maandag 7 januari 2008
Dag 130 vVH&C
071228 en 080107 – O. is na meer dan zestig jaar nog eens teruggegaan naar het huisje in Westouter, op de grens met Frankrijk, waar hij als kind tijdens de Tweede Wereldoorlog enige tijd ondergedoken verbleef. De boeren hadden eten, namelijk. De huidige bewoners, een jong stel, waren heel gastvrij en bovendien benieuwd naar de voorgeschiedenis van hun huis. Ze lieten O. naar de veranderingen in hun huis peilen. Die waren er, uiteraard. Eigenlijk was er maar weinig hetzelfde gebleven. De manier hoe de ruimten waren ingedeeld, hoe het licht naar binnen viel… Ik kan me voorstellen hoe O. zocht naar een detail om zijn herinnering aan vast te haken. Boven vond hij het: in de deur van het kamertje waarin hij had geslapen. Daar was iets hetzelfde gebleven: het gaatje waar je, staande aan de buitenkant, je vinger doorheen moest steken om zo de grendel, aan de binnenkant, van de haak te tillen en de deur te openen. Ik probeer me de duizeling voor te stellen die hij moet hebben gevoeld door na zes decennia diezelfde beweging, die hij toen wellicht vele tientallen keren onbewust moet hebben gemaakt, en die op die manier zich als het ware in zijn lichaam had gegrift, nog eens, maar dit keer hyperbewust, over te doen.
zondag 6 januari 2008
Terugblik 437 / 1000
Schaduwen worden vaak veronachtzaamd. Nochtans moet de fotograaf, dien enkel licht en donker ter beschikking staan, er oog voor hebben. Op een bloedhete dag in het zuiden schuilt in de slagschaduw het diepste zwart. Het lommer levert het git voor de lichtmaaltekening. Met de patronen van licht en donker, wit en zwart, moet op het kleine speelterrein van het door het fotokader afgebakende oppervlak een beeld worden uitgezet dat zin, betekenis en zo mogelijk genoegen verschaft.
Hier is dat, naar mijn smaak en aanvoelen, gelukt. Mede door het straffe licht want de automatische stand dirigeerde mijn toestel wellicht naar een 1/2000 sluitertijd of daaromtrent, waardoor ik met de losse pols (ik was zelf aan het stappen) de bewegingen voor mij (in de benen, de voeten, de schaduw op de grond) tot haarscherpe stilstand kon terugbrengen. Het resultaat is een sierlijke lijn waarvan de toeschouwer zegt: ‘Hé, zo zou ik het niet hebben gezien.’
Maar er is meer aan de hand. Het toeval speelt, zoals zo vaak, een rol. Mooi is dat het vlechtje zichtbaar is. Dat de schaduw van de arm die het kind vasthoudt tot buiten het beeld voert – waardoor er zelfs, mits wat hineininterpretieren, een metafysische dimensie in dit schijnbaar lichtvoetige schaduwportret binnensluipt: door wie wordt het kind beschermd, bij de hand genomen? Dat er in de rechterbovenhoek nog die voet is, die de compositie in evenwicht houdt en die, door in een andere richting te stappen, het beeld nog dynamischer maakt.
Dit beeld is mij dierbaar omdat het mij, als fotograaf, het plezierige besef verschaft dat het zonder mij niet zou hebben bestaan. Ik heb het gezien en doe het – door af te drukken, het resultaat te tonen en erover na te denken en te schrijven – in de hoofden van velen bestaan. Het kind, ondertussen, is bijna drie jaar ouder geworden (de foto dateert van begin april 2005) maar het is, laat het ons toch hopen, nog altijd even zorgeloos en beschermd als op deze foto.
