platoonse beschouwingen
over pedagogie aan toe: alle ideeën zijn in ‘de begaafde jonge mens’ aanwezig,
de leermeester moet de juiste ideeën opwekken en de onjuiste blokkeren.
<132> Hans Castorp stelt vast dat het Settembrini niet enkel om de ideeën
te doen is, maar ook om de manier waarop hij ze verwoordt. (Dit lijkt een zelfreflexieve
opmerking van Mann.) Volgens Hans Castorp is Settembrini ook ‘een man van de
oppositie’ en dat heeft volgens Hans ‘altijd iets armoedigs’. <133>
Joachim is het daar niet mee eens: Settembrini heeft niet alleen een hoge dunk
van zichzelf maar ‘van de mensen in het algemeen ook’.133>132>131>130>129>128>127>126>125>123>122>
Uitweiding over het
tijdsbesef
Hans Castorp leert hoe hij zich met zijn dekens moet
inpakken voor de ligkuur. <134> Voor de zoveelste keer al heeft hij last
van hittegevoelens en – tezelfdertijd – koude rillingen. <135> Maar het
comfort van de ligstoel doet hem deze ongemakken vergeten. Hij kent de
dagindeling al van buiten en geniet van de voorspelbaarheid en de regelmaat.
Toch vreemd, deze gemakkelijke gewenning aan een nieuwe dagorde. Alsof de persoon
blij is verlost te zijn van een andere orde, die al te vanzelfsprekend was
geworden. <136> Bij een ‘ononderbroken harmonie’ en ‘verveling’ dreigt
‘de tijdsbeleving’ verloren te gaan en daarmee ook ‘het levensgevoel’. Met
verveling is trouwens iets eigenaardigs aan de hand: korte periodes van
monotonie lijken er lang door, maar lange periodes ‘verdampen (…) tot er zo
goed als niets meer van over is’. Het omgekeerde is evengoed waar: korte
periodes met veel afwisseling gaan snel voorbij, maar uitgesmeerd over langere
periodes vertraagt afwisseling de tijd. (Mann illustreert dit principe met de
lengte van zijn hoofdstukken: ze worden steeds langer terwijl de (subjectieve)
tijd in die mate nog meer versnelt dat er proportioneel nog langere stukken tijd
in die langer wordende hoofdstukken worden verwerkt.) <137> Hans Castorp
merkt op dat er al een eeuwigheid lijkt te zijn voorbijgegaan sinds hij in
sanatorium Berghof aankwam.137>136>135>134>
Poging tot Franse
conversatie
<138> Af en toe staan er op de gang zuurstofflessen
klaar voor de stervenden. <139> Hans Castorp krijgt een stervende te zien
terwijl hij eventjes met Behrens praat. Die vindt het jammer dat Hans Castorp
maar ‘een bliksembezoek’ van drie weken brengt: hij zal dus niet het voorrecht
genieten hier de winter door te brengen. <140> Ziekenzuster Alfreda –
Berta – Schildknecht klampt de twee neven aan. <141> Haar patiënten zijn,
door dood of genezing, van voorbijgaande aard maar zij is gedoemd om hier te
blijven. <142> Hans Castorp leert ook de Mexicaanse vrouw ‘Tous-les-deux’
kennen, die haar twee zonen aan tbc verliest. <143> Hans is tevreden over
de houding die hij tegenover deze deerniswekkende vrouw heeft aangenomen. Hij
vindt in het algemeen dat men er beter aan zou doen de dood stoutmoediger in de
ogen te zien.143>142>141>140>139>138>
Politiek verdacht!
Om de veertien dagen is er op zondag een concert.
