donderdag 16 mei 2013

facebookbericht 378


Dit kan natuurlijk niet. Maar ik vraag me ook af waarom de curatoren zijn gezwicht. En waarom Schuiten zich niet terugtrekt.

3232

Brussel, Botanique - 130131

woensdag 15 mei 2013

reactie


Dag Pascal,
Ik was geboeid door je wedervaren bij fietshandelaar Wanneyn. Zelf heb ik ook al een paar keer norse blikken getrotseerd als ik hulp zocht voor een tweedehands vehikel. Nu, ik kan me wel de ergernis van een fietsenmaker voorstellen als hij een snel ineen geflanste Aldifiets moet depanneren. Maar toch: elke klant brengt brood op de plank en is later een potentiële koper. En er zijn ergere dingen dan aan een Koga werken.
En als je een alternatieve reparateur zoekt; Jan Verplancke werkt al 20 jaar als thuisbegeleider van mensen met een beperking. Omdat hij ook nog wat anders wil meemaken dan de groeiende bureaucratisering van de sociale sector werkt hij sinds kort halftijds als fietsenmaker. Hij wil vast je fiets met plezier onder handen nemen en het is een fijne mens.
Ik stuur je nog zijn flyer via je mailadres.

Vriendelijke groeten,
K.G.

3231

Sint-Michiels, tuin van het Psychiatrisch Ziekenhuis OLV - 130122

dinsdag 14 mei 2013

13 in z/w 125

Sint-Kruis, Eikenberg

geen verloren tijd 61


I:513-525

Zoals Marcel nu Swann hoort praten, zo praatte hij, voor zijn val, niet. De mensen die hij nu belangrijk genoeg acht om waarderend te vermelden, zouden vroeger nooit zijn aandacht hebben getrokken. Het is dan ook nutteloos, commentarieert Proust, d’observer les moeurs, puisqu’on peut les déduire des lois psychologiques (513:14-15). Omgangsvormen? ’t Zit allemaal tussen de oren.

De coterie van de Guermantes was tenminste nog zo verheven dat je er kon worden geselecteerd op esprit en op of iemand al dan niet interessant was. Iemand als Madame Bontemps zou er nooit een kans hebben gekregen. Enkel bloedaristocratie kreeg er vrije toegang, ook al waren de exponenten ervan saai en dom. In dat geval werd er, met de naïveté des gens du monde (514:18) gezocht naar een reden om hun gezelschap toch agréable (514:19) te vinden. Nu slooft Swann zich uit om zelfs een Madame Bontemps aangename eigenschappen toe te dichten – en daarmee toont hij hoe hij zich, als een kameleon, weet aan te passen aan de nieuwe omstandigheden.

Op het thuisfront volgen de ouders van Marcel met veel belangstelling de opeenvolging van nieuwe namen bij de Swanns. Marcels moeder vergelijkt de veroveringen van Mme Swann met overwinningen op buitenlandse slagvelden tijdens koloniale oorlogen. Zij weet ook heel goed waarom Mme Cottard is toegelaten tot de coterie van de Swanns. Mme Cottard wordt niet omwille van haar kwaliteiten door de Swanns gewaardeerd maar wel omwille van haar mogelijke hoedanigheid als boodschapster: une grande partie des plaisirs qu’une femme trouve à pénétrer dans un milieu différent de celui où elle vivait autrefois lui manquerait si elle ne pouvait informer ses anciennes relations de celles, relativement plus brilliantes, par lesquelles elle les a remplacées (516:2-7) – en van Mme Cottard wordt gehoopt dat zij de achtergelaten groep op de hoogte zal brengen van hoe ‘ver’ Mme Swann het inmiddels heeft geschopt. Zo wordt Mme Cottard gebruikt als een insect dat komt snoepen van de nieuwe omgeving – waarop men kan hopen dat zij naar haar oude omgeving terugkeert om daar de ‘kiem van afgunst en bewondering’ te verspreiden zoals een bij dat doet met stuifmeel.

Mme Swann boekt enkel resultaten in le ‘monde officiel’. Les femmes élégantes n’allaient pas chez elle. (516:40-41) Proust vertaalt dit onderscheid in politieke termen: in mijn prille jeugd, zegt hij, kon je je niet voorstellen dat republikeinen naar een salon zouden gaan; dat was een voorrecht voor la société conservatrice (516:43-517:1). Maar de maatschappij verandert, wat de conservatieven er ook van mogen denken, en nu zijn de rollen omgekeerd. En samen met deze omwentelingen worden alle smaakpatronen en voorkeuren omgewenteld. La seule chose qui ne change pas est qu’il semble qu’il y ait ‘quelque chose de changé en France’ (517:40-41). De enige constante is de veranderlijkheid.