Dag 129 vVH&C
071228 – Op het vluchtelingenfeest bij de Zuster Maricolen komen we, op deze kerstavond, aan een tafeltje te zitten met twee Irakese mannen. Ze spreken een mondje Engels. De ene eet zijn gaarkeukenfeestmaal flink op, de andere bedankt er feestelijk voor en brengt het integraal naar de vuilnisbak. Hij komt terug met een nieuw flesje Jupiler. Het gesprek verloopt wat moeizaam. De ene, een bakker, is sjiiet, de andere soenniet en politieman. Of omgekeerd, ik weet het niet meer. Enfin, het doet er niet toe. Wat er toe doet is dat ze elkaar ginds opblazen, terwijl ze hier toch vrij vreedzaam aan hetzelfde reftertafeltje zitten te redekavelen. Vijf of meer jaar informatie en desinformatie over de situatie in hun land doen mij voorzichtig omspringen met de tegenstellingen tussen beide volksgroepen. Het is dus zoeken naar koetjes en kalfjes, en in het brood van de bakker meen ik een dankbaar gespreksonderwerp te hebben gevonden want daar heb ik namelijk ook nog in gedaan, in brood. Zullen we het over de soorten hebben? Hij vindt het bruin brood van bij ons lekker en voedzaam. Dat kennen ze daar niet. Ik zoek naar nog meer bruggen over de kloof tussen onze culturen, levens en verledens, en zie in het Turks brood dat je ook hier in de nachtwinkel – hoewel in Brugge geen Turken wonen, ze halen hun met sesamzaad versierde wielen uit Gent – een geschikt aanknopingspunt.
's Avonds hoor ik op het nieuws dat de Turkse luchtmacht in het noorden van Irak meer dan honderd Koerdische ‘verzetstrijders’ heeft ‘gedood’.
's Avonds hoor ik op het nieuws dat de Turkse luchtmacht in het noorden van Irak meer dan honderd Koerdische ‘verzetstrijders’ heeft ‘gedood’.
40 * 25,40 * 40
Zo, de kop is er af. P en G zijn stipt op de afspraak: tien uur, in plaats van dat ontiegelijk vroege negen van de wielervrienden. Een beter ogenblik konden we niet kiezen: staalblauwe hemel met zon, heerlijk fris, zuivere lucht. Het klassieke ritje langs het kanaal en dan terug via Stalhille, Houtave en Meetkerke. Met P praat ik honderduit over fotografische kneepjes en Madrid – G blijft stil in het wiel peddelen, op zoek naar zijn tweede adem. In de bochten is het uitkijken voor het gladde slijk. Ik zie aalscholvers en een blauwe reiger, in de geploegde akkers blinkt de polderklei. We spreken af voor de volgende keer. We gaan dit jaar voor vijfduizend kilometer en, wat mij betreft, twaalf kilo. De kop is er af.
zaterdag 5 januari 2008
Dag 128 vVH&C
071224 – Dagen van verhoogde helderheid en concentratie… De titel is zwaar ironisch aangezet, natuurlijk, maar er schuilt toch ook een diepe ernst achter. Er naar streven om elke dag toch minstens een uur, wat zeg ik, vijf minuten, een ademtocht desnoods, ‘bewust’ om te gaan met tijd, betekenis, zin, en zo mezelf vormen en beter maken, beter bestand ook tegen wat mij omringt en belaagt: alles wat mijn leven bemoeilijkt en zwaarder maakt, de tijd, de dood.
Kijk, ik neem de teneur over, de toon, van wat ik in een goddelijk uur, tussen zeven en acht in de morgen, voor alles licht wordt en wakker, heb gelezen, in een uur van, inderdaad, verhoogde helderheid en concentratie: het eerste van de vier dagboekdelen die Leonard Nolens tot dusver heeft gepubliceerd en dat hij Stukken van mensen heeft genoemd.
