![]() |
| Londen, New Year's Parade - 130101 |
woensdag 17 april 2013
dinsdag 16 april 2013
Jennifer Egan, Bezoek van de knokploeg
De mij tot voor kort niet bekende New Yorkse schrijfster Jennifer
Egan gaat met Bezoek van de knokploeg (A Visit from the Goon Squad, 2010, vertaling
Ton Heuvelmans) in de steeds langer wordende rij romans staan die – gevolg gevend
aan de missie van ware literatuur om de geschiedenis en de tijd (het ‘levensgevoel’)
te peilen en zo de weg te bereiden voor historiografen – de impact van 9/11 op Amerika
in kaart proberen te brengen.
Bezoek van de
knokploeg heeft veel van een puzzel. Of beter: het is een puzzel. Dertien – zeer goed afzonderlijk te lezen –
hoofdstukken, evenveel perspectieven, een heel peloton personages, de een al
belangrijker dan de andere. Dat kan niet anders dan een warrige romanstructuur
opleveren, waarbij het voor de lezer niet evident is om alle eindjes aan elkaar
te blijven knopen. Egan doet trouwens niet overdreven haar best om de linken
tussen de hoofdstukken opzichtig te expliciteren. Bovendien is ook de tijdslijn
van haar roman behoorlijk geaccidenteerd want zij springt voortdurend heen en
weer in de tijd en daarbij doet zij niet alleen het verleden aan maar evengoed de
toekomst.
Wie echter aandachtig genoeg leest en onderweg ook al eens
wat noteert, vergeet, ondanks deze complexiteit, de personages waarmee hij al
heeft kennisgemaakt niet – en dat heeft alles te maken met de manier waarop
Egan hen neerzet, maar ook met de handig ingelaste epitheta en de onnadrukkelijke
recapitulaties. Voor wie in dit kluwen ook dan nog zijn weg niet vindt, heeft
uitgeverij De Arbeiderspers een handig hulpmiddel op het internet geplaatst, inclusief
de mogelijkheid om een vrij volledig schema te downloaden. Daarop zien we alle personages en het type relatie dat hen
verbindt: zakelijk, vriendschap, liefde, getrouwd, gescheiden, familieband… Soms
wordt zelfs aangegeven dat het type van een bepaalde relatie ‘niet bekend’ is. Om
maar te zeggen dat sommige relaties niet te duiden zijn, dat wij nooit volledig de ander en de manier waarop wij met
de ander verbonden zijn doorgronden. En dat is precies een van de dingen die Egan
wil duidelijk maken: onze levens zijn meerduidig, onze kennis van de anderen is
ontoereikend. Bovendien berust het totstandkomen van de relaties tussen mensen vaak
op toeval, ze zijn in elk geval heel vaak – om niet te zeggen altijd – niet het resultaat van een vooropgesteld
plan. Dat verklaart waarom mensen vanuit eenzelfde uitgangspunt en met
schijnbaar dezelfde mogelijkheden toch op totaal verschillende plaatsen kunnen
aanbelanden. Zo maakten Scotty en Bennie deel uit van dezelfde punkband, maar
de ene moet dertig jaar later zijn dagen vullen met vissen aan de vervuilde
rivier terwijl de ander grote sier maakt in een blitz kantoor hoog in een blinkende
wolkenkrabber.
Structuren en patronen zijn in elk geval belangrijk in deze
roman – dat Egan in de persoon van nevenpersonage Mindy (in het
Afrika-hoofdstuk 4) een ‘structuraliste’ opdient, mogen we dan ook zeker als
een knipoog zien.
Door het toeval en het gestructureerd zijn van alles (maar
dan altijd vanuit een bepaald oogpunt) zo uitdrukkelijk te laten meespelen, maakt
Egan een adequate tekening van het grootstedelijke leven. Hoe groot ook de stad
is, of het nu het al bij al overzichtelijke New York is of het chaotische Napels
(waar een van de hoofdstukken speelt), zij blijft toch altijd ook in zekere zin
een dorp: mensen kúnnen elkaar toevallig ontmoeten en zelfs een tweede keer toevallig
ontmoeten. Of ook niet, enfin, je weet het niet. Egan maakt dergelijke
onwaarschijnlijke treffens zeer aannemelijk en zij raakt daarmee aan de kern
van het leven zelf.