Sinds de tijd dat Marcel de Swanns frequenteerde, had de Dreyfus-affaire de verhoudingen gewijzigd: een joodse dame werd geweerd, et des nationalistes obscurs montèrent prendre sa place (517:20). Maar daarvoor kon het gebeuren dat de jood sir Rufus Israels en zijn vrouw lady Israels, die een tante van Swann is, daar nog welkom waren. Swann, quoiqu’il dût vraisemblablement être son héritier (518:5-6), meed lady Israels. Zij was echter de enige van zijn familie die wist welke plaats hij in de beau monde innam voor hij zich met Odette encanailleerde. Lady Israel doet er alles aan Odette de toegang tot de hogere kringen te ontzeggen. Slechts één van haar vriendinnen, de Comtesse de Marsantes, respecteert deze banvloek niet. Op een keer gebeurt het dat deze gravin, lady Israel én Odette zich op hetzelfde feest bevinden. De comtesse doet alsof ze Odette niet kent. Odette heeft de pech dat ze zich op het slechte moment aandient, op een ogenblik dat de ‘kaleidoscoop’ van de maatschappelijke verhoudingen zodanig staat dat er voor dames van meer betwistbaar allooi geen plaats is in de hoogste kringen. Swann van zijn kant lijkt zich niet om de onbeholpenheid en het middelmatige verstand van Odette te bekommeren. Hij is verblind door zijn verliefdheid waarin – voorwaar – des restes de volupté (519:38) aanwezig moeten zijn, anders kun je toch cet asservissement de l’élite à la banalité (519:43-520:1) niet verklaren? Swann zit, mede hierdoor, maar ook doordat hij te conservatief aan de vroegere elite vasthoudt, op de wip. Hij schept er, wat zijn sociale netwerking betreft, een eclectisch plezier in om des bouquets sociaux samen te stellen, en groupant des éléments hétérogènes (521:17-18). Hij gedraagt zich enigszins lichtzinnig als een nonconformistische eclecticus. Dit doorbreken van de society-geplogendheden valt niet bij alle deelnemers in goede smaak: het verstoort de pikorde en zij worden gedwongen ten overstaan van de enen goedkeurend te bespreken wat zij ten overstaan van anderen moeten afkeuren.

Swann keert van deze society-events pas tegen het avondeten terug. Het interesseert hem niet meer, zoals toen hij (282) door de envelop heen een brief van haar aan Forcheville had proberen te lezen, met wie Odette ondertussen had liggen rollebollen. In die tijd had hij zich voorgenomen om, zodra zijn verliefdheid zou zijn uitgewerkt, par simple amour de la vérité et comme un point d’histoire (523:35-36), te zullen achterhalen of Odette die keer werkelijk overspelig was geweest met Forcheville. Maar nu het zo ver is, kan het hem niet meer schelen. Of exacter: de handel en wandel van Odette kan hem niets meer schelen, maar de jaloezie is wel blijven haken aan de plek en het tijdstip waar en waarop hij die jaloezie heeft gevoeld. Het tijdstip waarop Swann dacht dat seule la mort de celle qu’il aimait (524:28-29) een einde zou kunnen maken aan die jaloezie. (Swann vergist zich, aldus Proust in een terzijde: verderop in het boek zal blijken dat de dood ne diminue en rien les souffrances de la jalousie (524:30-31).) En ten slotte verdwijnt ook dat – maar de  pogingen om de waarheid te achterhalen blijven nog een tijdje duren; de macht der gewoonte, als het ware.

Net zoals Swann zich had voorgenomen om, zodra zijn verliefdheid op Odette zou zijn uitgewerkt, te achterhalen of hij destijds terecht jaloers was geweest op haar, zo heeft hij zich ook voorgenomen om zich op haar te wreken met een verliefdheid op een andere vrouw. Maar ook hier draait het anders uit: avec l’amour avait disparu le désir de montrer qu’il n’avait plus d’amour (525:30-31). En Swann doet er alles aan om zijn nieuwe liefde verborgen te houden voor Odette.

