donderdag 7 juni 2012

Vademecum voor 'De ringen van Saturnus' van W.G. Sebald

De overgangen van Saturnus



vooraf: Deze tekst is niet geschikt voor wie nog van plan is het meesterwerk van W.G. Sebald voor een eerste keer te lezen. Hij is vooral bedoeld voor wie dat al gedaan heeft. Natuurlijk mogen zij die dat niet hebben gedaan en dat niet van plan zijn, en dus ongelijk hebben, zich ook aan de lectuur van wat hieronder te lezen staat begeven.



1.

Eén jaar na het begin van een voettocht door Suffolk, tijdens dewelke hij zowel een ‘heerlijke ongedwongenheid’ heeft ervaren als een ‘verlammend afgrijzen’ bij het aanschouwen van ‘de sporen van vernietiging’, belandt de ikfiguur, die ik hier verder ‘Wandelaar’ zal noemen, misschien wel door dat ‘afgrijzen’, in het ziekenhuis van Norwich. Daar is hij begonnen met de aantekeningen voor ‘de hier volgende bladzijden’.

 ‘Vandaag’, meer dan een jaar na zijn ontslag uit het ziekenhuis, herinnert Wandelaar zich dat hij in het ziekenhuis door het raam van zijn kamer naar buiten keek. Hij overweegt dat toen Michael Parkinson nog in leven moet zijn geweest. Michael Parkinson verrichtte onderzoek naar de schrijver Ramuz en maakte, in het kader van dat onderzoek, vaak voettochten. Niemand verwachtte dat hij, net geen vijftig jaar oud, zou overlijden.

Parkinsons vriendin Janine Rosalind Dakyns, die enkele weken na Parkinsons dood ‘door een ziekte werd getroffen die haar lichaam in zeer korte tijd verwoestte’, was Flaubert-vorser. Zij was het die Wandelaar doorverwees naar de chirurg Anthony Batty Shaw, toen hij, kort na zijn ontslag uit het ziekenhuis, bij haar aanklopte met een vraag over de zoekgeraakte schedel van Thomas Browne.

De chirurg Thomas Browne overleed in 1682. De kans bestaat dat hij in 1632 de door Rembrandt geschilderde anatomische les van Nicolaas Tulp heeft bijgewoond. Hoe heeft hij die obductie bekeken? Heeft hij toen de witte nevels gezien die uit het lijk lijken op te stijgen, nevels die ook Wandelaar ziet wanneer hij na zijn operatie een soort van delirium beleeft? Na zijn ontwaken kijkt hij opnieuw door het raam en ziet in een condensstreep van een vliegtuig ‘een barst die sindsdien door mijn leven loopt’.

Dat vliegtuig is onzichtbaar – het onzichtbare ligt aan de grondslag van de ordeningen en patronen die Browne probeerde te inventariseren. Daarbij had hij – dat is menselijk – altijd ook oog voor het bizarre, voor de uitzonderingen. Hij stelt vast dat er in de werkelijkheid wezens en levensvormen bestaan die, aldus Wandelaar, zo bizar zijn dat ze niet moeten onderdoen voor de fabelwezens die door Borges zijn geïnventariseerd.

Browne bestudeerde dit alles vanuit een extern standpunt, vanuit de hoogte als het ware, en hij probeerde de duisternis van de onkunde te verlichten met het licht van zijn kennis. Hij stelde vast dat elk wezen al van meet af aan zijn vernietiging in zich draagt. Het besef dat alles vergankelijk is, doordrong hem helemaal wanneer hij opgegraven urnen bestudeerde, meerbepaald de voorwerpen die daarin zijn meebegraven. Deze voorwerpen wijzen op een geloof in een voortbestaan, of toch minstens in ‘het geheimzinnige vermogen tot transmigratie’, zoals Browne het bij vlinders heeft bestudeerd.



2.

Augustus 1992. Wandelaar reist met een ‘dieselrailbus’ vanuit Norwich in dalende lijn richting Lowestoft aan de Noordzeekust. Hij stapt af in Somerleyton en bezoekt daar het landgoed dat, op de plek waar generaties landadel sinds de middeleeuwen elkaar hebben opgevolgd, gebouwd werd door de zichzelf opgewerkt hebbende arbeider Morton Peto. Nu is het kasteel in verval, maar de tuin beleeft wel, met bomen die tot volle wasdom zijn gekomen, zijn hoogtepunt.

Wandelaar praat met de tuinman van het landgoed, William Hazel. Hazel vertelt, wanneer hij hoort over de Duitse afkomst van Wandelaar/Sebald, over de bombardementsvluchten die tijdens de Tweede Wereldoorlog uit deze streek vertrokken richting Duitsland. Het verwondert hem dat de Duitsers zelf niets over de verwoesting van hun steden lijken te hebben opgeschreven. Hij vertelt ook nog hoe hij twee Amerikaanse vliegtuigen zag neerstorten.

Wandelaar wandelt van Somerleyton naar Lowestoft. Ook die stad, ooit een mondaine badplaats en schijnbaar het werk van ‘een vernuft dat alles doortrekt, van het totaalplan tot het kleinste detail’, is volop in verval. Het avondmaal in het hotel vormt een triest dieptepunt. De hoteluitbaatster lijkt dwars door Wandelaar heen te kijken. ’s Anderendaags ziet Wandelaar een lijkwagen passeren en hij moet denken aan ‘die ambachtsgezel uit Tuttlingen’ die zich in Amsterdam bij een lijkstoet aansloot en sindsdien alles veel beter kan relativeren.

Wandelaar bezoekt de pier van Lowestoft. Zijn inmiddels overleden buurman Frederick Farrar heeft er hem nog over verteld: hoe hij als kind vanuit een bootje op zee de societyfeesten gadesloeg die op de in nevelen gehulde pier plaatsvonden. Farrar is op hoge leeftijd aan zijn eind gekomen doordat zijn jas op schier onverklaarbare wijze in brand schoot terwijl hij in zijn bloementuin, de mooiste van heel de streek, aan het werken was.



3.

