vrijdag 4 februari 2022

notitie 106

(220203)

ONDER LAGEN VAN HUID EN JAS

 

Een maand of twee geleden (zie notitie 32) nam ik mij voor om De avond is ongemak een tweede kans te geven. Ik las het in september 2020 een eerste keer, maar ik las het te slordig, merkte ik toen ik het de voorbije dagen herlas want zeer veel was toen nooit helemaal tot mij doorgedrongen en van het weinige dat ik wel had toegelaten was veel mij alweer ontsnapt. Ik was niet ondersteboven van het boek, zoals blijkbaar de jury van de International Booker Prize, die de nog erg jonge Nederlandse schrijfster Marieke Lucas Rijneveld, pardon, nu moet ik schrijver zeggen, de prestigieuze literaire onderscheiding toekende. 

 

Toen zag ik Rijneveld in Alleen Elvis blijft bestaan en daar maakte hij indruk. (Sorry, dat hij gaat mij niet af. Ik houd het toch maar op ‘zij’ want de MLR die De avond is ongemak schreef was toch nog een jonge vrouw, of niet soms? – op een andere manier kan ik dat boek niet lezen.)

Ik heb De avond is ongemak dus een tweede keer gelezen, en ik vond het nu wél heel goed, al is de roman zeker niet volmaakt.

De avond is ongemak gaat over een boerengezin in een door fanatieke godsdienst gedomineerde, nog grotendeels van de seculiere buitenwereld afgesloten ruraal Nederland, in een niet nader genoemd buitengebied waar alles plat en nat is. Veel weiland, veel water dat ’s winters nog genoeg dichtvriest om de noren boven te halen. Koeien, kippen, een Bijbelvaste vaderhand, een gedweeë moeder. Drie kinderen die in angst en beven opgroeien, niet meer voorbestemd om de on- of antimoderne leeftrant van hun ouders te bestendigen. Door allerlei kieren en gaten bereikt de hedendaagsheid het erf van het gezin Mulder, dat door calamiteiten getroffen wordt. Moeder gaat ten onder aan het verdriet om een niet terugkerende verloren zoon; vader ziet zijn zaak geruïneerd nadat MKZ zijn hele veestapel heeft opgesoupeerd. Het valt hem hierdoor zwaar om aan zijn geloof vast te houden.

Dat geloof – een strenge, ascetische en zeer verbale variant van het protestantisme – is in deze roman nadrukkelijk aanwezig. Bijbelcitaten en -referenties alom. Sommige gebeurtenissen krijgen een loodzwaar Bijbels aplomb, zeker als ze in verband met offeren en schuldgevoelens worden gebracht. ‘Misschien was het wel onze eigen schuld? Misschien was het wel een van de plagen en een plaag is hier nooit een natuurverschijnsel maar een waarschuwing.’ (157)

De religieus geïnspireerde taferelen vragen om dramatiek. Denk aan de vader die plots in de kerk opstaat en zijn woede uitschreeuwt om al het onverdiend onrechtvaardigs dat hem overkomt. Hij lijkt wel Jezus die de handelaars in de tempel de mantel uitveegt. Gebeden worden gericht tot een nimmer antwoordende God, die daarmee Zijn Eigen Overbodigheid in de verf lijkt te willen zetten: ‘Al twijfel ik steeds meer of ik God nog wel lief genoeg vind om met Hem af te spreken.’ (71)

‘[Ik ben] bang dat het bloed alle kanten op zal spuiten en iedereen in huis weet dat ik niet naar God maar naar mezelf toe wil.’ (93) Geen coming of age zonder Götterdämmerung.

Het eveneens door de religie gedicteerde determinisme regeert in de gemeente waar de Mulders deel van uitmaken alom: ‘“Jawel,” zegt Obbe, “maar wij zijn vanaf onze geboorte al besloten en vastgelegd. We zijn hoe we zijn.”’ (152) Obbe brengt als oudere broer van hoofdpersonage Jas (de ikfiguur) de moderniteit binnen in de vorm van onder andere sigaretten, popmuziek en seksblaadjes – en hij effent daarmee het pad naar de uitweg, zou je denken.

Met een – voor haar leeftijd – onwaarschijnlijke rijpheid evoceert Rijneveld rauwheid. Op een boerderij valt veel elementairs te noteren. Leven en dood tonen zich in hun meest onverbloemde gedaanten. Daardoor omringd moet een kind van tien, twaalf jaar, een meisje nog, haar ontluikende persoonlijkheid en lichamelijkheid begrijpen en in de greep houden. En natuurlijk treffen ook haar de angst en het verdriet: hoe gaat zij daarmee om? Seks en fantasie tonen de uitgang uit deze claustrofobische setting waarin de mogelijkheid van zelfmoord een bijna tastbare aanwezigheid is. ‘Ik knik en denk aan de juffrouw die heeft gezegd dat ik met mijn inlevingsvermogen en tomeloze fantasie ver zou kunnen komen, maar dat ik er op den duur ook woorden aan moet geven, omdat alles en iedereen anders in je blijft zitten.’ (153)

Lang lijkt die uitgang ‘aan de overkant’ te liggen, aan de overkant van het water. Daar wacht een andere wereld, een ander leven. Het is en blijft voorlopig een metafoor. Het enige wat wel een reële ontsnappingsmogelijkheid biedt, is de ontluikende seksualiteit: ‘Steeds vaker ontsnap ik aan de boerderij door op mijn buik te gaan liggen en met mijn kruis tegen mijn knuffel aan te bewegen (…)’. (199) Meesterlijk is de parallel die Rijneveld maakt tussen het lichaam dat nog als een onvolgroeide vlinder in een cocon gevangen zit enerzijds (‘zo moet een rups zich voelen die op het punt staat een vlinder te worden, maar die iets heeft wat hem steeds tegenhoudt’ (193)), en het kind dat weigert haar tegen angsten en verdriet beschermende jas uit te trekken. Zo heet ze dan ook: Jas. Jas Mulder. In haar omgeving wordt gefluisterd dat ze geen afstand van haar jas wil doen omdat zo onzichtbaar blijft dat ze nog geen ‘tietjes’ heeft. Veelbetekenend is natuurlijk ook dat het uiteindelijk haar vader is die haar verbiedt de jas nog langer te dragen en hem – min of meer ritueel – verbrandt.