3230

Brugge, Katelijnepoort - 130126

maandag 13 mei 2013

13 in z/w 124

Brugge, Jeruzalemkerk

geen verloren tijd 60


I:503-513

Marcel heeft zich dus eindelijk een toegang kunnen forceren tot het privédomein van Gilberte. Wanneer haar ouders hem in het immense trapportaal kruisen – op zijn weg naar Gilberte, nadat hij door een lakei is binnengelaten – groeten ze hem en ze spreken daarbij de t niet uit (Commen allez-vous (504:12)). Dit doet natuurlijk denken aan de al even eigenzinnige en nuffige manier waarop Gilberte haar t’s schrijft. In dat trapportaal valt de immense houten trap op. Volgens Marcel moet het een antieke trap zijn, en zo vertelt hij het ook aan zijn ouders want hij wil hen hetzelfde ontzag inboezemen dat ook hem bevangt. (Al vermoedt hij dat de trap in werkelijkheid helemaal niet zo oud is – hetgeen wordt bevestigd door wat zijn vader zegt: het appartement van de Swanns is van vrij recente datum, en dus die trap ook. Marcels vader haalt trouwens de hele Swann-entourage enigszins naar beneden door te stellen dat hij ooit had overwogen om ook zijn intrek te nemen in zo’n huis, maar dat hij het niet had gedaan, ne les trouvant pas commodes et l’entrée pas assez claire (506:2-3). Marcel verwerpt deze gedachte, die een te grote smet werpt op het prestige des Swann (506:5).)

Marcel mag nu bij Gilberte op theevisite komen, en hij wordt daar telkens voor uitgenodigd door middel van een steeds wisselend kaartje. Na verloop van tijd komt dan hetzelfde kaarttype terug, Gilberte volgt duidelijk een bepaald patroon waarbij zij elk van haar invités een zo groot mogelijke variatie lijkt te willen aanbieden. Net zo is de theeceremonie tot in de puntjes vastgelegd, terwijl Gilberte ook daarin een eigen toets lijkt te kunnen aanbrengen door iedere keer te doen alsof haar gasten een eigen inbreng kunnen hebben: wat zouden jullie ervan zeggen als we ons eens aan de thee begaven? Prousts vergelijking met Kant is geestig: cet ensemble inchangeable et réglé semblait, comme l’univers nécessaire de Kant, suspendu à un acte suprême de liberté (506:18-20).

Binnen wacht steevast een immense chocoladetaart. Samen met de talloze koppen thee die Marcel erbij krijgt opgediend, staat deze garant voor spijsverteringsproblemen en slapeloze nachten. Zodat zijn moeder altijd moet zeggen: ‘C’est ennuyeux, cet enfant ne peut aller chez les Swann sans rentrer malade.’ (507:8-9)

Wanneer hij samen met Gilberte door de vensters, die ooit voor hem vijandig blikkerende, gesloten spiegels waren in de wand van een oninneembare vesting, naar buiten kijkt, naar de gasten die aankomen voor Mme Swann, raakt zij met haar vlechten zijn wangen aan. Marcel is in de zevende hemel.

Soms valt Mme Swann binnen, en dan spreekt ze op dat ‘behaagziek dwingende’ toontje dat ze van Mme Verdurin heeft overgenomen. Zij informeert naar Marcels ‘nurse’, waarmee zij Françoise bedoelt. Marcel heeft zich altijd voor Françoise geschaamd, maar nu blijkt het net Françoise te zijn die de Swanns voor hem heeft ingenomen. Aussitôt je changeai entièrement d’avis sur Françoise. (508:34-35)

De toegang – onverhoopt verkregen – tot Gilbertes domein opent alweer een andere toegang tot een nog hogere, ‘bovennatuurlijke’ ruimte: Le royaume dans lequel j’étais accueilli était contenu lui-même dans un plus mystérieux encore où Swann et sa femme menaient leur vie surnaturelle (509:5-8). Soms, wanneer Gilberte zelf niet thuis is, wordt hij tot bij Swann of Mme Swann geroepen. Terwijl hij er adviezen met betrekking tot Gilbertes opvoeding aanhoort, wordt hij als het ware bedwelmd door de met kunstwerken volgestouwde interieurs. Hij kan er niet van genieten, zo overdonderd is hij. Hoewel, de voorwerpen stralen er toch een sentiment particulier, triste et voluptueux (510:18) uit. Dit samengaan van weelde en tristesse lijkt cruciaal – maar op welke manier?

Mme Swann praat hoogstbekakt. Zij bezigt te pas en te onpas de uitdrukkingen van aanzienlijke zowel als van onaanzienlijke personen. De eerste soort uit statusverhogend conformisme, de tweede uit een vorm van ironisch dedain.

