J.
vrijdag 8 juni 2007
Terugblik 288 / 1000
U vraagt zich ongetwijfeld, nuja misschien, af waarom ik deze foto in deze terugblik opneem. Het onderwerp heeft niet bepaald wat je noemt een schoonheid van zijn eigen, als foto heeft de foto geen bijzondere kwaliteiten, de kwaliteit, als die er al is, moet, zo denk je dan, iets te maken hebben met de beweegreden, het motief.
Het vreemde met beweegredenen bij het maken van foto’s – voor zover je je daarbij niet beperkt tot obligate familie- en vakantiekiekjes, als je je met andere woorden het medium toe-eigent als een expressievorm, al dan niet met artistieke pretentie, of daartoe althans een poging waagt – is dat ze je soms pas achteraf in hun volle gewicht aan je openbaren. Zo is het toch met deze opname gegaan. Het onderwerp van de foto is, mocht u het zich afvragen, een gebouwtje dat deel uitmaakt van de infrastructuur van het voetbalterrein van de Gulden Kamer in Sint-Kruis, een deelgemeente van Brugge. Hierlangs worden de toeschouwers naar het wat verderop gelegen veld geloodst en dienen zij zich een toegangsticket aan te schaffen. Daarbij zijn, zo kan ik mij voorstellen, de rolluiken van beide raampjes opgehaald.
Maar dat doet hier verder niet ter zake. Dat is niet waarom ik de foto belangrijk vind.
Ik maakte, zo herinner ik mij bijna drie jaar later, de foto alleen maar omdat ik het gebouwtje merkwaardig vond. Een andere bedoeling had ik niet. Pas later drong het tot mij door dat de voorstelling een metaforische waarde had, zoals in een droom bepaalde elementen de vertaling kunnen zijn van facetten uit het wakende bestaan. Ik had met de foto niets minder dan een zelfportret gemaakt: hoe ik, opgesloten in een klein wereldje, via mijn megafoontjes op mijn dak, mijn internetaansluiting, mijn kijk de wereld in probeerde te toeteren.
donderdag 7 juni 2007
Overschrijven (60)
De zoon die ik niet had
Bleek een monster met een vacht
die slechts ontstaan kan in het donker
onder stenen. Het was een wonder
dat hij zag dat ik er stond.
Er liep wat speeksel uit zijn mond.
Praten kon hij niet en hij was bang;
hij zag dat iets bestond buiten de kelder
waar hij jaren in lag vastgebonden.
Hij stonk, stond krom, zijn honger
was reusachtig. Ik sloeg
mijn armen om hem heen. We vielen om.
Schokkend in de groene vacht van het gras
begon hij te lachen. Hij lacht nog steeds.
Ik hoop nog steeds dat hij stopt.
Esther Jansma, geciteerd in Gerrit Komrij, Trou Moet Blycken (Bert Bakker, 2001), 250
Bleek een monster met een vacht
die slechts ontstaan kan in het donker
onder stenen. Het was een wonder
dat hij zag dat ik er stond.
Er liep wat speeksel uit zijn mond.
Praten kon hij niet en hij was bang;
hij zag dat iets bestond buiten de kelder
waar hij jaren in lag vastgebonden.
Hij stonk, stond krom, zijn honger
was reusachtig. Ik sloeg
mijn armen om hem heen. We vielen om.
Schokkend in de groene vacht van het gras
begon hij te lachen. Hij lacht nog steeds.
Ik hoop nog steeds dat hij stopt.
Esther Jansma, geciteerd in Gerrit Komrij, Trou Moet Blycken (Bert Bakker, 2001), 250
woensdag 6 juni 2007
Mijn woordenboek (155)
AD REM
Het is een benijdenswaardige eigenschap: de alertheid bezitten om in een fractie van een seconde en, jawel, ongeremd een gesprek te sturen, de associatieve potentie van een woord of wending meteen uit te buiten, met een flitsende gedachte een vonk van humor, een bijtend inzicht of een semantisch surplus te genereren. Wie goed is in het ad rem, is meestal een taalliefhebber, een wendbare woordvirtuoos, allerminst een verbale klungelaar die struikelt over zinnen.
Stotteraars zijn hoogstens in hun gedachten ad rem.