Wandelaar verlaat Lowestoft zuidwaarts langs het strand. Hij bekijkt de tentjes van de strandvissers. De strandvisserij zieltoogt. De tijd van de overvloedige haringbevissing is voorbij. We leren over de haringvisserij, over de stuiptrekkingen van aan land getilde, stervende haringen, en over het feit dat ze in dat stervensproces licht afscheiden – zoals verderop in dit boek van de tallozen die afgeslacht worden in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog gezegd worden dat hun lijken fosforiseren.

Wandelaar stapt verder zuidwaarts langs het strand, tot het brakwatermeer Benacre Broad. Daar blijft hij een tijdje kijken naar de bewegingloze helderheid en is hij zich voortdurend bewust van de vergankelijkheid van dit landschap. Hij blijft daar tot donkere stapelwolken de zon verduisteren. Door deze verduistering denkt hij aan de onlangs overleden bewoner van het herenhuis aan de overkant van het meer: majoor George Wyndham Le Strange, die er, de naam zegt het al, een vreemde levenswandel op nahield.

Nog zuidelijker is er een klif, met onderaan op het kiezelstrand een hoop bomen die in de loop van de jaren, naarmate de erosie de klif meer landinwaarts heeft teruggedrongen, naar beneden gevallen zijn. Landinwaarts graast een kudde varkens. Deze kudde doet Wandelaar denken aan de parabel van de Gerasener. Zwaluwen die door de lucht scheren onderbreken zijn gemijmer hierover. Wandelaar denkt nu aan het verhaal ‘Tlön, Uqbar, Orbis Tertius’ van Borges. Dat verhaal gaat over het bereiken van een nieuwe werkelijkheid via het louter irreële. De verteller in het verhaal van Borges werkt aan een vertaling van Thomas Brownes boek over de begraven urnen.



4.

Gezeten op een bankje in Southwold kijkt Wandelaar uit over de zee waar in 1672 de Nederlandse en de Britse vloot een belangrijke zeeslag leverden. Hij mijmert over het vallen van de nacht. Een verre wolkenbank herinnert hem aan een droom die hij ooit had over een reis door de bergen. In je dromen kijk je door een sluier die alles, paradoxaal genoeg, veel helderder maakt.

Wandelaar herinnert zich dat hij een jaar geleden op het strand van Den Haag in de richting van Engeland heeft staan kijken. Na een bezoek aan een bijzonder multiculturele wijk van de stad had hij er het Mauritshuis bezocht om er ‘De anatomische les’ van Rembrandt te bestuderen. Johan Maurits was gouverneur in Brazilië en wijdde in 1644 zijn woning in. ‘[P]recies driehonderd jaar voor mijn geboorte’, voegt de verteller (Wandelaar; ‘ik’) daar aan toe. WG Sebald is geboren in 1944. De indianen die, om het decor luister bij te zetten, werden ingezet bij de inwijding van het Mauritshuis, verdwenen zoals schimmen verdwijnen. Na zijn bezoek aan het Mauritshuis ging Wandelaar nog wat rusten op het strand van Scheveningen.

Diezelfde avond kwam Wandelaar aan in Amsterdam. Hij overdacht er zijn reis tot dan toe, onder andere zijn bezoek aan het schrijn van de H. Sebald in Neurenberg. Die huwde in Parijs met een prinses maar werd tijdens de bruidsnacht overvallen door een ‘plotseling gevoel van diepe waardeloosheid’. Hij verliet zijn bruid en trok op mirakelreis door Europa. Een van de wonderen die hij verrichtte was het stoken van een vuur uit ijspegels voor een wagenmaker die zonder hout zat.

In zijn hotelkamer in Amsterdam beleefde Wandelaar tijdens een onweer nog een ogenblik van volstrekte helderheid.

Wandelaar wachtte, na dit verblijf in Amsterdam, in Schiphol op zijn vliegtuig terug naar Norwich. Maar hij droomde weg. Schiphol leek hem het voorgeborchte van een hiernamaals. Wat later vloog Wandelaar boven een overgeorganiseerd, overvol land waarin geen levende ziel te bespeuren viel. Hoe ondoorgrondelijk is, zo besloot hij, het lot van de mens en de betekenis van zijn daden.

Tot daar de reis van één jaar eerder naar Nederland.

Terug in Southwold. Wandelaar brengt een bezoek aan de Sailor’s Reading Room. Hij vindt daar een foliant met foto’s uit de Eerste Wereldoorlog. Terug in zijn hotel leest hij in een krant een artikel over de oorlogsgruwelen, aangericht door Kroaten met de steun van de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog.



5.

Op de avond van zijn tweede dag in Lowestoft ziet Wandelaar een televisiedocumentaire over Roger Casement. Roger Casement zou in Congo Jozef Conrad hebben ontmoet. Wandelaar valt in slaap en reconstrueert later de levensverhalen van deze beide figuren.

Van een detail in de levensloop van Jozef Conrad – zijn passage voor de kust van Oost-Engeland aan boord van een schip – is een spoor terug te vinden in het logboek van het havenkantoor van Lowestoft. Wandelaar herkent in de situatie van Conrad, ook een inwijkeling, de zijne. Na twaalf jaar verblijf in Lowestoft, waar hij het Engels in die mate machtig was geworden dat hij in die taal kan schrijven, keerde Conrad terug naar Kazimierowska. De laatste acht uur van de reis legde hij in een slede af.

In 1890 reisde Conrad naar Kongo, naar een van de duisterste hoofdstukken van het kolonialisme. Wanneer in 1891 Conrad terug in Oostende was, vertrok van daaruit Joseph Loewy naar Kongo. Loewy is een oom van Franz Kafka.

Op het Kafka-zijspoor wordt niet ingegaan. We blijven Conrad volgen. Hij reisde naar Brussel. De lelijkheid van België heeft, volgens hem, ongetwijfeld met de uitbuiting in Kongo te maken. Wandelaar zelf heeft dat ook kunnen vaststellen in 1964, tijdens een reis naar Waterloo, toen hij tot de vaststelling kwam hoezeer geschiedschrijving altijd tekortschiet.