Wanneer M. Swann thuiskomt, beklaagt hij zijn vrouw omdat ze zoveel visite moet ontvangen. Kijk, nu is ook nog Madame Bontemps bij haar, la femme du chef de cabinet du ministre des Travaux publics (511:33-34). De relaties van Madame Bontemps raken op een ingewikkelde manier aan Albertine, die een paar klassen lager zat dan Gilberte, en van wie Gilberte zegt dat ze vast en zeker ooit très ‘fast’ zal worden, mais en attendant elle a une drôle de touche (512:36-37). Dit is de eerste vermelding van Albertine, die in de Recherche nog zeer vaak ter sprake zal worden gebracht.

wolken 627-629


wolkenfragmenten uit Alain de Botton, Religie voor atheïsten

627
Spinoza had niets op met de idee van een antropomorf Opperwezen dat zijn volgelingen vanaf een bergtop kon aanspreken en in de wolken huisde. (193)

628
Waarschijnlijk was de zonnige vroege namiddag, waarin wolkenslierten boven een zachtblauwe horizon dreven, bijzonder prettig en zorgeloos voor de soldaat die met zijn spies over zijn schouder naar huis liep, zich al verheugend op de omelet of de kippenpoot bij zijn avondmaal. (225)

629
Instituten vertrouwen erop dat de aanblik van hun logo, of dit nu op een verre berghelling, een wolkenkrabber, een laken of een pij staat, onmiddellijk de aanwezigheid van bepaalde waarden duidelijk maakt en wordt opgevat als een garantie voor uniformiteit en kwaliteit. (279)

3229

Brugge, Hallen - 130126

zondag 12 mei 2013

13 in z/w 123

P. en F.

13 in z/w 122

Brussel

niet opgenomen 11


3228

S. - 130120

zaterdag 11 mei 2013

schrikkel 365b


Terwijl ik in Somerset House naar de prachtige foto’s van Saul Leiter sta te kijken (van wie ik in Charleroi een paar jaar geleden de tentoonstelling miste), word ik aangesproken door een man die me in meer dan één opzicht aan X. doet denken: fysionomie, schutterigheid, melomaan tot in het voorkomen, intellectueel, ietwat excentriek. Hij vraagt me iets technisch-Testaankoopachtigs over het fototoestel dat over mijn schouder hangt, en we raken aan de praat over fotografie als een goede manier om op een nieuwe manier naar de werkelijkheid te kijken. Een kort contact, dat echter wel een zin in zich draagt. Ik geef de man mijn blogadres. Ik heb niets meer van hem gehoord.

13 in z/w 121

Brugge, Stil Ende

13 in z/w 120

Brugge, Zand, Meifoor

geen verloren tijd 59


I:495-503

Marcel wordt ziek. Hij lijdt aan regelmatig terugkerende aanvallen van benauwdheid. Hij probeert de ziekte te onderdrukken omdat hij vreest dat hij, ziek verklaard, niet de toelating zal krijgen om op de Champs-Elysées met Gilberte te gaan spelen. Hij slaagt in zijn opzet, mag naar buiten, maar keert doodziek terug. Zijn grootmoeder lijkt zich nog het meest zorgen te maken over hem. Marcel probeert zijn ziekte in die mate onder controle te houden dat hij bij zijn grootmoeder net genoeg medelijden opwekt, zonder haar evenwel al te zeer te verontrusten. Proust laat bij zijn personages ook de fysiologische krachten en dysfuncties mee optrekken in het gemaskerd bal van de sociale betrekkingen en symbolische uitwisselingen!

Maar op een dag is Marcel echt ernstig ziek, ernstig genoeg om er dokter Cottard bij te roepen. Nadat Proust een korte uiteenzetting heeft gegeven over hoe moeilijk het wel voor een dokter moet zijn om een juiste diagnose te geven – gelijke symptomen kunnen het gevolg zijn van verschillende ziektes, terwijl de heilzame behandeling voor de ene noodlottige gevolgen kan hebben voor het verloop van de andere – laat hij Cottard een melkdieet en purgeermiddelen voorschrijven, zeer ten detrimente van Marcels moeder, die ervan overtuigd is dat haar zoon moet aansterken. Eerst laat zij het voorschrift niet opvolgen, maar na drie dagen, als is gebleken dat de toestand van Marcel nog verslechtert, van lieverlede wel – met gunstig gevolg. (N)ous comprîmes que cet imbécile était un grand clinicien (499:13). Marcel, evenwel, wordt het verboden om nog naar de Champs-Elysées te trekken. De lucht zou er niet gezond zijn, maar Marcel gelooft die smoes niet: je pensais bien qu’on profitait du prétexte pour que je ne pusse plus voir Mlle Swann (499:16-17).