Rijneveld schrijft vlak, onderkoeld en schijnbaar onbetrokken, maar toch ook wel heel zuiver. Haar proza is beeldrijk, maar soms wat uitgerokken. De wereld die zij beschrijft is allicht te eng voor 270 dichtbedrukte bladzijden. Hier en daar ontwaar ik gekunsteldheid in het mengen van registers – bijvoorbeeld tussen het verhevene van Bijbelse evenementen en het banale dagelijkse van, bijvoorbeeld, schijtende koeien. Sommige vergelijkingen die Rijneveld maakt zijn ronduit onbegrijpelijk – het is jammer dat ze de eindredactie hebben overleefd. ‘Ik volgde haar met oogpotlood opgemaakte ogen – de lijntjes onder en boven leken net boogjes op een getallenlijn die te grote sprongen maakten om een antwoord te krijgen – richting mijn jas.’ (61) Dat is behalve een slechte zin ook een onbegrijpelijke vergelijking. Of neem dit: ‘Ineens zie ik voor me hoe vader en moeder net zo geel worden als legopoppetjes, hoe ze niet meer van hun plek zullen komen als de koeien weg zijn, als niemand ze meer in hun nekvel pakt en op de juiste plek vastklikt.’ (151)

Maar andere beelden zijn dan weer erg geslaagd. Zoals deze, al kan de zin beter: ‘Moeder (…) liet haar mondhoeken hangen. Die hingen de laatste tijd continu, alsof er fruitgewichtjes aan zaten zoals aan het tafelkleed op de tuintafel.’ (44) Je ziet het zo voor je. En het is een stilistische truc die Rijneveld continu toepast: zij mengt het hogere register (hier de gemoedstoestand van de moeder) met het lagere (het huisraad). Dat is een economische manier van schrijven want op die manier komt het decor binnen via dit vermengingen met psychologie en idee, en hoeft het niet meer apart beschreven te worden. Trouwens, de diepere inhoud wordt nergens expliciterend aangebracht. MLR laat haar/zijn lezers het werk doen.

Er is toch nog iets waaraan ik mij heb gestoord: de gewaagde veronderstelde aanwezigheid van Joden-op-de-vlucht in de kelder (enkel in de fantasie van Jas, uiteraard) en de aanwezigheid van Adolf Hitler via Jas’ geboortedatum (20 april), die ook die is van Marieke Lucas Rijneveld: 20 april 1991. ‘Ik lijk op hem [= Hitler], bedacht ik, en niemand mag dat te weten komen. We zijn zelfs op dezelfde dag jarig, op 20 april (…)’. (59)

Ondanks alle beklemmende kommer en kwel die Rijneveld oproept met haar schildering van een uiterst terneerdrukkend agrarisch en door een achterlijk gereformeerde variant van het protestantisme gedomineerde bestaan lijkt de boodschap van dit boek, ook al gloort deze slechts hier en daar door, toch positief. Want zegt Rijneveld niet, bijvoorbeeld: ‘het is juist de afwezigheid van perfectionisme die ons breekbaar maakt en waardoor we gered moeten worden’ (169)? Of: ‘In verlies vinden we onszelf en zijn we wie we zijn’ (192)? Als deze wijsheden worden geassumeerd, ‘misschien komt er uit mij dan ook een groot meisje gekropen dat vrij is van haar angsten of in ieder geval iemand die gezien zal worden, die al te lang verborgen ligt onder lagen van huid en jas.’ (217-218)

 

https://www.vrt.be/vrtnu/a-z/alleen-elvis-blijft-bestaan/9/alleen-elvis-blijft-bestaan-s9a5-marieke-lucas-rijneveld/

Marieke Lucas Rijneveld, De avond is ongemak, 2018

6361

Damme, IJsberg, werk van ? - 211205

 

donderdag 3 februari 2022

notitie 105

(220131)

SPREEUWEN

 

Een van de redenen waarom ik graag woon waar ik woon is dat ik een mooi uitzicht heb. Ik heb zelfs twee mooie uitzichten. Vooraan zie ik vanop mijn derde verdieping de eeuwoude bomen van het park, en achteraan kijk ik behalve over het huizenblok en het groen daar middenin uit over een verte, waar onder andere de windmolens van de Brugse binnenhaven goed zichtbaar zijn.

Die beide uitzichten schenken mij een ruimtegevoel dat ik node zou missen indien het er niet zou zijn, indien ik bijvoorbeeld achteraan zou uitkijken op een luchtkoker en vooraan op een inkijk in de badkamer van een overbuur.

Vaak zit ik achterin mijn appartement te werken. Ik heb daar mijn bureau en een groot deel van mijn boekenverzameling – ik voel me er veilig en geborgen. En ik heb een uitzicht zonder inkijk. Luxe! Heel vaak kijk ik niet naar buiten. Maar soms onderbreek ik mijn lectuur of mijn schrijfschrijf, en dan mijmer ik weg terwijl ik naar een onbestemde verte kijk. En dan kan het gebeuren dat ik niet alleen een ontologische maar ook een ornithologische vreugde beleef.

Ik heb hier al het een en ander zien rond- en overvliegen. Mussen en merels en eksters en gaaien en kauwen en duiven en acrobatische mezen in de tuin en op de schoorsteen of in de goot van de achterburen. Maar ook: de ganzen die gakkend hun landing op het Stil Ende voorbereiden, en uiteraard ook slaaptrekkende meeuwen. Een paar keer al zag ik iets uitzonderlijks overvliegen: wilde zwanen, een ooievaar, kraanvogels. En een keer, hoog, zo hoog dat ik niet precies kon achterhalen wat het was, iets roofvogelachtigs. Volgens de eminente vogelkenner Jan Desmet, die hier bij mij om de hoek woont en die niet, zoals ik, af en toe eens toevallig naar buiten kijkt maar werkelijk systematisch met een verrekijker de lucht afspeurt, is van hieruit heel veel fraais te spotten want we zitten net ten zuiden van een zeer drukke trekcorridor. Maar dat is wetenschap en daar waag ik mij niet aan.

Vandaag zag ik in de verte, ik schat een kilometer van hier, een zwerm spreeuwen. U kent het wel: zo’n warrelende wolk van wel duizend zwarte stipjes die zwierend en zwenkend allerlei vormen aanneemt, zich splitst in twee wolken die opnieuw samenkomen, enzovoort. Af en toe zie je een filmpje van dat fenomeen met grote instemmende bewondering passeren op Facebook. Welnu, ik zag het vandaag écht.

Ik zag het vorig jaar ook al, herinner ik mij nu. Blijkbaar is het iets wat maar in een bepaalde periode voorkomt. Is het een soort van collectieve balts? Ik weet het niet. Het ziet er in elk geval heel erg speels en oneconomisch uit: hoeveel energie wordt daar niet geïnvesteerd in een volstrekt nutteloos luchtballet? Maar mooi is het wel.