Soms, in mijn beste momenten (en die zijn schaars), etaleer ik wel eens de kunde van het alert reageren. Vaak in koffiegeleuter en vrijblijvende babbels, soms ook eens in een heftig dispuut of een heel belangrijk gesprek waarin de adrenaline mij toestroomt. Ik ben dan zo goed in ad rem zijn dat ik sneller spreek dan de gedachten mij toevlieden, waardoor ik er zelfs in slaag mezelf te overtuigen van zaken die ik tot dan nog niet eens bewust had overwogen. Heel soms overkomt het mij – en ik wik hier mijn woorden: overkomt het mij dat ik iets kluchtigs uit mijn taalhoed tevoorschijn tover. Maar dat is maar heel soms. Soms kom ik in mijn schamele pogingen niet verder dan iets stoms, een gênante woordspelerigheid – soms, stoms – die alleen ikzelf geestig vind en, wanneer ik merk dat ik daarin alleen sta, eigenlijk ikzelf ook niet meer.
Ad rem? Ach. Zeer vaak komt het voor dat ik pas uren nadat het gesprek is afgelopen de juiste replieken vind. Dan vallen mij, zomaar, gratis en voor niks, nog eens de zin te binnen die een open doelkans vormde voor mijn helaas te trage scherpzinnigheid, en mijn perfecte repliek erop. Veel te laat natuurlijk: geen kat luistert nog, iedereen is al naar huis, mijn spitsvondigheden zijn uitgedroogde vijgen na Pasen, ik ben een preker in de woestijn.
Ik prijs mij gelukkig dat ik een goede pen heb. Dat vormt onder meer voor het te geremd en het onvoldoende ad rem zijn in reële gesprekken een geschikte compensatie.
En het voordeel is dat je al je stomme interventies op tijd kunt wegwieden.
Het is een benijdenswaardige eigenschap: de alertheid bezitten om in een fractie van een seconde en, jawel, ongeremd een gesprek te sturen, de associatieve potentie van een woord of wending meteen uit te buiten, met een flitsende gedachte een vonk van humor, een bijtend inzicht of een semantisch surplus te genereren. Wie goed is in het ad rem, is meestal een taalliefhebber, een wendbare woordvirtuoos, allerminst een verbale klungelaar die struikelt over zinnen.
Stotteraars zijn hoogstens in hun gedachten ad rem.
Soms, in mijn beste momenten (en die zijn schaars), etaleer ik wel eens de kunde van het alert reageren. Vaak in koffiegeleuter en vrijblijvende babbels, soms ook eens in een heftig dispuut of een heel belangrijk gesprek waarin de adrenaline mij toestroomt. Ik ben dan zo goed in ad rem zijn dat ik sneller spreek dan de gedachten mij toevlieden, waardoor ik er zelfs in slaag mezelf te overtuigen van zaken die ik tot dan nog niet eens bewust had overwogen. Heel soms overkomt het mij – en ik wik hier mijn woorden: overkomt het mij dat ik iets kluchtigs uit mijn taalhoed tevoorschijn tover. Maar dat is maar heel soms. Soms kom ik in mijn schamele pogingen niet verder dan iets stoms, een gênante woordspelerigheid – soms, stoms – die alleen ikzelf geestig vind en, wanneer ik merk dat ik daarin alleen sta, eigenlijk ikzelf ook niet meer.
Ad rem? Ach. Zeer vaak komt het voor dat ik pas uren nadat het gesprek is afgelopen de juiste replieken vind. Dan vallen mij, zomaar, gratis en voor niks, nog eens de zin te binnen die een open doelkans vormde voor mijn helaas te trage scherpzinnigheid, en mijn perfecte repliek erop. Veel te laat natuurlijk: geen kat luistert nog, iedereen is al naar huis, mijn spitsvondigheden zijn uitgedroogde vijgen na Pasen, ik ben een preker in de woestijn.
Ik prijs mij gelukkig dat ik een goede pen heb. Dat vormt onder meer voor het te geremd en het onvoldoende ad rem zijn in reële gesprekken een geschikte compensatie.
En het voordeel is dat je al je stomme interventies op tijd kunt wegwieden.
maandag 4 juni 2007
Uit het nieuws
Meteen na het debat tussen de drie kandidaat-premiers gisterenavond werd al meteen een evaluatie gegeven van de gesprekstechnieken, de tactieken, de lichaamstaal en de retorische trucs van de excellenties. Over de twee debatleiders geen woord.