Ik bewonder Nolens’ moeizaam, bedachtzaam verwoorde, moedige gevecht. Hoe hij, helemaal tegen de tijd en de tijdgeest in, pleit voor het recht op de ernst die nodig is om het leven in zijn volle gewicht aan te gaan en zin te verlenen. In die zin is Nolens’ ernst allerminst dodelijk – neen, die ernst is het tegendeel, hij is levendmakend. Ik bewonder Nolens’ integriteit, zijn volgehouden zelfonderzoek, zijn eerlijkheid die allerminst exhibitionistisch of navelstaarderig (ijdel) is maar integendeel de – megalomaan lijkende maar voor wie goed leest uitermate genereuze – ambitie heeft om zichzelf als humanistisch voorbeeld te stellen, in de zin van: kijk, dit ben ik, een zin zoekende, zin creërende mens, ecce homo. Ik bewonder Nolens’ voortdurende verantwoording van zijn schrijverschap, van zijn anachronistische ambachtelijkheid, van zijn maatschappelijke excentrisme. Van zijn gewilde én onvermijdelijke (nolens volens) onaangepastheid. Ik bewonder zijn moreel zeer hoogstaande omgang met zijn kunstenaarschap, dat in zijn ogen niets minder dan een niet te omzeilen, niet te ontkennen roeping is. Ik bewonder zijn bedachtzame omgang met taal, voor hem niet enkel een instrument om schoonheid te scheppen maar nog veel meer, ja in de eerste plaats, een existentieel gegeven, een instrument om te kunnen zijn, of beter: een vorm van zijn, die uitermate omzichtig en respectvol dient te worden gehanteerd.
Deze nog geen tweehonderd bladzijden dagboeknotities dateren van eind 1979 tot eind 1982. (Daarna volgden nog drie delen, en er zou naar verluidt een vijfde deel op stapel staan.) Echt proliferiek kun je dat niet noemen – en de notities geven dan ook de indruk zeer bedachtzaam te zijn neergeschreven en vele malen te zijn herkauwd en heroverdacht. Dit is geen ‘Warren’: voor particuliere weetjes en tijdgebonden feitjes, het ene al wat schunniger dan het andere, is geen plaats, voor gênante onthullingen nog veel minder: Nolens is onbarmhartig streng voor zichzelf, maar tegelijk discreet én zeer respectvol voor zijn medemensen. Bijna al zijn bedenkingen zijn tijdloos, ik bedoel: los van de tijd waarin ze geschreven zijn geldig. Ik geef één notitie als voorbeeld, één van de vele mogelijke:
Je moet nog gewoner worden, nog grijzer, vulgairder, grappiger, om je datgene wat je werkelijk denkt te zijn, niet door de anderen te laten afpakken. Wie het hart op de tong draagt, wordt gedwongen zich in de onmogelijkste bochten te wringen om het hoofd boven water te houden. Met andere woorden: toon nooit je trots, je engel, je eigenlijke mens op de markt. Bewaar die voor de eenzaamheid van het boek en toon ze daar. Een engel op straat wordt gelyncht – en dat kort en heftig heldendom is niet wat je zoekt. Je wenst langzaam alles wat je bent te laten rijpen tot het in heel zijn complexiteit overeind staat. Dus? Blijf in het maquis!
Leonard Nolens, Stukken van mensen (Querido, 1992), 136-137
Kijk, ik neem de teneur over, de toon, van wat ik in een goddelijk uur, tussen zeven en acht in de morgen, voor alles licht wordt en wakker, heb gelezen, in een uur van, inderdaad, verhoogde helderheid en concentratie: het eerste van de vier dagboekdelen die Leonard Nolens tot dusver heeft gepubliceerd en dat hij Stukken van mensen heeft genoemd.