<144> Iedereen doet zijn best er op z’n zondags uit te zien, zelfs de Slechte
Russentafel! <145> De meeste patiënten laten de voorgeschreven ligkuur
voor wat hij is en luisteren naar het orkest. <146> Hans Castorp slaat
Hermine Kleefeld, mevrouw Salomon, juffrouw Levi, meneer Albin en nog een paar
anderen gade en stelt vast dat het toch onmiskenbaar zo is dat de fysieke
ziekte hen ‘geestelijk in zekere zin aantrekkelijker maakte’. Dat wordt mede in
de hand gewerkt door de wat lossere omgangsvormen tussen de vertegenwoordigers
van beiderlei kunne. (149) De dokters verschijnen ook op het terras en iedereen
probeert bij hen in het gevlei te komen. Settembrini komt bij de neven zitten.
<147> Door te laat te komen, vrijwaart hij voor zichzelf een ‘illusie van
onafhankelijkheid’. Hij is niet zo’n muziekliefhebber: <148> hij heeft
een grotere achting voor het woord en de rede: ‘ik koester een politieke
weerzin tegen de muziek’. <149> De muziek brengt niet alleen structuur
aan in de tijd, en kan op die manier wakker maken, zij kan ook verdoven en
leiden tot ‘geestelijke dufheid’. 149>148>147>146>145>144>
Hippe
<150> De Russische dames, onder meer Clawdia Chauchat
en Maroesja, vertrekken op zondagnamiddag voor een ritje in de omgeving.
<151> Hans Castorp slaat nauwlettend de reacties gade die Maroesja op het
gelaat van Joachim veroorzaakt. <152> Hij wil de nu al, na nog geen volle
week, ervaren sleur van het sanatorium, ‘de magische cirkel van de “Berghof”’,
doorbreken en besluit een fikse wandeling te maken. <153> Hij zet het op
een zingen maar geraakt daarvan al vlug buiten adem. <154> Hij herkent in
zijn amechtigheid het gewaggel van zijn grootvader. <155> Rustend op een
bank bij een ruisende beek krijgt Hans een neusbloeding. <156> Half
bewusteloos herinnert hij zich iets van toen hij dertien jaar was: de
ontmoeting op school met de medestudent Pribislav Hippe, <157> wiens
uiterlijk Kirgizische trekken vertoont en voor wie Hans Castorp <158> al
ongeveer een jaar onbestemde en ongeëxpliciteerde gevoelens koesterde.
<159> Deze verhouding kende een hoogtepunt in <160> het lenen van
een potlood, en verdween vervolgens weer in de vergetelheid. Hans Castorp heeft
lange tijd enkele slijpschilfers van dat potlood in een lade bewaard.
<161> Hij beseft dat hij interesse heeft voor Clawdia Chauchat door haar
fysieke gelijkenis met Hippe. Niet zonder moeite keert Hans Castorp naar het
sanatorium terug, <162> waar hij net op tijd aankomt voor de lezing van
Krokowski.162>161>160>159>158>157>156>155>154>153>152>151>150>
Analyse
Met bloedbevlekt kostuum neemt Hans Castorp plaats achter
Clawdia Chauchat. Zij neemt hem schaamteloos op. <163> Het is de
schaamteloosheid van hen die, zoals meneer Albin, niets meer te verliezen
hebben. <164> Krokowski heeft het over de macht der liefde – en dat woord
valt zo vaak dat Hans Castorp, die niet gewoon is het te horen, het op de duur
weerzinwekkend vindt, als <165> ‘iets witblauwigs, kliederigs’. Krokowski
onttovert onder het mom van wetenschappelijkheid de menselijke psyche. De
drijvende kracht van de liefde is samengesteld uit onderdelen, die elk op zich
kunnen dwalen – zonder dat dit afbreuk doet aan het morele gehalte van het
geheel. De psychoanalyse ondermijnt het burgerlijke ideaal, ja, keert het zelfs
om: <166> het zieke krijgt iets verhevens. Als de burgerlijke kuisheid
het haalt, dan is dat slechts een schijnbare overwinning. Onderhuids blijven de
soms verkeerd afgestemde driften woekeren. En ze transformeren zich om weer aan
de oppervlakte te kunnen komen: <167> ze komen terug boven als… ziekte!
