fragment uit Het maaiveld
Wiskunde is nooit mijn fort geweest. Zolang het om tastbare berekeningen ging waarbij moest worden opgeteld, vermenigvuldigd, gedeeld en afgetrokken, bleef het voor mij bevattelijk, maar zodra er abstracties bij kwamen en de a’s en b’s en x’en en y’s voor ondoorgrondelijke grootheden kwamen te staan die met elkaar verbanden begonnen aan te gaan en daarbij aan wetmatigheden gehoorzaamden op een standvastige manier die iets weerspiegelde van de voorspelbaarheid waarmee sterren en planeten om elkaar heen draaien en krachten zich onwrikbaar tot elkaar verhouden maar waarin ik de logische consistentie niet kon ontwaren, kreeg ik het moeilijk om alles te volgen. Toen er ook nog eens limieten en sinussen en cosinussen aan te pas kwamen, verloor ik definitief de aansluiting en restte mij geen andere oplossing dan alle bewijzen die wij voor de talrijke toetsen en voor het examen dienden te kennen op een puur machinale manier vanbuiten te leren, zonder er ook maar één tittel of jota van te begrijpen. Ik was daarin de gelijke van Paul-Emile Teysseyre, die door Stendhal in diens memoires wordt gememoreerd. Deze medeleerling van Henri Brulard, zoals Stendhal zichzelf noemt, was een ‘vriendelijke kleine schavuit (...) die alle stellingen die bewezen moesten worden domweg uit zijn hoofd leerde zonder zich erom te bekommeren of hij er ook wel iets van snapte’.(*)
Het lukte mij de bewijzen in te prenten door ze over te schrijven, telkens opnieuw, tot ik de hele opeenvolging van pijlen, getallen en breukstrepen gedachteloos uit het hoofd kon reproduceren. Talloos zijn de vellen die ik op die manier heb volgekrast. Als een aap zou kunnen schrijven, wat hij – denk ik – kan, zij het op een al even louter motorische manier, dan zou hij op dezelfde manier kunnen proberen niet te zakken voor het vak algebra.
Maar men moest mij niet vragen waarover dat geheimschrift ging. Vergelijkingen kende ik enkel uit de bellettrie. Een paar dagen na het examen was ik alles grondig vergeten, ik heb nooit wiskundige kennis kunnen cumuleren. Hoogstens slaagde ik erin een ad-hockennisvoorraadje op te bouwen. Na het – met de hakken over de sloot voor de exacte vakken – succesrijk afronden van het laatste jaar van de humaniora heb ik nooit nog met algebra te maken gehad. De talloze uren die ik eraan had besteed koekten samen tot een nare herinnering. Ik kon me hoogstens, samen met Loeki Knol, afvragen: ‘Wat heb ik nou aan algebra, nu ik voor de keuze sta.’(**)
(*) Stendhal,
Het
leven van Henri Brulard,
220-221
(vertaling C.N. Lijsen)
(**)
https://www.youtube.com/watch?v=kEd_ICRX6kg