Die golvende bewegingen. Die wisselende schakeringen. Dat splitsen en dat samenkomen. Minuten lang gaat het maar door, heen en weer, en niet een van die duizend die met een ander botst. Het kan niet anders of er moet een regisseur zijn. Hoe anders kun je verklaren dat die spreeuwenwolk achtereenvolgens vormt (en ik noteer nu wat ik zag): een slang, een hamer, een hart, een duikboot (zo’n compacte, zoals in The Yellow Submarine), een kapitaalletter S, een pijl, een dolfijn, een vraagteken (zonder punt), een gelijkheidsteken, een vis, een voet, een tekstballon (zonder tekst), een zeehond, een vuurwerkexplosie, een aambeeld, een vanuit de lucht gezien wielerpeloton met de vorm van een spermatozoïde, en dus eigenlijk ook een spermatozoïde, een boemerang, een vlinderdas (en niet een vlinder, vreemd genoeg), een rookpluim, een rog en, jawel, een vogel!

En dat laatste deed natuurlijk denken aan die lucky shot-foto van zo’n spreeuwenzwerm in de vorm van een vredesduif die een tijd geleden opdook. Die vorm heeft mijn zwerm ongetwijfeld ook aangenomen, maar ik heb het niet gezien.

6360

Damme, IJsberg, werk van ? - 211205

 

woensdag 2 februari 2022

notitie 104

(220201)

MANOEUVRES

Achter Marijn Trio, die in het Journaal probeert duidelijk te maken hoe de Oekraïners de dreiging aanvoelen, zie ik een opvallend rustige straat en een banale appartementenarchitectuur die me doet vergeten dat de reporter in Kiev staat. Dit is niet meer het groezelige Oost-Europa dat we kennen van Oostblokbeelden à la Ceaușescu, maar evenzeer heeft het kapitalisme hier elk spoor weggewalst van traditionele bouwkunst, zoals we haar soms – en laat ons hopen onder intussen beschermde status – nog aantreffen in kleine stadjes in bijvoorbeeld Bohemen: kleurig en knus rond een langwerpig plein geschikt, de status van de bewoners weerspiegelend, fris in zijn vertoon van afunctionaliteit en anachronisme.

Maar goed, dat is een nevenbedenking. Hier gaat het niet over architectuur maar over dreiging. Hoewel, het gaat toch ook over die gebouwen. Want wat als die heren aan beide kanten van het opgeblazen meningsverschil toch besluiten om op de knop te drukken, dan mag Marijn Trio hier na het geraas en gebral nog eens terugkomen voor een sfeerbeeld met op de achtergrond een rij ruïnes.

Het is onvoorstelbaar. Nu zie ik achter Marijn een auto passeren, en ginds in de verte een voetganger. Deze mensen zijn nog altijd op weg van hun punt A naar hun punt B. Alsof ze een toekomst hebben.

En ja, zo handelen we altijd. Alsof we een toekomst hebben.

Ondertussen, zo lees ik in een van de berichten die mij onder ogen komen, is de dreiging wel degelijk groot. Sinds de Varkensbaai is de spanning tussen de grootmachten nog nooit zo hoog opgelopen. De mogelijkheid van een Derde Wereldoorlog is reëel.

Kan ik mij daar iets bij voorstellen? Neen. Kan ik mij voorstellen hoe het mogelijk is dat het al dan niet plaatsvinden van een zo grote ramp – en zo groot zal hij zeker zijn – nu door zo weinigen wordt bedisseld? Neen, dat kan ik mij niet voorstellen.

Wat zouden de beweegredenen kunnen zijn om nu de spanning zo gevaarlijk hoog te doen oplopen? Zijn de heren bezig met het welzijn van hun burgers, met het zo grootst mogelijke geluk voor zoveel mogelijk personen, met het welvaren van de planeet eventueel? Ik dacht het niet.

Vorige week illustreerde Boris Johnson, u weet wel, die welbespraakte gek uit Londen, heel mooi wat er in de hoofden van die machtige mannen omgaat. Zwaar onder vuur omdat hij de lockdownregels aan zijn laars had gelapt met arrogante tuinfeestjes in zijn ambtswoning (er arrogant op rekenend dat al zijn coronamoeë personeel het zich zou laten welgevallen en dat niemand het in zijn hoofd zou halen om een kritische bedenking te formuleren – hoe arrogant kun je zijn) – zwaar onder vuur dus, richtte Boris zijn pijlen op Oekraïne, een land waar hij waarschijnlijk nog nooit een zinnige overdenking aan had gewijd. Groot-Brittannië moet meehelpen aan het herstellen van het militair evenwicht aan de grens tussen Oekraïne en Rusland! Ja, Boris, goed idee. Wij vergeven jou je partijtjes in je tuin en zullen nu allemaal inzetten op het verjagen van de Russen.

Zou het bij uitbreiding kunnen zijn dat die hele dreiging, daar in dat verre land waar normaal gezien niemand van wakker ligt, alleen maar een nuttig manoeuvre is om onze aandacht af te leiden? Van corona, van de toenemende ongelijkheid, van de falende overheden, van de klimaatramp die op ons afkomt?

 


 

6359

Damme, IJsberg - 211205

 

dinsdag 1 februari 2022

vrouwelijke auteurs op mijn leeslijst

Ik moet het met u hebben over de aanwezigheid van vrouwelijke auteurs op mijn leeslijst.

Ik hoor wel eens zeggen dat we in verwarrende tijden leven, of in verwarde tijden, en dan probeert het nuchtere deel in mezelf te sussen: ah, het loopt zo’n vaart niet, wees blij dat je geen pest of Beeldenstorm moet meemaken, of een wereldoorlog. Maar een drietal weken geleden haalde de stem in mij die van oordeel is dat het glas halfleeg is en dat we inderdaad in onzekere tijden leven, de bovenhand.

Dat ging zo.

Ik plaats al vele jaren bij het begin van elk nieuw jaar een lijst van door mij het voorbije jaar gelezen boeken op mijn blog. Op die manier maak ik een aantal data betreffende mijn persoonlijke voorkeuren wereldkundig. Sommigen zullen zeggen dat ik mijn privacy te grabbel gooi.

De lijst in kwestie bevat niet álle door mij gelezen boeken, enkel de ‘boeken die er om de een of andere reden voor mij toe doen’. Ik maak die lijst niet op om op te scheppen, maar wel om de volgende twee redenen.

Ten eerste is het een manier om mijn eigen lectuurgeschiedenis te archiveren.