*
‘Mariusz O.’, het minderjarige hulpje van de moordenaar van Joe Van Holsbeeck, wordt niet doorverwezen naar een volwassenenrechtbank. De vader van het slachtoffer ‘reageerde emotioneel’ op de beslissing van het Hof van Beroep en moest dus uitgebreid, een batterij microfoons onder de mond, in beeld komen. Dat die man zei dat hij Mariusz O. in elkaar zou slaan als hij hem op de tram zou tegenkomen, kan eventueel nog worden begrepen. Niet goedgekeurd, uiteraard. Maar dat dit fragment onverkort wordt uitgezonden, is misdadig.
*
‘Mariusz O.’, het minderjarige hulpje van de moordenaar van Joe Van Holsbeeck, wordt niet doorverwezen naar een volwassenenrechtbank. De vader van het slachtoffer ‘reageerde emotioneel’ op de beslissing van het Hof van Beroep en moest dus uitgebreid, een batterij microfoons onder de mond, in beeld komen. Dat die man zei dat hij Mariusz O. in elkaar zou slaan als hij hem op de tram zou tegenkomen, kan eventueel nog worden begrepen. Niet goedgekeurd, uiteraard. Maar dat dit fragment onverkort wordt uitgezonden, is misdadig.
Mijn woordenboek (154)
ADOPTIE
Laat mij nu maar voor het gemak het liefhebbende koppel voor ogen houden, dat, om zijn door de natuur gefnuikte kinderwens te vervullen, onder de vlag van filantropie uit een ander werelddeel een weesje dat nog van de wereld en van het leven niet weet laat overkomen. Ja, de procedures zijn, naar verluidt en zoals de vorige zin stilistisch probeert aan te geven, omslachtig.
Liefde, kinderwens, filantropie, ontwikkelingssamenwerking: dat is voorwaar een zeer explosief mengsel van motieven die alle ergens op een schaal tussen ego- en/of eurocentrisme en universele, niet op één bepaald persoon gerichte en welhaast filosofisch geïnspireerde menslievendheid kunnen worden gesitueerd. Een rechttoe rechtaan te duiden aangelegenheid is adoptie zeker niet. De kinderwens wordt verabsoluteerd en ik ben zo vrij daar vragen bij te stellen.
Met kinderen ga je sowieso een ongewisse toekomst tegemoet, maar kunnen ouders van een kind, dat niet uit hun eigen lichamen is voortgekomen, de eventuele toekomstige misstappen of dwalingen of onvolkomenheden evengoed als ‘reguliere’ ouders met zo’n evidente, door bloedverwantschap ingegeven lankmoedigheid door de vingers zien? En wat als dat kind begint te beseffen dat zijn afkomst ergens anders ligt, als het de breuk tussen zijn natuur en cultuur begint te bevroeden en zijn instinctieve hang naar de eigen oorsprong aan zich voelt trekken? Wat als karakteriële eigenschappen van ouders en adoptiekind incompatibel zijn – zoals dat ook in stiefrelaties wel eens voorvalt?
In de relatie tussen ouders en kinderen zit altijd iets scheef. Dat is een gezond uitgangspunt. Maar waar dat in een ‘gewone’ relatie makkelijker door de vingers wordt gezien, ligt het met adoptiekinderen moeilijker. Denk ik. Daarom vergt het aanvaarden van de adoptierelatie als een valabel alternatief voor het hebben van een bloedeigen kind het wegredeneren van het feit dat bloedverwantschap een essentieel – niet rationeel te verantwoorden maar daarom niet minder essentieel – bestanddeel is in de relaties tussen de generaties.
Op dit probleem stuit je ook vanuit een omgekeerd gedachte-experiment: beeld je in dat een kind na vele jaren ontdekt dat de man die zich altijd voor zijn vader heeft uitgegeven, dat in werkelijkheid niet is. Ook al hebben die twee altijd een goede relatie gehad (rationele evaluatie), de (emotionele) schok zal er niet minder om zijn. Is dan adoptie mogelijk, van de vader door het kind? Bestaan daar procedures voor?
Laat mij nu maar voor het gemak het liefhebbende koppel voor ogen houden, dat, om zijn door de natuur gefnuikte kinderwens te vervullen, onder de vlag van filantropie uit een ander werelddeel een weesje dat nog van de wereld en van het leven niet weet laat overkomen. Ja, de procedures zijn, naar verluidt en zoals de vorige zin stilistisch probeert aan te geven, omslachtig.