Een paar keer evenwel gaat ze uit de bocht: het hoofdstuk
waarin Egan de pr-dame Dolly naar het hoofdkwartier van een buitenlandse
dictator doet trekken om hem daar met inzet van een verlopen filmsterretje te
compromitteren, is er, wat mij betreft, een beetje over.
Waar gaat Bezoek van
de knokploeg over? Over mensen met ambities, over mensen die falen. Over
mensen die wanhopige pogingen ondernemen om elkaar te begrijpen en graag te
zien. Over mensen die niet in staat zijn liefde te ontvangen. Over het leven.
Meerbepaald over het leven in een grootstad. Meerbepaald over het leven van Amerikanen
die op 11 september 2011 in het midden van hun levens waren aanbeland. Een van
de dertien hoofdfiguren heeft ‘het gevoel dat alles op zijn einde loopt’.
De genoemde datum is uiteraard belangrijk. We worden immers
niet enkel met het verval van persoonlijke ambities geconfronteerd (van zeer
bescheiden tot hoogst bevlogen). We zien ook hoe het vanouds vanzelfsprekende
geloof in de Amerikaanse superioriteit en onkwetsbaarheid verloren gaat, hoe
Amerika ‘vuile handen’ heeft gekregen, hoe iemand met een ietwat donkerder
pigment meteen wordt gewantrouwd vanwege mogelijke banden met Al-Qaida, hoe de
reclame en de meningmanipulatie terrein winnen, hoe alles in het teken komt te
staan van veiligheid en bewaking. 9/11 is een keerpunt; de getroffen plek gaapt
als een leegte. Net als bij Paul Auster in Brooklyn
dwaasheid wordt ook hier de gebeurtenis niet nader genoemd – het is alsof
deze romanciers beseffen dat de beelden en de hele nasleep voldoende op onze
netvliezen geëtst zijn om met een simpele verwijzing te kunnen volstaan. (Egan
spreekt ergens van ‘de ramp’ – en wij weten meteen wat zij bedoelt.)
Meer omvattende vormen van verval zoals de milieuvervuiling
en de opwarming van het klimaat worden slechts zijdelings aangekaart. (Maar ze
zijn wel aanwezig – dat moet wel in een boek dat deels ook over de toekomst
gaat.) Uitdrukkelijker, maar ook daar zonder drammerig te worden, drukt Egan
haar wantrouwen uit ten aanzien van de digitalisering. Niet alleen de
muziekindustrie gaat eraan ten onder (zij situeert haar roman in kringen van
rockbands en producers en laat de voormalige slidegitaarheld Scotty Hausmann zijn
tanden verliezen). Ook hekelt Egan de versoapisering
van de vertelindustrie – en dat is in haar ogen erg want mensen hebben
ervaringen uit de eerste hand nodig, geen tweedehandse sjablonen. Dat wordt al
in het eerste hoofdstuk duidelijk gemaakt: de kleptomane Sasha wil samen met
haar psych Coz ‘een verhaal’ schrijven ‘over opnieuw beginnen en tweede kansen’.
‘Maar’, voegt Egan er berustend en omineus aan toe, ‘die denkrichting betekende
alleen maar verdriet.’ Dat is dus helemaal in het begin van de roman – vandaar mijn
woordkeuze ‘omineus’ – en we worden al meteen ingepeperd: er komen geen tweede
kansen; on n’a qu’une seule vie. Op
de bank van Coz verlangt Sasha heel uitdrukkelijk naar verandering en
verlossing. De verandering komt er – op het eind van de roman is Sasha getrouwd
met Drew, een andere ‘overlever’, en heeft ze een computerverslaafde dochter die
enkel nog powerpointgewijs kan communiceren (hoofdstuk twaalf neemt, ook
typografisch, de vorm aan van een PP-presentatie)… – maar is ze verlost?, dat
is zeer de vraag. Verval is ook verandering.
Muziekindustrie, de teloorgang van the American dream, allerlei vormen van vervuiling: dat zijn allemaal
manifestaties van het verval buiten onszelf.