Ik bewonder Nolens’ moeizaam, bedachtzaam verwoorde, moedige gevecht. Hoe hij, helemaal tegen de tijd en de tijdgeest in, pleit voor het recht op de ernst die nodig is om het leven in zijn volle gewicht aan te gaan en zin te verlenen. In die zin is Nolens’ ernst allerminst dodelijk – neen, die ernst is het tegendeel, hij is levendmakend. Ik bewonder Nolens’ integriteit, zijn volgehouden zelfonderzoek, zijn eerlijkheid die allerminst exhibitionistisch of navelstaarderig (ijdel) is maar integendeel de – megalomaan lijkende maar voor wie goed leest uitermate genereuze – ambitie heeft om zichzelf als humanistisch voorbeeld te stellen, in de zin van: kijk, dit ben ik, een zin zoekende, zin creërende mens, ecce homo. Ik bewonder Nolens’ voortdurende verantwoording van zijn schrijverschap, van zijn anachronistische ambachtelijkheid, van zijn maatschappelijke excentrisme. Van zijn gewilde én onvermijdelijke (nolens volens) onaangepastheid. Ik bewonder zijn moreel zeer hoogstaande omgang met zijn kunstenaarschap, dat in zijn ogen niets minder dan een niet te omzeilen, niet te ontkennen roeping is. Ik bewonder zijn bedachtzame omgang met taal, voor hem niet enkel een instrument om schoonheid te scheppen maar nog veel meer, ja in de eerste plaats, een existentieel gegeven, een instrument om te kunnen zijn, of beter: een vorm van zijn, die uitermate omzichtig en respectvol dient te worden gehanteerd.
Deze nog geen tweehonderd bladzijden dagboeknotities dateren van eind 1979 tot eind 1982. (Daarna volgden nog drie delen, en er zou naar verluidt een vijfde deel op stapel staan.) Echt proliferiek kun je dat niet noemen – en de notities geven dan ook de indruk zeer bedachtzaam te zijn neergeschreven en vele malen te zijn herkauwd en heroverdacht. Dit is geen ‘Warren’: voor particuliere weetjes en tijdgebonden feitjes, het ene al wat schunniger dan het andere, is geen plaats, voor gênante onthullingen nog veel minder: Nolens is onbarmhartig streng voor zichzelf, maar tegelijk discreet én zeer respectvol voor zijn medemensen. Bijna al zijn bedenkingen zijn tijdloos, ik bedoel: los van de tijd waarin ze geschreven zijn geldig. Ik geef één notitie als voorbeeld, één van de vele mogelijke:
Je moet nog gewoner worden, nog grijzer, vulgairder, grappiger, om je datgene wat je werkelijk denkt te zijn, niet door de anderen te laten afpakken. Wie het hart op de tong draagt, wordt gedwongen zich in de onmogelijkste bochten te wringen om het hoofd boven water te houden. Met andere woorden: toon nooit je trots, je engel, je eigenlijke mens op de markt. Bewaar die voor de eenzaamheid van het boek en toon ze daar. Een engel op straat wordt gelyncht – en dat kort en heftig heldendom is niet wat je zoekt. Je wenst langzaam alles wat je bent te laten rijpen tot het in heel zijn complexiteit overeind staat. Dus? Blijf in het maquis!
Leonard Nolens, Stukken van mensen (Querido, 1992), 136-137
Dag 127 vVH&C
071224 – J & N brengen reisherinneringen uit de vroege jaren negentig tot leven: naar Polen, van ‘vlak na de glasnost’. Hoe ze met hun tot camper omgebouwde bestelwagen in de kou en de sneeuw terechtkwamen; na vier uur wachten bij de grensovergang was zowat alles bevroren; en dan in de bergen, niet meer wetend hoe of waar, ze moesten de politie optrommelen om het adres te vinden; hoe ze dan om twee uur ’s nachts allerhartelijkst werden ontvangen door hun gastgezin, de vrouw leerde Duits en de man sprak al een aardig mondje Engels, maar o zo traag…; ze bleven er tien dagen en waren er op den duur thuis, ze keken mee in de woonkamer naar het Poolse nieuws…; er hing een bruinkoolsmog boven de stad in het dal; en dan was er een andere reis naar Praag, een vergeefse reis want twee kompanen hadden geen visum, dat was toen nog nodig, en er mocht rechtsomkeert worden gemaakt aan de grens…
Mijn woordenboek (179)
AFGEZAAGD
De doordrijver die steeds op dezelfde nagel klopt, drijft deze op den duur niet meer dieper het hout in. Niemand luistert nog, invloed wordt niet meer uitgeoefend, de doordrijver zaagt de poten van onder zijn stoel of de tak waarop hij zit af – we zijn z’n deuntje beu, zijn rijk is voorbij, hij heeft, door slecht te doseren, zichzelf monddood gemaakt.