Tijdens die reis van 1964 zag Wandelaar in een Brussels restaurant een oude vrouw haar vlees aansnijden. Zij zou kunnen geboren zijn in 1903, het jaar dat de Kongo-spoorlijn voltooid werd. Roger Casement was in 1903 consul in Boma toen hij de gruwelen van het kolonialisme aan het licht bracht. Casement werd om die reden op een zijspoor gezet en wijdde zich daarna aan mistoestanden in Zuid-Amerika en Ierland. Een wanhoopscollaboratie met de Duitsers in 1915, op zoek naar steun, en de verdachtmaking van homoseksualiteit betekenden het einde voor het engagement van Casement.



6.

Over de Blyth is er ter hoogte van Southwold een spoorwegbrug geslagen. Op die spoorweg reed ooit een voor de keizer van China gemaakte, maar nooit geleverde, trein. Die niet-levering had wellicht te maken met de bloedige, mede door Britten – door de zogenaamde opiumoorlogen – veroorzaakte of minstens aangewakkerde en in elk geval ook mede uitgevochten oorlogen in China waarbij uitzonderlijk rijke kunstschatten werden vernield en waarbij de keizer-weduwe Tz’u-hsi gebruikmaakte van het machtsvacuüm dat was ontstaan door het vroegtijdige overlijden van keizer Hsien-feng en het nog onmondig zijn van diens vijfjarige opvolger T’ung-chih om de macht te grijpen. De dag nadat Tz’u-hsi de volgende kandidaat-opvolger Kuang-hsu (voor wie de trein, die dus een tijd tussen Southwold en Haleworth heeft gereden was bestemd) had uitgeschakeld, stierf de keizerin zelf – en ze besloot dat de geschiedenis een aaneenschakeling van rampen is.

Wandelaar overdenkt dit terwijl hij langs de verlaten spoorlijn naar Dunwich trekt, en ook het feit dat er – zoals ook in het verhaal ‘Tlön, Uqbar, Orbis Tertius’ van Borges wordt verdedigd – meer duisternis is dan helderheid. Dunwich was in de middeleeuwen een van de belangrijkste steden van West-Europa, maar nu is het nagenoeg volledig van de klippen gevallen. Wie hier staat, voelt de zuigkracht van de leegte. Dat trekt zwaarmoedige schrijvers aan. Zoals Sebald natuurlijk, maar ook Algernon Swinburne, die hier, als van zijn voorgeslacht afwijkende afstammeling van belangrijke strijders en ontdekkingsreizigers, in de jaren 1870 rust kwam zoeken. Hij vluchtte voor de gevolgen van een psychische aandoening en gedroeg zich, volgens getuigen, als een zijderups.



7.

In het binnenland achter Dunwich mijmert Wandelaar over de ontbossing en over de beschaving, die in feite niets meer is dan een gigantisch verbrandingsproces. Hij verdwaalt op de heide en krijgt een paniekaanval. Uiteindelijk vindt hij een uitkijkpost. Hij kijkt uit over de afgrond en ziet een visioen van vernieling en dood.

In de kruidenierswinkel van Middleton voelt Wandelaar zich een vreemdeling. Hij wil in Middleton schrijver Michael Hamburger bezoeken. Hamburger vluchtte in 1933 naar Engeland en liet daarmee zijn Duitse kindertijd en taal achter. Ook mee deze Hamburger is Sebald derhalve zeer verwant.

Wandelaar stuit in de autobiografische notities van Hamburger op een zekere Stanley Kerry. Hij heeft hem nog ontmoet, vlak nadat hij zelf, zoals Sebald, in 1966 in Manchester was aangekomen. Kerry was toen een excentriekeling die zich toelegde op het schrijven van Japanse karakters. Wandelaar verwondert zich over de duizelingwekkende verbanden tussen de levens.

Door toedoen van Hamburgers vrouw Anne komt het tot een gesprek over rouwen. Anne vertelt een droom waarin ze door een bos zweeft. Wandelaar neemt afscheid van de Hamburgers en rijdt met een taxi naar Southwold.



8.

In het hotel in Southwold heeft Wandelaar met de Nederlander Cornelis de Jong, die in Suffolk stukken grond opkoopt, een gesprek over het verband tussen de geschiedenis van de suiker en de geschiedenis van de kunst.

Wandelaar rijdt met Cornelis de Jong naar Woodbridge. De Nederlander wil daar een stuk grond bezichtigen. Wandelaar neemt afscheid van De Jong en bezoekt het restant van het huis waar de schrijver Edward FitzGerald is geboren uit steenrijke ouders. FitzGerald voltooide zijn vertaling van een lang Perzisch gedicht in hetzelfde jaar dat zijn goede vriend William Browne, voor wie hij nimmer uitgesproken homo-erotische gevoelens koesterde, overleed aan de gevolgen van een jachtongeval. Daarna leidde FitzGerald een eenzaam, teruggetrokken en excentriek bestaan.

Wandelaar overnacht in Woodbridge in een hotel dat zo in zijn voegen kraakt dat je zou denken dat het een schip is dat gevat wordt door een storm. Hij droomt dat hij met FitzGerald in de tuin zit van het landgoed van de Ashbury’s nabij het Ierse Clarahill waar hij enkele jaren geleden was. Hij was toen, afgaande op een B&B-advertentie die bij de plaatselijke kruidenier was uitgehangen, zeer toevallig op het landgoed van de Ashbury’s aanbeland. De moeder en de vier kinderen Ashbury hielden zich bezig met nutteloze activiteiten. Samen met hun gast bekeken ze de filmpjes waarop te zien was hoe het vroeger was. Mevrouw Ashbury vertelde dan over hun tijd in Ierland, en hoe ze daar ongewild in de Ierse burgeroorlog verwikkeld raakten – een oorlog waarin de republikeinen honderden landhuizen van de hoge aristocratie vernielden.

Wandelaar nam de volgende dag van dat verblijf in Ierland afscheid van de familie Ashbury, en dus ook van Catherine, een van de dochters. Jaren later heeft hij haar nog teruggezien, of denkt hij haar te hebben teruggezien, als actrice in een Berlijns achteraftheater.