Op zijn ziekbed krijgt Marcel op een dag een brief van Gilberte. Het handschrift vertoont een bijzonder kenmerk: bijna alle woorden lijken onderstreept doordat de schrijfster het streepje van haar t’s los ervan boven de woorden plaatst. Marcel kan niet geloven dat de brief echt is en hij vraagt zich af of hij zich niet in een werkelijkheid bevindt, parallel met de gewone werkelijkheid, maar échter. De brief zelf is kort en bevat een uitnodiging om op de thee te komen. Het geluksgevoel dat Marcel als gevolg van deze brief ervaart, situeert zich eerst en vooral op het vlak van zijn zenuwen; pas daarna dringt het echt tot hem door. Hij leest de brief keer op keer overnieuw en overlaadt hem met kussen. Alors, je connus mon bonheur (500:41): pas dan dringt het geluk volledig tot zijn bewustzijn door.

Marcel overweegt de mogelijkheid dat achter deze epistolaire doorbraak een manoeuvre van zijn moeder zit, maar hij weert deze overpeinzing af: in zaken van liefde is het beter de zaken niet rationeel te willen verklaren; zaken van liefde – of het nu om catastrofes gaat dan wel om certaines solutions heureuses (502:3-4) – semblent régis par des lois plutôt magiques que rationnelles (501:13-14). Nuja, gelukkige oplossingen: die zijn zelden mogelijk in een kwestie waar toute satisfaction qu’on lui donne ne fait généralement que déplacer la douleur (502:8-9). In het beste geval is het resultaat niet meer dan een tijdelijke illusion d’être guéri (502:10-11).

Toch gaat Marcel op zoek naar een rationele verklaring voor de brief. Hij vindt deze in een recent voorval waarvan hij dacht dat hij zich daardoor voorgoed bij de Swanns onmogelijk had gemaakt. Een van de keren dat Cottard net met hem klaar was (zijn ouders hadden hem weer toegelaten na zijn min of meer geslaagd melkkuur), was Bloch langsgekomen. Bloch vertelde dat hij van een van Mme Swanns vriendinnen had vernomen dat Mme Swann goed kon opschieten met Marcel. Maar dat, overweegt Marcel, kan hij alleen maar vertellen omdat hij denkt dat het voor hem statusverhogend is, niet omdat het waar is. Cottard dan weer, die ook Mme Swanns huisarts is, meent dat het voor hem statusverhogend zou zijn om bij haar over Marcel te spreken.

En zo komt het dat Marcel toegang krijgt tot het huis van de Swanns.

3227

Brugge, Boeveriepoort - 130117

vrijdag 10 mei 2013

los ingeslagen 91


14 maart 2013

‘Hoe snel is het internet’, schrijft een Facebookcontact op zijn status enkele minuten nadat de nieuwe paus op het balkon is verschenen, en hij linkt er een bericht aan vast over het onduidelijke politieke verleden onder dictator Videla van de man die zich nu Franciscus I wenst te laten noemen. Iemand anders was echter nóg sneller geweest en toeterde al vóor bekend was wie de uitverkorene zou zijn: ‘en daarissem; daarissem: Paus Pedofilius den eerste’.

Een nachtje later hadden 94 mensen hiervoor al een ‘vind ik leuk’-duimpje opgestoken. Maar tegen dan had zich ook al een hele discussie ontsponnen, eentje met liefst 67 interventies – en ondergetekende had dit in gang gestoken. Na de eerste reactietjes, die nogal gemakzuchtig ingingen op het pedofielenthema, schreef ik dat journaliste Saskia Van Nieuwenhove (want zij was de auteur van het Pedofilius-grapje) mij ontgoochelde, zeker omdat ik haar al een hele tijd bewonder omwille van haar gedreven inzet voor gerechtskinderen, migrantenkinderen en de zwakkeren in de samenleving – zij doet dat met een ongebreidelde energie en weet vaak door te stoten tot in parlementaire kringen, waardoor zij af en toe ook resultaat weet te boeken in dossiers die ‘normaal gezien’ veroordeeld zouden zijn tot jaren durende procedureslagen en – meestal – de vergeetput. Een paar mensen traden mijn afkeuring bij, maar de meesten gingen toch verder met de nieuwe paus als pars pro toto voor het hele instituut Kerk te zien en haalden het hele arsenaal van gemakkelijke en voor de hand liggende verwijten boven: kindermisbruik, homohuwelijk, abortus, condooms, enzovoort. En dan was er nu ook: medeplichtigheid aan een militaire dictatuur.