Hopen maar dat hij op die tak aan de juiste kant van de zaagsnede zat.
Het is mij niet vreemd: de angst om in herhaling te vallen enerzijds, anderzijds een koppig, bijna neurotisch doordrammen met behulp van formules die hun deugdelijkheid hebben bewezen. Ik beschouw vernieuwing geenszins als een deugd op zich. Maar we leven wel in een omgeving die er voortdurend om vraagt, die er doordrammerig om zaagt. Takken krijgen geen tijd om dik en stevig te worden – vaak volstaat een uit de kluiten gewassen snoeischaar om het nauwelijks volgroeide twijgje af te knippen.
Wie het thema als afgezaagd beschouwd, zit met een probleem. Ik geloof, eerlijk gezegd, hoogstens in variaties. De menselijke psyche, hebben filologen op basis van de wereldliteratuur geturfd, is de speelbal/protagonist van hooguit dertig verschillende drama’s. Eadem sunt omnia semper en alles is al gezegd. Al gezegd, ja, maar alleen niet op mijn manier. Wat zei u? is welbeschouwd een tautologische vraag. Kinderen hebben het goed begrepen en vragen altijd om hetzelfde sprookje. Het repetitieve van gregoriaanse of Mongoolse gezangen: nooit krijg ik daar genoeg van. Om daarin, in elke hernomen frase, telkens weer het nieuwe te ontdekken en verrukt te geraken door het onverwachte. In de vermeende voorspelbaarheid schuilen de grootste verrassingen.
De doordrijver die steeds op dezelfde nagel klopt, drijft deze op den duur niet meer dieper het hout in. Niemand luistert nog, invloed wordt niet meer uitgeoefend, de doordrijver zaagt de poten van onder zijn stoel of de tak waarop hij zit af – we zijn z’n deuntje beu, zijn rijk is voorbij, hij heeft, door slecht te doseren, zichzelf monddood gemaakt.
Hopen maar dat hij op die tak aan de juiste kant van de zaagsnede zat.
Het is mij niet vreemd: de angst om in herhaling te vallen enerzijds, anderzijds een koppig, bijna neurotisch doordrammen met behulp van formules die hun deugdelijkheid hebben bewezen. Ik beschouw vernieuwing geenszins als een deugd op zich. Maar we leven wel in een omgeving die er voortdurend om vraagt, die er doordrammerig om zaagt. Takken krijgen geen tijd om dik en stevig te worden – vaak volstaat een uit de kluiten gewassen snoeischaar om het nauwelijks volgroeide twijgje af te knippen.
Wie het thema als afgezaagd beschouwd, zit met een probleem. Ik geloof, eerlijk gezegd, hoogstens in variaties. De menselijke psyche, hebben filologen op basis van de wereldliteratuur geturfd, is de speelbal/protagonist van hooguit dertig verschillende drama’s. Eadem sunt omnia semper en alles is al gezegd. Al gezegd, ja, maar alleen niet op mijn manier. Wat zei u? is welbeschouwd een tautologische vraag. Kinderen hebben het goed begrepen en vragen altijd om hetzelfde sprookje. Het repetitieve van gregoriaanse of Mongoolse gezangen: nooit krijg ik daar genoeg van. Om daarin, in elke hernomen frase, telkens weer het nieuwe te ontdekken en verrukt te geraken door het onverwachte. In de vermeende voorspelbaarheid schuilen de grootste verrassingen.