Hans Castorp, ondertussen, observeert de onder gaas volledig tot zijn recht
komende arm van Clawdia Chauchat en concludeert: <168> ‘Ten aanzien van
deze arm kon er van generlei burgerlijke weerstanden sprake zijn.’ Hans Castorp
denkt nu na over de manier waarop vrouwen zich kleden. Het is maatschappelijk
aanvaard dat ze de nieuwsgierigheid van de mannen opwekken. Maar stel nu dat
een niet tot voortplanting in staat zijnde vrouw zich op een dergelijke
verleidende manier zou kleden: dan speelt er toch nog iets anders dan
voortplantingsdrift? Hans realiseert zich dat zijn belangstelling voor een dergelijke
vrouw even onredelijk zou zijn als destijds zijn belangstelling voor Hippe.
<169> Als een Messias maakt Krokowski nu reclame voor zijn praktijk: hij
nodigt de aanwezigen uit om bij hem in analyse te gaan. Na de lezing lopen de
toehoorders achter hem aan als ‘achter de rattenvanger’. Joachim en Hans
Castorp kaarten niet meer na over de lezing.169>168>167>166>165>164>163>
Twijfels en
overwegingen
<170> Hans Castorp krijgt en betaalt zijn eerste
rekening: de zakelijke kant van het sanatorium. <171> Met Joachim spreekt
hij over ‘de inrichting van de “Berghof” als instituut’: achter Behrens staan
‘hogere machten’. Behrens zelf is hier door zijn zieke vrouw terechtgekomen.
Zijn vrouw stierf, Behrens is gebleven. <172> Hij was trouwens zelf door
de ziekte aangetast, wat misschien problematisch is: ‘Kan iemand die zelf
onderdrukt wordt anderen bevrijden?’ In elk geval is de ‘lotsverbondenheid
tussen arts en patiënt’ niet evident; er zijn voordelen aan verbonden, maar ook
nadelen. <173> We vernemen een en ander over architectuur en organisatie
van het gebouw, <174> onder meer het feit dat Krokowski zijn duister
kabinet heeft in een overigens helwitte kelderverdieping.174>173>172>171>170>
vrijdag 1 februari 2013
De Toverberg 4
Derde hoofdstuk
Eerzame betrokkenheid
<52> Hans Castorp maakt zijn ochtendtoilet. <53>
Hij bewondert de ochtendstond, maar de aanblik van een treurige, in het zwart
gehulde dame in de tuin en het aanhoren van het suggestieve gehijg van het
Russisch echtpaar in de kamer naast de zijne bederven het goud dat hij daarvan
in de mond krijgt. <54> Gelukkig zijn die Russen getrouwd, overweegt de
preutse Hans, <55> maar dat belet niet dat er een blos op zijn wangen
komt die niet meteen weg wil trekken.55>54>53>52>
Ontbijt
Joachim vertelt wie de zwarte dame is: ‘Tous-les-deux’, de
Mexicaanse moeder van twee zieke zonen. <56> Hans Castorp vraagt zich af
of dat ‘Tous-les-deux’ ook op hem en Joachim van toepassing zou kunnen zijn.