Vermeende medeplichtigheid. Maar ja, stilzwijgen is goedkeuren – ik kan daar wel inkomen. Maar dan hebben we allemaal boter op ons hoofd.

Ik ben niet kerkelijk, niet eens gelovig, ik heb absoluut geen sympathie voor het instituut. Ik vind niet dat medeplichtigen aan dictaturen aan het hoofd van een kerk horen te staan (mocht dit blijken zo te zijn, dan zit de kerk met een serieus probleem; ik kan me niet voorstellen dat ze dat niet eerst ernstig onderzocht hebben). Ik vind dat abortus en het homohuwelijk moeten kunnen. Ik ben tegen pedofielen en elke andere vorm van (machts)misbruik. Maar ik vind dat vooroordelen nooit sterker mogen zijn dan het kritisch onderzoek, en ik vind ook dat je de vele miljoenen die in hun geloof een troost vinden dat comfort moet gunnen – ook al is het een vorm van zelfbedrog.

13 in z/w 119


3226

130201

donderdag 9 mei 2013

13 in z/w 118

Cadzand

13 in z/w 117

Brugge, Hoefijzerlaan

3225

Brugge, Karel de Stoutelaan - 130118

woensdag 8 mei 2013

geen verloren tijd 58


I:486-495

Op 1 januari legt Marcel samen met zijn moeder nieuwjaarsbezoeken af. De volgorde van de bezoeken wordt ingegeven door de geografische ligging van de verschillende adressen die moeten worden aangedaan. Maar al op het eerste adres is Marcels moeder verontrust omdat daar tegelijkertijd een ver familielid zich aandient en die zal natuurlijk verongelijkt zijn omdat hem niet als eerste de eer van een bezoek is bewezen. (Waarbij natuurlijk de vraag rijst: als Marcel en zijn moeder eerst naar daar waren gegaan, dan zou dag familielid niet thuis zijn geweest want hij bevindt zich hier. Of gaat dat met aankondigingen, berichten vooraf? Wellicht wel.) Na de bezoeken geeft Marcel aan een gemeenschappelijke leverancierster een brief voor Gilberte af waarin hij voorstelt om met het nieuwe jaar de vriendschap nieuw leven in te blazen. Op de terugweg koopt Françoise enkele portretkaarten voor haarzelf (van Pius IX en Raspail), en Marcel komt er een van Berma. De foto toont haar onvolmaakte en kwetsbare schoonheid.

Il soufflait un vent humide et doux. (487:21-22) Door dit banale meteorologische gegeven dringt het door tot Marcel dat het kalenderfeit van het nieuwe jaar niet zal zorgen voor een plotse omwenteling in de gevoelens van Gilberte: alles zal bij het oude blijven. Marcel voelt zich moedeloos en oud. In bed bekijkt hij de foto van Berma en hij beeldt zich in dat de actrice zich op dit eigenste ogenblik het geflikflooi van jonge mannelijke bewonderaars laat welgevallen. Hij kan niet beletten dat Berma op dat ogenblik des joies surhumaines et vagues (488:39-40) krijgt en geeft. Hij wordt er zo triest van dat hij beseft: A ce moment-là, un mot de Gilberte n’eût peut-être pas été ce qu’il m’eût fallu. Wat hem triest doet inzien: Nos désirs vont s’interférant et, dans la confusion de l’existence, il est rare qu’un bonheur vienne justement se poser sur le désir qu il’avait réclamé. (489:2-6). Behoefte taalt niet enkel om bevrediging maar ook op tijdige bevrediging – en dat maakt het natuurlijk nog eens extra moeilijk.

Marcel blijft bij mooi weer naar de Champs-Elysées trekken. Hij staat stil bij de gebouwen, hun schoonheid en hun ouderdom. Maar Gilberte krijgt hij niet te zien. Et pourtant j’aurais eu besoin de la voir, car je ne me rappelais même pas sa figure. (489:31-32) En dat terwijl hij zich heel goed les visages inutiles et frappants (490:10-11) voor de geest kan halen. Hoe zou dat komen? Wellicht doordat de zintuigen bij een ontmoeting met een geliefd persoon zo uit zijn op een bevestiging of een inwilliging van het verlangen, dat de geest te bezet is om het visuele beeld op te slaan. Het is zeker niet zo dat het zich niet kunnen herinneren hoe Gilberte eruitziet betekent dat hij haar niet meer graag zou zien, overweegt Marcel.