vrijdag 4 januari 2008
nn * nn,nn * nnnn
Dag beste wielervrienden,
Mag ik mij aansluiten bij de wensen van onze voorzitter - il presidente - en met de gepaste allure verkondigen: 'een gelukkig 2008 met veel fiets- en ander plezier, zo mogelijk zonder zadel- en andere pijnen'. Ook die gewaagde 5005 km als streefdoel durf ik te onderschrijven. Bij mij moeten er tien kilo af en het zal toch op een manier moeten gebeuren. Waarom niet op de fiets? Bovendien verschaft het fietsen tal van vreugden. Opgenomen in een peloton kan men luisteren naar de eeuwige muziek der raderwerken (daar kan geen Stockhausen tegenop, ook geen dode) of naar beschouwingen en desgevallend luidkeels gedebiteerde arbeideristische gezangen. Indien de noeste fietstaak alleen en in eenzaamheid wordt volbracht, dan verschaffen de velden, woonzones en industrieterreinen van onze contreien voldoende visuele genoegens. En alom bestaat er de mogelijkheid van ornithologische waarnemingen: de statig klapwiekende reiger, de waterscherende aalscholver, de biddende torenvalk, het kwebbelende mussengebroed in het bermstruweel. Het zadel is ook de zetel van de denker in ons, het is de troon van de pieker- of mijmeraar. Boven op het tussen twee wielen gevatte driehoekige kader zien politieke, culturele, esthetische, sociale, economische, familiale ambities het daglicht - of ze sneuvelen er en worden definitief afgevoerd naar de krochten onzer teleurgestelde dromen. Hoe dan ook: weidse gedachten op een retesmal stukje leer.
Maar bovenal moet er fietsendeweg plaats zijn voor sportieve ambities! Uiteraard, natuurlijk. Dat is evident.
Intussen, het zal u misschien verbazen, heb ik het plan opgevat om zondagmorgen op de fiets te kruipen. Mijzelf in (op) het zadel te hijsen. Het frame te bestijgen en op mijn stalen ros doorheen de Polders te rollen en te suizen. Met ongekende vaart, op de vleugels mijner sportieve hersenschimmen. Al was het maar om van mijn al te gezwollen schrijfstijl af te geraken.
Niet met jullie evenwel. Nog niet. Twintig of dertig kilometer peddelen, meer zit er niet in. Maar ik doe mijn best, neem mij voor aan mijn gammele conditie te werken (ik heb alvast een renovatiepremie aangevraagd) en zo binnen enkele weken de Cartone-gelederen te vervoegen.
Voilà, mijn vingers zijn alvast opgewarmd op het klavier - we kunnen aan de slag.
Veel fietsgenoegens toegewenst,
P.
Mag ik mij aansluiten bij de wensen van onze voorzitter - il presidente - en met de gepaste allure verkondigen: 'een gelukkig 2008 met veel fiets- en ander plezier, zo mogelijk zonder zadel- en andere pijnen'. Ook die gewaagde 5005 km als streefdoel durf ik te onderschrijven. Bij mij moeten er tien kilo af en het zal toch op een manier moeten gebeuren. Waarom niet op de fiets? Bovendien verschaft het fietsen tal van vreugden. Opgenomen in een peloton kan men luisteren naar de eeuwige muziek der raderwerken (daar kan geen Stockhausen tegenop, ook geen dode) of naar beschouwingen en desgevallend luidkeels gedebiteerde arbeideristische gezangen. Indien de noeste fietstaak alleen en in eenzaamheid wordt volbracht, dan verschaffen de velden, woonzones en industrieterreinen van onze contreien voldoende visuele genoegens. En alom bestaat er de mogelijkheid van ornithologische waarnemingen: de statig klapwiekende reiger, de waterscherende aalscholver, de biddende torenvalk, het kwebbelende mussengebroed in het bermstruweel. Het zadel is ook de zetel van de denker in ons, het is de troon van de pieker- of mijmeraar. Boven op het tussen twee wielen gevatte driehoekige kader zien politieke, culturele, esthetische, sociale, economische, familiale ambities het daglicht - of ze sneuvelen er en worden definitief afgevoerd naar de krochten onzer teleurgestelde dromen. Hoe dan ook: weidse gedachten op een retesmal stukje leer.
Maar bovenal moet er fietsendeweg plaats zijn voor sportieve ambities! Uiteraard, natuurlijk. Dat is evident.