Dat zorgt voor een ongemakkelijk gevoel. <57> Joachim vertelt over de
Slechte Russentafel en de Goede Russentafel, en hoe moeilijk het is om hier met
de buitenlanders kennis te maken. <58> De neven verschijnen aan het
ontbijt. Hans Castorp maakt kennis met de dwaze mevrouw Stöhr. <59>
Beschrijving van de eetzaal en van enkele gasten. <60> Hans Castorp
ervaart dat het niet makkelijk is om bruggen te slaan. <61> Toch gaat het
er min of meer gemoedelijk toe: ‘je had niet het gevoel je in een tranendal te
bevinden’. De meesten zijn welgezind, en diegenen die dat niet zijn, laat men
gerust. Waarmee men natuurlijk ook meteen zichzelf gerust laat. Plots wordt een
deur kletterend dichtgeslagen en Hans Castorp ergert zich daaraan. Hij kan
echter niet zien wie de dader is. <62> Bij het verlaten van de zaal
stoten de neven op de twee dokters: Behrens in het wit en Krokowski, duidelijk
tegen zijn zin in een ondergeschikte positie, in het zwart. <63> Behrens
onderkent in Hans Castorp het talent om ziek te zijn en verstrekt hem, ‘sine
pecunia’, gratis dus, de raad om maar meteen alles mee te doen met zijn neef
want hij ziet er toch niet al te gezond uit.63>62>61>60>59>58>57>56>
Plagerij – Viaticum –
Verstoorde hilariteit
<64> De neven gaan wandelen: achter het Berghof de
berg op. <65> Hans Castorp steekt een Maria Mancini op. Hij looft Behrens
en het roken. <66> Een groepje jonge patiënten daalt de berg af.
<67> Een van de meisjes fluit ‘naar hem, maar niet met haar mond’; ‘Er
kwam gefluit uit haar binnenste’. <68> Joachim legt uit dat het Hermine
Kleefeld was, ‘die fluit met haar pneumothorax’. Heel het groepje heeft er een,
daarom noemen ze zichzelf ‘Vereniging De Halve Long’, maar lang niet iedereen
kan op die manier fluiten. <69> Hans vindt het wel grappig maar vraagt
zich toch af hoe het komt dat ze ‘zo overmoedig’ zijn. Volgens Joachim is het
omdat ze zo jong zijn en toch al oog in oog met de dood staan; ‘ernst heb je
strikt genomen alleen in het leven daarbeneden’. <70> Hans stelt vast dat
zijn sigaar niet smaakt en dat zijn kaken gloeien. <71> Joachim vertelt hoe
de doden in het Berghof min of meer ‘achter de schermen’ (Hans’ omschrijving)
worden geëvacueerd <72> en over de ten dode opgeschreven Barbara Hujus,
die enkele weken voor Hans’ komst <73> het heilig oliesel kreeg
toegediend. Ze verzette zich, met alle krachten die haar restten. <74>
‘(H)et was alleen de angst die haar zoveel kracht gaf.’ Joachim vertelt Hans
hoe Behrens de stervenden aanmaant zich te vermannen. Hans vindt dat maar
niets: aan iemand die stervende is, is iets heiligs verbonden. 74>73>72>71>70>69>68>67>66>65>64>
Satana
<75> Net op dat ogenblik maakt een oudere man met
‘fraai opgedraaide zwarte snor’ en ‘felgeel geruite broek’ zijn opwachting, een
‘mengeling (…) van sjofelheid en gratie’. <76> Hans Castorp wordt door
Joachim voorgesteld aan ‘meneer Settembrini’. ‘Je zou inderdaad vergeten waar
je bent’, zijn zowat de eerste woorden die Settembrini tot Hans Castorp richt.
Waarmee meteen het grote gevaar van gewenning en isolement is aangegeven:
Settembrini zelf is het nog niet vergeten waar hij is. En daarmee vrijwaart hij
voor zichzelf een uitzonderlijke status. Settembrini, in wie Hans Castorp, bij
wijze van eerste indruk, een ‘draaiorgelman’ ziet, vraagt Hans of hij al ‘de
duistere ceremonie van het eerste onderzoek’ heeft ondergaan, en of hij al het
oordeel kent van ‘onze <77> Minos en Rhadamanthys’. Dat zijn twee
rechters die actief zijn in de onderwereld – maar dat weet Hans Castorp niet.