Ten slotte komt Gilberte toch opnieuw spelen op de Champs-Elysées. De amourette neemt een nieuwe complexe wending: Gilberte verklapt Marcel dat haar ouders hem helemaal niet graag hebben. Zij zouden, bijgevolg, zijn avances ten aanzien van haar met lede ogen aanzien. Marcel leidt hieruit af dat Swann zijn, Marcels, gevoelens voor hem verkeerd inschat en hij schrijft Gilbertes vader een brief van zestien bladzijden om hem duidelijk te maken dat hij hem wel degelijk erg hoog inschat. De volgende dag rapporteert Gilberte hoe de brief bij haar vader is aangekomen: ‘Tout cela ne signifie rien, cela ne fait que prouver combien j’ai raison.’ (491:27-28) Marcel beseft dat Swann wellicht zijn (Marcels) edelmoedigheid niet erkent omdat hij (Swann) er een derivaat in ziet van Marcels gevoelens voor Gilberte. Dat besef maakt hem wanhopig.

Françoise onderbreekt deze nare bespiegelingen. Zij moet naar de wc en zij draagt Marcel op haar op te wachten bij de ingang van het paviljoentje waarin deze voorziening publiek wordt aangeboden. Vreemd genoeg vormen de vochtige muren van het paviljoentje een tegenwicht voor de beslommeringen met betrekking tot Gilberte en haar vader buiten in het park. Marcel ervaart in het paviljoentje met openbare wc-inrichting un plaisir non pas de la même espèce que les autres; het gaat om un plaisir consistant (…) riche d’une vérité durable, inexpliquée et certaine (492:19-24). Dit genot doet Marcel niet verlangen naar het genieten van deze indruk, maar naar: descendre dans la réalité qu’elle ne m’avait pas dévoilée (492:29-30). De essentie van deze in de urinoir geopenbaarde indruk is dus iets achterliggends, iets alsnog verborgens. Het is iets wat Marcel aan zijn wandelingen naar de kant van Guermantes doet denken, toen hij ook naar aanleiding van een ouwelijke geur het verlangen kreeg om daarin dieper door te dringen.

De wc-madam, volgens Françoise een verlopen markiezin, verstoort Marcels overpeinzingen door hem een cabine aan te bieden – wat Marcel weigert; hij overweegt nog dat als de markiezin du goût pour les jeunes garçons (493:8-9) zou hebben, dat zij toch niet al te veel succes heeft want iemand anders dan de vieux garde forestier du jardin (493:15) heeft hij hier nog niet gebruik zien maken van de sanitaire voorzieningen.

In deze hele scène met het openbaar toilet resoneren connotaties met: onderwereld, pederastie, verboden seks op openbare plekken, enzovoort. De verlopen markiezin/wc-madam lijkt een onderwereldse figuur, zij heeft iets van een kwalijke heks, een pontvaarster op de Styx.

Marcel keert terug naar Gilberte, die zijn brief aan haar vader terug heeft meegebracht. Maar zij geeft hem niet meteen aan Marcel terug, hij moet er voor vechten – en in een soft-erotische omstrengeling vechten beide kinderen om de brief. (De omstrengeling is in die mate niet onschuldig dat Marcel inwendig bekent dat Swann misschien wel gelijk heeft als hij denkt dat hij, Marcel, geen eerbare partij is voor zijn dochter.) Tijdens deze omstrengeling doet zich iets voor wat we moeilijk anders dan een ejaculatio praecox kunnen noemen: je répandis, comme quelques gouttes de sueur arrachées par l’effort, mon plaisir (494:8-9) en, alsof dit nog niet duidelijk genoeg is, wat verderop: Peut-être avait-elle obscurément senti que mon jeu avait un autre objet que celui que j’avais avoué, mais n’avait-elle pas su remarquer que le l’avais atteint. (494:15-17)

Terug thuis ontdekt Marcel wat het was dat hem in het openbaar toilet aan Guermantes deed denken: in het paviljoentje hing dezelfde muffe geur als in het kleine kamertje van zijn oom Adolphe in Combray, laquelle exhalait en effet le même parfum d’humidité (494:29-30). Aan die herinnering is een gevoel van groot en evident geluk verbonden. En dan doorzie je hoe Proust dit effect heeft gemaximaliseerd door de muffe geur en de bijbehorende herinnering te laten opduiken op een moment en op een plaats die door hevig contrasteren met wat er op dat ogenblik aan de orde is (Gilberte verleiden in het park van de Champs-Elysées).