Liefde, kinderwens, filantropie, ontwikkelingssamenwerking: dat is voorwaar een zeer explosief mengsel van motieven die alle ergens op een schaal tussen ego- en/of eurocentrisme en universele, niet op één bepaald persoon gerichte en welhaast filosofisch geïnspireerde menslievendheid kunnen worden gesitueerd. Een rechttoe rechtaan te duiden aangelegenheid is adoptie zeker niet. De kinderwens wordt verabsoluteerd en ik ben zo vrij daar vragen bij te stellen.
Met kinderen ga je sowieso een ongewisse toekomst tegemoet, maar kunnen ouders van een kind, dat niet uit hun eigen lichamen is voortgekomen, de eventuele toekomstige misstappen of dwalingen of onvolkomenheden evengoed als ‘reguliere’ ouders met zo’n evidente, door bloedverwantschap ingegeven lankmoedigheid door de vingers zien? En wat als dat kind begint te beseffen dat zijn afkomst ergens anders ligt, als het de breuk tussen zijn natuur en cultuur begint te bevroeden en zijn instinctieve hang naar de eigen oorsprong aan zich voelt trekken? Wat als karakteriële eigenschappen van ouders en adoptiekind incompatibel zijn – zoals dat ook in stiefrelaties wel eens voorvalt?
In de relatie tussen ouders en kinderen zit altijd iets scheef. Dat is een gezond uitgangspunt. Maar waar dat in een ‘gewone’ relatie makkelijker door de vingers wordt gezien, ligt het met adoptiekinderen moeilijker. Denk ik. Daarom vergt het aanvaarden van de adoptierelatie als een valabel alternatief voor het hebben van een bloedeigen kind het wegredeneren van het feit dat bloedverwantschap een essentieel – niet rationeel te verantwoorden maar daarom niet minder essentieel – bestanddeel is in de relaties tussen de generaties.
Op dit probleem stuit je ook vanuit een omgekeerd gedachte-experiment: beeld je in dat een kind na vele jaren ontdekt dat de man die zich altijd voor zijn vader heeft uitgegeven, dat in werkelijkheid niet is. Ook al hebben die twee altijd een goede relatie gehad (rationele evaluatie), de (emotionele) schok zal er niet minder om zijn. Is dan adoptie mogelijk, van de vader door het kind? Bestaan daar procedures voor?
zaterdag 2 juni 2007
vrijdag 1 juni 2007
De kunst van het kijken (2)
Dit is de tweede aflevering in een reeks die is gebaseerd op het boek Jon Thompson, De kunst van het kijken, Ludion, 2006. De auteur bespreekt een tweehonderdtal ‘moderne’ schilderijen.
De opzet van deze stukjes is dat ik eerst beschrijf wat en hoe ik zie, pas nadien de tekst van Thompson lees en zo nodig mijn ‘lezing’ van het schilderij aanvul.
De opzet van deze stukjes is dat ik eerst beschrijf wat en hoe ik zie, pas nadien de tekst van Thompson lees en zo nodig mijn ‘lezing’ van het schilderij aanvul.
Théodore Rousseau, De Gorges d’Apremont rond het middaguur (1857)
Ik weet niet of dit schilderij mij zou opvallen als het tussen vele andere zou hangen. Dat zou dan wellicht van de textuur afhangen, de manier waarop de verf is aangebracht, de luminositeit ook – zaken die op een reproductie nu eenmaal niet goed kunnen worden weergegeven.
Nu ik toch kijk, zie ik een landschap: een rivierbocht, begroeiing, ik denk een herder met enkele dieren, een rotsformatie op de achtergrond en boven dat alles een vaalgrijze, bewolkte lucht met wit licht. Het jaartal en het toegevoegde tijdstip in de titel doen mij vermoeden dat Thompson het werk heeft opgenomen omdat het in de schilderkunst wellicht een wending aankondigt: weg van de mythologische en historische voorstelling, naar een verstilde en documentaire weergave van een eenvoudige, niet aangedikte werkelijkheid, en naar het onderzoek van de blik – wat dan later in de negentiende eeuw in het impressionisme moet uitmonden.
Thompson:
Ik weet niet of dit schilderij mij zou opvallen als het tussen vele andere zou hangen. Dat zou dan wellicht van de textuur afhangen, de manier waarop de verf is aangebracht, de luminositeit ook – zaken die op een reproductie nu eenmaal niet goed kunnen worden weergegeven.