Wandelaar stapt van Woodbridge naar Orford door een gebied dat door toedoen van de nieuwe rijke burgerij is getransformeerd tot jachtgebied. De nieuwe rijken bouwden landhuizen en maakten van de kust een langgerekt kuuroord voor de high society. Maar even snel als deze mondaine bouwwerken waren opgerezen, zijn ze weer verdwenen. Of ze kregen andere bestemmingen. Zo werd in Bawdsey Manor, toebehorend aan de familie Quilter, het radarsysteem ontwikkeld dat de Britten tijdens de Tweede Wereldoorlog zoveel diensten zou bewijzen. Nu nog zijn er tussen Woodbridge en de zee militaire installaties. Daar werden destijds geheime en gevaarlijke operaties opgezet die nog steeds niet al hun geheimen hebben prijsgegeven. Wandelaar bezoekt, geholpen door een veerman, het geheimzinnige schiereiland Orfordness; hij krijgt er het gevoel dat hij de resten van onze beschaving bezoekt.



9.

Wandelaar rijdt met de bus van Orford naar Yoxford, en gaat van daar te voet richting Harleston. Hij bezoekt Alec Garrard, die al twintig jaar bouwt aan een model van de tempel van Jeruzalem. Garrard voert na de bezichtiging van zijn zinloos bouwsel Wandelaar naar Harleston. Daar overnacht Wandelaar in het Swann Hotel, waar – opnieuw – alles scheef en op instorten lijkt te staan.

De volgende dag verdwaalt Wandelaar in het All Saints genaamde gebied, tot hij Ilketshall St. Margot bereikt. Hier was het dat Chateaubriand in 1795 een relatie leek te zullen beginnen, hoewel hij in het door hem ontvluchte revolutionaire Frankrijk al getrouwd was, met Charlotte, de dochter van reverend Ives. In 1822 ontmoette hij haar nog eens. Chateaubriand mijmerde over de last van het geheugen en de noodzaak van het schrijven – gedachten die Sebald ongetwijfeld ook koestert. Het gaat in dit hoofdstuk verder over hoe de Mémoires d’outre-tombe zijn ontstaan, en over de jeugd van Chateaubriand in Combourg.

Wandelaar bezoekt in Ditchingham Lodge het graf van de zoon van Charlotte Ives, en wat verderop het landschapspark van Ditchingham, dat zodanig is aangelegd dat elk spoor van menselijke aanwezigheid erin onzichtbaar is gemaakt. Ook Chateaubriand legde zo’n park aan. Hij ging als het ware een relatie aan met de bomen. Heel veel van de in die tijd aangeplante bomen zijn intussen verdwenen door toedoen van ziekten en stormen. Vooral de storm van 17 oktober 1987 richtte een enorme ravage aan.



10.

In het door Thomas Browne nagelaten convoluut met geschriften over uiteenlopende onderwerpen staat een bijdrage over een imaginaire bibliotheek. Een van de schatten in Brownes Musaeum Clausum is de holle staf waarin twee Perzische monniken ten tijde van de Byzantijnse keizer Justinianus eieren van de zijderups uit China naar het Westen hebben gesmokkeld. De zijdeteelt werd over een tijdsspanne van ruim duizend jaar geïntroduceerd in het Westen: eerst in Griekenland, vervolgens in Italië en, tegen het eind van de 16de eeuw, in Frankrijk. Daar werd de techniek gepropageerd door Olivier de Serres. De duc de Sully verzette zich – vergeefs – tegen de invoer van de zijdeteelt met argumenten die hij in zijn memoires uiteenzette. Die memoires behoren tot Wandelaars favoriete lectuur.

In de eerste helft van de 17de eeuw werd ook in Engeland, vooral in de regenarmere streken rond Norwich, de zijdecultuur geïntroduceerd. Met groot succes. Norwich is op een gegeven ogenblik zo zijdenijver, dat de stad licht lijkt af te geven. Zoals de stervende haringen en de stervende rupsen en de stervende soldaten, en zoals het landgoed van opgewerkte arbeider Peto in hoofdstuk 2. Nog voor de industrialisatie zaten de wevers er gevangen in hun getouwen. Hun werk maakte hen melancholisch en zij waren daarin verwant aan schrijvers.

Eind 18de eeuw probeerde ook Duitsland een zijdenijverheid op te zetten. Deze poging mislukte door een te doorgedreven bureaucratisering en door de grillen van het klimaat. Enkele tientallen jaren later probeerde een zekere Joseph von Hazzi een tweede poging te organiseren. Hij schreef voor de ruimten waarin de zijderupsen werden gekweekt te bewerken met een chloorgas. Zijn pleidooi bleef zonder gevolg. Maar honderd jaar later probeerden de nazi’s het een derde keer, ‘met de grondigheid die de Duitse fascisten bij alles wat ze nastreefden eigen was’.

Nu onstaat voor Wandelaar/Sebald de naargeestige gelegenheid om de kweek – en het voor de oogst onvermijdelijke uitmoorden – van de zijderupsen uitermate onnadrukkelijk, maar daardoor des te efficiënter, te vergelijken met het systematische uitmoorden door de nazi’s van een ander ras. Aan de basis van beide ‘vernietigingskarweien’ lag dezelfde rationaliteit.

Wandelaar/Sebald sluit zijn aantekeningen af op 13 april 1995, de verjaardag van talrijke calamiteiten die zich in de loop van de geschiedenis hebben voorgedaan, en ook de sterfdag van zijn schoonvader. Hij denkt aan het dragen van zwarte zijde, ooit een teken van rouw.

2890

Marseille - 2008 (?)

woensdag 6 juni 2012

reactie

Beste Pascal,

Het blijft toch vreemd, wanneer een man beoordeelt of een vrouw wel of niet "haar vrouwelijkheid ten volle heeft opgenomen". Iets in mij verzet zich fundamenteel tegen uw oordeel. Celibaat is iets absurds, in de ogen van vele geestelijken is het ook een offer, of een vorm van armoede; maar ik denk dat het eeuwenlang, bijna in het verborgene en op kleine schaal, ook een dynamiek van onbaatzuchtigheid in stand heeft gehouden. In elk geval heeft het interessante culturele resultaten opgeleverd (denk maar aan vrouwen als Hildegard van Bingen, Theresia van Avila, Jeanne de Chantal, maar ook Hadewych)en biedt het meer variatie dan de "natuurlijke" kijk op vrouwen als uit te huwelijken fokvee.