De grote slopers – en het is in die zin dat we de titel van deze roman moeten interpreteren,
denk ik – zijn de verburgerlijking en de ouderdom. We verliezen onherroepelijk
onze idealen en onze jeugd. De passages waarin Egan plots twintig of dertig
jaar de toekomst in duikt om bondig te vertellen wat er van deze of gene figuur
is geworden, komen bikkelhard aan. De tijd is genadeloos en kan niet worden
gestopt – ook al wensen we dat soms zeer uitdrukkelijk. Er zijn van die
momenten waarop alles lijkt samen te vallen in een intense beleving van
verzoening en tevredenheid. Maar het gaat voorbij, het gaat voorbij en wie te
laat is, is gezien. Er komt geen tweede kans.
De werking van sloper Tijd wordt pijnlijk duidelijk in hoofdstuk
5, waarin we getuige zijn van Lou’s fysieke aftakeling na een beroerte. Lou was
een succesrijke businessman in wiens huis vroeger enkel plaats was voor
schoonheid en jeugd. Nu ligt hij daar te zieltogen – alle streven blijkt
vergeefs en futiel te zijn geweest, ook zijn streven om zich door jonge meisjes
die zwichtten voor zijn status te laten pijpen. En met zijn macht kan hij nu niets
meer aanvangen. Het is wreed – en als deze roman iets keihard aantoont, dan wel
dat het maar goed is dat we niet in de toekomst kunnen kijken. In die zin keert
Egan de mythe van Orpheus en Eurydice om. Zij brengt dat klassieke verhaal uitdrukkelijk
ter sprake in het Napels-hoofdstuk waarin Ted Hollander op zoek gaat naar zijn
aan lager wal geraakte nichtje Sasha. Zoals bekend mag Orpheus in dat verhaal
niet omkijken; wanneer hij dat – uit liefde! – toch doet, wordt zijn geliefdes
afdaling naar de onderwereld definitief onomkeerbaar. Egan toont overtuigend
aan dat ook vooruitkijken de
geestelijke gezondheid kan schaden en al evenmin tot herroeping van het lot leidt.
Gaat het dan helemaal de verkeerde kant uit? Egan lijkt te
suggereren van niet. Haar boodschap, voor zover die er al is, klinkt al bij al hoopvol.
‘Nostalgie betekende het einde – dat wist iedereen.’ Dat is dus geen optie. Maar
in het slothoofdstuk komen duizenden jonge mensen en jonge gezinnen met jonge
kinderen samen voor een concert van een vervallen rockheld, die zo vervallen is
dat hij weer hip is geworden. De tijd zet zich door in cycli. Je bent
afgeschreven indien je het bij het ronden van de kaap van de dertig nog niet
hebt ‘gemaakt’, maar dat betekent nog niet dat sommige jongeren minder kansen
hebben om iets te bereiken. Egan is zeker niet defaitistisch, zij zet enkele deuren
naar de toekomst open. Heel mooi is het beeld van de verlopen artiest die het
visitekaartje dat hij van de muziekproducer heeft afgetroggeld doorspeelt aan een
willekeurige jongen op straat in wie hij een muzikant vermoedt: het geloof in
zichzelf heeft hij verloren, maar dan is het nog altijd beter om een jongere de
kans die je zelf niet hebt kunnen benutten te gunnen.
Ik heb Bezoek van de
knokploeg met heel veel plezier gelezen. Het is een sprankelende, hippe, veelzijdige en ondanks de vaak
sombere grondtoon toch ook lichte roman, die ons bovendien ook nog iets te
zeggen heeft. Dat we nu moeten leven, bijvoorbeeld, omdat krachten tanen en
levens kort zijn.
maandag 15 april 2013
wolken 604-618
wolkenfragmenten
uit Dagkalender van de poëzie 2012 (samenst.