Intussen, het zal u misschien verbazen, heb ik het plan opgevat om zondagmorgen op de fiets te kruipen. Mijzelf in (op) het zadel te hijsen. Het frame te bestijgen en op mijn stalen ros doorheen de Polders te rollen en te suizen. Met ongekende vaart, op de vleugels mijner sportieve hersenschimmen. Al was het maar om van mijn al te gezwollen schrijfstijl af te geraken.
Niet met jullie evenwel. Nog niet. Twintig of dertig kilometer peddelen, meer zit er niet in. Maar ik doe mijn best, neem mij voor aan mijn gammele conditie te werken (ik heb alvast een renovatiepremie aangevraagd) en zo binnen enkele weken de Cartone-gelederen te vervoegen.
Voilà, mijn vingers zijn alvast opgewarmd op het klavier - we kunnen aan de slag.
Veel fietsgenoegens toegewenst,
P.
Dag 126 vVH&C
071223 – Hoe Bergman in Fanny en Alexander met een minimum aan middelen een maximaal griezeleffect bereikt, iets waar makers van menige met special effects overladen Hollywood-thrillers nog een punt aan kunnen zuigen! Enkel en alleen door de logica van de verhaallijn, de op de spits gedreven psychologische spanningen in de personages. Alexander in het poppenkastkabinet van Ismaïl, een deur die langzaam opengaat (eerst draait de sleutel vanzelf om in het sleutelgat): wie zal de kamer betreden? Ik kreeg in elk geval koude rillingen toen ik dit zag: die deur, zich langzaam openend, dan heftig heen en weer klapperend, en dan de verschijning van God de Vader zelve, in de gedaante van een marionet! Een schrik aanjagende, maar tegelijk geruststellende verschijning. En filosofisch uitermate interessant, natuurlijk – immers, door welk ander wezen dan door de mens wordt een marionet ‘bestuurd’?
donderdag 3 januari 2008
Dag 125 vVH&C
071220 – Het gesprek van onderwerp is dat gerioleerde burgers worden opgehouden door de actualiteit dat meeuwen geen respect hebben voor toeristen. Dit komt de lancering van de garnaal natuurlijk niet ten goede, waardoor de mensen, om het zo te zeggen, de kluiven zien voorbijgaan en op hun honger wachten. Neen, dit is geen kwestie van collegiaal werken aan een onjuiste beeldvorming. Wij moeten op de hamer blijven kloppen, een gesprek opknopen, de kapstok in het oog houden en rekening houden met de economische kostprijs van het plaatje. Pas met tools die an sich staan kun je iets doen aan deze muur van onzichtbaarheid.
Met dank aan I. en W.
Met dank aan I. en W.
Dag 124 vVH&C
071220 en 080103 – Leonard Nolens schrijft op 18 juli 1980 (in Stukken van mensen, het eerste deel van zijn gepubliceerde dagboek): ‘Dagelijks een krant met uitsluitend dagboekbladzijden van lezers, dus een krant volgeschreven door lezers die allemaal elkaar lezen. Wie reacties verwacht en toch anoniem wil blijven, signeert met een cijfer.’ Lang voor er van internet sprake is, lijkt Nolens hier het fenomeen te beschrijven dat we inmiddels kennen als ‘bloggen’. En hij zet mij daarover aan het denken, eens te meer: over de ingrijpende gevolgen die het bloggen heeft op de intellectuele conversatie tussen mensen; over het creëren van een beeld van zichzelf en een zelfbeeld (niet hetzelfde) door middel van een – toch in principe – openbaar dagboek; over de aspecten van voyeurisme en exhibitionisme die daarbij, jawel, komen kijken; over het waarheidsgehalte van het op die manier bijgehouden ‘dagboek’ – als het al om een dagboek gaat.
woensdag 2 januari 2008
dinsdag 1 januari 2008
Dag 123 vVH&C
071221 en 080101 – Een van de grote kwaliteiten van Ian McEwans Aan Chesil Beach is dat de dramatische opbouw naar de ontknoping een schijnbeweging bevat. Als je denkt dat de plot een climax kent in de mislukte huwelijksnacht, een climax die dus veeleer een anticlimax is, heb je het mis. Het boek gaat over meer dan seksuele moraal in tijden van de Koude Oorlog (de Koude Oorlog als ruimer tijdskader voor de oorlog tussen de seksen, die vaak ook een koude oorlog is). Ian McEwan heeft het met zijn novelle uiteindelijk over het probleem van de menselijke vrijheid.