Nu ik toch kijk, zie ik een landschap: een rivierbocht, begroeiing, ik denk een herder met enkele dieren, een rotsformatie op de achtergrond en boven dat alles een vaalgrijze, bewolkte lucht met wit licht. Het jaartal en het toegevoegde tijdstip in de titel doen mij vermoeden dat Thompson het werk heeft opgenomen omdat het in de schilderkunst wellicht een wending aankondigt: weg van de mythologische en historische voorstelling, naar een verstilde en documentaire weergave van een eenvoudige, niet aangedikte werkelijkheid, en naar het onderzoek van de blik – wat dan later in de negentiende eeuw in het impressionisme moet uitmonden.
Thompson:
Théodore Rousseau maakte deel uit van de school van Barbizon. Zijn werk werd systematisch geweigerd op de Salons ‘omdat het afweek van de academische conventies’. Zijn losse toets en ‘vibrerende’ kleuren herinneren aan de Engelse landschapsschilderkunst (Constable, die door Rousseau werd bewonderd). De voorstelling biedt het oog geen centraal rustpunt, de blik zwermt uit over de hele compositie en hecht zich aan her en der verspreide ‘kleine picturale voorvallen’ (onder meer de herder). Daarmee kondigt dit werk de impressionisten aan, maar het verschilt daar ook van omdat Rousseau zijn doeken in zijn atelier borstelde, naar ter plekke gemaakte schetsen. Hij onderzocht dus niet alleen de waarneming maar ook het geheugen.
woensdag 30 mei 2007
Mijn woordenboek (153)
ADOLESCENT
Eufemistische omzeiling van het denigrerende ‘puber’ – maar het woord geeft ook aan dat de volwassenheid nog in het verschiet ligt, waardoor het behalve vergoelijkend ook enigszins pejoratief klinkt. Het synonieme ‘jongvolwassene’ doet mij dan weer denken aan dat soort van termen dat een onvermogen of onwil verraadt om een onvolledigheid onder ogen te zien, zoals ‘mindervalide’ of – godbetert – ‘andersvalide’. Het woord ‘adolescent’ is een mossel-noch-visterm. Dat niemand het van zichzelf lijkt te zeggen, wijst daarop. ‘Ik ben adolescent’: je zult het een overjaarse puber of aanstormende volwassene niet snel horen zeggen.
’t Is een administratief, neutraal, objectief en clean klinkend woord, het doelt meer op een bevolkingscategorie of een biologische transitiefase dan dat het existentiële trauma’s toedekt. Het woord ‘adolescent’ brengt je geen pukkels en slungelachtigheid en gegiechel voor de geest, wel een formulier of een pedagogenboek of de dorre tekst van een reglement. Toch is er geen rekenkundige zekerheid: begin- en einddatum van levensfases liggen tegenwoordig minder dan ooit vast. Met puberen kun je vandaag al van grosso modo tien beginnen (en zelfs vroeger), en je kunt er gerust een heel eind mee doorgaan: de tijd dat de volwassenheid wettelijk op achttien c.q. eenentwintig was vastgelegd (bromfiets- en autorijbewijs), is allang passé. (Ja, nooddruft en schaarste versnellen niet langer de volwassenwording.)
Veel hangt trouwens af van het gezichtspunt. Een puber is geneigd zich voorbarig als volwassene te bestempelen – dat is juist het onvolwassene van puberen; sommigen dan weer, die het op basis van hun leeftijd al geruime tijd zouden moeten zijn, weten van zichzelf dat ze het misschien nooit echt zullen worden – en dat wijst dan weer op maturiteit.
Eufemistische omzeiling van het denigrerende ‘puber’ – maar het woord geeft ook aan dat de volwassenheid nog in het verschiet ligt, waardoor het behalve vergoelijkend ook enigszins pejoratief klinkt. Het synonieme ‘jongvolwassene’ doet mij dan weer denken aan dat soort van termen dat een onvermogen of onwil verraadt om een onvolledigheid onder ogen te zien, zoals ‘mindervalide’ of – godbetert – ‘andersvalide’. Het woord ‘adolescent’ is een mossel-noch-visterm. Dat niemand het van zichzelf lijkt te zeggen, wijst daarop. ‘Ik ben adolescent’: je zult het een overjaarse puber of aanstormende volwassene niet snel horen zeggen.