Tjitske Jansen & Victor Schiferli)
604
de wolken slaan nog altijd sneeuw uit (2/1:
Albertina Soepboer)
605
de lucht is boven wittig teer, rondom / valwolken
en vérgaande boomerijen om / niet heel ver is het ál gestoomde nevel (7/2;
Herman Gorter)
606
Wolken schuiven voor de maan / en
alles is weg (26/2; Rutger Kopland)
607
er zijn steeds tekens in de lucht / als ik me opricht,
de stand van de aarde kantelt / ik denk dat er grauwe regenwolken
uitkomen (10/4; Alpertina Soepboer)
608
Dat wisten we toch allang / dat water een geheugen
heeft? / Het verzamelt alle in hem weerkaatsende wolken (15/5; Bernlef)
609
We blijven haken, / overtreden wetten, laten / ons
betrappen op een blik / in de verte waar wolken zijn. (9/6; Hilde
Keteleer in het gedicht ‘Wolkentaal’)
610
Naar de verte, / door de ogen duizend-en-een / van hun
zusters de regenplassen nagekeken, / trekken de wolken. (15/6; Frans
Kuipers)
611
Het heldere blauw van een morgenzee en van / een wolkeloze
hemel, en een gele kust; alles / mooi en groot door licht overstraald. (23/7;
K.P. Kafavis)
612
wolken samentrekken / voor een regenbui (27/7; Gilles
Boeuf)
613
Een boerendochter smeekt / telkens weer: ‘Kom, regen,
kom!’ / Haar treurende ogen, rusteloos en vol verwachting, /werpen van tijd tot
tijd een blik naar de lucht. / Maar de regen valt niet. De wind, doof voor haar
geroep, / haast zich voorbij, drijft alle wolken uit elkaar (24/8;
Tagore)614
Zoals de wolk zich naar de schilder voegt, / mensen zich de schuld / van de smalle schouders kloppen, / zonder erg en zonder woorden, // zoals jij de tijd neemt om te leven, / van de ochtend tot de avond, / recht de zwarte nacht in, / zo ook, denk ik, denk ik. (26/8; Mark Boog)
615
onder zwarte wolken in de regen (21/10; Gilles
Boeuf)
616
Zet uw paraplu op en steek een gat in de wolken.
(27/10; Gerrit Krol)
617
een stipje in de verte onder een wolkeloze
lucht (5/11; Yvonne Coffeng)
618
Boven de boeren hangt een wolkje. (4/12; Frank
Koenegracht)woensdag 10 april 2013
wolken 602-603
wolkenfragmenten
uit Bernke Klein Zandvoort, Uitzicht is
een afstand die zich omkeert
602
een colonne koeien probeert een wolk voor te
blijven (9)
603
en een wolk, die reist over land (9)
facebookbericht 372
Zuivering in de maak? Dat op basis van deze samenvatting van een interview concluderen zou voorbarig zijn. Maar het woord 'pauperisme'
klinkt in mijn oren alvast griezelig. Weken lang al roept links de N-VA op om
in plaats van straatnaamborden te vervangen de armoede aan te pakken. Dat is
een belangrijker probleem. Maar er zijn natuurlijk manieren van aanpakken...
los ingeslagen 86
20 februari 2013
De dood kan ook wreed toeslaan.
Nog maar een week of wat geleden las ik een stuk van Patrick
De Witte ((pdw)) over het fenomeen van de zogenaamde ‘shockspots’ om de
verkeersveiligheid te bevorderen. Sec werd in zo’n spot gemeld dat tv-fenomeen
Gunter Lamoot dodelijk verongelukt was. Je werd een seconde of tien in de waan
gelaten – ‘wat erg!’, ‘zo jong!’ –, waarna Gunter Lamoot zelve, levend en wel,
doodleuk in beeld stapte om je te melden dat het niet waar was en dat hij zijn
persoon aan de campagne had geleend want: ‘Waarom staat u niet stil bij die
drie of vier niet-bekende Vlamingen die elke dag het leven laten in het
verkeer?’ Een terechte opmerking, maar al even terecht was de bedenking van
(pdw) dat het er over was. Hij had zelf nooit verlegen gezeten om een botte of
bruskerende – maar nooit vulgaire – uitspraak of vergelijking ten einde zijn
gehoor, dat talrijk was, wakker te schudden. (Genre: ‘Er valt op Lanzarote geen
zak te beleven, er zijn enkel Duitsers en kakkerlakken. En er is een wind, zo
warm als kwam hij uit de reet van Satan.’; ik citeer uit het hoofd.) Maar die
shockspots vond hij maar niets. Je spot niet met de dood. Ook niet in een
radiospot. ‘Want hoeveel mensen zouden het niet begrepen hebben en ervan
overtuigd zijn geweest dat Gunter Lamoot écht dood was?’