Aan Chesil Beach gaat natuurlijk ook over de catastrofe van een eerste seksuele treffen in een tijd waarin de eerste huwelijksnacht inderdaad vaak ook de eerste intieme ‘kennismaking’ betekende, met soms alle gevolgen van dien. Maar na deze zorgvuldig opgebouwde (anti)climax volgt het échte hoogtepunt van het boek, de echte ontknoping. Die speelt zich af op Chesil Beach, een uit miljoenen keien bestaande landtong. De zee heeft vele tienduizenden jaren de tijd genomen om die keien volgens grootte te rangschikken. En tegenover die eeuwigheid staat de fractie van een seconde waarin beide protagonisten beslissen over twee levens. Tegenover het eindeloze geduld van de zee staat de impulsiviteit van hartverscheurende beslissingen. Hierin kristalliseert zich het gewicht, de ondraaglijke last, van de persoonlijke vrijheid. De noodzaak om over het eigen leven te beschikken, weegt soms te zwaar voor een mens. Dáárover gaat Aan Chesil Beach uiteindelijk. En McEwan heeft deze dramatische climax bijzonder goed voorbereid, onder meer door tegenover dit ondraaglijke maximum van vrijheid het al even ondraaglijke maximum van toeval, en dus onvrijheid, uit te zetten: het toeval waarmee Florence en Edward elkaar ontmoeten wordt door McEwan niet zomaar in de verf gezet.
De setting voor de echte climax, het keienstrand, is uiteraard geenszins arbitrair gekozen: soms, zo lijkt McEwan te suggereren, zou een mens beter wat geduldiger te werk gaan (zoals de zee bij het ordenen van de keien). Edward beseft veel later in zijn leven dat zijn liefde voor Florence mits wat geduld wellicht toch had kunnen bestaan.
Aan Chesil Beach gaat natuurlijk ook over de catastrofe van een eerste seksuele treffen in een tijd waarin de eerste huwelijksnacht inderdaad vaak ook de eerste intieme ‘kennismaking’ betekende, met soms alle gevolgen van dien. Maar na deze zorgvuldig opgebouwde (anti)climax volgt het échte hoogtepunt van het boek, de echte ontknoping. Die speelt zich af op Chesil Beach, een uit miljoenen keien bestaande landtong. De zee heeft vele tienduizenden jaren de tijd genomen om die keien volgens grootte te rangschikken. En tegenover die eeuwigheid staat de fractie van een seconde waarin beide protagonisten beslissen over twee levens. Tegenover het eindeloze geduld van de zee staat de impulsiviteit van hartverscheurende beslissingen. Hierin kristalliseert zich het gewicht, de ondraaglijke last, van de persoonlijke vrijheid. De noodzaak om over het eigen leven te beschikken, weegt soms te zwaar voor een mens. Dáárover gaat Aan Chesil Beach uiteindelijk. En McEwan heeft deze dramatische climax bijzonder goed voorbereid, onder meer door tegenover dit ondraaglijke maximum van vrijheid het al even ondraaglijke maximum van toeval, en dus onvrijheid, uit te zetten: het toeval waarmee Florence en Edward elkaar ontmoeten wordt door McEwan niet zomaar in de verf gezet.
De setting voor de echte climax, het keienstrand, is uiteraard geenszins arbitrair gekozen: soms, zo lijkt McEwan te suggereren, zou een mens beter wat geduldiger te werk gaan (zoals de zee bij het ordenen van de keien). Edward beseft veel later in zijn leven dat zijn liefde voor Florence mits wat geduld wellicht toch had kunnen bestaan.
Abonneren op:
Posts (Atom)
