’t Is een administratief, neutraal, objectief en clean klinkend woord, het doelt meer op een bevolkingscategorie of een biologische transitiefase dan dat het existentiële trauma’s toedekt. Het woord ‘adolescent’ brengt je geen pukkels en slungelachtigheid en gegiechel voor de geest, wel een formulier of een pedagogenboek of de dorre tekst van een reglement. Toch is er geen rekenkundige zekerheid: begin- en einddatum van levensfases liggen tegenwoordig minder dan ooit vast. Met puberen kun je vandaag al van grosso modo tien beginnen (en zelfs vroeger), en je kunt er gerust een heel eind mee doorgaan: de tijd dat de volwassenheid wettelijk op achttien c.q. eenentwintig was vastgelegd (bromfiets- en autorijbewijs), is allang passé. (Ja, nooddruft en schaarste versnellen niet langer de volwassenwording.)
Veel hangt trouwens af van het gezichtspunt. Een puber is geneigd zich voorbarig als volwassene te bestempelen – dat is juist het onvolwassene van puberen; sommigen dan weer, die het op basis van hun leeftijd al geruime tijd zouden moeten zijn, weten van zichzelf dat ze het misschien nooit echt zullen worden – en dat wijst dan weer op maturiteit.
dinsdag 29 mei 2007
Overschrijven (59)
Het was, zo schrijft Beyle, een diepe teleurstelling voor hem toen hij een paar jaar terug bij het doorkijken van oude paperassen op een met Prospetta d’Ivrea ondertitelde gravure was gestuit en onder ogen moest zien dat het beeld van de in de avondschemer gehulde stad zoals hij het zich herinnerde, niets anders weergaf dan een kopie van juist deze gravure. Men zou daarom, luidt Beyles advies, geen gravures moeten kopen van mooie uit- en aanzichten die men op reis tegenkomt. Want een gravure neemt al spoedig de volledige plaatsruimte in van de herinnering die we van iets hadden, ja men zou kunnen zeggen, zij doet haar teniet.
W.G. Sebald, Melancholische dwaalwegen (Van Gennep, 1990), 12
W.G. Sebald, Melancholische dwaalwegen (Van Gennep, 1990), 12
maandag 28 mei 2007
Aanvulling bij ‘Mijn woordenboek’ (152): ‘Administratie’
…misschien kon ik nog wel een klein betrekkinkje krijgen bij de administratie om een alphabetisch register te helpen maken van alle nuttelooze zaken, die afgeschaft moesten worden, honderden lui hadden ze daarvoor noodig.
Nescio, ‘Mene Tekel’, in De uitvreter etc. (Nijgh & Van Ditmar, 1983), 144
Nescio, ‘Mene Tekel’, in De uitvreter etc. (Nijgh & Van Ditmar, 1983), 144
De kunst van het kijken (1)
Dit is de eerste aflevering in een reeks die is gebaseerd op het boek Jon Thompson, De kunst van het kijken, Ludion, 2006. De auteur bespreekt een tweehonderdtal ‘moderne’ schilderijen.
De opzet van deze stukjes is dat ik eerst beschrijf wat en hoe ik zie, pas nadien de tekst van Thompson lees en zo nodig mijn ‘lezing’ van het schilderij aanvul.
De opzet van deze stukjes is dat ik eerst beschrijf wat en hoe ik zie, pas nadien de tekst van Thompson lees en zo nodig mijn ‘lezing’ van het schilderij aanvul.