3224

130118

dinsdag 7 mei 2013

13 in z/w 116

E.

geen verloren tijd 57


I:480-486

Vader leest de avondkrant. Daarin staat een artikel over de Phèdre-voorstelling. De prestatie van Berma wordt beoordeeld in lyrische bewoordingen: la plus pure et la plus haute manifestation d’art à laquelle de notre temps il ait été donné d’assister (480:40-42). Marcel, die niet helemaal overtuigd was van de voorstelling, roept uit Quelle grande artiste! (481:4-5), maar voelt zich meteen een beetje onoprecht. Hij probeert meteen die onoprechtheid weg te redeneren: is het niet zo dat men in een esthetisch oordeel altijd beïnvloed wordt door iets, iets groters of subliemers, waarover het in dat oordeel niet gaat? Zo kan een schrijver, oordelend over een minderwaardige eigen zin, in die zin iets van het sublieme van een thema van Beethoven naar de eigen zin overhevelen en deze alsnog goed vinden. Of zo kunnen reizigers na een reis vol ongemakken terugkeren met een stapel mooie herinneringen – alleen maar omdat anderen dat van hen verwachten. Vele oordelen zijn onoprecht, meent Marcel. Maar ze worden altijd ingekleurd door ideeën die errond cirkelen, die in zekere zin andere belangen dienen: dans la vie commun que mènent les idées au sein de notre esprit, il est une seule de celles qui nous rendent le plus heureux qui n’ait été d’abord, en véritable parasite, demander à une idée étrangère et voisine le meilleur de la force qui lui manquait (481:31-35). Geen gemakkelijke gedachte om te verwoorden, maar wel een waarin veel waarheid steekt: elk oordeel laat zich voeden door oneigenlijke ideeën, die stammen uit een veld waarover het in dat oordeel niet gaat en die op dat oordeel parasiteren. Geen enkel denkbeeld is onvermengd, ook al wordt het meestal als dusdanig voorgesteld.

De overgang naar de volgende passus verloopt wat bruusk. Opeens heeft vader het over het feit dat Marcel met zijn literaire preoccupaties een carrière als diplomaat lijkt te zullen mislopen – tot groot verdriet van zijn moeder, overigens. Hij is nu geen kind meer, aldus vader, en dus groot genoeg om zelf te beslissen wat hem in dit leven gelukkig zal maken. En hij voegt er nog aan toe: il est peu probable qu’il change (482:2). Je zou denken dat Marcel blij is met deze uitspraken, maar het omgekeerde is waar: ze kwetsen hem op tweeërlei wijze. Ten eerste is blijkbaar, als het niet waarschijnlijk is dat hij nog zal veranderen, het leven al begonnen – alors que chaque jour je me considérais comme sur le seuil de ma vie encore intacte et qui ne débuterait que le lendemain matin (482:21-23). En ten tweede – een conclusie die eigenlijk een variant is op de eerste – beseft Marcel dat hij onderworpen is aan de wetten van de tijd en bijgevolg ook aan de weemoed die hem overvalt wanneer hij ziet wat de tijd doet met de personages van de romans die hij graag leest: je n’étais pas situé en dehors du Temps, mais soumis à ses lois, tout comme ces personnages de roman qui, à cause de cela, me jetaient dans une telle tristesse quand je lisait leur vie (482:27-30).

Marcels ouders kaarten na over het bezoek van de markies de Norpois. Ze vinden vooral de manier grappig waarop Norpois zei dat de meeste bezoekers van Mme Swann van het mannelijk geslacht zijn. Aan Françoise worden de complimenten van de markies overgebracht. Haar behandeling van de gelei waarin zij de boeuf serveerde, als betrof het marmerblokken uit Carrara die zij op de wijze van Leonardo da Vinci had uitgehouwen, was bijzonder goed in de smaak gevallen. Zij is zeer verguld met de lof. Zij vindt zelf ook wel, in alle keukenprinsesbescheidenheid, dat haar kookkunsten die van de beste restaurants overtreffen. Zij het dat zij voor het Café Anglais nog een uitzondering wil maken.