2889

I.

dinsdag 5 juni 2012

schrikkel 145a


Wij hadden tot middernacht gewerkt en gingen nu op het station af. De dagingang was al gesloten. Er vertrok nog een trein om twintig over. Op het plein was het nachtleven al begonnen: een vrolijke anarchie waarin pendelaars zich beter niet mengen. Ik zou om twee uur thuis zijn, om half drie in bed. En binnen negen uur zou ik hier opnieuw passeren, maar dan in de tegenovergestelde richting.

schrikkel 144

De gelijkenis met een gefossiliseerd vliegend reptiel roept de tijd op dat dit prille wezen nooit zal hebben gekregen om tot volle wasdom te komen. Wonderlijk geconstrueerd, met alles erop en eraan – maar het dient tot niets. Of het zou moeten zijn dat het dient om ons op de sterfelijkheid te wijzen en op de blinde gang der genen. Uit het nest gevallen of gestoten, we zullen het niet weten en het heeft ook geen belang. Dit kuikenfossiel is rijp voor de verrotting, het zal maar even hebben bestaan. En het is, daarin, verwant met ons.

reactie

Dat ze (enkel) zichzelf opblazen, beste heer Pascal, daar moet ik 'respect' voor opbrengen, vermoed ik. Zolang er maar geen 'collateral damage' is ...
een 'retourbiljet' naar God. Ach.

Maar misschien kan je eens spreken met de Deense cartoonist van de Bom. Was het alleen maar bij schreeuwen gebleven, dan tekende hij misschien nog wel ...

Vergelijking loopt een beetje mank, vrees ik.

mvg

Uvi

PS.
Toch spijtig dat God niet meer bestaat. Nu moet IK alles alleen oplossen.

2888

D.

maandag 4 juni 2012

uit een mail aan een kritische bloglezeres

(...)

Maar goed, we moeten het hebben over de nonnenfoto en wat ik daarbij heb geschreven.

Je hebt gelijk: ik had de woorden 'strompelende en verschrompelende kenauen' wellicht niet moeten gebruiken en misschien is het inderdaad beter dat deze religieuze relicten van een vervlogen verleden niet de knowhow hebben om zich op mijn blog te vergewissen van hun anachroniciteit.

Ik beken, ik was weinig respectvol. Hoewel? Heb je mijn tekst goed gelezen? Ik overloop hem nog even, samen met jou als je dat wil. Dat veronderstelt dus dat je die tekst er even bij neemt.

Het wordt inderdaad een zeldzaamheid, nonnen in het straatbeeld. Dat is niet méér dan een nuchtere vaststelling. De verwijzing naar geest, of Geest, is natuurlijk ingegeven door de reclame voor 'ESPRIT' op de foto. De link naar Sonneveld – en ik hoop dat je zijn sketch over de pinguïnnonnen op YouTube hebt bekeken – is niet toevallig: het gaat mij om de manier waarop je kùnt lachen met dingen, en toestanden, en zelfs mensen, die in een sfeer van eerbiedwaardigheid vertoeven. Door deze verwijzing in mijn tekst op te nemen, plaats ik mezelf – als het ware want ik hoor dat, in het licht van het genie van Sonneveld, met alle bescheidenheid te doen – in een bepaalde komische traditie. Of in elk geval: wat ik verder over die nonnen zeg, moet in het licht worden gezien van de ironie en de humor die van de sketch van Sonneveld afstralen. Met andere woorden: wat ik over die nonnen zeg, moet je niet helemáál au sérieux nemen.

Die ‘kenauen’, dat is erover. Dat geef ik toe. Hoewel, Van Dale zegt dat ‘kenau’ een ander woord is voor ‘manwijf’. Nonnen zo noemen, is derhalve een mening uitdrukken over het feit dat zij hun vrouw-zijn nooit ten volle hebben opgenomen. Het ‘strompelen’ en ‘verschrompelen’ is iets wat in mij, bij de aanblik van die nonnen, opkomt om het contrast met de winkelstraat, waarin enkel dynamiek en jeugdigheid van tel zijn, tot uitdrukking te brengen. Op ‘grijze muizen’ kom ik niet terug. Ik vind nonnen nu eenmaal niet ‘sexy’ – opnieuw: vanuit het perspectief van de waardenschaal van de winkelstraat. Een waardenschaal die ik, voor alle duidelijkheid, niet onderschrijf – maar het is wel een realiteit waar ik ook niet blind voor wil zijn! ‘Een leven laten voorbijgaan zonder echt te leven’, dat brengt de problematiek van het celibaat aan. Ik ben, en blijf, overtuigd van het feit dat iemand die nooit de warmte en de troostende compliciteit van de seksuele gemeenschap en eventueel het daaruit voortvloeiende (of voortspruitende) ouderschap heeft gekend, nooit écht, dat wil zeggen volledig, heeft geleefd. ‘Devote frustrées’? Ach, dat ik ze devoot noem, kan mij toch moeilijk worden aangewreven. En ‘gefrustreerd’? Ja, zowel als gevolg van hun onthoudingspolitiek als van de wetenschap dat we dat wellicht in min of meerdere mate allemaal zijn: gefrustreerd. En dan het ‘steriel’ en ‘vruchteloos’? Dat moet je in een en dezelfde betekeniscluster zien – dat zijn nu eenmaal de wetten van de literatuur (en literaire pretenties heb ik!) -: de dorheid van de nonnenschoot, en het per definitie – aangezien er, in mijn wereldbeeld, geen God bestaat – vruchteloze van hun gebeden. En dan dat ‘onbevlekt’ en ‘knikkebollend’: is dat blasfemisch? Ach, als dat blasfemisch is voor de katholieken, dan zijn zij even erg als de moslimfundamentalisten die moord en brand schreeuwen en bereid zich om zichzelf op te blazen voor een niet eens bijzonder spitsvondige cartoon waarop de baardprofeet met een bom staat te zwaaien. Bovendien is ‘onbevlekt’ – als ik het dan toch moet uitleggen – een allusie op dat volstrekt ridicule, eind-19de-eeuwse, dogma dat nu al in die mate meer verwarring heeft gezaaid dan duidelijkheid heeft geschapen dat het nu maar eens tijd wordt om er definitief afstand van te nemen. En dan de laatste opmerking, over dat alweer een dag dichter bij de verlosser staan. Dat is misschien de meest fundamentele kritiek die ik in mijn tekst heb binnengesmokkeld. De gelatenheid en het schaapachtige vertrouwen waarmee die devote katholieke vrouwen, die nonnen, zich naar het einde slepen en hun angst voor het sterven wegredeneren in een beaat geloof en zelfgenoegzame kwezelachtigheid. Ach.