Wanneer hij Settembrini vertelt dat hij maar op bezoek is, expliciteert deze
het strakke onderscheid: ‘u bent er dus geen van ons’ en vergelijkt hij Hans met
‘Odysseus in het schimmenrijk’. <78> In dit schimmenrijk blijkt de maand
de ‘kleinste tijdseenheid’ te zijn. Settembrini blijkt een leerling van de
‘grote poëet en vrijdenker’ Carducci te zijn. Hij informeert naar Hans’ beroep
en is verheugd om tegenover zich een ‘vertegenwoordiger’ te hebben ‘van een
hele wereld van arbeid en praktisch genie’. <79> Ze hebben het even over
de duivel, en dan verklaart Settembrini: ‘Mijn God, ik ben humanist.’ Hans
Castorp probeert op zijn hoogte te komen door barokker te praten dan hij gewoon
is te doen. <80> Hij zegt dat hij zich maar gezond voelt als hij niets
doet. <81> Ze hebben het over Behrens en diens verknochtheid aan sigaren,
door Settembrini een ‘ondeugd’ genoemd. Settembrini noemt Behrens ook nog
satanisch en gestoord. Dan komt de ‘middeleeuwse’ hoofdzuster Adriatica von
Mylendonk ter sprake, de ‘hoofdopzichteres van (Behrens’) griezelpaleis’.
<82> Settembrini vindt zichzelf niet ironisch maar sarcastisch, en dan
prijst hij het sarcasme als ‘het schitterendste wapen van de rede tegen de
machten van duisternis en gemeenheid’, als ‘de geest der kritiek’ en, zo voegt
hij er nog aan toe: ‘kritiek betekent de oorsprong van vooruitgang en verlichting’.
Wanneer Settembrini een lelijk meisje uit het dorp denkt te charmeren met een
knipoog, noemt Hans Castorp hem in gedachten ‘een windbuil van het zuiverste
water’. <83> Settembrini roddelt over de andere kuuroorduitbaters in het
dorp. <84> Hans Castorp geniet van de gave manier van spreken van
Settembrini. Ze zien nu Behrens (in het wit) en Krokowski (in het zwart, ‘om
aan te geven dat zijn persoonlijk studieterrein de nacht is’). Over hem heeft
Settembrini ook meteen een oordeel klaar: ‘Deze man heeft in zijn hoofd maar
één gedachte, en die is smerig.’ <85> Settembrini vindt dat Hans Castorp
niet zo voorzichtig en traag moet oordelen over de mensen. Hij moet kritisch
zijn. Dan wijst hij op het verband tussen humanisme en pedagogiek. De humanist heeft
de taak van het opvoeden – ‘de overlevering van de menselijke waardigheid en
schoonheid’ – overgenomen van de priester die deze taak ‘in duistere en
misantropische tijden’ naar zich had getrokken.85>84>83>82>81>80>79>78>77>76>75>
Heldere gedachten
<86> Joachim meet zijn temperatuur en neemt plaats in
zijn ligstoel. <87> Dat temperaturen duurt zeven minuten, in deze
onderwereld wel een zeer korte tijdsspanne. Hans Castorp voelt nu de aandrang,
ongetwijfeld onder invloed van Settembrini, om te filosoferen over het
subjectieve tijdsbesef. <88> Aan de tijd beantwoordt geen enkele
objectieve werkelijkheid en als hij verstrijkt, dan doet hij dat ongelijkmatig
– en toch meten we hem. Zoals de gasten in sanatorium Berghof hun temperatuur
meten. <89> Hans Castorp gaat nu ook liggen. Hij verheugt zich over de
kwaliteit van de ligstoel. <90> Bij het tweede ontbijt blijkt iedereen
melk te drinken. Hans Castorp wil liever de porter die hij gewoon is van in
Hamburg. Hij herkent de mensen van het eerste ontbijt. <91> Er is ook een
Russisch meisje, Maroesja, dat duidelijk op de belangstelling van Joachim kan
rekenen. Hans’ luidruchtige buren gaan aan de ‘slechte Russentafel’ zitten. Hij
stoort zich al minder aan het geluid van de opnieuw hardhandig dichtgesmeten
deur. <92> De porter doet zijn uitwerking en Hans Castorp zou liever gaan
liggen dan gaan wandelen.92>91>90>89>88>87>86>
Een woord te veel
<93> Hans Castorp en Joachim wandelen naar het dorp.