Ten tweede – en dat is de belangrijkste reden – denk ik hiermee enkele mensen wat leessuggesties aan de hand te kunnen doen. Inderdaad zijn er een paar mensen die mij in hun reactie te kennen geven dat ze zich voornemen enkele van de door mij genoemde boeken te zúllen lezen. Daar ben ik blij mee. Ik klop mezelf op de borst en zeg: ‘Pascal, je hebt aan leesbevordering gedaan.’ En dat zonder subsidie

Dit keer kreeg ik ook een afwijkende reactie – en het was deze reactie die mij de aanloop van deze beschouwing opleverde: dat we in verwarrende tijden leven.

De reactie kwam van Herman Jacobs, een door mij in zeer grote mate gewaardeerde ex-collega. Jacobs was ooit boekenredacteur en recensent bij Knack en De Morgen, en is nu, voor zover ik daar zicht op heb, zelfstandig tekstverwerker.

Welnu, deze Herman Jacobs wees me op wat hij ‘één dingetje’ noemde: dat er in mijn lijst opvallend weinig vrouwelijke auteurs waren opgenomen.

Deze reactie zette mij aan het denken. De resultaten van dat denken wil ik nu met jullie delen.

Laat mij beginnen met een statistische wet.

Wanneer je een enigszins willekeurig samengestelde lijst hebt met daarin enkele tientallen dames en heren (of gelijk welk duo van soorten, bijvoorbeeld appels en peren, koetjes en kalfjes, vijven en zessen), is het onwaarschijnlijk dat beide soorten in precies even groten getale aanwezig zijn. Tenzij natuurlijk het werkelijk zo uitgemeten is dat de aantallen moeten kloppen, bijvoorbeeld bij de voorbereiding van een heteroseksueel geïnspireerde dansavond voor koppels. We vergeten dit soms omdat we zo gefixeerd zijn geraakt op evenwichten en gelijkheid. We moeten aanvaarden dat de stukken van een in parten gesneden taart nooit exact even groot kunnen zijn (en er is altijd wel een gelukzak die met het suikeren kindeke Jezus of het chocolade visitekaartje van de patissier of de ingebakken boon gaat lopen).

Aangenomen dus dat een zekere óngelijkheid in de verdeling vergeeflijk is, luidt nu de vraag: vanaf wanneer is een verdeling opvallend ongelijk of, met andere woorden, in disproportionele mate disproportioneel? En vervolgens: moeten er aan een vastgestelde opvallende ongelijkheid conclusies worden verbonden? Toegepast op mijn leeslijst met een disproportioneel mannelijk overwicht zou de vraag kunnen luiden: is de samensteller van de lijst misschien bevooroordeeld, eventueel zelfs vrouwonvriendelijk? Of – godbetert! – misogyn of seksistisch?

In deze woke tijden is dit een kwestie die we wakker onder ogen moeten zien.

Ik zal jullie hier nu met een paar cijfers om de oren slaan.

Mijn lijstje van in 2021 gelezen ‘boeken die er om de een of andere reden voor mij toe doen’ telt 61 eenheden. Daarvan zijn slechts 12 ofte nagenoeg 20 % door vrouwen geschreven. Of nog anders bekeken: dat lijstje bevat 44 verschillende auteurs, waaronder 37 mannen en 7 vrouwen, afgerond 19 %. Vergeef me indien ik mij bij deze telling niet altijd en overal heb vergewist van eventuele fluïditeiten of trans-ingrepen, terwijl om sociologische redenen ook gefoefel met voornamen mogelijk is, zoals we weten uit de literatuurgeschiedenis in het bijzonder en de kunstgeschiedenis in het algemeen. George Eliot is allicht een van de bekendste voorbeelden.

Mijn Facebookcollega Herman Jacobs heeft gelijk. 20 procent is een verhouding die afwijkt van de algemene demografie. Het is algemeen geweten dat iets meer dan de helft van de wereldbevolking uit vrouwen bestaat. Een aandeel van 20 procent vrouwelijke auteurs is te gering.

Door nieuwsgierigheid gedreven graaf ik eens in mijn archief en kom daar tot enkele onrustbarende bevindingen. Het kost me wat opzoek- en telwerk, dat bovendien belachelijk en/of ijdel of pretentieus kan overkomen, maar ik offer mijn imago met zelfverachting op aan de wetenschap. Er zijn er die hun leven veil hadden voor het verwerven van kennis – ik denk spontaan aan Marie Curie.

De resultaten op basis van cijfers die teruggaan tot 2013 zijn veelzeggend. Ik tel 30 door vrouwen geschreven boeken ‘die er voor mij op de een of andere manier toe doen’ op een totaal van 338. Dat is 8,87 %.

Ik heb nog een andere benadering om deze kwestie te kwantificeren.

Dertien jaar lang heb ik een leesclub begeleid. Die leesclub bestond – zoals dat met leesclubs meestal het geval is – vooral uit vrouwen. Ik gaf hun inspraak in de samenstelling van ons leesprogramma. Van de 165 boeken die ik in die tijd heb behandeld, waren slechts 20 titels door vrouwen geschreven. 12 procent.

Maar het kan nog erger. Ik heb thuis een ‘bovenste plank’ met mijn lievelingsboeken. Daar is het resultaat nog bedroevender: met boeken van Rachel Cusk, Annie Ernaux, Charlotte Mutsaers, Olga Tocarkzuk en Marguerite Yourcenar zijn op een totaal van 75 auteurs slechts 5 vrouwen vertegenwoordigd. 6,6 procent.

Deze cijfers spreken voor zich. Natuurlijk had ik dit onevenwicht al eerder opgemerkt, maar ik had er mij nog nooit zorgen over gemaakt. Daar ben ik niet wakker genoeg voor, waarschijnlijk.

Ik laat nu de openbare aanklager aan het woord met zijn requisitoir. Ik stel voor dat we daarna luisteren naar de verdediging van de beklaagde.

Herman Jacobs merkte op dat er ‘betrekkelijk weinig vrouwen in [mijn] kast staan’. Hij zegt dat het een ‘stokpaardje’ is van hem. Ik laat hem even aan het woord: ‘de wezenlijkste articulatie van de menselijke ervaring ligt (beweer ik) in het man- dan wel vrouw-zijn. En dus let ik, om mezelf de helft van die menselijke ervaring niet te ontzeggen, er zelf heel erg, en heel bewust, op dat minstens een derde, en liever nog 40-45%, van wat ik lees een vrouwelijke auteur heeft. De ervaring leert me trouwens dat je anders (het geldt trouwens bijna net zo sterk voor lezeressen) “vanzelf” op 80 à 90 procent mannen uitkomt.’