Versta me niet verkeerd, Christiane. Natuurlijk heb ik niets te zeggen over de manier waarop andere mensen – nonnen en anderen – met hun sterfelijkheid omgaan. En natuurlijk weet ik dat veel van die nonnen – niet allemaal! – een werkelijk exemplarisch, dat wil zeggen: voorbeeldig, leven leiden of hebben geleden vol weldaden en inpirerende handelingen. (Ik heb er onlangs zo een leren kennen, ze had zich haar hele leven ingezet voor de geesteszieken in de Psychiatrische Kliniek Onze-Lieve-Vrouw op Sint-Michiels. Ik kan je zeggen: ik heb zéér veel bewondering voor haar opgevat.) Het enige wat ik met dat tekstje bij die foto heb willen zeggen – en ik geef het toe, misschien een beetje bruskerend en niet helemáál rekening houdend met alle mogelijke gevoeligheden –, is hoe het mij opviel hoe die twee – inderdaad strompelende en verschrompelende en grijze nonnen – totáál niet pasten in die winkelstraat en eigenlijk niets, maar dan werkelijk niets, van de geest (Geest) ofte ‘ESPRIT’ die zij zeggen te vertegenwoordigen overbrachten naar onze volslagen geseculariseerde 21ste eeuw.

Waarmee ik geen positief oordeel heb uitgesproken over de 21ste-eeuwse winkelstraat.

En dan is er in je reactie nog die sneer 'Gelukkig merken ze niet dat er steels van hen een foto wordt genomen.' Tja, wat moet er over dat steelse worden gezegd? - het zou ons heel ver kunnen voeren. Ik toon wat ik zie. Veel meer dan dat is het niet. Maar het betekent wel dat het te zien is. Is het tonen van wat te zien is diefstal?

Zo, ik hoop dat dit toch enige verduidelijking heeft verschaft.

Beste groet,

Pascal

wolken 386-387

wolkencitaten uit: Botho Strauss, Opdracht

386
Heel Europa gaat thans onder deze hitte gebukt. Dertig graden in de schaduw, midden juni, lichte stapelwolken, iedere dag hetzelfde. (9)

387
Ik tilde de gordijnen opzij en zag boven mij één enkele zwarte wolk, zwaar geladen, gewelfd als een reusachtig menselijk brein en, omdat deze juist voor de zon hing, omlijnd door een stekende lichtglans. (113)

schrikkel 143

Het is verderop verboden, maar je moet er hier al af. Wat is het nu precies? Het perspectief brengt de afmetingen van de persoon die inbreuk pleegt op de schaal van de voorstelling, minder zelfs. De afgebeelde persoon binnen de rode cirkel wandelt alvast de door de oranje wijzer voorgestelde richting uit.

schrikkel 142

Zij kwam haar nieuwe auto showen. Haar broer en diens collega waren uit het plaatsbestuur naar buiten gekomen. De collega had ook oog voor haar, onmiskenbaar. Tof bakske, hoeveel peekaa’s? En fiscale? Je ziet het soms, dit soort taferelen. De aanwinst wordt aan een soort van pronk- en keuringsritueel onderworpen. Maar het gaat niet om de wagen!

schrikkel 141

Het is een eenvoudig bestaan, lijkt me. Gedragen door een hoop op grootse vondsten. Een beetje uitzichtloos misschien, maar in elk geval duidelijk en overzichtelijk. En gezond bovendien. Spade in de aanslag om te graven naar bodemschatten en luisteren naar de klank van metaal op een aantrekkelijk en onbegrensd werkterrein.

schrikkel 139d

Steeds vaker worden taken, vroeger door mensen uitgevoerd, overgenomen door machines. We worden allemaal vervangen door vogelverschrikkers. We zijn overbodig. Enfin, toch in veel en wellicht in meer gevallen dan we geneigd zijn te denken. De vooruitgang staat niet stil. Hij raast voorbij en wij gaan ervoor aan de kant staan. De machines tonen hoe bescheiden onze bijdrage vroeger was. Deze, mét zotskap op, maant, door met de linkerarm, of zijn imitatie van een linkerarm, op en neer te zwaaien tot vertragen aan. Een weinig benijdenswaardige taak en we zijn blij dat we het niet meer zelf moeten doen. Maar is het efficiënt? Zotskap of niet, deze mensmachine kan niet uit eigen beweging de geschiktste plaats opzoeken – enkele honderden meter voor de file – om het hoogste rendement te halen. Kom je hem tegen als je al staat aan te schuiven, wordt hij pas goed belachelijk. En dan wou je dat het een levende mens was met wie je al eens een blik kon uitwisselen of, door je opengedraaide ruit, een paar woorden. ’t Ziet er niet goed uit achter je. Zoiets. Of: Heb je een paraplu bij?

reactie

beste Pascal,
ik vind je commentaar niet eerlijk tegenover de vele goedmenende en goeddoende nonnen die er zijn en geweest zijn!