Gustave Courbet, Het atelier van de schilder (1855)
Het doek moet monsterachtig groot zijn. Dat is ook zo: het meet 3,6 x 6 meter. Er staat dan ook erg veel op – en natuurlijk is zo’n reproductie van nauwelijks 12 x 20 cm (in het boek) veel te klein. Het lijkt alsof de schilder alles wat voor hem belangrijk is op dit doek heeft willen proppen. Muziek is maar een van de aanwezige elementen: de op de grond liggende gitaar. De dood is aanwezig in de doodskop aan de voet van de gekruisigde figuur. Die staat natuurlijk voor de religie. En uiterst links kijkt een man met een kistje toe: de mecenas? De kunstenaar zelf is, hoe kan het ook anders voor een kunstenaar, het belangrijkst want hij heeft zichzelf en het doek waaraan hij werkt in het midden afgebeeld. Achter hem staat, hoewel hij een landschap aan het konterfeiten is, een naakt model. Zij trekt, mede door de belichting en haar gestalte, de meeste aandacht naar zich toe. Rechts zit een man een boek te lezen. Voor hem werpt een andere vrouw een zijdelingse blik naar het doek op de ezel. Er zijn ook dieren afgebeeld: twee honden. Op de achtergrond zien we mensen praten – velen zijn opmerkelijk weinig betrokken op de activiteit van de schilder. Door de positie die ze innemen, kunnen ze het doek niet zien. Heel opvallend is dat alle personages – dertig in totaal, als je er het op de grond tekenende kind rechts en de baby die links van de ezel wordt gezoogd niet vergeet bij te tellen – zich op de onderste helft van het doek bevinden. En dan zijn er nog een paar schimmige (overschilderde?) figuren. Door deze lage positionering van de personages is de wand op de achtergrond een belangrijke component. Het moet heel moeilijk zijn geweest voor Courbet om dit ongeveer zes vierkante meter grote vlak op een interessante manier te behandelen. We zien een vage indruk van een schilderij, de achterkant van een schilderij, draperieën, en rechts een raam of een deur waardoorheen licht naar binnen valt. Afgezien van de overwegende bruine tint valt mij nog iets op: het foute perspectief van het doek waaraan de schilder werkt.
Thompson:
Het schilderij moet ‘gelezen worden’ als een weergave van de positie van de kunst(enaar) in de toenmalige samenleving. Links van de centraal opgestelde schilder ‘gewone mensen’: een jood, een priester, een stoffenhandelaar, een begrafenisondernemer, een zogende vrouw. Rechts zien we onder meer de politieke filosoof Proudhon en (lezend op de tafel) Baudelaire. Met zijn behandeling van de reusachtige wand probeert Courbet een opening te creëren die het atelier met het landschap daarbuiten moet verbinden. ‘[Hij wilde] het laten voorkomen alsof de hele wereld zich aan hem presenteerde om te worden geschilderd.’
Het doek moet monsterachtig groot zijn. Dat is ook zo: het meet 3,6 x 6 meter. Er staat dan ook erg veel op – en natuurlijk is zo’n reproductie van nauwelijks 12 x 20 cm (in het boek) veel te klein. Het lijkt alsof de schilder alles wat voor hem belangrijk is op dit doek heeft willen proppen. Muziek is maar een van de aanwezige elementen: de op de grond liggende gitaar. De dood is aanwezig in de doodskop aan de voet van de gekruisigde figuur. Die staat natuurlijk voor de religie. En uiterst links kijkt een man met een kistje toe: de mecenas? De kunstenaar zelf is, hoe kan het ook anders voor een kunstenaar, het belangrijkst want hij heeft zichzelf en het doek waaraan hij werkt in het midden afgebeeld. Achter hem staat, hoewel hij een landschap aan het konterfeiten is, een naakt model. Zij trekt, mede door de belichting en haar gestalte, de meeste aandacht naar zich toe. Rechts zit een man een boek te lezen. Voor hem werpt een andere vrouw een zijdelingse blik naar het doek op de ezel. Er zijn ook dieren afgebeeld: twee honden. Op de achtergrond zien we mensen praten – velen zijn opmerkelijk weinig betrokken op de activiteit van de schilder. Door de positie die ze innemen, kunnen ze het doek niet zien. Heel opvallend is dat alle personages – dertig in totaal, als je er het op de grond tekenende kind rechts en de baby die links van de ezel wordt gezoogd niet vergeet bij te tellen – zich op de onderste helft van het doek bevinden. En dan zijn er nog een paar schimmige (overschilderde?) figuren. Door deze lage positionering van de personages is de wand op de achtergrond een belangrijke component. Het moet heel moeilijk zijn geweest voor Courbet om dit ongeveer zes vierkante meter grote vlak op een interessante manier te behandelen. We zien een vage indruk van een schilderij, de achterkant van een schilderij, draperieën, en rechts een raam of een deur waardoorheen licht naar binnen valt. Afgezien van de overwegende bruine tint valt mij nog iets op: het foute perspectief van het doek waaraan de schilder werkt.