Ik ben het voor wat betreft twee zaken volmondig met Herman Jacobs eens: de ‘wezenlijkste articulatie’ en het ‘vanzelf’ op 80 à 90 procent mannen uitkomen. Dat cijfer komt merkwaardig goed overeen met mijn tellingen. Maar ik ga mezelf niet opleggen voor ‘minstens een derde’ werk van vrouwelijke auteurs te lezen. Laat staan voor 45 %. (Waarom trouwens die minieme toegeving? Echt consequent zou 50 % zijn, of zelfs 55 %, ter compensatie van de eeuwenlange discriminatie die maakte dat vrouwelijke auteurs zeer lang in de minderheid zijn geweest.) Ik ben niet van plan een dergelijke toegeving te doen en daarom luidt mijn verdediging als volgt:

‘Ik bewaar voor mezelf de vrijheid dat criterium op geen enkele manier te laten meespelen in de samenstelling van mijn lectuurlijst. En dat geldt voor alle andere mogelijke criteria die van mij een politiek correctere lezer zouden maken. Er staan dus ook niet doelbewust speciaal méér boeken in van gekleurde of niet- of minder-gekleurde personen, anders of enigszins bijzonder geaarde personen, joodse of niet-joodse personen, enzovoort. Het enige waardoor ik mijn lectuurlijst laat beïnvloeden is mijn persoonlijke voorkeur, mijn leesgeschiedenis, mijn belangstelling (allemaal van een witte blanke boomer dus) en hét toeval, dat godzijdank nog altijd blind is voor alle mogelijke politiek correcte onderscheiden!’

Daarmee blijft echter een onderliggende vraag onbeantwoord: als ik mijn lectuurlijst door mijn persoonlijke voorkeur laat bepalen, en dus niet door een politiek correct denken opgelegd quotum, lijken mijn cijfers te suggereren dat vrouwen minder goede literatuur voortbrengen dan mannen. Althans volgens mijn literaire smaak en opvattingen.

Schrijven vrouwen echt slechtere boeken dan mannen? Dat wil ik niet gezegd hebben! Maar misschien schrijven ze ánders? Anders dan mijn voorkeur het wil, bedoel ik. En misschien interesseert dat ‘ándere’ mij niet zo?

Ik denk inderdaad dat (de meeste) vrouwen ‘ándere’ boeken schrijven.

Neem het thriller- en misdaadgenre. Daarin blinken veel vrouwen uit. Opvallend veel. Patricia Highsmith, Agatha Christie, Elizabeth George – om er maar enkele te noemen: dat zijn allemaal hoogvliegers. Maar ik ben niet geïnteresseerd in het misdaadgenre. Omdat vrouwelijke auteurs het domineren? Natuurlijk niet. Hoe belachelijk zou dat zijn. Neen, gewoon, omdat het genre me niet interesseert.

Veel vrouwen schrijven ook over wat sommigen al dan niet denigrerend ‘vrouwenzaken’ noemen. Dat lijkt bijvoorbeeld de Nederlandse schrijfster Anna Enquist te suggereren, iets waaraan een andere Nederlandse schrijfster, Christine Otten, zich dan weer stoort in een column van haar – ik denk dat het in de Volkskrant was. Volgens Enquist zouden vrouwen zich in hun literatuur vooral met ‘“kleinere thema’s” en sociale relaties’ bezighouden – wat overigens geen ‘mindere’ literatuur zou opleveren. Enquist, voor de goede orde, is zelf een vrouw en behalve schrijfster van zeer succesvolle romans ook psychoanalytica.

Het lijkt me logisch dat vrouwen hun eigen onderwerpen hebben. Zoals mannen over mannenzaken schrijven. In een wereld waarin het verschil tussen man en vrouw eeuwenlang werd ingebakken – of je dat nu goed vindt of niet – en nog wel een tijdje zal meegaan, al was het maar omdat het biologische verschil onuitwisbaar is, lijkt mij dat de normaalste zaak van de wereld: de literatuur houdt de wereld een spiegel voor.

Uiteraard is het belangrijk voor een man om te weten hoe vrouwen in elkaar zitten (zoals een man ook hoort te weten hoe mannen in elkaar zitten), maar dat hoeft wat mij betreft niet per se door middel van het lezen van boeken, zoals Jacobs suggereert. Er bestaan minder omslachtige manieren om de kloof tussen de geslachten te peilen. Als Herman Jacobs dat argument wil laten meespelen in de samenstelling van zijn leeslijst, dan is dat zijn volste recht. Strikt genomen heb ik daar geen zaken mee, tot hij natuurlijk opmerkingen in die zin maakt over míjn leeslijst.

Ik ben minder geïnteresseerd in vrouwen- dan in mannenzaken. Ja, ik durf dat nog zeggen! Maar ik ben wél geïnteresseerd in goede literatuur. En dat heeft niets te maken met de sekse van de auteur. Noch met het geslacht van de lezer.

Overigens, er zijn toch vast ook wel veel vrouwen die vooral mannelijke auteurs lezen – staat bij hen dan ook 'de wezenlijkste articulatie van hun menselijke ervaring' onder druk? En wat met trans en cis en fluïde?

Ach neen, ik zal vooral lezen wat mij interesseert – zolang dat nog mag en mogelijk is. Ik laat (verwachte en/of verhoopte) literaire kwaliteit primeren op het in literair opzicht secundaire kenmerk (hoe belangrijk op zichzelf ook) van het geslacht van de schrijver.

Daarmee komen we op een belangrijk punt: wat versta ik onder literaire kwaliteit? En tot de vraag waar beide kwesties samenkomen: verklaren mijn verwachtingen ten aanzien van literaire kwaliteit de ondervertegenwoordiging van vrouwelijke auteurs op mijn leeslijst?

Voor een antwoord op de eerste vraag grijp ik terug naar een tekst die ik in 2015 schreef naar aanleiding van mijn afscheid als leesclubbegeleider. In die tekst vraag ik mij af waarom wij ons aan de tijdrovende, om niet te zeggen tijdverslindende activiteit van het romans lezen overgeven. Ik overloop een aantal mogelijke antwoorden: omwille van het verhaal; omwille van de identificatie met personages; omwille van de context; omdat romans ons leren hoe wij moeten leven; omdat ik de tijd die ik in het lezen van de roman investeer niet werkelijk hoef te leven; omdat lezen statusverhogend is; omwille van de stijl; omwille van het genot.

In het kort gezegd komen de argumentaties die ik bij elk van deze redenen ontwikkel hierop neer.

Wie enkel omwille van het verhaal romans leest, verliest zijn tijd.

Wie enkel herkenning in de personages zoekt, verliest belangrijkere kwaliteiten van de roman uit het oog.