Anoniem

schrikkel 140

Raven en fotograferen, dat is het recept – en ‘raven’ is een werkwoord, Engels uitgesproken. Jan Beddegenoodts, nauwelijks de twintig voorbij, bracht acht maanden door in Israël en Palestina. Hij bezocht er – en nam deel aan – woestijnfuiven, maar ook door politieoptredens onderdrukte opstanden. Hij probeerde de jonge mensen aan beide zijden van de muur waarmee de Palestijnen uit het Beloofde Land worden gehouden te begrijpen. Hij bracht hun spel en strijd in beeld. En hij maakte daarover een boek: A Taste of Freedom. Bij Raaklijn kwam Jan Beddegenoodts spreken. Hij zag er nog een beetje uitgewaaid uit van het feestje van de avond tevoren. Maar hij doet het goede.

geen verloren tijd 44

I, 347-353


In een lange beschrijvende uitweiding over het ten gehore gebrachte muziekstuk dat Swann verhindert de plaat te poetsen, probeert Proust ons te overtuigen van de ‘realiteit’ van het zinnetje dat onze treurende Swann zo ontroerd, van de ‘Swann-zang’, zouden we kunnen stellen. Welk een leed moet er bij de componist, Vinteuil, niet achter hebben gezeten dat hij zoiets heeft kunnen maken? Dat hij in zijn muziek de vreugde én de smart van Swanns liefde voor Odette heeft kunnen veraanschouwelijken, en wel op een zo troostende manier dat meteen alle verdriet wordt gerelativeerd – ‘Qu’est-ce cela? tout cela n’est rien.’ (348:28) – doordat het lijkt te worden opgenomen in een kosmisch geheel dat al het aardse, waar uiteraard al die anderen die bij het concert aanwezig zijn, al dan niet gemonocled, overstijgt en waar zij geen besef van hebben? Hoe dat precies gebeurt, daar valt met de rede niet achter te komen. Muzikale motieven zijn als een soort ideeën, impénétrables à l’intelligence (349:18-19). Maar ze hebben wel een dermate sterk vermogen om in onze ziel – door toedoen van de componist – aansluiting te vinden bij de daar aanwezige emoties, dat ze beslist als evenwaardig kunnen beschouwd worden met les idées de l’intelligence (350:11). Eens gehoord en begrepen, blijven ze in ons aanwezig. We kunnen niet terugkeren naar de staat waarin we ze nog niet kenden. De verrijking die ze ons hebben bezorgd, raken we nooit meer kwijt. Ze zullen ons totderdood vergezellen. En, besluit Proust bevlogen, la mort avec elles a quelque chose de moins amer, de moins inglorieux, peut-être de moins probable (350:41-42). Muziek maakt onsterfelijk. En het gaat wel degelijk over instrumentale muziek: de woorden van een lied zouden maar afleiden van de essentie.

Swann voelt een verlangen om die componist, inconnu et sublime (348:31), te leren kennen: qu’avait pu être sa vie? au fond de quelles douleurs avait-il puisé cette force de dieu, cette puissance illimitée de créer? (348:32-34).

De ijle droomtoestand waarin Swann zich door toedoen van de muziek bevindt, wordt bruusk afgebroken door de comtesse de Monteriender, célèbre par ses naïvetés (353:5). Zij buigt zich, avant même que la sonate fût finie (353:6-7) naar hem toe om hem kond te doen van haar verrukking: zij vond de zojuist ondergane ervaring al even sterk als die keer bij de tables tournantes (353:14-15)! De betovering is verbroken, het muziekstuk ten einde!

2887

E.

reactie

Dag Pascal,

ik vond bij eerste lezing van je commentaar bij die nonnen-foto dat deze als niet-typisch Pascal aanvoelde maar eerder een reactie uit wat een frustratie lijkt, in plaats van de reactie van 'de filosoof' waar we meer aan gewoon zijn.
Nu valt het me op dat er zoveel reactie op komt. Het siert je dat je de reacties publiek maakt. Maar het maakt me ook nieuwsgierig, hoewel het misschien mijn zaken niet zijn, hoe je je bij die reacties voelt (dit is geen naar een verantwoording hengelen).

met kameraadschappelijke groet, K.

zondag 3 juni 2012

2886

Brugge, Stil Ende - 2008 (?)

reactie

Omstreeks 11.00 uur zijn zuster Donata (76) en zuster Yvonne (79) op stap. Zuster Donata is de chauffeur van haar gemeenschap en heeft haar medezuster naar het ziekenhuis gebracht, waar een afspraak voor haar knieoperatie is gemaakt. Samen wandelen ze nu rustig via deze winkelstraat naar de broer van Donata, waar ze het middagmaal zullen nemen. Daarna zullen ze even een bezoekje brengen aan het schoolfeest in het kleuterschooltje in de buurt, ter gelegenheid van de inwijding van de nieuwe speelplaats, grotendeels gefinancierd met steun uit de kas van hun congregatie.
De jongste van de twee is decennialang vroedvrouw geweest, eerst in Congo, later in Rwanda. Nu is ze vrijwilliger op de palliatieve afdeling. Haar medezuster verlangt ernaar om, zodra ze hersteld is van de ingreep, opnieuw in het tweedehandswinkeltje van het Noodfonds mensen te kunnen bijstaan, al was het maar met een luisterend oor.

Allebei zijn ze al meer dan een halve eeuw trouw aan hun roeping. Nog steeds stemt het hen gelukkig en dankbaar dat die ze dag in dag mogen beleven. Met het kapje van hun uniform steken ze uit boven de grijze massa. Moedig blijven ze het dragen, ook al weten ze dat dit teken van hun religieuze inzet een grote verscheidenheid aan reacties oplevert. Gelukkig merken ze niet dat er steels van hen een foto wordt genomen. En al bij al is het ook een meevaller dat de laatste technologische ontwikkelingen aan hen voorbij zijn gegaan, zodat ze nooit de blog zullen lezen waarin ze snerend als ‘strompelende en verschrompelende kenauen’ worden voorgesteld!