Thompson:
Het schilderij moet ‘gelezen worden’ als een weergave van de positie van de kunst(enaar) in de toenmalige samenleving. Links van de centraal opgestelde schilder ‘gewone mensen’: een jood, een priester, een stoffenhandelaar, een begrafenisondernemer, een zogende vrouw. Rechts zien we onder meer de politieke filosoof Proudhon en (lezend op de tafel) Baudelaire. Met zijn behandeling van de reusachtige wand probeert Courbet een opening te creëren die het atelier met het landschap daarbuiten moet verbinden. ‘[Hij wilde] het laten voorkomen alsof de hele wereld zich aan hem presenteerde om te worden geschilderd.’
zondag 27 mei 2007
76 * 30,23 * 369
Ik sleep me naar het vertrekpunt aan de aanlegsteiger van de Lamme Goedzak en wordt daar, zoals steeds die enkele keren dat ik het voorbije jaar heb meegereden, met vriendelijk enthousiasme onthaald door het kleurige, gezonnebrilde en gehelmde groepje. (Hoewel, kleurig: de belangrijkste kleuren in onze outfits zijn grijs en zwart. Ikzelf sta er met mijn donkerblauw nog het fleurigst bij. Reclame voeren we – met zeer terechte trots – voor geen enkele firma.) Ik ben hier voor nog eens een rit met de wielervrienden van de zondagvoormiddag. (Ja, hoe noemt jullie groepje eigenlijk, had P’s dochter gevraagd, vertelde hij op het terras van het café in Hoeke waar we op de terugweg, volgens R, zaten te stinken. Er is geen naam. De naam is: wielervrienden van de zondagvoormiddag.) Ik vrees bij het vertrek het ergste voor de rit naar-Breskens-en-terug, voorzie stilletjes om ergens ter hoogte van Sluis rechtsomkeert te maken, maar tot mijn eigen grote verbazing rijd ik een groot deel van de afstand met 33 per uur aan kop, en weet ik in het terugkeren, tegen de wind in, goed stand te houden in de buik en vervolgens de staart van ons pelotonnetje. Alleen het laatste stuk na het al vermelde oponthoud in Hoeke, wanneer P stevig doortrekt, wordt het voor mij lastig om mijn inmiddels toch veel beter getrainde kompanen te kunnen blijven volgen.
zaterdag 26 mei 2007
Terugblik 265/1000
Portretten maken is, voor mij, het mooiste. Maar misschien ook het moeilijkste. Ik krijg er maar zelden de gelegenheid toe, en als de gelegenheid er is, durf ik het nauwelijks aan. In tegenstelling met landschappen of stillevens kan het object weerwerk bieden, bijvoorbeeld door zich in het resultaat niet te herkennen. Dat kan tot spanningen of tot misverstanden aanleiding geven, zeker als je als maker wél vindt dat je erin geslaagd bent om méér weer te geven dan een uiterlijke gelijkenis. Want dáár komt het bij het geslaagde portret toch op aan: een weergave te geven van wat níet te zien is. Dus moet je de geportretteerde al kennen, eigenlijk, én het vertrouwen genieten om die kennis te interpreteren.
Dit portret laat daarnaast ook zien dat enscenering en decor belangrijke hulpmiddelen kunnen zijn. Al denk ik wel dat het zuiverste portret er een is zónder attributen: niets in de handen, niets in de mouwen. Ik hoop dat ik er ooit toe kom.
Overschrijven (58)
…als mens zijn we een metafysisch en religieus dier dat tegelijk verkwikt én gekweld wordt door het vermoeden van een andere wereld. De andere dieren hebben daar, voor zover we weten, geen last van en nemen genoegen met de wereld van hun zintuigen…
Ton Lemaire, Met open zinnen (Ambo, 2002), 254-255.
Ton Lemaire, Met open zinnen (Ambo, 2002), 254-255.
37 * 26,26 * 293
Half zeven ’s avonds. Eerst tegenlicht. Kajakkers op het kanaal, op het water ligt een smurrie van – denk ik – olie en plantaardige toestanden. Eenden met kroost. In het terugkeren de zon achterin: het landschap krijgt kleur, mijn schaduw voor mij uit. Het koolzaadveld is uitgebloeid (daarom had ik mijn fototoestel meegenomen). Mijn banden staan te plat om de bochten snel te nemen. In Meetkerke steekt een bonkige coureur me voorbij: conditie. Achter het stuur van een auto die me kruist glimlacht een jongeman vriendelijk naar me. Waar ken ik hem van? Waarom doet die glimlach me zo plezier?
Abonneren op:
Posts (Atom)