De context in een roman kan interessant zijn, maar wellicht kan wie vooral daarin geïnteresseerd is beter non-fictie lezen.

Zelden gebeurt het dat een roman ons leert hoe we moeten leven.

Escapisme verklaart niet alles – en al zeker niet waarom we de pijn die goede romans kunnen opleveren niet uit de weg gaan.

Status? Iedereen voelt aan dat snobisme geen afdoende verklaring kan zijn.

Blijven over: stijl en genot.

Meestal wanneer wij zeggen dat wij een goede roman hebben gelezen, komen wij niet verder dan de vaststelling dat hij ‘goed geschreven’ is. ‘Vlot geschreven!’ ‘Leest als een trein!’ Een ‘pageturner’! Wat bedoelen we daarmee? Wat betekent dat, ‘goed geschreven’?

We hebben het dan over de stijl van de auteur. Wat is stijl?

Stijl – dat is toch mijn overtuiging – heeft, ook in een bredere zin, met onvermogen te maken. Met hoe we met dat onvermogen omgaan. Ik citeer mezelf: ‘Woorden schieten altijd te kort, elke omschrijving is ontoereikend. Stijl is dan de manier waarop de schrijver met deze ontoereikendheid omgaat. Met stijl bindt hij een strik rond zijn onvermogen om de mensen, de dingen, de situaties, de landschappen, de psychologie van zijn personages en de ideeën die hij uiteenzet perfect en adequaat weer te geven.’ Woorden schieten altijd tekort om de werkelijkheid, die veel ruimer en complexer is, weer te geven. De schrijver (romanschrijver en a fortiori de dichter) moet verdichten. (Dat verklaart waarom we in onze ontoereikende pogingen om uit te leggen waarom we een boek goed vonden vaak ook zeggen dat de schrijver ‘poëtisch’ schrijft.) In dit verdichten laat elke schrijver zijn eigen stem klinken. (Of haar eigen stem, uiteraard!) De grootste schrijvers hebben een unieke stem. In hun romans weegt de eigen stijl, de vorm, minstens even zwaar door als de inhoud (het verhaal, de context, de personages…). Preciezer geformuleerd: in het werk van de grootste schrijvers gaat het om het juiste evenwicht tussen vorm en inhoud.

Een beeldend citaat kan misschien verduidelijken wat ik bedoel. In 2012 had Alessandro Baricco een column in La Repubblica. Elke week schreef hij over een boek dat er voor hem toe deed. In zijn bijdrage over de roman 2666 van Roberto Bolaño staat een passage die goed illustreert waar het hier om gaat. Op een gegeven ogenblik zegt Baricco dat het in 2666 helemaal niet, of toch niet in de eerste plaats om ‘het verhaal’ te doen is. Het lijvige boek bestaat eigenlijk uit vijf romans, en die vijf romans zijn een kluwen van verhalen. ‘[H]et kolkte schaamteloos van de verhalen’, schrijft Baricco. En waar het eigenlijk om gaat, is: ‘het rangschikken van de verhalen naast elkaar, of in elkaar, met een zachtaardigheid die in het echte leven niet voorkomt’ (206-207). En dan maakt Baricco een zeer verhelderende vergelijking, namelijk met iemand die een puzzel van tweeduizend stukken aan het leggen is en die wordt gevraagd wat het voorstelt of wat het zàl voorstellen, ‘Een Zwitsers gebergte of een Rembrandt?’ De romanlezer-slash-puzzellegger kan dan antwoorden: ‘Ik weet het niet, het maakt niet uit.’ Baricco preciseert: ‘Het is het moeiteloze, soepele in elkaar passen van de stukjes waar het om gaat: het is de redeloze belofte, die ook wordt nagekomen, dat er voor elk stukje van het bestaan weer andere stukjes zijn, speciaal gemaakt om daarbij te passen, en wel met een soepelheid die omgekeerd in verhouding staat tot de moeite die het heeft gekost om ze te vinden in de grote hoop van het geheel’. (207)

Dat voor wat de literaire kwaliteit betreft. Nu moet ik met betrekking tot de vrouwenkwestie uit de kast komen en kleur bekennen. Ik lees en apprecieer opmerkelijk veel minder vrouwelijke auteurs. Zou het echt kunnen dat zij minder literaire kwaliteit te bieden hebben?

Nu moeten jullie mij geloven dat ik besef dat ik mij hier op zeer, zeer glad ijs begeef. En dat ik aarzel om mijn conclusies te trekken. Erg woke is het allemaal niet wat ik over deze kwestie te zeggen heb. Maar ik probeer uit te gaan van mijn feitelijke, statistisch vaststelbare persoonlijke lectuurgegevens en daarover luidop na te denken in de hoop dat een confrontatie met de bedenkingen hierbij mij tot nuancering kan bewegen indien dat zou nodig zijn.

Ik had het over hoe literaire kwaliteit volgens mij te maken heeft met een evenwicht tussen vorm (stijl) en inhoud. Ik moet daar eerst nog wat nader op ingaan.

Ik had het in dat verband over de eigen stem van de schrijver (m/v). Deze stem – waarmee de inhoud van het boek wordt ‘uitgesproken’ – laat van zich horen op twee niveaus.

Er is ten eerste het microniveau van de woordkeuze, de zinnen, het ritme, de muzikaliteit. Sommige schrijvers hebben een eigen, uit de duizend herkenbare stem. Ik denk aan Elsschot, Céline, Mutsaers, Reve, Kafka, Auster, Marías, Woolf.

Het tweede niveau is dat van het geheel, de constructie van de roman. Ook op dit macroniveau kan de eigen stem van de auteur zich manifesteren. Ik denk aan de frivole opsommingen en puzzels van Georges Perec (bijvoorbeeld in Het leven een gebruiksaanwijzing); aan de uitzichtloze, schijnbaar onbewogen weergegeven pogingen om ergens te geraken in Het slot van Franz Kafka; aan het motievenorgel van Jeroen Brouwers in De zondvloed; aan Gustave Flauberts persiflage van de flutromannetjes van de romantische school in Madame Bovary; aan de speelse associaties met woord en beeld van Charlotte Mutsaers in Zeepijn

Idealiter sluit deze constructievorm perfect aan bij de inhoud, illustreert en versterkt hij deze zelfs. De drie beste voorbeelden hiervan die ik ken zijn meteen ook drie van de volgens mij allerbeste romans. In De zondvloed maakt Jeroen Brouwers zijn stelling – ‘er is niets dat niet aan iets anders raakt’ – meer dan waar met de constructie van zijn boek. In Alsof het voorbij is (The Sense of an Ending) laat Julian Barnes de tijd in zijn eigen staart bijten. Wanneer je aan het eind bent gekomen is het beste wat je kunt doen: meteen opnieuw beginnen. En dat in een roman die precies gaat over het niet kunnen terugdraaien van de tijd. En in Austerlitz ten slotte slaagt W.G. Sebald er op weergaloze wijze in om een perfecte samenhang tussen vorm en inhoud te verwezenlijken door aan zijn roman dezelfde architecturale structuur op te leggen als die van de beklemmende gebouwen waar hij het voortdurend over heeft.