Christiane Constandt

zaterdag 2 juni 2012

geen verloren tijd 43

I, 339-347


Swann duikt op in het blikveld van de prinses. Hij weet zich aan Mme de Cambremer en Mme de Saint-Euverte te ontworstelen en begint op speelse wijze een gesprekje met de princesse des Laumes. Hij mag haar wel, sa vue lui rappelait Guermantes, terre voisine de Combray, tout ce pays qu’il aimait tant et où il ne retournait plus pour ne pas s’éloigner d’Odette (340:19-21). Zij heeft bovendien meidoornbesjes in haar hoed verwerkt – de verwijzing naar de aubépines-passages in Combray is duidelijk. Swann en de prinses lachen eerst wat met de familienaam van Mme de Cambremer en hebben het onder meer over Guermantes en de rechten die de prinses daar kan doen gelden. Niet dat ze er wakker van ligt, maar ze weet wel dat de pastoor haar elk jaar cent francs (341:29) uit de zakken troggelt. De princesse is blij dat ze Swann ziet: Avouez que la vie est une chose affreuse. Il n’y a que quand je vous vois que je cesse de m’ennuyer. (342:2-4)

Proust voegt hier onmiddellijk enigszins malicieus aan toe: Et sans doute cela n’était pas vrai. (342:5) Wat zou het ook, niets in deze kringen is waar. Maar ’t is wel waar dat Swann en de prinses op les petites choses (342:6-7) een zelfde kijk hebben. Ze spreken er op dezelfde manier over, met dezelfde stembuigingen. Ze vinden elkaar in de maniertjes van la coterie Guermantes (342:14). Over les choses importantes (342:14-15) daarentegen hebben Swann en de prinses heel verschillende opinies, maar als ze nu zegt dat het leven vreselijk is, kan Swann zich daar wel in vinden aangezien hij voortdurend moet vechten tegen zijn verdriet om Odette. Swann en de prinses spreken af dat ze spoedig eens een avondje samen moeten doorbrengen in Guermantes.

Wanneer de prinses ’s avonds bij haar echtgenoot de soiree die ze net heeft meegemaakt evalueert, kan ze het niet laten te stellen dat het toch wel zonde is dat zo’n interessant persoon als Swann afziet voor une personne de ce genre et qui n’est même pas intéressante, car on la dit idiote (343:21-23).

Swann wimpelt een uitnodiging van de prinses weg: hij wacht eigenlijk op nieuws van Odette. En wanneer hij er dan toch eindelijk in slaagt om zich los te maken en aanstalten maakt om op huis af te gaan, vraagt de generaal de Froberville dat hij hem zou introduceren bij Mme de Cambremer. Zij is nieuw in deze kringen maar begroet de generaal toch al met de gesofisticeerde mengeling van berekening en spontaniteit die maakt dat geen enkel gebaar écht en waar kan zijn.

De generaal blijkt iemand te kennen in dezelfde rue La Pérouse waar Odette woont. Dat stemt Swann melancholiek. Het concert hervat en hij is veroordeeld nog langer te blijven en zich te ergeren aan la bêtise et les ridicules (344:38) van de aanwezigen, die blind blijven voor wat hem werkelijk interesseert of het hoogstens als un enfantillage of une folie (344:43) beschouwen – waardoor hij eenzaam achterblijft met het vervelende besef dat zijn liefde in hun ogen niets anders is dan un état subjectif qui n’existait que pour lui, dont rien d’extérieur ne lui affirmait la réalité (345:1-3). Zo gaat het met de liefde: zij bestaat slechts voor zover zij door de buitenwereld wordt bevestigd.

Het moge duidelijk zijn: Swann verkeert in een wankele gemoedsgesteldheid en is kwetsbaar. De muziek lijkt zijn emoties nog uit te vergroten. Zeker wanneer opeens, onverwacht!, het zinnetje van Vinteuil weerklinkt. Het gevolg laat zich raden: waar Swann er nog min of meer in was geslaagd met een zekere ratio terug te denken aan de vervlogen tijd van zijn onbekommerde liefde voor Odette in abstracte termen als le temps où j’étais heureux (345:29), overvalt hem nu een warreling van zeer concrete en daardoor des te pijnlijkere herinneringsbeelden van dingen en situaties waaraan die liefde zich gehecht heeft. Hij beseft dat het ongeluk, dat hij toen hij gelukkig was, al vreesde, intussen werkelijkheid is geworden: de tijd waarin hij dat geluk heeft beleefd, is voorgoed ontoegankelijk geworden. Het is un monde mystérieux geworden où on ne peut jamais revenir (347:5-6) – behalve natuurlijk, zoals wij als goede Proustlezers inmiddels weten, op een onrechtstreekse en weinig duurzame manier, via de mémoire involontaire. Deze komt hier niet via een geur tot haar ‘slachtoffer’ maar via de – quasi even etherische – muziek. De vergelijking tussen geur en klank wordt trouwens expliciet gemaakt: tandis qu’elle passait, légère, apaisante et murmurée comme un parfum (348:8-9; de vergelijking met un parfum wordt nog eens herhaald op 349:23)).

Terugdenkend aan de Swann die ooit door Odette werd bemind, kan de huidige Swann niet anders dan jaloers zijn. Hij begint zijn monocle op te poetsen – een meesterlijke zet van Proust want zo wordt Swann een gewoon misnoegd mannetje, een van de monocledragers die enkele bladzijden terug (326:11vv) zo meesterlijk-spottend werden neergezet.

wolken 384-385

wolkencitaten uit: Leen Charles, Ancien Regime

384
lieve, kijvende woorden langs mij heen laat stromen / op de tegels druppen, vlekken vormen / en landen, en wolken en de wereld (32)

385
waar auto’s ruggelings langs wolken rijden (60)

reactie

Klopt.
Ik was opgesloten van 53 - 58
in het Klein Seminarie van Mechelen.

Heb de Kerk afgezworen sinds de jaren '70.
Allemaal van vorige eeuw.

Maar ik heb nooit de behoefte gevoeld om het instituut te bekladden.
Ik heb er Mozart en Beethoven ontdekt, het Gregoriaans en de literatuur.

Misschien een artikeltje
over die witte raven van '68.
Die veel later toch ook maar zwarte en ordinaire poenscheppers blijken ...

mvg

Uvi

2885

S. - 2008 (?)

de dingen 71

vrijdag 1 juni 2012

mirage 58


090517 - ik weet niet meer waar dit was, het zal wel Frankrijk zijn

mirage 57

Liberec - 100409

ondertussen in brugge 176

2884