Zijn sigaar smaakt Hans Castorp alweer niet. <94> Hij had het gesprek
over de tijd willen hervatten, maar merkt tot zijn ontzetting dat hij al zijn
sprankelende gedachten daarover vergeten is. In plaats daarvan heeft hij het
over de noodzaak van temperaturen, over hartkloppingen, en over het lichaam dat
geheel zelfstandig functioneert en daardoor in zekere zin ‘niet langer verband
houdt met de ziel’. <95> Hans haalt zijn schouders op zoals ook Joachim
dat doet: Hans begint kleine gewoontetjes en hebbelijkheden over te nemen; hij
begint zich met andere woorden al goed te assimileren. Deze assimilatie wordt
met tal van fysieke details geïllustreerd. <96> Ze hebben het nu over de
andere gasten: miss Robinson, juffrouw Engelhart, dr Leo Blumenkohl. Dat
Maroesja indruk maakt op Joachim, wordt alweer duidelijk. <97> Ze kijken
naar de tennissers en bespreken de andere sporten en spellen die door de
kuurgasten worden bedreven, onder meer het gokken. 97>96>95>94>93>
Een vrouwspersoon –
dat dacht ik wel
<98> Joachim eist stiptheid van Hans Castorp, die hij
dus al als een zieke beschouwt. Ze trekken ten derde male naar de eetzaal, dit
keer voor het middagmaal. <99> Behrens heeft belangstelling voor mevrouw
Salomon, meer nu ze in gedecolleteerde toestand aan hem verschijnt dan in het
onderzoekskabinet. Mevrouw Stöhr roddelt over kapitein Miklosich, die zij
bestempelt als <100> ‘een roofdier’. Tijdens de maaltijd wordt duchtig
geschranst. <101> Opnieuw valt de deur rinkelend dicht, tot grote
ergernis van Hans Castorp. Nonchalant en intrigerend doet <102> Clawdia
Chauchat haar intrede en neemt plaats aan de ‘Goede Russentafel’. Wanneer ze
even omkijkt komt er bij Hans Castorp ‘een vage herinnering aan iets en iemand’
op. Dr Leo Blumenkohl verlaat even de zaal. <103> Hij heeft, aldus
mevrouw Stöhr, ‘een onderonsje met Blauwe Hein’. Hans Castorp gaat liggen op
zijn balkon. Hij geeft bloed op. Dit, samen met het voorval met Blumenkohl en
de commentaar van mevrouw Stöhr, beangstigt hem, maar hij is te lusteloos om op
die angst in te gaan. De sigaar die hij opsteekt, smaakt hem niet.103>102>101>100>99>98>
Meneer Albin
<104> De jongeman Albin daagt met mes, sigaretten en <105> revolver de dames
en ook het noodlot uit. Als de ziekte te erg wordt, wil hij er zelf een eind
aan maken en hij weet al precies hoe. <106> De medepatiënten proberen hem
op andere gedachten te brengen, maar ‘meneer Albin was niet te vermurwen’. Zijn
besluit staat vast en het lijkt erop dat dit een last van zijn schouders neemt:
<107> de voordelen van de eer wegen niet op tegen de voordelen van de
schande, beseft ook Hans Castorp, die dit hele tafereel van op zijn balkon
heeft waargenomen, en dit besef verleent hem ‘een gevoel van ongebreideld
welbehagen’.107>106>105>104>
Satana doet oneerbare
voorstellen
Krokowski passeert Hans’ kamer. Dat betekent dat hij Hans
als gezond beschouwt, en toch voelt Hans zich hierdoor beledigd. <108>
Joachim vertelt dat er soms wel eens iemand datgene uitvoert waarmee meneer