En nu, amper een dag of tien later hoor je, op de radio,
maar niet in een spot, dat Patrick De Witte dood is. Dóód. Zo dood als een mens
maar kan zijn, en dat is, in het geval van (pdw), heel erg dood. Natuurlijk dat
velen denken dat het een grap is. Een wansmakelijke grap natuurlijk, maar dan
moet het wel – (pdw)’s anderszins toch altijd fijne humor indachtig – een soort
van wansmakelijkheid in de tweede graad zijn, een die zichzelf opheft als het
ware, misschien een manier van (pdw) om zijn gelijk in verband met de
verkeersveiligheid-shockspots alsnog wat kracht bij te zetten.
Was het maar zo. ’t Is eendimensionaler dan dat. ’t Is
behoorlijk plat, eigenlijk. De werkelijkheid toont zich van zijn meest
humorloze, meest ondubbelzinnige zijde. (pdw) is definitely dead, he has passed away, he is as dead as a dead
(pdw) can be.
Ik schrik daarvan. En het maakt me kwaad. Een 54-jarige,
hoogst getalenteerde, intelligent-kritische, gezapige, genereuze en Gentse held
wordt ons, wordt mij, ontnomen. Ik was – en blijf – fan van (pdw). Ik
bewonderde – hoe barok ze soms ook waren – de hoogst vermakelijke
vergelijkingen die hij aan zijn pen ontwrong, zijn nooit flauwe woordspelingen,
zijn manifestaties van virtuoze taalbeheersing. Ik heb indertijd altijd veel
plezier beleefd aan zijn op Engelse leest geschoeide humorprogramma’s. Niet Comedy Casino, waarin hij stand-uptalent
aan bod liet komen, maar zijn in steeds terugkerende rubriekjes opgedeelde
sketchcompilaties. SPAM, Kijk eens op de doos, De vloek van Vlimovost. Ze werden laat
uitgezonden, ze waren dan ook voor fijnproevers. ’t Was humor voor – (pdw) zou
het niet graag gehoord hebben – intellectuelen. Of neen, het was intelligente
humor. Een sarcasme dat nooit onvruchtbaar was. Een ironie die niet in de val
van het cynisme trapte. Er was iets koppigs aan. Zoiets als: de wereld heeft
maar zin als je ermee kunt lachen; laat ons lachen, nu het nog kan. En weet je
wat die series waarschijnlijk nog het meest genietbaar maakte? De vriendschap,
vermoed ik. (pdw) moet de gave hebben gehad om zijn acteurs tot het beste van
zichzelf te bewegen. Ze speelden daar allemaal met zichtbaar plezier. Ik
vermoed dat er vandaag heel velen verweesd achterblijven omdat ze wellicht
allemaal hoopten om nog meer met (pdw) te kunnen samenwerken.
Door de bemiddeling van die vriendschap onder acteurs,
waarvan ik als kijker de vruchten plukte, voel ik me alsof ik een vriend verloren
heb – al heb ik nooit het geluk gehad (pdw) te ontmoeten.
Een paar weken geleden vond hij iets van me – ik weet niet
meer wat – ‘leuk’ op Facebook. Ik was als een kind zo blij.
Ook een paar weken geleden mengde (pdw), die gewoonlijk erg
spaarzaam was met politieke uitspraken, zich in het nationalismedebat. Hij had
het over de ‘grondstroom’ in Vlaanderen, dat die toch wel heel erg slijkerig
begon te worden. Dat was krachtige beeldende taal, ’t was weer eens een van
zijn uitermate efficiënte vergelijkingen. Ik was blij met die stem in het
kapittel. Ik ben ervan overtuigd dat we ook in dat debat de stem van Patrick De
Witte nog deerlijk zullen missen.
dinsdag 9 april 2013
De dichter in Brel
Voor de muziek van zijn chansons moest Jacques Brel (1929-1978), die de muzieknotatie niet beheerste, een beroep doen op anderen, maar de teksten schreef hij meestal zelf. En dus moeten we hem dichter noemen, of toch auteur van liedjesteksten.
Recent liet uitgeverij Houtekiet de herwerkte en
‘definitieve’ versie verschijnen van de Brelbiografie (2003) van René Seghers.
In vergelijking met de eerste versie kwamen er vooral een hoofdstuk over Brels
zeilboot en een uitbreiding van de discografie van originele Brelplaten en
Brelinterpretaties bij. Op basis van nieuwe inzichten en gesprekken met
getuigen is ook het eerste hoofdstuk, de eigenlijke biografie, uitgebreid. Het
is in dat eerste hoofdstuk dat we een antwoord moeten zoeken op de vraag naar de
relatie tussen Jacques Brel en de poëzie.