Ik schreef over dit samengaan van vorm en inhoud in mijn tekst van 2015 dit: ‘Stijl laat zich ook gelden in de manier waarop de schrijver zijn constructie, zijn bouwwerk, opzet. De romanschrijver is niet alleen een dichter en zanger, op het niveau van de zinnen, hij is ook een componist, of een architect, op het niveau van de gehele roman. Bij dit componeren of bouwen spelen vele technieken een rol: de omgang met de tijd (chronologie, flashbacks, etcetera...), het vermogen om te associëren en verbanden te leggen, om op zoek te gaan naar verwantschappen, enzovoort. In het beste geval moet de vorm noodzakelijkheid vertonen. Idealiter zou het zo moeten zijn dat, gegeven een bepaalde inhoud, het niet anders kán dan dat het boek op die welbepaalde manier is geconstrueerd. Vorm en inhoud horen verweven te zijn. Zoals de inhoud een bepaalde vorm noodzakelijk maakt, zo illustreert en bekrachtigt de vorm de inhoud.’

Voilà, dat is wat ik nog over literaire kwaliteit moest zeggen. En nu, eindelijk, de vrouwenkwestie, het gladde ijs. Ik stap op de dichtgevroren vijver en schuif voetje voor voetje verder totdat het ijs begint te kraken.

Ik maak – en zal altijd maken – een onderscheid tussen de mannelijke en de vrouwelijke blik. Die uit zich niet alleen in het gewone leven (met alle vreugden maar ook narigheden van dien) maar ook in zowel het lezen als het schrijven. Welnu, jongetjes spelen nog altijd liever met de blokken en meisjes met de poppen. Daar is op zich niets mis mee. Het is geen waardeoordeel, het is een vaststelling. Mannen zijn bouwers. Ze trekken constructies op. Ze leggen verbanden. Je hebt ook bij architecten, kunstschilders, componisten en dirigenten een niet tot sociale of economische beperkingen en historische discriminaties te herleiden disproportionele verhouding tussen mannen en vrouwen.

Ik zoek in romans niet alleen inhoud en stijl op het microniveau, maar ook constructies en congruenties op het macroniveau. En dus lees ik het liefst boeken die door mannen zijn geschreven, of door vrouwen die een uitzondering vormen op de door Anna Enquist bevestigde regel, namelijk dat vrouwelijke auteurs zich vooral bezighouden met de ‘“kleinere thema’s” en sociale relaties’.

Ik weet dat dit een ouderwetse opvatting is en dat ik velen ermee op stang jaag – maar echt, een andere welvoeglijke verklaring voor de wanverhouding tussen mannen en vrouwen in mijn bibliotheek, leesgedrag en literaire voorkeuren weet ik niet te vinden.

En nu keer ik snel terug naar de veilige oever van de dichtgevroren vijver.

Er zijn wel degelijk uitzonderingen bij de vrouwelijke auteurs, dat weet ik wel, en ze komen, naarmate het sociologisch en economisch onderscheid tussen mannen en vrouwen vager wordt steeds vaker voor, heb ik de indruk. Het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke literatuur lijkt de jongste decennia snel te verkleinen. Ik zie steeds vaker vrouwelijke auteurs (Olga Tokarczuk, Siri Hustvedt, Niña Weijers, Ali Smith – dat zijn maar enkele van de voorbeelden die ik ken) die experimenteren met wat ik hier het macroniveau van de vorm noem.

Ik moet hier nog een paar extra-literaire verklaringsmodellen aan toevoegen voor het feit dat vrouwen anders schrijven dan mannen en in het algemeen zeer lange tijd veel minder aan bod kwamen in de literaire canons en dat dit nu aan het veranderen is.

Er is een biologische factor, een psychologische factor en een economische factor.

Eerst de biologische factor. Vrouwen menstrueren en baren. Dat lijkt een banale, om niet te zeggen grove en mogelijk zelfs politiek incorrecte vaststelling. Maar het is wel een gegeven dat hen meer dan mannen weghoudt van de schrijftafel. Alleen al het feit dat zij twee tot drie dagen per maand fysiek gehinderd worden in hun intellectuele activiteit, maakt dat zij benadeeld zijn in het perfectioneren van hun talent. Als ze kinderen krijgen, gaat het zelfs over weken en maanden en loopt de achterstand nog veel verder op. Gelukkig zijn er tegenwoordig middelen om deze biologische ongelijkheid te verkleinen. Vrouwen krijgen ook veel minder kinderen. Vrouwelijke auteurs kunnen zich met andere woorden steeds meer aan het schrijven wijden, ja, zij kunnen ook het krijgen van kinderen tot na de lancering van hun literaire carrière uitstellen.

Ook de psychologische factor moet ik hier zeker vermelden. Ik hoorde de onverdachte bron Anna Enquist erover bezig in een recente aflevering van Berg en Dal. Zij haalde de feministische schrijfster Camille Paglia aan, die in Het seksuele masker opperde dat er – en ik citeer – net zomin als er een vrouwelijke Jack The Ripper bestaat, ook geen vrouwelijke Mozart kan opstaan. Anna Enquist zegt: mannen zijn agressiever en daadkrachtiger, ze hebben meer geldingsdrang. Ze worden ook nog altijd zo opgevoed. Dit sluit aan bij wat ik ooit eens bij George Steiner las – maar dat is een verklaringsmodel dat in onze tijd bijna niet meer uitspreekbaar is: de vrouw verwerkelijkt haar basisbehoefte aan creativiteit in het baren van kinderen en houdt dus minder van die behoefte over voor het creëren van literatuur (en van kunst in het algemeen).