Albin dreigt. <109> Beide jongemannen vertrekken naar de theetafel. Dan
volgt in het relaas een eerste versnelling: theetafel en wandeling en volgende
ligkuur worden overgeslagen en we beginnen meteen aan het avondmaal, de vijfde
eetzaalsessie. <110> Daar blijkt echter dat Hans Castorp zoveel gegeten
en porter gedronken heeft, dat hij de roddels van mevrouw Stöhr niet meer kan
volgen. Na de maaltijd is er vertier, in de vorm van kaartspellen en optische
instrumenten. <111> Chauchat vormt in een kleiner salon het middelpunt
van een gezelschap. Opnieuw vraagt Hans Castorp zich af aan wie zij hem doet denken. <112>
Settembrini vraagt Hans Castorp naar zijn tijdsbeleving ‘in dit lustoord’: zijn
eerste dag heeft zowel lang als kort geduurd. <113> Hans Castorp maakt
een zeer verwarde indruk door allerlei indrukken door elkaar te slaan. (Dat
deed hij ook al in zijn droom op het einde van hoofdstuk 1. Daarmee laat Mann
heel subtiel werkelijkheid en droom in elkaar vervloeien – en het
werkelijkheidsgehalte van sanatorium Berghof afkalven.) Humor: Settembrini
vraagt naar Hans’ leeftijd (vierentwintig) en Hans Castorp vertelt over het
aantal vissauzen dat mevrouw Stöhr kan maken (achtentwintig). Settembrini
spiegelt Hans Castorp de mogelijkheid voor om alsnog te vertrekken. <114>
Net op dat ogenblik vangt Hans Castorp opnieuw een glimp op van Clawdia
Chauchat, en opnieuw vraagt hij zich af aan wie zij hem ‘in hemelsnaam’ doet
denken. Settembrini vertelt over een patiënte die na anderhalf jaar genezen
werd verklaard maar het sanatorium niet wilde verlaten. <115> Opnieuw
smaakt een sigaar Hans Castorp niet en <116> hij ziet hoe Joachim zich
behendig in zijn dekens verpakt voor de avondligkuur. Hans Castorp voelt zich
ellendig en <117> gaat naar bed. Hij kan de slaap niet vatten.
<118> Hij realiseert zich wat Joachims reactie op Maroesja betekent en
dat wekt in hem een onbestemd verlangen. <119> Opnieuw een verwarde droom
– Mann laat hier, bij wijze van dagrest, een letterlijk citaat opduiken: ‘het
was niet duidelijk wat daar eigenlijk te drogen viel, zweet of tranen’ (101).
In die droom ziet Hans Castorp aan wie Clawdia Chauchat hem doet denken – maar
het wordt niet geëxpliciteerd. Hij slaat ook voor Krokowski op de vlucht: hij
voelt voor diens ‘zielsontleding’ ‘een razende, een waarlijk onzinnige angst’.
<120> In zijn droom wil hij Settembrini wegduwen, en hij komt tot een
conclusief besef van wat de tijd is: een thermometer zonder schaalverdeling.
Hij droomt ook hoe hij de binnenkant van Clawdia Chauchats hand kust
<121> en hoe hem dat opnieuw het gevoel verschaft dat het genot van de
schande opweegt tegen de bevrijding van de druk eer te behalen – hetgeen niets
anders betekent dan: de vreugde om het laten vallen van dat laagje beschaving,
een vrijheid die mensen kan overkomen wanneer ze oog in oog staan met hun
eindigheid.121>120>119>118>117>116>115>114>113>112>111>110>109>108>
Abonneren op:
Posts (Atom)





