Brels carrière als schrijver begint zeer conventioneel: met
dagboeken, bijdragen voor een schoolkrantje en enkele avonturenverhalen. Zijn
eerste chansons schrijft hij voor de katholieke jeugdbeweging. De nogal belerende
teksten leveren hem het stempel l’abbé
Brel op. Het Is overigens Georges Brassens die het hem aansmeert. Brassens,
die in zijn teksten toch wel grotere poëtische kwaliteit bereikt: ‘Waar
Brassens dicht, bralt Brel,’ weet ook Seghers, die, hoewel overduidelijk een fan, objectief blijft waar hij objectief
hoort te zijn: Brels discutabele huwelijksmoraal wordt zeker niet met de mantel
der liefde toegedekt, en het weinig consistente gekef naar de Vlamingen wordt
al evenmin op applaus onthaald.
Brels eerste liedjes worden niet alleen gekenmerkt door een
‘christelijk-moraliserende, ronduit belerende toon’, bovendien bezondigt de
bard met het grote bakkes zich aan zelfbeklag . Zo zet hij zich af tegen het
werk in de kartonfabriek van zijn vader. In een van zijn liedjes zingt hij: ‘De
ruiten van de fabriek / Ik zal ze nog eens breken’ (tenzij er geautoriseerde
vertalingen bestaan, vertaalt Seghers zelf, jammer genoeg al te letterlijk;
daarmee gaat alle poëzie, voor zover die al aanwezig was, verloren). Jacques’
broer Pierre vreest het ongenoegen van vaderlief en probeert Jacques
diplomatisch te overtuigen om dat ‘breken’ door ‘wassen’ te vervangen – ‘dat
verandert aan het metrum niets’ – maar Jacques is niet te vermurwen.
Brel trouwt vroeg en moet bijgevolg ook al vroeg aan de
kluisters van het huwelijk zien te ontkomen. Dat doet hij onder meer door
kroegwaarts te trekken. Zijn schriftuur zou zich hebben aangepast aan het
(geringe) formaat van de bierviltjes waarop hij zijn verzen uitprobeert.
René Seghers vertelt het verhaal van Brels leven zoals hij
het kent van de al behoorlijk ‘definitieve’ biografie van Olivier Todd uit
1984, die hij heeft aangevuld met gesprekjes met onder meer dochter France Brel
en Brels laatste levensgezellin Maddly Bamy. Hij doet dat sec en weinig
bevlogen. Je krijgt er warm noch koud van – Seghers slaagt er in elk geval niet
in om de exuberante persoonlijkheid van Brel, of om zijn eigen eventuele
onvoorwaardelijke enthousiasme voor die persoonlijkheid, om te zetten in een
beklijvend relaas. Johan Anthierens’ mocht dan al met zijn poging De passie en de pijn (1998) niet veel
verder zijn gekomen dan een fragmentarische benadering, zijn relaas was toch
veel bezielder.
Brel heeft een paar Nederlandse vertalers gehad. Will Ferdy
en Ernst van Altena zijn – in chronologische volgorde – onder hen de
bekendsten. Van Altena liep niet zo hoog op met de teksten van Brel. Hoe
hoogdravend en passioneel ze ook mochten zijn, ze werden toch vooral gedragen
door de muziek en de uitvoering. Van Altena: ‘Ik sla Brel hoger aan als
performer dan als tekstdichter. Als vertaler merk je dat Brel vaak stoplappen
gebruikt; zijn teksten stikken van de clichés, wat je bij Brassens bijvoorbeeld
nooit zult aantreffen.’ Dit had wellicht
te maken met het feit dat Brel altijd eerst een melodie had, en vervolgens
daarin zijn teksten inpaste. Brassens ging meestal omgekeerd te werk. Van
Altena vond het niet altijd evident de clichés van Brel in een minder
eendimensionaal Nederlands om te zetten. Soms offerde hij de Franse vondsten op
aan het keurslijf van Nederlandse rijmwoorden en aan zingbaarheid. Maar het
resultaat was gelukkig niet altijd een ‘zingbare verminking’.