Ten slotte is er nog een economische factor die ik zeker moet vermelden, en wel een die zorgt voor een kentering in de verhouding tussen de seksen in de literatuur. Uitgeverijen zijn tegenwoordig niet langer culturele instellingen die een rol spelen in de bewaking van de literaire ontwikkeling maar wel in de eerste plaats – om niet te zeggen uitsluitend – door economische imperatieven gedreven bedrijven. Zij publiceren met andere woorden niet per se louter en alleen datgene wat zij kwalitatief het meest hoogstaand achten maar wel datgene waarvan zij denken dat het de grootste winsten zal genereren. Dit heeft zeker een impact op de verhouding tussen mannelijke en vrouwelijke auteurs in de hedendaagse uitgeefpraktijk, zeker in een leesomgeving waar – zoals alle onderzoeken bevestigen – fictie veel meer door vrouwen dan door mannen wordt geconsumeerd.

Tot slot heb ik nog een uitsmijter.

Ik keer nog even terug naar Alessandro Baricco. Zijn boek, Een bepaald idee van de wereld, bestaat uit vijftig hoofdstukjes over vijftig verschillende boeken uit diverse genres. Het is nu natuurlijk verleidelijk om eens te turven hoe het bij Baricco zit met de verhouding tussen de seksen. Welnu: van de vijftig boeken die Baricco heeft gerecenseerd hebben er tien een vrouwelijke auteur. Dat is, inderdaad, 20 procent.

Ik besef dat ik met deze uiteenzetting het risico loop mij aan uw banbliksems bloot te stellen. Wees genadig! Maar: blijf vooral lezen wat u zelf graag leest! Onderzoek uw leesgedrag! Sla ook eens aan het tellen op uw boekenplanken en in uw lijstjes. En breng mij dan op de hoogte van de conclusies van uw onderzoek.

 


notitie 103

(220130)

EEN DURE V

 

Als ik niet naar FIP of een andere internetzender luister waarop niet om de haverklap reclame of nieuws wordt gespuid, dan naar Radio 1, het eerste net van de Vlaamse Radio en Televisie ofte VRT. Ooit was dat, toen de V nog een B mocht zijn, de BRT. Ik volg niet zo veel programma’s. Als ik erin slaag de reclame te skippen, luister ik één of twee keer per dag naar het nieuws. Sommige rubrieken van Nieuwe feiten vind ik leuk en af en toe, tegenwoordig steeds vaker via podcast, luister ik naar Touché of Interne keuken, twee programma’s waarin het nog eens over iets mag gaan en waar de spreker langer dan tien seconden aan het woord mag blijven zonder te worden onderbroken. Er zijn een paar radiocoryfeeën aan wie ik een gloeiende hekel heb, maar mijn psychiater heeft mij aangeraden daar niet te veel lucht meer aan te geven omdat ik anders in ademnood dreig te komen. Ze sprak zelfs van levensbekortende ergernis. Ik neem dat soort waarschuwingen zeer au sérieux.

Om maar te zeggen dat ik als gemiddelde Radio 1-klant min of meer goedgeplaatst ben om de volgende opmerking te maken. Dat het bizar is hoe een verandering van huisstijl je eerst helemaal uit je lood lijkt te slaan, waarop alles verbazend snel naar een normaal verwachtingspatroon terugkeert. Alsof er een steen in een vijver is geworpen, wat enige kabbeling veroorzaakt, waarna de golfkringen uitdijen totdat het wateroppervlak weer effen is. Zo’n huisstijlaanpassing heeft ongetwijfeld flink wat geld gekost, wat vreemd mag heten als je overdenkt dat het à la limite de bedoeling is dat de luisteraar op korte termijn niet meer hoort dat er iets veranderd is.

Radio 1 heeft dus een nieuwe huisstijl. De programma’s hebben andere tunes gekregen, er zit nu een opdringerig muziekje onder de nieuwsberichten, en er is – hoe kon het anders want het heeft geld gekost! – een andere baseline: ‘VRT Radio 1 Alles begint bij luisteren’.

Vroeger – jaja, opa, toen alles beter was – luidde die baseline: ‘Radio 1 Altijd benieuwd’. Ik vond dat een goede baseline. Je wist meteen dat je op de juiste zender had afgestemd. In het woord ‘benieuwd’ zaten de actualiteit en het nieuwe, het nieuws en het bijdetijdse. En meteen werd ook aan klantenbinding gedaan: ‘altijd’. Trouw, vertrouwen, vertrouwdheid.

Maar nu begint alles opeens bij luisteren. Tja, wat moet ik daarvan denken. Bij luisteren? Ik zou zeggen: mét luisteren. Vooraleer je zelf een mening vormt, moet je eerst luisteren. En daarmee begint het dus. Als je zegt dat het bij luisteren begint, dan lijkt dat luisteren minder essentieel. Je kunt ook zeggen dat iets bij de bushalte begint, of bij het strijken, of bij het haardvuur. Maar goed, taalbollebozen zullen zich daar wel de kop op gebroken hebben, of het nu bij of met moest zijn.

Het meest in het oog springende element van de nieuwe baseline is natuurlijk de toevoeging ‘VRT’ helemaal vooraan. Want dat was een van de belangrijkste uitkomsten van het recente gebruikersonderzoek dat in opdracht van de VRT was uitgevoerd. Daaruit was gebleken dat de luisteraars en kijkers van MNM en Canvas en Klara en Radio 1 hun eigen merk wel kenden, maar niet het overkoepelende ‘VRT’. Zij snapten niet dat bijvoorbeeld Radio 1 een onderdeel was van de Vlaamse openbare omroep. Om meer te zeggen: dat zou hun worst wezen. Vlaanderen kwam onvoldoende in de verf. En in een Vlaams-nationaal Vlaanderen kan zoiets natuurlijk niet. Vandaar: de huisstijlaanpassing.

Het – wellicht niet onbedoelde – resultaat is nu natuurlijk dat die V helemaal vooraan staat. ‘Beste luisteraars van Radio 1,’ zo luidt de subliminale boodschap, ‘dit is wel degelijk een zender van de Vlaamse radio en televisie. Vergeet het niet, u zou iets belangrijks kunnen missen.’

Het past helemaal in de indoctrinatie die nu al een paar jaar bezig is waarbij veel van wat vroeger niet expliciet Vlaams werd genoemd (terwijl het wel zo was) nu wél als dusdanig wordt voorgesteld. De Vlaamse Kust, Sport Vlaanderen, de Vlaamse Brede Heroverweging. Enzovoort.

Het doet mij onmiddellijk denken aan de Radio 1-coryfeeën Ruth Joos en Fried’l Lesage die in hun vragen altijd graven naar het vaarom en het vat en het vanneer. Ik heb nooit begrepen waarom ze zich die nuffige dictie-eigenaardigheden veroorloven, maar nu begint het mij te dagen! De V moet alomaanvezig zijn! Veg met de v van Vallonië en leve de V van Vlaand’ren!

6358

Damme, IJsberg, installatie van Nils Verkaeren - 211205