In het voorjaar van 1962 neemt Brel vier vertalingen van Van
Altena op: ‘Mijn vlakke land’, ‘Rosa’, ‘De burgerij’ en ‘De nuttelozen van de
nacht’. Van Altena legt le grand Jacques uit
dat hij voor de ui-klank in ‘duinen’ maar het Franse ‘oeuil’ voor zijn
geestesoor moet houden. Mede door dit soort ingrepen worden de vier
Nederlandstalige nummers acceptabel, al rijst er later wel kritiek op de
vrijheid die Van Altena zich heeft gepermitteerd bij de omzettingen. Waar in
Brels ‘Les bourgeois’ Voltaire danst ‘comme un vicaire’, kiest Van Altena voor
Dante, die danst ‘als mijn tante’. Een begrijpelijke ingreep, maar uiteraard
gaat op die manier de antiklerikale connotatie – essentieel in een lied over
hypocrisie – grotendeels verloren.
Het Nederlands van ‘Marieke’ is van Brel zelf. Aan de
onsterfelijke regels ‘Zonder liefde / Warme liefde / Waait de wint / De stomme
wind’ is geen vertaler te pas gekomen. Maar dat betekent niet dat
Brel-de-dichter zijn plaats niet kent. In een interview geeft de man met zijn
paardensmoel ruiterlijk toe dat hij niet kan tippen aan Rimbaud, Verlaine of
Baudelaire. Hij beseft dat hij met zijn chansons tussen de stoelen van poëzie
en amusement valt. Te licht voor het ene, te zwaar voor het andere. Toch wordt
Brel-de-tekstschrijver geconsacreerd als dichter door de opname in 1963 van een
bloemlezing van zijn liedteksten in de door Pierre Seghers (niet de Seghers van
deze biografie) uitgegeven poëziereeks.
Een interessante kanttekening kan worden gemaakt bij de
manier waarop het eremerk van dichter evolueert in een zich wijzigende context.
In 1963 kan de Volkskrant-journalist
van dienst na een optreden in het Amsterdamse Concertgebouw nog orakelen: ‘In
alle toonaarden, hard en zacht, ontroerend in zijn vele stemmingen, stort de
dichter Jacques Brel zijn gevoelens uit over zijn toehoorders.’ Men kan zich
afvragen of iemand als Brel vandaag nog ‘dichter’ zou kunnen worden genoemd:
hij past in een romantische opvatting over het dichterschap, die nu toch wel in
grote mate voorbijgestreefd is.
Poëzie is er zeker ook in de tekst die de Antwerpse groep De
Strangers maakte als antwoord op Brels antiflamingantistische schotschrift ‘Les
F…’: ‘ge wier ne groten artist / da zal iedereen beamen / mor as mens ’n grote
nul / Brel, ge moest oe schamen’ // volges aa ware w’in de krieg / de vriende
van de moeffe / mor ochgot langs aawe kant / wat ’t ook ni om te stoeffe / want
sè, meniêr Jacques Brel / ge hoort da misschien nie gère / mor sprak Leon
Degrelle / ook de taal ni van Molière?’. Brel vatte deze plaagstoot sportief op
en gaf van op zijn Markiezeneiland, waar hij zich op zijn dood aan het
voorbereiden was, zijn platenbaas Barclay de opdracht om De Strangers ‘een
colli met daarin het volledige oeuvre van Brel’ te bezorgen.
Jacques Brel, een groot dichter is hij niet geweest, een
groot mens volgens sommigen ook niet. Maar ‘ne groten artist’ was hij zeker
wel. Hij bleek zelfs in staat om vanuit de hemel zijn laatste levensgezellin
Maddly Bamy verzen te dicteren – althans dat beweerde zij in een van de boeken
die zij na Brels dood schreef. En zij citeert een van ‘Jacques’ postume
openbaringen’: ‘De bereikbare ster / Ik waak er / Ik waak in jou / Zwevend op
mijn adem, voor altijd / Ik heb het niet koud’. Of deze verzen alsnog
geautoriseerd werden, wordt door René Seghers niet bevestigd.
René Seghers
Jacques Brel. De definitieve biografie
Houtekiet, Antwerpen, 2012
512 p./ € 39,95
Deze recensie verscheen in Poëziekrant 2013/1.
maandag 8 april 2013
zondag 7 april 2013
zaterdag 6 april 2013
Abonneren op:
Posts (Atom)






















